CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Wijngaarden, Dorpsstraat 3

Raadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5b. Bestemmingsplan Wijngaarden, Dorpsstraat 334.737 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Toelichting bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Dorpsstraat 3’

Toelichting bestemmingsplan ‘Wijngaarden, Dorpsstraat 3’

Identificatie: NL.IMRO.1978.BPdorpsstraat3WGD-VG01 Datum: 24-10-2023 Planstatus: Vastgesteld Versie: 1.0

2

Inhoud 1.

2.

3.

4.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 7

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9

1.6

Communicatie ............................................................................................ 9

1.7

Realisatie .................................................................................................... 9

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 9

Planbeschrijving .................................................................................................................... 10 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 10

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 11

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 13 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 13

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 16

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 22

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 23

3.5

Conclusie .................................................................................................. 25

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 26 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 26

4.2

Watertoets ................................................................................................ 27

4.3

Geluid ....................................................................................................... 32

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 34

4.5

Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 36

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 38

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 40

4.8

Ecologie .................................................................................................... 41

4.9

Bodem ...................................................................................................... 43

4.10 Archeologie .............................................................................................. 44 4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 45 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 46 5.1

Inleiding ................................................................................................... 46

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 46

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 46

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 46 3

Bijlage Omschrijving 1 Situatietekening 2 3 4 5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ecologische quickscan Verkennend bodemonderzoek Nota Zienswijzen

Auteur Korevaar & den Breejen Voortman Ingenieurs

Referentie 3120

Datum 07-06-2022

R-JVO/1810

23-05-2022

Blom Ecologie B.V.

2022-0436

15-04-2022

Adcim

20220158-DVO-1.0 -

25-05-2022

Gemeente Molenlanden

28-08-2023

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding De Dorpsstraat 3 te Wijngaarden betreft een voormalige bedrijfslocatie waar voorheen een transportbedrijf werd geëxploiteerd (zie afbeelding 1). Ter plaatse zijn op het voorerf een bedrijfswoning met bijgebouw en op het achtererf een bedrijfsloods aanwezig. Het transportbedrijf is enige tijd geleden beëindigd. De bedrijfslocatie staat sindsdien leeg en is niet meer in gebruik ten behoeve van een volwaardig bedrijf. Gezien het karakter van de locatie, de ligging in de kern van Wijngaarden en de kleinschaligheid is het niet aannemelijk en tevens niet wenselijk (zwaar verkeer door en daarmee overlast in de kern) dat een nieuw transportbedrijf zich zal vestigen op deze locatie. Daarom is het idee ontstaan om de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Het plan is de bedrijfsbestemming te wijzigen naar de woonbestemming. Daarbij de bedrijfswoning juridisch-planologisch te wijzigen naar een burgerwoning en de overige bebouwing (bijgebouw en bedrijfsloods) te slopen. Daarvoor in de plaats vier rij-/hoekwoningen te realiseren op de plek van de bedrijfsloods. Gezien de locatie nabij de Dokter Ingelsestraat (rijwoningen) en in de kern van Wijngaarden, én de concrete woningbehoefte naar meer betaalbaardere woningen is bewust gekozen voor deze opzet met vier rijwoningen.

Daarbij bewust niet voor een vrijstaande woning in het duurdere segment, omdat daar relatief gezien veel minder vraag naar is. Zie paragraaf 2.2 voor verdere detaillering van het plan.

Plangebied

Afbeelding 1: Uitsnede plangebied (indicatief)

5

Ten behoeve van het plan dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd, omdat het plan strijdig is met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ uit 2012 (zie afbeelding 2). Ter plaatse is de enkelbestemming ‘Bedrijf’ gelegen, waar burgerwoningen niet zijn toegestaan. Op 25 maart 2021 is er een principeverzoek ingediend ten behoeve van het onderhavige plan. Op 1 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden besloten in principe medewerking te verlenen aan het plan. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 1.1.2 Plangebied De Dorpsstraat 3 Wijngaarden (het plangebied) is gelegen in de dorpskern van het dorp, zie afbeelding 1. De Dorpsstraat is gelegen ten zuiden van het plangebied en betreft de hoofdweg door het Wijngaarden. Rondom het plangebied zijn aan alle zijden burgerwoningen gelegen. Vlakbij zijn de Wijngaardsesteeg richting de N214 en de Tolsteeg richting Sliedrecht gelegen. 1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed.

Het plan is een wenselijke ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden, omdat: Het plan voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat. In de huidige situatie zijn er aan de Dorpsstraat 3 Wijngaarden bedrijven toegestaan met een milieucategorie van 2.0 en goederenwegvervoerbedrijven (transportbedrijven) met een milieucategorie van 3.2. Bedrijven met milieubelastende activiteiten welke invloed hebben op het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Zo stelt het VNG in het Handboek Bedrijven en milieuzonering dat een richtafstand van 30 meter (cat. 2.0) en 100 meter (cat. 3.2) moet worden nagestreefd tussen deze bedrijven en burgerwoningen. Deze richtafstand wordt in de huidige situatie niet gehaald. Door het verwijderen van de bedrijfsbestemming en daarmee milieubelastende activiteiten in de dorpskern van Wijngaarden, zal het woon- en leefklimaat verbeteren in het dorp. Het plan voorziet in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In de huidige situatie is er sprake van een leegstaand bedrijfsperceel en bedrijfsgebouw langs het cultuurhistorische lint en in de kern van Wijngaarden. Hetgeen in het kader van een goede ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit niet wenselijk is. Verdere verpaupering van de locatie is een gevaar.

Het plan voorziet in de sanering van de relatief kolossale verouderde bedrijfsloods en de realisatie van vier meer passende rijwoningen. Hetgeen qua uitstraling en functie meer passend is op de locatie. De bebouwing ter plaatse neemt af middels het plan, leegstand wordt tegengegaan en verdere aantasting van de ruimtelijke kwaliteit wordt voorkomen. Er wordt een toekomstbestendige meer wenselijke situatie gecreëerd ter plaatse.

6

Het plan voorziet in een kwalitatieve bijdrage aan het woningbouwprogramma van Wijngaarden. Het plan voorziet in het realiseren van vier rijwoningen in de kern Wijngaarden. In het dorp is er een concrete behoefte naar meer nieuwe woningen. Er is behoefte naar grondgebonden woningen in het goedkope en middensegment. Met vier rijwoningen wordt hierin voorzien. Er wordt een kwalitatieve bijdrage geleverd aan de plancapaciteit in Wijngaarden, waar tot op heden nog niet voldoende wordt gebouwd om het aantal nieuwe woningen dat wordt nagestreefd te halen. Woningen die plaats bieden aan mensen die graag in het dorp willen blijven wonen. Het plangebied is gelegen op een ideale locatie. De Dorpsstraat 3 Wijngaarden is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) en binnen de bebouwde kom van het dorp. Het plangebied is daarmee gelegen op een ideale locatie om woningen te realiseren. Ten noorden zijn aan de Dokter Ingelsestraat eveneens rijwoningen aanwezig. Het onderhavige plan sluit hier tevens goed op aan. Het streven van de provincie Zuid-Holland en de gemeente Molenlanden wordt gevolgd om woningbouw zoveel als mogelijk binnen het bestaande bebouwde gebied te realiseren.

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (zie afbeelding 2), vastgesteld op 13 februari 2012 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Deels herzien in 2015 (Herziening Dorpskernen Graafstroom). Het plangebied heeft de enkelbestemming: • Bedrijf; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; En de aanduidingen/maatvoeringen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding: bedrijfswoning; • Functieaanduiding: specifieke vorm van bedrijf – 1; • Maatvoering: maximum goothoogte: 6 m. Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’, vastgesteld op 27 oktober 2020 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In deze parapluherziening is het parkeerbeleid van gemeente Molenlanden vastgesteld (zie paragraaf 2.2.2). ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ Het plangebied valt binnen de contouren van het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’, vastgesteld op 26 oktober 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. In dit paraplubestemmingsplan is het beleid omtrent de huisvesting van arbeidsmigranten vastgesteld.

7

Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart plangebied

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden aan de Dorpsstraat 3 te Wijngaarden. De bedrijfswoning wordt juridisch-planologisch gewijzigd in een burgerwoning en het wordt mogelijk gemaakt om op de plek van de loods vier rijwoningen te realiseren. Volwaardige bedrijfsmatige activiteiten worden uitgesloten.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Alvorens de start van de bestemmingsplanprocedure zijn de directe buren van het plan geïnformeerd door de initiatiefnemer. Daarnaast heeft er op 12 juni 2023 een omgevingsdialoog plaatsgevonden op het gemeentehuis met indieners van de zienswijzen, zie verder onder zienswijzen en in de Nota Zienswijzen. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven worden. 8

Er zijn drie zienswijzen ingediend tijdens deze ter inzage periode. Deze zienswijzen zijn in de Nota Zienswijzen, in de bijlage van deze toelichting, behandeld en van antwoord voorzien. Tevens heeft er op 12 juni 2023 een omgevingsdialoog plaatsgevonden op het gemeentehuis met alle indieners. In de Nota Zienswijzen is omschreven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassingen van het onderliggende bestemmingsplan.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure.

1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingesteld, is het vastgestelde bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunningen kunnen dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

9

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur De geschiedenis van het dorp Wijngaarden gaat terug tot voor het jaar 1283. Uit bronnen blijkt dat in het jaar 1283 graaf Floris V in een open brief heeft verklaard dat Wijngaarden en Ruijbroek een oude en vrije heerlijkheid is en moest blijven. Iedereen uit het land en de steden van Graaf Floris V die een misdaad hadden begaan waren vrij zich in Wijngaarden op te houden. Tussen 1421 en 1860 is de heerlijkheid meerdere malen van eigenaar veranderd. Door de tijd heen is de naam Ruijbroek, het oostelijke gedeelte van Wijngaarden dat nu bekend staat als het Oosteinde, langzaam komen te vervallen. Aan het Oosteinde van Wijngaarden in het Kraaienbos bevindt zich het galgenveld. Op deze plaats werden in het verleden misdadigers opgehangen. Het dorp Wijngaarden betreft een langgerekt dorp (oost-west). Wijngaarden is het laagst gelegen dorp in de Alblasserwaard. Het dorp was in het verleden uitsluitend bereikbaar vanuit Sliedrecht via de Tolsteeg en vanuit Bleskensgraaf via de Wijngaardsesteeg. Voor de ruilverkaveling was het Oosteinde een doodlopende weg. Het Oosteinde werd ontsloten middels de aanleg van de Zwijnskade. Via de Zwijnskade ontstond een verbinding met Sliedrecht en Hardinxveld-Giessendam. Na de ruilverkaveling werd aan het Westeinde het Alblasserbos aangelegd.

Het dorp Wijngaarden heeft een agrarisch verleden wat blijkt uit de vele oude boerderijen, onder anderen langs het Oosteinde en het Westeinde. Het plangebied is gelegen in de kern van het dorp aan de Dorpsstraat, ter hoogte van de Tolsteeg en Wijngaardsesteeg. De Dorpsstraat kenmerkt zich door de relatief dichtbebouwde lintbebouwing in een dorpskern, waarvan de bebouwingsdichtheid afneemt richting het buitengebied. In dit geval richting het Oosteinde.

Afbeelding 3: Vooraanzicht plangebied

10

2.1.2 Huidige status/gebruik De Dorpsstraat 3 Wijngaarden betreft een voormalige bedrijfslocatie waar een transportbedrijf gevestigd is geweest (zie afbeelding 3-5). Momenteel vinden er geen volwaardige bedrijfsactiviteiten meer plaats. In de eerste lijn is een bedrijfswoning met bijgebouw aanwezig. In de tweede lijn een bedrijfsloods. Opgemerkt wordt dat het perceel vrijwel volledig verhard is. Bedrijfsloods

Bijgebouw

Bedrijfswoning

Afbeelding 4: Bestaande situatie (indicatief)

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Met het bestemmingsplan wordt de juridisch-planologische situatie ter plaatse van de Dorpsstraat 3 te Wijngaarden gewijzigd. De bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een woonbestemming. Hiermee wordt de bestaande bedrijfswoning juridischplanologisch gewijzigd naar een burgerwoning. Daarnaast wordt het mogelijk om op de plek van de bedrijfsloods vier rij-/hoekwoningen te realiseren met daarbijhorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Op onderstaande afbeelding (en in de bijlage) is de nieuwe situatie indicatief weergegeven.

11

Afbeelding 5: Nieuwe situatie indicatief (zie bijlage)

2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting De Dorpsstraat 3 Wijngaarden wordt in de huidige situatie ontsloten door een enkele in-/uitrit, zie afbeelding 3. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd, zie afbeelding 5. Over de inrit zijn de bestaande en nieuwe woningen bereikbaar. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormering is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte gaat de nota uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘(Rest) bebouwde kom’. In onderstaande tabel is de parkeerbalans weergegeven. Tabel 1: Parkeren Woning Koop vrijstaand Koop, tussen/hoek

Parkeernorm 2,3 2,0

Aantal 1 4 Totaal

Parkeerbehoefte 2,3 8 10,3 parkeerplaatsen

In totaal zijn er 11 parkeerplaatsen noodzakelijk ten behoeve van de nieuwe situatie. Binnen het plangebied wordt volledig voorzien in deze parkeerbehoefte, conform het gemeentelijk parkeerbeleid. Op het erf is voldoende ruimte om minimaal 11 parkeerplaatsen te realiseren. Op de situatietekening (afbeelding 5) zijn er 11 parkeerplaatsen ingetekend. Daarmee kan worden gesteld dat het plan voldoet aan de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.

12

3.

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde rijksbelangen in het Barro.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen 13

stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’.

Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Met het plan worden vier wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

Daarnaast wordt opgemerkt dat het een binnenstedelijke ontwikkeling betreft en dat het plan hiermee sowieso binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking past. 3.1.4 Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters Middels dit voorbereidingsbesluit verklaart de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening dat voor het werkingsgebied van het voorbereidingsbesluit een algemene maatregel van bestuur wordt voorbereid over de inhoud van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke besluiten op decentraal niveau voor de bouw van hyperscale datacenters. In het coalitieakkoord is aangegeven dat hyperscale datacenters een onevenredig groot beslag leggen op de beschikbare duurzame energie in verhouding tot de maatschappelijke en/of economische meerwaarde. Daarom wil het kabinet de landelijke regie en de toelatingscriteria bij de vergunningverlening aanscherpen. Het 14

kabinet wil daarom op nationaal niveau in overleg met medeoverheden aanvullend aan de Nationale Omgevingsvisie nadere ruimtelijke keuzes maken waar deze hyperscale datacenters in Nederland gevestigd kunnen worden waarna deze keuzes in instructieregels worden vastgelegd. Het is daarom wenselijk te voorkomen dat voordat deze instructieregels zijn opgesteld en de criteria wettelijk zijn vastgelegd nieuwe hyperscale datacenters in Nederland worden vergund, opgericht en gevestigd. Het plan heeft geen enkel raakvlak met hyperscale datacenters en met de inhoud van het voorbereidingsbesluit.

15

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid Holland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie Zuid Holland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. Op 10 oktober 2020 is een herziening van de Omgevingsvisie Zuid-Holland Koers 2020 gepubliceerd (ontwerp Omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020). De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5.

Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder ‘bebouwde ruimte’ wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD.

Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden 16

in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied, zie onderstaande afbeelding. Hiermee is het plan conform het beleid van de provincie Zuid-Holland om ontwikkelingen en/of woningen zoveel als mogelijk binnen BSD te realiseren.

Plangebied

Afbeelding 6: Plangebied t.o.v. BSD

Verbeteren Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in 17

het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is in de laag van de stedelijke occupatie gelegen binnen ‘bestaand stads- en dorpsgebied’ (zie afbeelding 7) en in de laag van de cultuur- en natuurlandschappen binnen ‘veenweidegebied’ en ’linten’ (zie afbeelding 8). Bestaand stads- en dorpsgebied Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Voor ontwikkelingen heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld voor dit gebied: • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. • Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. • Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. • Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

• Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stadsen dorpsranden). • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. • Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. • Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden;

18

• •

Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Plangebied

Afbeelding 7: Uitsnede laag van de cultuur- en natuurlandschappen

Conclusie Kwaliteitskaart Het plan sluit aan bij de bovengenoemde richtpunten van de kwaliteitskaart in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. Het bestaande dorpsgebied wordt versterkt en het veenweidelandschap en lint blijven behouden.

19

3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Het plan kan het beste worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en er vinden geen wijzigingen plaats op structuurniveau. Er wordt aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart voldaan (zie paragraaf 3.2.1) en het plan past bij de aard en schaal van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;

20

•

Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte.

Met het plan worden vier wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk (zie paragraaf 3.1.3). Daarnaast wordt opgemerkt dat het een binnenstedelijke ontwikkeling betreft en dat het plan hiermee sowieso binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking past.

21

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het plan voorziet in het verwijderen van een bedrijfslocatie in de kern van Wijngaarden en de herontwikkeling naar passende woningbouw in het dorp. Hiermee wordt de regionale visie gevolgd, aangezien een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid en het voorzieningenniveau in het dorp op peil kan worden gehouden. Het dorp wordt duurzaam vernieuwd, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan een vitale regio.

Gezien de ligging in de kern van het dorp blijft het open, rustige en authentieke karakter van de regio behouden. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.

Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking. Wijngaarden is aangeduid als een dorp voor landelijk wonen. Deze dorpen zijn voor voorzieningen (grotendeels) afhankelijk van omliggende dorpen en steden. In Wijngaarden is er sprake van een woningbehoefte op kleine schaal, zie paragraaf 3.4.2. Het plan voorziet in een welkom passend aanbod op de woningmarkt in het dorp middels vier rijwoningen. Gezien het aantal wooneenheden valt onder de agendamaat is regionale afstemming niet nodig.

22

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.

Het plan voorziet in het verwijderen van een bedrijfslocatie in de kern van Wijngaarden en de herontwikkeling naar passende woningbouw in het dorp. Het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn wordt nagestreefd, door voldoende woningen te realiseren naar de vraag die er is. De verouderde bedrijfslocatie in de kern wordt verduurzaamd en toekomstbestendig gemaakt. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •

•

•

•

Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos.

23

•

•

Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).

In Wijngaarden is er concrete woningbehoefte op kleine schaal. Middels het onderhavige plan worden extra wooneenheden toegevoegd binnen de bestaande bebouwde ruimte in de kern. Er worden vier extra wooneenheden toegevoegd in de vorm van rijwoningen. Er is bewust gekozen voor dit meer betaalbare segment (goedkoop/middenduur), omdat hier meer concrete behoefte naar is dan dure segment (vrijstaande) woningen. Dit maakt het mogelijk voor mensen uit Wijngaarden in het dorp te blijven wonen, mensen die binding hebben met de gemeente en het dorp. De wooneenheden welke middels het plan worden gerealiseerd zijn passend voor verschillende doelgroepen, als gezinnen en doorstromers, maar ook voor ouderen en voornamelijk starters. Het plan voorziet in een bijdrage aan de plancapaciteit om aan de woningbouwopgave tot 2029 in Wijngaarden te voldoen.

24

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Vanuit jurisprudentie is met het plan geen sprake van een 'stedelijke ontwikkeling' en is toetsing aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' niet van toepassing, waarbij wordt opgemerkt wordt dat het een binnenstedelijke ontwikkeling betreft en daarmee past binnen de ladder; • De extra woningen worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030; • Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

25

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheid vier rijwoningen te realiseren op een verouderde bedrijfslocatie in de kern van Wijngaarden. Het ruimtebeslag, de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is daarmee zeer beperkt. Er is zelfs sprake van een afname in bebouwing, gezien de sloop van de loods en de woningen kleinschaliger zullen zijn. Gelet hierop kan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling worden gesteld dat er geen sprake is van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. Dit betekent dat er geen m.e.r. beoordeling nodig is. Conclusie Een m.e.r.-beoordeling is niet verplicht en is derhalve achterwege gelaten.

26

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 27

is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Afbeelding 8: Uitsnede legger waterkeringen

Watergangen Het plangebied wordt bijna in het geheel omsloten met C-watergangen (071882, 071950 & 071956) behoudens de ontsluiting op de Dorpsstraat, zie onderstaande afbeelding. In principe vinden er geen wijzigingen aan deze watergangen plaats, indien dat wel het geval zal zijn dient er een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De woningen worden op de bestaande fundering, hiermee strak langs de waterkant worden gerealiseerd. Bij de werkzaamheden zullen de regels omtrent de geldende watergangen worden gerespecteerd, waarmee het plan de belangen van het waterschap hieromtrent niet zal schaden. Hierbij wordt opgemerkt dat het onderhoud van de omliggende watergangen, kadewal en beschoeiing voor rekening van de bewoners van de nieuwe aanliggende woningen zal zijn en dat men medewerking verleend indien er 28

werkzaamheden door het waterschap uitgevoerd dienen te worden aan de watergangen. Door de bouw van de nieuwe woningen zijn er steeds meer bewoners gebaad bij het goed functioneren van de omliggende watergangen. Beleid van het waterschap is daarom om deze op te waarderen tot een B-status. Deze statuswijziging wordt separaat van het bestemmingsplan door het waterschap in gang gezet en meegenomen in een volgende leggerwijziging van het waterschap. Het onderhavige plan blijft uitvoerbaar. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW022 (zie afbeelding 10). Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,26 m NAP en een winterpeil van -2,36 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Plangebied

Afbeelding 9: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het stedelijk en landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijke gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2 en in het landelijke gebied een vrijstelling van 1.500 m2. 29

Het plangebied is in de bestaande situatie vrijwel geheel verhard, zie afbeelding 10. Enkel de voortuin bij de bedrijfswoning is relatief zacht, maar ook deels verhard met klinkers. Het plan zal daarmee niet voorzien in een toename aan verhardoppervlak, omdat het deel wat onverhard is (de voortuin) ongewijzigd blijft. De verharding ter plaatse zal daarmee in het meest negatieve scenario per saldo gelijk blijven. Bij de nieuwe rijwoningen zal echter een achtertuin worden gerealiseerd, die niet volledig verhard zal zijn. Waar dat in de huidige situatie wel het geval is ter plaatse van de loods. De verharding zal in de nieuwe situatie daarmee afnemen.

Verhard

Tuin Afbeelding 10: Bestaande situatie verharding

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Hemelwater wordt in de bestaande situatie afgevoerd naar het oppervlaktewater, dit blijft in de nieuwe situatie tevens het geval. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel waar ook de 30

bestaande woning op is. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is niet gelegen op of nabij een waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Er dient enkel een watervergunning te worden aangevraagd indien er wijzingen aan de watergangen worden aangebracht.

31

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, derhalve kan dit buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied is gelegen binnen de invloedsfeer van 60- en 30 km/h wegen. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van vier wooneenheden. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs welke is toegevoegd in de bijlage. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Wijngaardsesteeg ten hoogste 27 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer;

32

•

•

De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen (incl. 30 km/h wegen) ten hoogste 42 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat omdat de woningen alzijdig over geluidluwe gevels én een geluidluwe buitenruimte beschikken waarmee aan het gemeentelijk beleid wordt voldaan. (…)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=230b7ad1-0151-4498-b8d9-b98b3391b66b