Bijlage 1. Bestemmingplan Rietveld 14 Arkel
Tekst van het document
ARKEL, RIETVELD 14 Bestemmingsplan
Arkel, Rietveld 14 Bestemmingsplan
Datum: 04-09-2025
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Situatietekening op schaal Bedrijfsplan Resultaten bodemonderzoek Resultaten berekening Aerius Calculator Quickscan flora en fauna Resultaten archeologisch onderzoek Digitale watertoets
Planregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Waarde - Archeologie - 4 Artikel 5 Waarde - Archeologie 2 Artikel 6 Waterstaat - Waterkering Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
6 6 6 7 7 9 9 10 14 14 16 23 25 25 35 40 40 41 44 44 44 45 46 46 46 48
49 50 52 58 106 110 148 193
203 204 204 212 213 213 220 222 224 225 225 2
Artikel 8 Algemene bouwregels Artikel 9 Algemene gebruiksregels Artikel 10 Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Artikel 14 Overige regels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht Artikel 16 Slotregel
Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten Kaart voorwaardelijke sloopverplichting
226 228 229 230 231 232 233 234 234 235
237 238 262
3
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden" van gemeente Molenlanden ten behoeve van het realiseren van een bed & breakfast. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. Op de agrarische bedrijfslocatie aan Rietveld 14 is het agrarische bedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Het afgelopen deccenium hebben er grote investeringen plaatsgevonden op deze locatie. Alle bedrijfsgebouwen zijn vernieuwd en momenteel is er een nieuwe bedrijfswoning in aanbouw. De beoogde dubbele garage als bijgebouw bij de woning wenst initiatiefnemer op een andere wijze uit te voeren als hooiberg en in gebruik te nemen als bed & breakfast. De gemeente Molenlanden heeft bij principebesluit van 02-06-2021 aangegeven dat zij daar haar medewerking aan wil verlenen onder de volgende voorwaarde: de reeds vergunde dubbele garage wordt niet gerealiseerd; het bouwvlak komt dichter bij de contouren van de bebouwing te liggen; de schuur tussen de Onderweg en het Merwedekanaal te Arkel wordt gesloopt, alvorens het plan gerealiseerd kan worden, en toekomstige bebouwing wordt op die locatie uitgesloten. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan Rietveld 14 te Arkel en is gelegen aan de oostzijde van Arkel, net ten noorden van de Waal, in het landelijk gebied van de gemeente Molenlanden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Arkel, sectie G, nummer 47. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. 6
Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl. Arkel ligt in de Alblasserwaard, iets ten noorden van Gorinchem in het gelijknamige Land van Arkel. Het Land van Arkel was een leenschap van de graven van Holland. Tot aan 1412 werd het land beheerd door de heren van Arkel. De dorpskern van Arkel wordt omringd door water. Ten oosten van de kern stroomt de Linge en aan de westelijke zijde het Merwedekanaal. Direct ten noorden van de kom van Arkel mondt de Linge uit in het Merwedekanaal.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden" van de gemeente Molenlanden, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 juni 2013, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur zijn ter plaatse de bestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' (deels) en 'Waarde - Archeologie 4'(deels) toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak' en 'karakteristiek' van toepassing.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De bouwaanduiding 'karakteristiek' is ten tijde van vaststelling van het vigerende bestemmingsplan opgenomen ter plaatse van de voormalige bedrijfswoning. Deze woning is reeds gesloopt en deze bouwaanduiding kan dan ook komen te vervallen.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. 7
Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
8
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Op de initiatieflocatie aan Rietveld 14 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Er is sprake van een gemengde agrarische bedrijfsvoering bestaande uit het houden van vleesvee en het bedrijven van akkerbouw. op de locatie rust een milieutoestemming voor het mogen houden van 100 zoogkoeien, 100 stuks vrouwelijk jongvee en 40 vleeskalveren. Het afgelopen decenium zijn alle bedrijfsgebouwen vernieuwd. Op 25 april 2012 is er een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de meest oostelijk gelegen stal die bestemd is als dierenverblijf voor het vleesvee. 1 mei 2013 is er een omgevingsvergunning verleend om deze stal gewijzigd op te mogen richten. Op 25 maart 2019 is er een vergunning verleend om deze stal te verlengen. Voor het meest westelijk gelegen bedrijfsgebouw, een werktuigenberging, is op 29 september 2014 een omgevingsvergunning verleend. 17 maart 2015 en 15 juni 2015 is er een omgevingsvergunning verleend om deze werktuigenberging gewijzigd op te mogen richten. Op 21 augustus 2019 is er een vergunning verleend om deze werktuigenberging te verlengen Alle bedrijfsgebouwen zijn in de tussenliggende periode conform omgevingsvergunning gerealiseerd en in gebruik genomen. Daarnaast is er heden nog een bedrijfswoning met bijgebouw in aanbouw. Dit betreft een statische woonboerderij. De voormalige bedrijfswoning is reeds gesloopt.
Voor deze nieuw te op te richten woonboerderij met bijgebouw is op 12 maart 2019 een omgevingsvergunning verleend. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
9
Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is 1,5 hectare groot. Hoewel echter alle bedrijfsgebouwen legaal zijn opgericht is de stal in strijd met het vigerende bestemmingsplan buiten het bouwvlak gesitueerd.
Situering gebouwen in bouwvlak. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
2.2
Gewenste situatie
De initiatiefnemer is voornemens om het bijgebouw bij de woonboerderij gewijzigd uit te voeren en in gebruik te nemen als bed & breakfast. In eerste aanleg was hiervoor in de plaats een dubbele garage voorzien. De kelder van deze garage is reeds gegraven. Bij nader inzien is deze dubbele garage minder noodzakelijk en wenst initiatiefnemer op deze locatie een bed & breakfast te realiseren. De bed & breakfast woning krijgt het voorkomen van een hooiberg. De bed & breakfast bestaat uit 3 kamers voor 2 personen ieder en zal daarnaast als gemeenschappelijke ruimte een ontbijt- en ontmoetingsruimte hebben. In de volgende figuur zijn tekeningen van het beoogde gebouw weergegeven. Een volledige tekening op schaal is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.
10
Tekening bed & breakfast. Bron: DLV Advies Als voorwaarde om medewerking te verlenen aan onderhavig bestemmingsplan heeft de gemeente Molenlanden een aantal voorwaarden gesteld, te weten: de reeds vergunde dubbele garage wordt niet gerealiseerd; het bouwvlak komt dichter bij de contouren van de bebouwing te liggen; de schuur tussen de Onderweg en het Merwedekanaal te Arkel wordt gesloopt, alvorens het plan gerealiseerd kan worden, en toekomstige bebouwing wordt op die locatie uitgesloten. Voor wat betreft de vormverandering van het bouwvlak, waarbij het bouwvlak dichter bij de contouren van de bebouwing komt te liggen, zal het bouwvlak zodanig van vorm wijzigen dat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. De omvang van het bouwvlak zal hierbij ongewijzigd blijven. In de volgende figuur is de beoogde vorm en omvang van het bouwvlak weergegeven.
11
Beoogd bouwvlak. Bron: DLV Advies Tevens zal de schuur tussen de Onderweg en het Merwedekanaal te Arkel wordt gesloopt. De schuur staat op het perceel kadastraal bekend als gemeente Arkel, sectie D, nummer 261. Deze schuur heeft een oppervlakte van 85 m² en is ontsierend in het relatief open landschap nabij het Merwedekanaal.
Foto's te slopen schuur Bron: Brabant Eco De locatie van de schuur is niet voorzien van een bouwvlak en derhalve volgens het vigerend bestemmingsplan, eveneens het bestemmingsplan "Buitengebied Giessenlanden" van de gemeente Molenlanden, strijdig met het bestemmingsplan. De schuur valt onder het overgangsrecht. Op het moment 12
dat de schuur gesloopt is mag deze niet herbouwd worden. Het vigerende bestemmingsplan staat buiten het bouwvlak geen gebouwen toe, waardoor toekomstige bebouwing in de vorm van gebouwen op deze locatie uitgesloten is.
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 14
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.
Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een 15
bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen. 3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling, het realiseren van bed & breakfast met 6 bedden, is geen sprake van de ontwikkeling van een bedrijventerrein, zeehaventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en/of andere stedelijke voorzieningen. Op basis van de definitie voor een stedelijke ontwikkeling is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. De provincie wil nieuwe bebouwing in het landelijk gebied beperken om zo de openheid te handhaven. Agrarische ontwikkelingen (in de vorm van bebouwing en kassen) vinden plaats op bouwpercelen of anderszins geconcentreerd en houden rekening met de aanwezige kenmerken en waarden. Nieuwvestiging van intensieve veehouderij wordt niet toegelaten binnen de provincie. Intensieve veehouderij is vanwege de schaal en de aard van de bedrijfsvoering en de daarmee samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm, in het algemeen niet passend bij het Zuid-Hollandse landschap en het karakteristieke 16
gebruik daarvan. Glastuinbouw en boom- en sierteelt worden alleen in de daarvoor toegewezen gebieden toegestaan. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gewijzigd uitvoeren van een bijgebouw bij de bedrijfswoning en deze in gebruik te nemen als bed & breakfast. De bed & breakfast wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak op een reeds gegraven kelder. Gelijktijdig wordt het bouwvlak zodanig van vorm veranderd dat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak gesitueerd zullen zijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan concentrering van bebouwing binnen bouwpercelen. Onderhavig bestemmingsplan leidt niet tot een mogelijk groter ruimtebeslag dan in de huidige situatie al het geval is. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving.
De gebiedskwaliteit is weergegeven in de kwaliteitskaart. Daarin zijn de volgende lagen opgenomen: Laag van de ondergrond; Laag van de cultuur- en natuurlandschappen; Laag van de stedelijke occupatie; Laag van de beleving. Laag van de ondergrond: De locatie is vanuit de laag van de ondergrond in een rivierdeltacomplex - rivierklei / veen gebied gelegen. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen. Het richtpunt voor deze gebieden is dat ontwikkelingen bijdragen aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gewijzigd uitvoeren van een bijgebouw bij de bedrijfswoning en deze in gebruik te nemen als bed & breakfast. De bed & breakfast wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak op een reeds gegraven kelder.
De bed & breakfast krijgt het voorkomen van een hooiberg en wordt kwalitatief hoogwaardig uitgevoerd in lijn met de woonboerderij. Dit bevordert de beeldkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de ondergrond. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen: De locatie is vanuit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen gelegen in een veenlandschap met een veenweide landschap. Dit zijn gebieden waarbij de structuur sterk is bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden.
Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) 17
natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. Richtpunten: Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats binnen de contouren van het huidige en beoogde bouwvlak. Het verkavelingspatroon wijzigt niet, noch worden de kenmerkende landschapselementen aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is kleinschalig van aard en zal een zeer beperkte of geen impact hebben op het landschap. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee de karakteristieke kenmerken van de eilanden en de maat en schaal van de dijk en de deltawateren niet in de weg staan of aantasten. Ook het patroon van opwas- en aanwaspolders zal niet worden aangetast en herkenbaar blijven.
Verder zal de kreek herkenbaar blijven als structuurdrager en zal geen sprake zijn van een aantasting van het contrast tussen de binnendijkse polders en buitendijkse natuur. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen nadelige invloed hebben op de aspecten uit de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Laag van de stedelijke occupatie: Vanuit de laag van de stedelijke occupatie is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de stedelijke occupatie. Laag van de beleving: Vanuit de laag van de beleving is de locatie gelegen in gebied dat niet nader is gekenmerkt. De voorgenomen ontwikkeling zal daarmee geen (nadelige) invloed hebben op de aspecten uit de laag van de beleving. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de gebiedskwaliteit. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn.
In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is gelegen in een gebied waarvoor geen aanvullende beschermingscategorie geldt. Dit betekent dat de voorgenomen ontwikkeling mogelijk is zonder aanvullende voorwaarden. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland.
18
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. De meest recente Omgevingsverordening is op 15 maart 2022 in werking getreden. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. 3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a.
een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. 7. Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. 8.
Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk 19
maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. 9. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. 10. Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g. 11. Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10. De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 12.
Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Ad. 6.9 lid 1 Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het gewijzigd uitvoeren van een bijgebouw bij de bedrijfswoning en deze in gebruik te nemen als bed & breakfast. De bed & breakfast wordt gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak op een reeds gegraven kelder. Gelijktijdig wordt het bouwvlak zodanig van vorm veranderd dat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak gesitueerd zullen zijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan concentrering van bebouwing binnen bouwpercelen. Bij onderhavig plan blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo tenminste gelijk.
De bebouwingsmogelijkheden van het huidige bouwvlak worden ingeperkt, doordat bestaande legaal opgerichte bebouwing binnen het bouwvlak worden gebracht en daar waar het bouwvlak ingekrompen worden de bebouwingsmogelijkheden komen te vervallen. Ad. 6.9 lid 2, lid 6 en lid 8 De locatie is gelegen binnen de beschermingscategorie 3 buitengebied. Voor ontwikkelingen binnen deze beschermingscategorie in in artikel 6.9a het volgende opgenomen: Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. b. c. d.
de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
De bed & breakfast woning wordt opgericht binnen het bestaande bouwvlak en is gelegen tussen de inrit en de woonboerderij. Dit deel van het plangebied maakt onderdeel van het bestaande ruimtebeslag en leidt niet tot een aantasting van de genoemde waarden van het landschap.Gelijktijdig vindt er een vormverandering van het bouwvlak plaats, waarbij de legaal aanwezige bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Er ontstaan met de voorgenomen vormverandering van het bouwvlak geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden die de waarden van het landschap aan zouden kunnen tasten. 20
Ad. 6.9 lid 3 en lid 5 Met de voorgenomen ontwikkeling worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt buiten het vigerende bouwvlak. Zoals al reeds gemotiveerd bij artikel 6.9 lid 1 zal de ruimelijke kwaliteit netto tenminste gelijk blijven. Daarmee is er sprake van het pad van inpassen. Ad. 6.9 lid 4, lid 7, lid 9, lid 10, lid 11 en lid 12 Hier is geen sprake van. Middels artikel 6.18 worden regels gesteld aan ontwikkelingen van agrarische bedrijven. Artikel 6.18 Agrarische bedrijven 1. Een bestemmingsplan voor agrarische gronden voldoet aan de volgende voorwaarden: a. nieuwe agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; b. in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; c. nieuwe agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; d. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; e.
nieuwe kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 6.15, 6.16 en 6.17, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlak van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlak van 300 m2 per bedrijf; f. nieuwe boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 6.16, wordt uitgesloten; g. nieuwe intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; h. verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; i. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; j. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; k. nieuwe geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 3.
Een bestemmingsplan voor agrarische gronden kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: a. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; b. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en c. de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd. Ad 6.18, lid 1, sub a 21
Eén van de onderdelen van de voorgenomen ontwikkelingen is erop gericht het bouwvlak zodanig van vorm te veranderen dat alle bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak gesitueerd zijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan de voorwaarde tot concentratie van bedrijfsbebouwing binnen het bouwperceel. Ad 6.18, lid 1, sub b, sub c, sub d, sub e, sub f, sub g, sub h, sub i, sub j en sub k Hier is geen sprake van. Dit is niet van toepassing. Ad 6.18, lid 3, sub a De bed & breakfast woning is voorzien binnen het vigerende agrarsiche bouwvlak. Een uitbreiding van het bouwvlak is niet nodig. Ad 6.18, lid 3, sub b Een bed & breakfast met 6 bedden is enkel een nevenactiteit bij het agrarische bedrijf met circa 100 zoogkoeien en bijbehorend jongvee en de akkerbouwactiviteiten. Ad 6.18, lid 3, sub c In het hoofdstuk Ruimtelijke- en milieuaspecten, hoofdstuk 4, zal aangetoond worden dat de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. In artikel 6.27a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte. Wateroverlast door overvloedige neerslag De planlocatie bevindt zich in een omgeving waar voldoende infiltratiemogelijkheden zijn.
Rond het plangebied zijn verschillende watergangen aanwezig. De planlocatie ligt achter een dijk, die zorgt voor voldoende bescherming. Verdere maatregelen om wateroverlast door overvloedige neerslag tegen te gaan worden op deze locatie niet nodig geacht. Overstroming De kans op overstromingen is per locatie anders. Overstromingen vanuit rivieren, meren of zeeën kunnen voor grote overlast zorgen. Het is dan ook van belang dat de overstromingskans zo klein mogelijk is. De ligging van het plangebied is direct achter een dijk aan de Linge. De dijk beschermt de planlocatie tegen de grootste overstromingsrisico's. De regionale waterkering heeft een norm van 1:100.000 per jaar op grond van de gegevens uit de Klimaatatlas Zuid-Holland. De kans op overstromingen zijn derhalve zeer klein. Hitte Het plangebied is gelegen in het buitengebied, waar hittestress een minder belangrijk rol speelt dan in het stedelijk gebied. Toch zijn er met de beoogde ontwikkeling meerdere maatregelen getroffen die hittestress tegengaan. Het plangebied is groen ingericht en bebouwing staat apart van elkaar, zodat ook schaduwwerking plaats kan vinden. Dit levert een bijdrage aan het tegengaan van hittestress.
22
Droogte Droogte leidt tot een verhoogde watervraag en toenemende watertekorten, wat een langdurig effect op grond- en oppervlaktewaterstanden heeft. Langdurige droogte kan leiden tot bijvoorbeeld schade aan funderingen, verdroging van groen, een slechte oppervlaktewaterkwaliteit, versnelde bodemdaling en hittestress. Om droogte te voorkomen kunnen onder andere eisen gesteld worden aan het openbaar groen, oppervlaktewater en de gewenste grondwaterstand. Door water binnen en rondom het plangebied vast te houden wordt droogte tegengegaan. In de huidige situatie zijn er al verschillende watergangen aanwezig rond het plangebied. Door het plangebied groen is ingericht, en doordat de omringende graslanden goed infiltratievermogen hebben, wordt een bijdrage geleverd aan het vasthouden van water. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Giessenlanden In de Omgevingsvisie Giessenlanden staan de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en onderscheiden deelgebieden (wijken, kernen, buitengebied) in onderlingesamenhang. In de structuurvisie zijn voor Arkel uitgangspunten beschreven voor het ruimtelijk beleid terplekke. Het afwegingskader voor een initiatief wordt bepaald door de omgevingswaarden van hetgebied, de visie voor het gebied en aansluiting bij rolverdeling tussen initiatiefnemer en gemeente. De kernwaarden waar de gemeente zich voor inzet zijn ‘balans’, ‘samenhang’ en ‘symbiose’: Het behouden en verstevigen van de balans tussen de belangen van mensen, ecologie en economie. Verder het versterken van de maatschappelijke en ruimtelijke samenhang van de zeven zelfstandige kernen met elk hun eigen karakter en het omringende landschap en water. De symbiose bestaat uit het herstel van de verbondenheid tussen stad en land, onder en bovengrond, mens en natuur, economie en samenleving, waarbij juist vermenging (i.p.v. scheiding) van functies bijdraagt aan een aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving. De omgevingskwaliteiten vormen de basis voor de ambities van de gemeente: De ondergrond, cultuurhistorie en ontstaansgeschiedenis als vertrekpunt.
Zorgvuldig ruimtegebruik Koesteren en versterken eigen identiteit dorp en ommeland Veilig en gezond wonen en kwaliteit in beleving Duurzame maatregelen en ruimte voor innovatie in balans Evenwicht tussen doeltreffende waterhuishouding en landschap In 2030 biedt Giessenlanden nog meer dan nu een gastvrij onthaal aan mensen die willen genieten van haar natuur, haar cultuurhistorisch waardevolle dorpen en landschap. Om dit te bereiken faciliteert de gemeente Molenlanden kleinschalige initiatieven voor verblijfsrecreatie, zoals de beoogde bed & breakfast. Voor wat betreft de vormverandering van het bouwvlak, zonder dat dit gepaard gaat met het creëren van bouwmogelijkheden, zijn er geen specifieke uitgangspunten opgenomen in de omgevingsvisie. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Omgevingsvisie Giessenlanden van de gemeente Molenlanden.
3.3.2 Recreatie en toerisme In de beleidsnota 'Verblijfsrecreatie Molenlanden 2022, vastgesteld op 13 december 2022, is per accommodatietype gespecificieerd wat de marktruimte is. Om verder invulling te geven aan de uitgangspunten van deze nota, is er een klein bedrijfsplan geschreven. Deze is bijgvoegd als bijlage 2 bij deze toelichting. 23
Samenvattend kan worden gesteld dat voor een accommodatie met unieke uitstraling door het ontwerp én de capaciteit om als een van de weinige in de omgeving recreanten in aantallen tussen 4 en 6 personen te herbergen, zeker nog ruimte is.
24
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies. De richtafstanden van de VNG handreiking gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'.
In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is een gebied waar meerdere functies (bijvoorbeeld wonen en bedrijvigheid) naast elkaar voorkomen. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Het gebied waarin de locatie is gelegen betreft geen gebied dat is aan te merken als het gebiedstype 'gemengd gebied'. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is derhalve uitgegaan van de standaard richtafstanden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk' uit de VNG handreiking. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het realiseren van een bed & breakfast als ondergeschikte nevenactiviteit van de agrarsiche bedrijfsvoering en een vormverandering van het bouwvlak, waarbij alle reeds legaal opgerichte bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Ten aanzien van een bed & breakfast zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 10 meter. Stof: 0 meter. Geluid: 10 meter. Gevaar: 10 meter. Ten aanzien van het houden van vleesvee zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter.
Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op een afstand van ongeveer 85 meter (gemeten van de rand van het bouwvlak Rietveld 14 tot rand van het bouwvlak Rietveld 15). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden, behoudens geur voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Voor wat betreft het aspect geur wordt hier nader op ingegaan in paragraaf 4.1.2. Gezien het voorgaande zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving.
25
Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het oprichten van een bed & breakfast. Een bed & breakfast is daarbij aan te merken als een nieuw gevoelig object. Hierbij is het van belang om aan te tonen dat dit nieuwe gevoelige object niet zal leiden tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Nabij de locatie is aan Rietveld 13 een paardenhouderij gevestigd. Ten aanzien van het houden van paarden zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 50 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. De betreffende paardenhouderij is gelegen op een afstand van ongeveer 100 meter (gemeten van de rand van het bouwvlak Rietveld 14 tot rand van het bouwvlak Rietveld 13). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal de betreffende inrichting niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gezien het voorgaande zullen geen van de omliggende bedrijven en/of functies onevenredig in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een vormverandering van het agrarisch bouwvlak waarbij alle reeds legaal opgerichte bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. Er vindt geen wijziging plaats in de agrarische bedrijfsvoering. De huidige bedrijfsvoering valt binnen het Activiteitenbesluit Milieubeheer, waarmee de bepalingen uit de Wgv niet van toepassing zijn. Echter zijn voor wat betreft de voorschriften op het gebied van geur in het Activiteitenbesluit Milieubeheer de normen en vaste afstanden uit de Wgv opgenomen. Dit betekent dat ook voor ontwikkelingen die onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer vallen de vaste afstanden zoals zijn opgenomen in de Wgv van toepassing zijn. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen. De gemeente Molenlanden heeft een eigen geurbeleid vastgelegd in een geurverordening, waarbij de vaste afstanden gehalveerd zijn tot een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object is de woning aan Rietveld 15, dat gelegen is op een afstand van ongeveer 85 meter ((gemeten van de rand van het bouwvlak Rietveld 14 tot rand van het bouwvlak Rietveld 26
15). Hiermee wordt aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. De bed and breakfast is een geurgevoelig object ten opzichte van de boerderij op Rietveld 15. Gezien het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van belemmeringen ten aanzien van het aspect geur.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof (PM10) en stikstofoxiden (NOx ).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. Wel is er sprake van het oprichten van een bed & breakfast. Deze heeft echter geen onevenredige emissie van fijnstof. Daarmee zijn deze ontwikkelingen eveneens aan te merken als een NIBM-ontwikkeling. Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden.
In onderhavig geval is sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie ten gevolge van de op te richten bed & breakfast. Om te bepalen of de toename van het aantal verkeersbewegingen zorgt voor een in betekenende mate toenemende uitstoot van fijnstof en stikstofoxide, is met de NIBM-rekentool van InfoMil een berekening gemaakt. De grens voor een project dat als NIBM kan worden aangemerkt is 1,2 µg/m³. Zoals te zien in de volgende figuur wordt de grens van 1,2 µg/m³ met de voorgenomen ontwikkeling niet overschreden, waarmee gesteld kan worden dat ook ten aanzien van de toename van het aantal verkeersbewegingen sprake is van een NIBM-project.