CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 BOPA-onderbouwing Ottoland A103-109

Raadsvergadering 22 juni 2026, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Adviesrecht omgevingsvergunning Ottoland A103-10913.563 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedssfeer van een industrieterrein of spoorweg. Deze geluidsbronnen zijn derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Wel is het plangebied gelegen binnen de invloedssfeer van wegen. Voor het plan is daarom door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd in de bijlage van deze motivering. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: •

•

•

•

‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van de gemeentewegen ten hoogste 30 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de standaardwaarde van 53 dB Lden; De berekende geluidbelasting ten gevolge van de waterschapswegen ten hoogste 52 dB Lden bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de standaardwaarde van 53 dB Lden; De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) alleen hoeven te worden bepaald wanneer de standaardwaarde van een bronsoort overschreden wordt. In dit geval is er géén sprake van overschrijding van de standaardwaarden en daardoor hoeven de gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) niet beoordeeld te worden. De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM) en de gezamenlijke geluidbelasting (Lg) bedragen 52 dB Lden. Aangezien er géén sprake is van overschrijding van de standaardwaarden is het woon- en leefklimaat acceptabel; De woning alzijdig over geluidluwe gevels en geluidluwe buitenruimte beschikt, zodat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.’

35

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft geluid geen belemmeringen.

36

4.5 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet moeten bij een ruimtelijke procedure een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd worden. Op grond van paragraaf 2.2.1.1, de artikelen 5.50 en 5.51, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 5: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max. 35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 g/m³ gemiddelde Indien een plan voorziet in activiteiten die leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 μg/m³ of minder, dan draagt de activiteit niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is toetsing niet nodig.

In artikel 5.54 Bkl zijn standaardgevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen. Voor woonfuncties gaat het bijvoorbeeld om gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of 2. twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen. Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Daarmee wordt gesteld dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen.

37

4.6 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Linge milieu bv een bodemonderzoek uitgevoerd welke is toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing.

De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De bodem rond de boerderij bestaat uit humeuze klei, overgaand in veen tussen 0.5 en 1.0 m-mv. In een beperkt aantal boringen rond de opstallen is de bovengrond zandig. In de meeste boringen is puin waargenomen, tot een diepte van maximaal 0.7 m-mv. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Het puin en grind van de oprit en het gebroken puin onder het asfalt en beton bestaat geheel uit bodemvreemd materiaal. Deze laag is geen onderdeel van de bodem. Grond Er zijn zes mengmonsters grond op het NEN 5740-pakket geanalyseerd. De bovenen ondergrond van het terrein aan de A is met uitzondering van zink en olie niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Zink is in twee van de zes mengmonsters boven de tussenwaarde verhoogd. Dit metaal was op het naastgelegen perceel A 111 boven de interventiewaarde verhoogd. Het was daar geen belemmering voor een bouwvergunning. Zink is dus niet typerend voor het onderzochte terrein zelf. Het metaal is gerelateerd aan het puin in de grond. Zink zal daarom heterogeen door de bodem verspreid zijn. Van de negen metalen uit het standaard analysepakket is zink er één met de minste risico's voor de volksgezondheid.

38

De zandige bovengrond van boring 9 is sterk verontreinigd met olie. Deze boring staat in het strookje gras achter de grote stal achter de woning, tussen de stal en de betonnen kuilgras-opslag. Het zand gaat er over in klei op circa 0.3 m-mv. Zintuiglijk is van de olie niets waargenomen. De olie bestaat voor het grootste deel uit de zwaardere ketens, tussen C21 en C35. Daartoe worden onder andere diesel en stookolie gerekend. Aangenomen wordt dat de olie zich beperkt tot de bovenste decimeters zand van de strook gras. Over de ernst en omvang van de verontreiniging kan het volgende worden opgemerkt. • De strook heeft een oppervlak van ongeveer 10 m². Uitgaande van een dikte van de laag van 0.3 meter zou de verontreiniging een volume kunnen hebben van 3.0 m³. Dit in een situatie dat de toplaag van de hele strook sterk verontreinigd zou zijn. • Het criterium voor een geval van ernstige verontreiniging is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. Uitgaande van een dikte van de verontreinigde laag van 0.3 meter zou daar een oppervlak voor nodig zijn van 80 m². Dat wordt niet waarschijnlijk geacht. • De verontreiniging vormt door de ligging en het gemeten gehalte geen actueel risico voor de volksgezondheid. • Alleen als op de locatie van boring 9 graafwerk nodig is om welke reden dan ook zou de olie een belemmering zijn.

Er is dan nog een ronde onderzoek nodig en mogelijk sanering. Er zijn twee mengmonsters bovengrond op PFAS geanalyseerd. In één daarvan wordt voor PFOA het industrie-criterium overschreden. Deze verontreiniging is niet typerend voor de locatie aan de A zelf, maar kan in de hele omgeving worden aangetroffen. Bron van de verontreiniging is de Chemour-fabriek in Dordrecht. Grondwater Het grondwater stond in september op 0.5 m-mv. Voor barium wordt als enige de streefwaarde overschreden in het grondwater. Dit is landelijk het geval. Asbest Visueel is nergens asbestverdacht (plaat)materiaal gevonden in of op de grond op de locatie aan de A 103. Er zijn zes mengmonsters van grond en puin op asbest geanalyseerd. Analytisch is in drie daarvan asbest aangetoond door het lab. Deze zijn: I. In het monster van de gootlijn ten oosten van de stal achter de woning heeft het lab 26 stukjes asbest aangetoond. Deze resulteren in een gewogen gehalte van 14 mg/kg ds. Het monster bevat ook wat vezels in de fijne fractie, kleiner dan 0.5 mm. Dit kan het risicovolle respirabele asbest zijn. Wat gewicht draagt dergelijk asbest echter nauwelijks bij aan het gewogen gehalte. II. In het monster van de zandige bovengrond van gat 4 heeft het lab één plaatje gevonden, met een grootte van 3 mm. Het bestaat uit brandwerend board. Het plaatje resulteert in een gewogen gehalte van 0.6 mg/kg ds.

Gat 4 bevindt zich in het gras achter de carport. III. In het mengmonster van het puin onder het asfalt is één plaatje aangetoond door het lab. Het bestaat uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet en

39

resulteert in een gewogen asbest-gehalte van 79 mg/kg ds. Het plaatje is omschreven als vlakke cementplaat. Voor asbest in grond en puin is een hergebruiksnorm of interventiewaarde van toepassing van 100 mg/kg ds. Het hoogste gewogen asbestgehalte ligt daar onder. Omdat er verder nergens visueel analytisch asbest is aangetoond wordt aangenomen dat de grond van het terrein aan de A nergens boven de tussen- of interventiewaarde is verontreinigd met asbest. Over het asbest in de gootlijn ten oosten van de stal achter de woning kan opgemerkt worden dat het asbest zich beperkt tot de strook recht onder de dakrand zelf. Onderzoek naar de verdere omgeving is daar niet relevant. Het asbest in de grond vormt geen ernstig geval van verontreiniging. Grond en puin met gehaltes aan asbest kleiner dan 100 mg/kg ds wordt geacht geen risico te vormen voor de volksgezondheid. Conclusie, aanbevelingen De verhoogde gehaltes aan zink en olie in de grond vormen in de huidige situatie geen actueel risico voor de volksgezondheid en zijn geen belemmering voor het gebruik van de bodem. De verhoogde gehaltes kunnen wel een belemmering zijn als er graafwerk op deze locaties nodig is. Mogelijk is er dan nog een ronde onderzoek nodig.

Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek (…) Het verhoogde PFOA-gehalte heeft alleen consequenties als er grond van het terrein moet worden afgevoerd.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bodem geen belemmeringen. Wel dient rekening te worden gehouden met de verhoogde gehaltes bij eventuele graafwerkzaamheden.

40

4.7 Milieuzonering Beleidskader De Omgevingswet bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een richtafstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Gemengd gebied In het kader van de VNG-analyse is uitgegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals agrarische bedrijven, bedrijven, een schaapskooi, een camping en maatschappelijke functies voor. Ook lintbebouwing kan over het algemeen als gemengd gebied worden beschouwd.

Hierdoor kan de richtafstand van bedrijven met één afstandstrede worden verlaagd. Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Met het verdwijnen van een agrarische bedrijfsfunctie is er sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Alle milieubelastende functies zijn op voldoende afstand gelegen van de nieuwe burgerwoningen. De dichtstbijzijnde functie is een camping gelegen op de A 93. De afstand betreft ca. 60m, waar de richtafstand (gemengd gebied) 30m betreft. Voor de nieuwe woningen is er dus sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat én omliggende functies worden niet negatief beïnvloed in de activiteiten. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen.

41

4.8 Externe veiligheid Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is. Voor de nabijgelegen Betuweroute en snelweg A15 geldt een brandaandachtsgebied van 30 meter.

Langs deze twee transportroutes, met relatief hoge vervoersintensiteiten, wordt het BAG van rechtswege omgezet in een brandvoorschriftengebied. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. • Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: a. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; b. de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2; 42

•

•

c. het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; d. vluchtmogelijkheden van de bron af; e. het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld.

Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Voor het inventariseren van externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedssferen van (bedrijfs)activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, én dat er geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen en transportroutes aanwezig zijn. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.

43

4.9 Archeologie Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem).

Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument. Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Hiermee vinden er graafwerkzaamheden plaats.

Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Daarom is er door ADC Archeoprojecten een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd, deze is toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing. De conclusies uit het onderzoek luiden:

44

•

Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit een mineraalarm veenpakket met houtresten. In dit pakket is een enkele laag matig siltige klei aangetroffen. Het betreft hier komklei. Het veenpakket wordt in de oorspronkelijke toestand afgedekt door een laag matig tot sterk siltige klei in het noordoosten van het plangebied en een laag matig humeuze klei in de zone rondom de boerderij. Het betreft hier waarschijnlijk een als toemaakdek opgebrachte kleilaag (noordoosten van het plangebied) en een humeus ophogingspakket (zone rondom de boerderij).

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In het zuiden van het plangebied is de recente bodemverstoring beperkt tot 25 a 30 cm onder het maaiveld. Het noordoosten van het plangebied is recent door sloopwerkzaamheden verstoord geraakt. Na de sloop is een 70 tot 200 cm dik heterogeen klei- en zandpakket opgebracht.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In de zone rondom de boerderij (boringen 2 en 3) is een humeus ophogingspakket uit de Nieuwe tijd en mogelijk de Late Middeleeuwen aangetroffen. In deze zone kunnen archeologische waarden gerelateerd aan een boerenerf verwacht worden.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Het ophogingspakket bevindt zich onder de 30 cm dikke bouwvoor (boring 3) of onder een 110 cm dik recent opgebracht pakket (boring 2).

•

Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het humeuze ophogingspakket zijn enkele baksteenfragmenten aangetroffen.

Zo ja: • Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Het humeuze ophogingspakket bevindt zich op 30 cm -mv (circa 1,00 m -NAP) in boring 3 en op 110 cm onder het maaiveld (circa 1,40 m -NAP) in boring 2. •

Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Het boerenerf strekte zich waarschijnlijk uit direct rondom de boerderij.

•

Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Omdat de indicatoren alleen uit baksteenfragmenten bestaan, is een precieze datering niet mogelijk. Waarschijnlijk dateert uit het materiaal uit de Nieuwe tijd of eventueel de Late Middeleeuwen.

45

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De zone met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde bevindt zich zuidelijker dan op de beleidskaart van de voormalige gemeente Graafstroom, rondom de boerderij. Ten noorden van de boerderij is het niveau aangetast door recente sloopwerkzaamheden. Daarom kan het afgewaardeerd worden naar een hoge archeologische verwachtingswaarde. Buiten deze zone worden geen archeologische waarden verwacht en is daarom sprake van een lage archeologische verwachting.

•

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Alleen ter hoogte van boring 2 worden nieuwe bouwactiviteiten ontplooit in de zone met een archeologische verwachting. Als deze bouwwerkzaamheden, met in achtneming van een bufferzone van 30 cm, beperkt blijven tot 80 cm mv zullen eventuele archeologische waarden in de bodem behouden blijven. In het zuidelijke deel van het historische erf zullen geen bodemingrepen plaatsvinden. De overige bodemingrepen vormen geen bedreiging voor archeologische waarden.

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is vooralsnog voldoende onderzocht. Bij bodemingrepen in de zone rondom boring 2 dieper dan 80 cm -mv is vervolgonderzoek nodig. Dit dient te bestaan uit een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Dit onderzoek is een geëigende methode om de aan- of afwezigheid van archeologische sporen vast te stellen. De werkwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).

Aanbeveling Indien in de zone rondom boring 2, met inbegrip van een bufferzone van 30 cm, geen bodemingrepen dieper dan 80 cm -mv plaatsvinden, adviseert ADC ArcheoProjecten het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. De melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen, zolang er rondom de boerderij geen bodemingrepen plaatsvinden onder de genoemde dieptes.

46

4.10 Natuur Beleidskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Onderzoek Ecologie Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Hiermee worden er werkzaamheden uitgevoerd die in het kader van ecologie wellicht bedreigend zouden kunnen zijn voor eventueel aanwezige beschermde flora en fauna. Om de gevolgen hiervan in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De quickscan is toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing.

De conclusie van de quickscan luidt: ‘Conclusie In de beoogde ruimtelijke ingreep aan de A 103-109 te Ottoland wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Om de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart te voorkomen dienen waardplanten verwijderd te worden als deze zich vestigen op de planlocatie. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de braakliggende grond een relevante functie heeft voor rugstreeppad (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen kan bevoegd gezag onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen.

De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (er is sprake van een reden van sociale of economische aard, er zijn belangen vanuit volksgezondheid en/of openbare veiligheid - aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen is hiertoe uitvoerbaar). Vervolgstappen • Voorafgaand aan de beoogde ruimtelijke ingreep, waarbij 2 woningen met schuren en 4 woningen in de boerderij worden gerealiseerd, dient aanvullend 47

•

onderzoek naar het landhabitat van de rugstreeppad uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar rugstreeppad wordt uitgevoerd middels vier gerichte veldbezoeken in de periode half april-september. Tijdens het onderzoek worden amfibieplaten uitgezet en wordt er gezocht naar actieve dieren. Om de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart in de toekomst te voorkomen dienen waardplanten van de soort (teunisbloemen, basterdwederik, (harig) wilgenroosje en grote kattenstaart) verwijderd te worden als deze zich vestigen.

Maatregelen Algemene zorgplicht • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).

Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’ Naar aanleiding van deze quickscan is een aanvullend onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in de bijlage. De conclusie uit het onderzoek luid: ‘De voorgenomen werkzaamheden in het plangebied zullen niet leiden tot negatieve effecten op rugstreeppadden of andere strikt beschermde soorten. Een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is daarom niet noodzakelijk. Wel wordt verwacht dat rugstreeppadden in de omgeving voorkomen en dienen er derhalve passende maatregelen getroffen te worden. Met het treffen

48

van passende maatregelen worden voorkomen dat een overtreding van de Omgevingswet optreedt.’ Stikstofdepositie Ten behoeve van het plan is een stikstofberekening uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. Deze is toegevoegd in de bijlage van deze onderbouwing. De conclusie luidt: ‘In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de aanlegfase en gebruiksfase van het plan aan A 103-109 te Ottoland de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de relevante Natura 2000-gebieden berekend. Uit de gecombineerde berekening van de aanlegfase en gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de natuur geen belemmeringen.

49

4.11 Trillingen Beleidskader In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het aspect trillingen. De paragraaf is van toepassing op het toelaten van activiteiten (anders dan wonen) die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen). Dit geldt echter niet voor locaties op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, tijdelijke gebouwen, activiteiten die hoofdzakelijk in de openbare ruimte plaatsvinden, evenemententerreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder mogen de continue trillingen (trilling die ten opzichte van de grootste trillingstijd gedurende een lange tijd aanwezig is) door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan 0,1 Vmax. Als daar niet aan kan worden voldaan, mag de trillingssterkte niet hoger zijn dan de volgende waarden in onderstaande tabel.

Tabel 6: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimte als niet kan worden voldaan aan Vmax 0,1 Soort Waarden 07:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur Trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 Trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Onderzoek Het plan betreft de herontwikkeling van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen. Daarbij de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en verharding, de splitsing van een monumentale boerderij (twee naar vier wooneenheden) en de realisatie van twee vrijstaande woningen (waaronder één kangoeroewoning). Daarmee is er sprake van het toevoegen van trillinggevoelige objecten. In de omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten toegestaan die een zodanige continue trillingen veroorzaken dat er onaanvaardbare trillinghinder ontstaat binnen de woningen. Daarbij wordt opgemerkt dat een agrarisch bedrijf met de daar bijhorende zware verkeersbewegingen en activiteiten (met trillingen tot gevolg) verdwijnt, waardoor sprake is van een verbetering. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft trillingen geen belemmeringen.

50

5.

Financiële haalbaarheid

Vanwege het karakter van het initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer zelf, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

51

6.

Participatie en overleg

6.1 Participatie De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij participatie verplicht is voorafgaand aan het indienen van een vergunningsaanvraag. Conform het beleid is voor het onderhavige plan participatie noodzakelijk. Alle directe buren van het plangebied zijn benaderd, geïnformeerd en met hen zijn de plannen besproken. Een aantal buren doet ook mee in het project. Men is tot op heden positief en heeft geen inhoudelijke vragen gesteld of opmerkingen gegeven.

6.2 Advies gemeenteraad De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Conform het beleid is voor het onderhavige plan advies van de gemeenteraad noodzakelijk.

6.3 Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de bestuurlijke overlegpartners, waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=67af0959-009b-4e04-b35e-942967fd030a