Bijlage 1 Beeldvormende rapport over de veranderingen op het gebied van het milieuthema geur onder de Omgevingswet
Tekst van het document
Beeldvormende memo over de veranderingen op het gebied van het milieuthema geur onder de Omgevingswet 1. Inleiding 1.1 Aanleiding Bij het ingaan van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) geldt dat veel minder gebouwen aangemerkt zijn als geurgevoelig dan onder de Wet Milieubeheer. Het Rijk geeft alleen nog maar regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna Bkl) voor: Waterzuiveringsinstallaties Het houden van landbouwhuisdieren (zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of een paardenfokkerij) Overige agrarische bedrijven /activiteiten (zoals mestopslag etc.) Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan voortaan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen. Denk daarbij aan industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen, zoals woningen. De gemeenteraad moet beslissen of het geurniveau aanvaardbaar is en moet overwegen wat de beste locatie is voor een geur-producerende activiteit of voor een geurgevoelig gebouw. Om willekeur te voorkomen willen we in onze omgevingsvisie opnemen welke afwegingen gemaakt dienen te worden en wat aanvaardbare geurniveaus zijn in nieuwe toekomstige omgevingsplannen.
Dit voorkomt langdurige discussies bij de planvorming en zorgt voor een eenduidige handelswijze binnen onze eigen gemeentegrens.
1.2 De (politieke) hoofdvragen1
Welke gebouwen willen we beschermen tegen onaangename geuren? Wat betekent dit voor activiteiten die geurhinder (kunnen) veroorzaken? Hoe verwerken we deze keuze in de omgevingsvisie en het omgevingsplan?
1.3 Proces Voorliggende memo is in samenwerking met de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) opgesteld.
1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 neemt u mee hoe de huidige wetgeving rondom geur werkt. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op de veranderingen in wetgeving en wat dat voor ons als gemeente betekent. In hoofdstuk 4 zijn de politieke keuzes weergegeven met daarbij ook per keuze het voorstel van het College. We hebben geprobeerd het zo leesbaar mogelijk te maken, maar dat bleek soms best lastig gezien de complexe materie van de wereld van geur(hinder).
1
Het is voor beslissers, zoals een wethouder of raadslid vrijwel niet in te schatten vanaf papier of een bepaalde geur hinderlijk is of niet. Er zijn bedrijven die in het kader van een geuronderzoek de geurbeleving (moeten) bepalen (de Hedonische waarde) door middel van een geurpanel. Het is een optie om dit in te zetten om de besluitvorming te helpen. Eventueel kunnen we dit combineren met omliggende gemeenten.
2. Hoe werkt het nu Zowel door het Rijk, provincie en de gemeente zijn regels gesteld op het gebied van geur.
2.1 Wat kan allemaal geurhinder veroorzaken We hebben de volgende categorieën geïdentificeerd die geurhinder kunnen veroorzaken: Dieren o Landbouwhuisdieren (bedrijfsmatig): Met een geuremmissiefactor: het houden van varkens, kippen, schapen, geiten en het houden van rundvee tot 24 maanden, kalkoenen, eenden en parelhoenders voor enkel de vleesproductie. Zonder geuremmissiefactor waarbij we werken met vaste afstanden: melkkoeien, vrouwelijk jongvee, paarden (maneges en/of fokkerij), etc. o Landbouwhuisdieren (hobbymatig), zoals een paar schapen, paarden, pony’s, geiten, pluimvee, konijnen en overige landbouwhuisdieren2. o Overige dieren zoals honden, dieren op kinderboerderijen, hertenkampen, dieren in de dierentuinen, enz.3 Afvalwaterzuiveringen (op bedrijventerrein Groot-Ammers en in Schelluinen) Andere geurrelevante bedrijven o Vergunningsplichtige bedrijven (zie voor totale lijst bijlage 1) o Voedingsmiddelenindustrie o Slachterijen o Horeca (niet-industriële voedselbereiding) Parkeergelegenheden, zoals openbare parkeergarages (niet van toepassing in Molenlanden) Overige agrarische activiteiten o Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie-afstand (meer dan 3m3, langer dan 2 weken op een plek en minder dan 600m3 vaste mest).
o Gebruik substraatmateriaal van plantaardige oorsprong (meer dan 3m3) o Opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen (meer dan 3m3, geldt niet voor in plasticfolie verpakte veevoederbalen) o Opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie o Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisting o Composteren of opslaan van groenafval (volume van 3 m3 tot en met 600 m3) Op deze categorieën is regelgeving van toepassing die volgt uit het Activiteitenbesluit, de Wet geurhinder en veehouderij, de Regeling Geurhinder en Veehouderij en de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020.
2.2 Welke regelgeving geldt nu Activiteitenbesluit In het Activiteitenbesluit staan milieuregels voor bedrijven. Het merendeel van de bedrijven in Nederland vallen onder het Activiteitenbesluit (Type A-, B- en C-bedrijven). Waarbij voor type Cbedrijven ook nog vergunningplicht geldt. Veel van de voorschriften van het Activiteitenbesluit zijn verder uitgewerkt in de Activiteitenregeling. In het Activiteitenbesluit staan regels per soort milieubelastende activiteit (bijvoorbeeld metaalbewerking) en per soort milieubelasting (bijvoorbeeld geluid). Deze regels gelden voor 2 3
Kijk hier wanneer het houden van dieren nog hobbymatig is en wanneer het een inrichting is. Activiteitenbesluit, par 3.8.5. Bij meer dan 25 vogels of 5 zoogdieren gelden er regels.
meldingsplichtige bedrijven en kunnen gelden voor vergunningsplichtige bedrijven (afhankelijk van milieubelastende activiteit).
Wet Geurhinder en Veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor vergunningsplichtige bedrijven (omgevingsvergunning milieu) voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Geurgevoelige objecten zijn volgens artikel 1, van de Wgv gebouwen (bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting) die geschikt zijn om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Kortom, het gaat vooral om daar waar mensen wonen en verblijven.
Regeling geurhinder en veehouderij De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is gebaseerd op de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Hierin is een aantal onderwerpen uit de Wgv nader uitgewerkt. Hierin is onder andere opgenomen hoe de geurbelasting berekend moet worden en waar de geurbelasting moet worden bepaald. In bijlage 1 van de Rgv zijn geuremissiefactoren opgenomen voor de berekening van de geuremissie van een dierenverblijf. Deze zijn uitgedrukt in het aantal odour units per seconde per dier. Niet voor alle diercategorieën gelden geuremissiefactoren, maar werkt men met vaste minimumafstanden en hoeft de geurbelasting niet te worden berekend.
Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 In onze gemeentelijke Geurverordening zijn voor een tweetal situaties de maximale geurbelasting of minimale afstanden vastgelegd op of tussen een vergunningsplichtige veehouderij en geurgevoelige objecten: De geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object (zoals woningen) De maximale geurbelasting van een veehouderij met dieren4 die een geuremmissiefactor hebben volgt de (landelijke) normen van de Wvg (artikel 3 lid 1).
A B C D
Gebied binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom.
Odour units per maximaal 3,0 maximaal 14,0 maximaal 2,0 maximaal 8,0
A en B zijn echter niet van toepassing omdat Molenlanden niet in een concentratiegebied ligt zoals dat is aangegeven in bijlage I in de Meststoffenwet. Er is een uitzondering voor veehouderijen die landbouwdieren houden die geen geuremmissiefactor hebben en in één van de aangewezen gebieden ligt (zie kaart bijlage 2 en een uitsnede hiervan in figuur 1). Hier gelden de afstanden tussen de veehouderij en een geurgevoelig object: binnen bebouwde kom 50 meter; buiten bebouwde kom 25 meter;
4
Varkens, kippen, schapen of geiten houden. Of rundvee tot 24 maanden, kalkoenen, eenden en parelhoenders die gehouden worden voor de vleesproductie
Figuur 1: Aangewezen gebieden rondom Bleskensgraaf (groene gebied) De afstand van een veehouderij op een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van de veehouderij zelf (zoals de eigen woning) Dit is gesteld op 0 meter. Dit is conform landelijke regelgeving. De afstand van een veehouderij op een geurgevoelig object dat geen onderdeel uitmaakt van de veehouderij zelf (zoals de woning van de buren), Voor de gehele gemeente gelden conform landelijke regelgeving de volgende minimale afstanden van een veehouderij tot een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een veehouderij (zoals de woning of een B&B) of op of na 19 maart 2000 opgehouden heeft onderdeel uit te maken van een andere veehouderij: binnen bebouwde kom 100 meter buiten bebouwde kom 50 meter
2.3 Vergunningverlening, toezicht en handhaving Bij nieuwe (agrarische) bedrijven of een uitbreiding daarvan, is mogelijk een vergunning of melding nodig. Deze aanvraag wordt beoordeeld door OZHZ (namens de gemeente of provincie, afhankelijk wie bevoegd gezag is). Bij oplevering van het bedrijf (de inrichting) wordt een controle gedaan. Ook vindt er periodiek controle plaats door OZHZ. Op dit moment heeft OZHZ geen overzicht van overbelaste situaties bij de individuele gemeenten in hun werkgebied.
3. Hoe werkt het straks Bij de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 wordt onze Geurverordening automatisch opgenomen in het Omgevingsplan samen met alle geldende bestemmingsplannen en de gedecentraliseerde regels vanuit het Rijk (de bruidsschat). Daarmee blijft een groot deel van de regels als het gaat om geur gelden totdat wij als gemeente regels gaan aanpassen in het Omgevingsplan. Wel veranderen er op 1 januari 2024 enkele regels vanuit de rijksregels (vooral Bkl).
3.1 Wat regelt het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)? In het Bal stelt het Rijk algemene regels bij activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Daarnaast regelt het Bal wie het bevoegd gezag is. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving – burgers, bedrijven en overheid. Voor een aantal sectoren staan eisen t.a.v. geur die zijn overgenomen van het Activiteitenbesluit.
3.2 Wat regelt het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)? In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Daarnaast heeft het Bbl regels over de staat en het gebruik van een bouwwerk. En over het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden. Ook hier staan enkele regels in t.a.v. geur.
3.3 Wat regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)? Definitie geurgevoelig gebouw verandert Volgens de Bkl is een geurgevoelig gebouw een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang. Daarbij geldt het volgende: - Een gebouw met een dergelijke functie dat nog niet is gebouwd, maar wel is gepland volgens het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, is voor de toepassing van de regels ook een geurgevoelig gebouw5. Kortom, waar eerder alleen de geurbelasting op bestaande geurgevoelige objecten werden getoetst, moet dat straks dus ook op geplande geurgevoelige objecten. - Woonfuncties zoals woonschepen of woonwagens die in het omgevingsplan zijn aangewezen, vallen ook onder woonfuncties en worden daarmee, in tegenstelling tot het huidige recht, wel als een geurgevoelig gebouw aangeduid6. - De geurregels zijn, in tegenstelling tot het huidige recht, niet meer van toepassing op mantelzorgwoningen7. - Tijdelijke bouwwerken voor een periode van minder dan 10 jaar zijn niet geurgevoelig8. Dit is vergelijkbaar met het huidige recht. - De gemeente kan ook andere gebouwen of locaties als geurgevoelig formuleren in het omgevingsplan zolang hier mensen maar langdurig of frequent verblijven9.
Bebouwde kom wordt bebouwingscontour Het begrip bebouwde kom uit de Wet geurhinder en veehouderij is in het Bkl vervangen door het begrip bebouwingscontour. De gemeente moet de bebouwingscontour vastleggen in het omgevingsplan. De bebouwingscontour omvat ten minste de begrenzing van een stedelijk gebied (stad of dorp) en kan ook stedelijk groen aan de rand van de stedelijk gebied of lintbebouwing langs 5
Artikel 5.91, Bkl Artikel 5.93, lid 1 onder c Bkl 7 Memorie van toelichting, Bkl paragraaf 5.1.4.6. 8 Artikel 5.90, Bkl 9 Artikel 5.91 Bkl, vierde en vijfde lid. Dit sluit aan bij de huidige definitie van een geurgevoelig object zoals wij deze kennen uit de jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1290). 6
wegen, waterwegen of waterkeringen omvatten10. Binnen de bebouwingscontour geldt het hoogste beschermingsniveau op het gebied van geur. Dit is hetzelfde beschermingsniveau als nu. Cumulatie van geur Anders dan het huidige recht dient er bij het beoordelen van geur voor gevoelige gebouwen ook rekening te worden gehouden met cumulatie van geurhinder11. Het bevoegd gezag moet in het kader van een gezond geurklimaat12 dus ook geurhinder van verschillende geurbronnen (veehouderij, waterzuiveringsinstallatie en industriële geur) beschouwen bij het toekennen van functies aan locaties. Standaard-/grenswaarden geurbelasting en afstanden voor waterzuiveringsinstallaties, bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren en overige agrarische activiteiten13 Voor deze activiteiten gelden geurwaarden en/of een minimale afstand (van 25, 50 of 100 meter) voor geurgevoelige gebouwen naar gelang de omstandigheden. Voor de definities van de activiteiten is aangesloten bij de activiteiten in het Bal. De gemeente mag afwijken van deze geurwaarden en afstanden voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren (bedrijfsmatig) en overige agrarische activiteiten14. Waar gelden de geurwaarden, op welke plek moet je dan meten? Bij de bepaling van de geurwaarde door een activiteit op een geurgevoelig gebouw15 meet men bij de gevel of op de locatie waar een gevel mag komen.
Voor een woonschip of woonwagen is dat op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen. In afwijking hierop is het mogelijk in het omgevingsplan geurnormen op te nemen op een referentiepunt, dichter bij de activiteit16. Dit kan bijvoorbeeld gebruikt worden bij bedrijventerreinen met veel geuremitterende bedrijven om geuremissies te beperken wanneer bijvoorbeeld de geurgevoelige gebouwen op grotere afstand liggen. Uitzonderen van geur- en afstandsnormen voor voormalige bedrijfswoningen In principe gelden de geurnormen of afstanden voor alle geurgevoelige gebouwen die geen functionele binding hebben met de activiteit. Uitgezonderd zijn geurgevoelige gebouwen die een functionele binding hebben met die activiteit, zoals een bedrijfswoning17. In het omgevingsplan kan worden bepaald dat de normen en afstanden niet gelden voor voormalige bedrijfswoningen van agrarische bedrijven, op industrieterreinen of in de horecasector18. Milieubelastende activiteiten In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten in het omgevingsplan voor een aantal activiteiten regels worden opgenomen voor milieubelastende activiteiten (mba). Welke regels dat zijn bepaalt deels de gemeente. Een optie is bijvoorbeeld om het wel of niet overnemen van provinciaal beleid met afwegingsgebied.
10
Artikel 5.97, Bkl Artikelen 2.1 en 2.4, Omgevingswet & artikelen 8.9, 5.92 lid 1 Bkl 12 Artikel 5.92 lid 2, Bkl 13 Zie voor de gehele lijst paragraaf 2.1 14 Artikel 5.102, 5.103, 5.109, 5.112, 5.117, 5.127, 5.120,lid 2, 5.121, lid 2, 5.122, lid 2, 5.123 lid 2, 5.124lid 2, 5.125lid 2). 15 Artikel 5.93, Bkl 16 Artikel 5.93 lid 2, Bkl 17 Artikel 5.95 Bkl 18 Artikel 5.96 Bkl 11
3.4 Wat volgt vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Holland? De omgevingsverordening bevat straks alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Per provincie is er één omgevingsverordening die de bestaande verordeningen vervangt, zoals de milieuverordening, de planologische verordening, de ontgrondingenverordening, de landschapsverordening en de grondwaterverordening. In de omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland staan de volgende zaken inzake geur: Het omgevingsplan moet op een bedrijventerrein bedrijven toelaten met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Dit moet worden vastgelegd in een geluidruimte zone en een geurruimte zone of een vergelijkbare milieuzonering. De zonering moet passen bij de omgeving van het bedrijventerrein. Bij de zonering moet rekening worden gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan19. Het omgevingsplan kan op een bedrijventerrein in beperkte mate woningen, bedrijfswoningen en andere functies toelaten. Dit mag alleen als de gebruiksruimte voor geluid en geur nog steeds de grootst mogelijke gebruiksruimte is. Dus deze gebruiksruimte mag daarmee niet wordt verkleind.20
3.5 Wat volgt uit het Invoeringsbesluit Bruidsschat Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Dit heet de 'bruidsschat'. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit Omgevingswet voor dat de regels voor gemeenten automatisch in het tijdelijk deel van het omgevingsplan komen. De landelijke regels blijven dus gelden bij invoering van de Omgevingswet. Deze regels kan de gemeente echter bij het omzetten naar een nieuwe omgevingsplan onder voorwaarden (instructieregels) overnemen, aanpassen of schrappen. Regels voor horeca, voedingsmiddelenindustrie en slachterijen Voor de volgende activiteiten zijn regels in de bruidsschat ter beperking van de geuremissie opgenomen, vaak in de vorm van maatregelen. Hier zijn geen aparte instructieregels voor vanuit de Bkl. In theorie hoef je wettelijk gezien voor deze activiteiten geen regels t.a.v. geur te stellen.
Wel moet de gemeente ervoor zorgen dat de geurbelasting aanvaardbaar is.21 Niet-industriële voedselbereiding (horeca)22 Voedingsmiddelenindustrie23 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen24 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage25 Regels voor een afvalwaterzuivering met de mogelijkheid tot afwijken De normstelling van geur voor een afvalwaterzuivering (of terwijl een zuiveringstechnisch werk) is van een aantal factoren afhankelijk26: - Zuiveringstechnische werken van na 1 februari 1996 en nieuwe zuiveringstechnische werken - Zuivertechnische werken van voor 1 februari 1996 .
19
Artikel 7.52 lid 1 Omgevingsverordening Zuid-Holland Artikel 7.52 lid 3 Omgevingsverordening Zuid-Holland 21 Artikel 5.92 Bkl 22 Artikel 22.199, invoeringsbesluit Bruidsschat 23 Artikel 22.201, invoeringsbesluit Bruidsschat 24 Artikel 22.205, invoeringsbesluit Bruidsschat 25 Artikelen 22.3.20 en 22.226, invoeringsbesluit Bruidsschat 26 Artikel 5.100, Bkl en artikel 22.122, invoeringsbesluit Bruidsschat 20
Voor de laatste categorie gelden ruimere grenswaarden dan voor de eerste. Het is afhankelijk of het geurgevoelige gebouw waarop het zuiveringstechnische werk een effect heeft is gelegen binnen of buiten de bebouwings-contour geur. De gemeente mag andere waardes opnemen in het Omgevingsplan. Cumulatieve geurhinder (bijvoorbeeld geur van een zuiveringstechnisch werk in combinatie met een veehouderij) kan een striktere grens rechtvaardigen27. Zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende maatschappelijke belangen kunnen soepelere waardes rechtvaardigen28. Regels voor landbouwdieren met emissiefactoren met mogelijkheid tot afwijken Bij het toestaan van een (uitbreiding van) veehouderij of plaatsen van een geurgevoelig gebouw nabij een veehouderij met landbouwdieren met emissiefactoren moet voldaan worden aan de standaardgeurwaarden29. Deze geurnormen verschillen voor geurgevoelig gebouwen die binnen- of buiten de bebouwingscontour is gelegen. Het staat de gemeente vrij om zelf beleid te maken en af te wijken van deze standaardgeurwaardes zolang de grenswaarden30 rondom geur niet worden overschreden. Enkel voor voormalige agrarische bedrijfswoningen is het mogelijk om boven de door het rijk gestelde grenswaarden normen te gaan zitten. Tevens is het mogelijk om af te wijken van de grenswaarden als er sprake is van zwaarwegende maatschappelijke of economische belangen31.
Regels voor landbouwdieren zonder emissiefactoren met mogelijkheid tot afwijken De bruidsschat bevat regels t.a.v. geur voor houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. Het gaat dan om afstanden. De afstand vanaf het emissiepunt tot een geurgevoelig object32 Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom => 100m Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom => 50 m De afstand vanaf de gevel van het dierenverblijf tot een geurgevoelig object33 Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom => 50m Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom => 25 m De gemeente kan ervoor kiezen om deze afstanden aan te passen, waarbij altijd geldt dat er een aanvaardbare geurhinder moet zijn. Hierbij geldt als ondergrens: Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom => 50m Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom => 25 m Voor een geurgevoelig object met een voormalige functionele binding kan een afstand kleiner dan de ondergrens worden aangehouden.34 De afstanden vanaf de gevel voor landbouwhuisdieren kunnen worden verkleind bij zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen.35 Dit geldt overigens voor alle landbouwhuisdieren. Regels voor maneges. In de bruidsschat zijn afstanden opgenomen voor het houden van paarden en pony's voor het berijden er van.
Dit zijn dezelfde afstanden als hierboven bij landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. Voor de afstanden voor maneges zijn geen instructieregels vanuit de Bkl. In 27
Artikel 5.101 Bkl Artikel 5.102 Bkl en artikel 22.123, invoeringsbesluit Bruidsschat 29 Artikel 5.109 Bkl 30 Artikel 5.109 Bkl 31 Artikel 5.117 Bkl 32 Tabel 22.3.12, invoeringsbesluit Bruidsschat 33 Tabel 22.3.13, invoeringsbesluit Bruidsschat 34 Artikel 5.112 Bkl 35 Artikel 5.117 Bkl 28
theorie hoef je wettelijk gezien voor deze activiteiten geen regels t.a.v. geur te stellen. Wel moet de gemeente ervoor zorgen dat de geurbelasting aanvaardbaar is. Regels voor overige agrarische activiteiten De bruidsschat zorgt ervoor dat er vaste afstanden komen voor de volgende geurgevende activiteiten: Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie-afstand (meer dan 3m3, langer dan 2 weken op een plek een minder dan 600m3 vaste mest) Gebruik substraatmateriaal van plantaardige oorsprong (meer dan 3m3) Opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen (meer dan 3m3, geldt niet voor in plasticfolie verpakte veevoederbalen) Opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisting36 Composteren of opslaan van groenafval (volume van 3 m3 tot en met 600 m3) De gemeente kan ervoor kiezen om deze afstanden aan te passen, waarbij altijd geldt dat er een aanvaardbare geurhinder moet zijn. Regels voor tijdelijke gebouwen (minder dan 10 jaar) De waarden en afstanden voor vrijwel alle activiteiten die geur produceren gelden niet voor een geurgevoelig object dat volgens het omgevingsplan of omgevingsvergunning niet meer dan 10 jaar staat37. Deze objecten worden dus juridisch niet gezien als geurgevoelig.
Hierdoor is het mogelijk om tijdelijke ontwikkelingen toe te staan in de buurt van bestaande activiteiten die geurhinder (kunnen) veroorzaken. Wel moet blijvend rekening worden gehouden met de aanvaardbaarheid van de geur38. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen tijdelijke objecten wel dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten. Tijdelijk gebouwen die al beschermd waren voor inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven gewoon beschermd39. De bruidsschat is niet van toepassing op en geeft dus geen regels mee over geur voor de volgende activiteiten: a. Over geur afkomstig van het gebruik van woningen, zoals hobbymatige activiteiten of houtstook. Wel is opgenomen dat dit niet mag leiden tot overlast of hinder (waaronder geurhinder)40. b. Bouw- sloop- en onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of terrein. c. Een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht, zoals een kermis, evenement, draaiorgel, vuilnis ophalen, enz. d. Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. e. Evenementen buiten een permanente evenementenlocatie, waarvoor al geluidregels zijn gesteld Bijvoorbeeld een evenement dat onder de APV valt. f. Werkzaamheden met een mobiele installatie in een weiland, akker of bos. g.
Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen. De gemeente kan voor deze activiteiten regels opnemen in het omgevingsplan.
36
Artikel 5.124, Bkl Artikel 22.90 lid 2, invoeringsbesluit Bruidsschat 38 Artikel 5.92, Bkl 39 Artikel 22.91 lid 1, invoeringsbesluit Bruidsschat 40 Artikel 22.18 en 22.20, invoeringsbesluit Bruidsschat 37
Geprojecteerd gebouw en de geurregels van de bruidsschat Onder het Activiteitenbesluit milieubeheer, respectievelijk de Wet geurhinder en veehouderij kregen 'geprojecteerde' en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geur van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo in de bruidsschat41. Bij een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw geldt de waarde of afstand op of tot de locatie waar een gevel mag komen. Dit geldt niet voor geprojecteerde gebouwen die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet al toegestaan zijn op basis van bestemmingsplannen en vergunningen42. Concentratiegebied Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen we in het omgevingsplan alsnog één of meerdere concentratiegebieden aanwijzen. Binnen een concentratiegebied gelden minder strenge normen t.a.v. geur.
41 42
Artikel 22.92, onder b, invoeringsbesluit Bruidsschat Artikel 22.91 lid 2, invoeringsbesluit Bruidsschat
4. De te maken (politieke) keuzes In basis zijn alle regels in de bruidsschat aan te passen tenzij in de Bkl daar restricties opgelegd zijn in de vorm van instructieregels. Keuze 1: Bijgebouwen, zoals garages, wel of niet beschermen tegen geurhinder In beginsel geldt dat de geurgevoeligheid voor het gehele gebouw geldt. In afwijking hiervan kan voor delen van gebouwen die een nevengebruiksfunctie hebben, in het omgevingsplan worden vastgelegd dat hier niet de primaire functie is toegelaten. Deze delen hoeven daardoor niet meer beschermd te worden43. Denk daarbij aan een nevengebruiksfunctie voor een garage bij een woning. Dit heeft als voordeel dat voor de garage niet getoetst hoeft te worden aan de normen en afstanden. Keuze gemeente: De gemeente wil ook bijgebouwen beschermen tegen geurhinder, maar wel maatwerk toestaan (door het College). Het niet beschermen van bijgebouwen kan namelijk gevolgen hebben voor het flexibel gebruik van de ruimtes. Zo kan bijvoorbeeld een garage zonder bescherming later niet gebruik worden als mantelzorgwoning. Bovendien vergt elke afwijking een extra check bij de bedrijfscontroles en handhavingsacties.
Keuze 2: Aanpassen of schrappen van regels voor niet-industriële voedselbereiding (horeca), voedingsmiddelenindustrie, slachterijen en parkeergelegenheden in parkeergarages In de bruidsschat zijn voor horeca, voedingsmiddelenindustrie, slachterijen en parkeergelegenheden middelvoorschriften (te nemen maatregelen) opgenomen die geurhinder naar een omgeving beperken. Deze middelvoorschriften kunnen we aanpassen of zelfs afschaffen. Keuze gemeente: Aangezien er geen sprake is van een klachtensituatie neemt de gemeente de middelvoorschriften een-op-een over in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Keuze 3: Wel of niet gebouwen en/of locaties met horeca, BSO, recreatie, kantoorfunctie en werkruimtes beschermen tegen geur en dus beschouwen als geurgevoelige gebouwen en/of aanwijzen als geurgevoelige locaties Diverse functies onder de oude wet zijn straks na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer beschermd t.a.v. geur. Het gaat dan om horeca, BSO44, recreatie, kantoor, werkruimtes, campings, en sportvelden. De gemeente kan ervoor kiezen om functies aan te wijzen als geurgevoelig en ze daarmee te beschermen. Daarvoor is het van belang om goed te definiëren wanneer de gemeente spreekt van een geurgevoelige gebouwen (zoals horeca en kantoren) en locaties (zoals campings en sportvelden).
Als voorbeeld: een bestaande uitspanning in het buitengebied waar op zomerse dagen druk gebruik wordt gemaakt van het terras is op basis van de huidige wetgeving nog beschermd wanneer een veehouderij in de buurt wil uitbreiden. Als de gemeente in het nieuwe deel van het omgevingsplan deze uitspanning niet apart aanmerkt als geurgevoelig kan de nabijgelegen veehouderij uitbreiden omdat er geen normen meer gelden. Hoewel er nog steeds sprake moet zijn van een aanvaardbare situatie is het de vraag of deze uitspanning nog voldoende klandizie overhoudt als er sprake is van een hoge(re) geurbelasting. Keuze gemeente: De gemeente wil aansluiten bij de huidige wetgeving en wijst gebouwen waarin per dag minstens 8 uur menselijk verblijf plaats vindt aan als geurgevoelige objecten. Het gaat dan om BSO’s, recreatiewoningen, campings, sportaccommodaties (gebouwen en velden), horeca, kantoren en werkruimtes. Het is op dit moment onduidelijk wat de gevolgen zullen zijn als we deze 43 44
Artikel 5.91 lid 2, Bkl In de Bkl is kinderopvang waar kinderen slapen tussen de middag aangemerkt als een geurgevoelig gebouw
bescherming eraf halen. Ook zijn er geen gevallen bekend waarbij bedrijven niet konden uitbreiden door deze beperking. Keuze 5: Het wel of niet van toepassing verklaren van afstanden en normen t.a.v. geur op voormalige bedrijfswoningen bij boerderijen en op bedrijventerreinen die worden omgebouwd als woning. Het begrip ‘functionele binding’ is onder het Bkl verder uitgebreid. Daar waar het in de huidige wetgeving alleen nog gaat om voormalige agrarische bedrijfswoningen (plattelandswoningen) geeft het Bkl de mogelijkheid om het begrip uit te breiden naar voormalige bedrijfswoningen op bedrijventerreinen, afvalwaterzuiveringen en in de horecasector. Dit zou betekenen dat je de huidige bescherming er af haalt en minimale afstanden van toepassing verklaart. Dit betekent dat deze woningen meer geurhinder kunnen ervaren dan een ‘gewone’ woning. Keuze gemeente: Op de twee afvalwaterzuiveringen staan geen bedrijfswoningen. Ook zijn er geen bedrijfswoningen van eigenaren bekend bij horeca. De gemeente kiest ervoor om voormalige bedrijfswoningen op bedrijventerreinen vooralsnog te beschermen als een ‘gewone’ woning. Wel kan het College maatwerk leveren.
Keuze 6: Wel of niet aanpassen van de maximale geurbelasting van een veehouderij met landbouwhuisdieren met geuremissiefactoren op een geurgevoelig object Het omgevingsplan kan een lagere (strenger) of hogere (ruimer) waarde bevatten dan de standaardwaarde zoals opgenomen in het BKL, zolang deze niet boven grenswaarden komt. Een lagere grenswaarde betekent in het algemeen dat er meer afstand moet zijn tussen de veehouderij en geurgevoelige objecten. De waarden in de huidige geurverordening komen overeen met de standaardwaarde in de BKL (zie onderstaande tabel)45. De eenheid is odour units per kubieke meter lucht binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom.
Geurverordening Molenlanden maximaal 3,0
Standaardwaarde BKL maximaal 3,0
Grenswaarde (max)
maximaal 14,0
maximaal 14,0
maximaal 35
maximaal 2,0
maximaal 2,0
maximaal 8,0
maximaal 8,0
maximaal 8,0
maximaal 20,0
maximaal 14,0
Keuze gemeente: De gemeente wil aansluiten bij de huidige Geurverordening en dat betekent geen lagere of hogere waarde dan de standaardwaarde zoals opgenomen in het BKL. Hiermee blijft het huidige beschermingsniveau in stand.
Deze standaardwaarden en de grenswaarden zijn niet van toepassing op de volgende situaties: a) Als er sprake is van een functionele binding met de activiteit (bedrijfswoning) . b) Voor woningen waarop nu al een hogere waarde geldt op basis van een geldende vergunning c) Voor gevoelige objecten die een functionele binding hebben met een dierenverblijf in de omgeving of op of na 19 maart 2000 opgehouden zijn een functionele binding te hebben . d) Voor ruimte-voor-ruimte-woningen . Voor situaties c en d gelden dan de vaste afstanden (vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van de stal tot het geurgevoelig object) zoals bij een veehouderij met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren: 100 meter binnen de bebouwingscontour en 50 meter buiten de bebouwingscontour. 45
45
45
45
45
Keuze 7: Wel of niet aanpassen minimale afstanden van een veehouderij met landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactoren op een geurgevoelig object De gemeente kan een kleinere of grotere afstand dan de standaardwaarde zoals opgenomen in het Bkl46 opnemen in het omgevingsplan. Daarbij geldt volgens het Bkl wel een ondergrens47. Deze afstanden (zowel de standaard afstand als de ondergrens) geldt ook voor voormalige bedrijfswoningen bij een veehouderij en ruimte-voor-ruimte woningen48
binnen de bebouwde kom buiten de bebouwde kom
Geurverordening in aangewezen gebieden 50 meter 25 meter
Standaardwaarde Ondergrens BKL 100 meter 50 meter
50 meter 25 meter
Keuze gemeente: De gemeente wil aansluiten bij de huidige Geurverordening waarin gebieden zijn aangewezen (zie bijlage 2) waar de afstand binnen de bebouwingscontour 50 meter en buiten de bebouwingscontour 25 meter is. Dit geldt dan voor vergunningsplichtige veehouderijen. Hiermee blijft het huidige beschermingsniveau in stand. Keuze 8: Wel of niet opnemen van afstandseisen voor maneges. In de bruidsschat zijn afstanden opgenomen voor het houden van paarden en pony's voor het berijden er van. Dit zijn dezelfde afstanden als hierboven bij landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor. De gemeente kan deze afstanden aanpassen of schrappen. Wel moet de gemeente ervoor zorgen dat de geurbelasting aanvaardbaar is. Keuze gemeente: De gemeente wil vooralsnog aansluiten bij de huidige regelgeving. Dit betekent dat de afstandseisen in de bruidsschat worden overgenomen in het nieuwe omgevingsplan. Een manege is een besloten plaats waar het paardrijden wordt beoefend. Het is een paardenbedrijf waarin één of meerdere ruimtes zijn waar kan worden paardgereden met daarbij stallen en andere faciliteiten. Keuze 9: Wel of niet opnemen van regels t.a.v. geur voor het hobbymatig houden van dieren zoals bedoeld in het Besluit Activiteiten Leefomgeving.
Dat zijn minder dan 10 stuks rundvee, 15 varkens, 350 kippen, 25 overige landbouwhuisdieren, zoals geiten, konijnen, paarden, pony’s (met uitzondering van pelsdieren49). Vanuit het Rijk komen er geen regels voor deze categorieën. In het omgevingsplan kunnen alsnog geurregels worden opgenomen. Hierbij is het belang dat er onderscheid wordt gemaakt tussen dieren met geuremissiefactoren (varkens, kippen, schapen, geiten en rundvee, kalkoenen, eenden en parelhoenders) en dieren zonder geuremissiefactoren (o.a. paarden en pony’s). Keuze gemeente: De gemeente wil geen geurregels opnemen voor landbouwdieren die in kleine aantallen en hobbymatig, dus zonder commercieel doel, worden gehouden. Dit geldt zowel buiten als binnen de bebouwingscontouren. Er zijn namelijk geen gevallen bekend waarin dit heeft geleid tot geuroverlast. De gemeente wil aansluiten bij de ondergrenzen zoals die golden (in de bruidsschat en het Activiteitenbesluit): bij minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony's, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren gelden er geen geurregels. Indien iemand meer van deze landbouwdieren houdt of diegene doet dat bedrijfsmatig (i.p.v. hobbymatig) dan
46
Artikel 5.112, Bkl Artikel 5.112 lid 2 en 5.116, Bkl 48 Zie tabellen bij artikel 5.115 en 5.116, Bkl 49 Artikel 3.200, Bal 47
gelden de minimale afstanden zoals benoemd bij keuze 6 en 7 van een veehouderij met landbouwhuisdieren zonder en met geuremissiefactoren op een geurgevoelig object. Keuze 10: Het wel of niet beschermen van tijdelijke woningen Onder de Omgevingswet zijn een aantal verschillen tussen het huidige milieu- en het ruimtelijk-spoor gelijkgetrokken. Zo zijn tijdelijke geurgevoelige gebouwen (minder dan 10 jaar) onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. Op basis van de bruidsschat geldt er een overgangsregeling. Als de gemeente niets regelt, vallen deze gebouwen bij de vaststelling van een nieuw omgevingsplan onder het nieuwe recht en ontvangen dan geen bescherming meer. Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen. Keuze gemeente: De gemeente wil geen geurregels opnemen voor tijdelijke geurgevoelige gebouwen. Dit geeft bijvoorbeeld meer flexibiliteit in het plaatsen van tijdelijke woningen. Wel moet de gemeente ervoor zorgen dat de geurbelasting aanvaardbaar is. Keuze 11: Wel of niet aanpassen geurnormen tot waterzuiveringen Molenlanden kent momenteel twee waterzuiveringen. Hiervoor gelden geurnormen vanuit de Bkl. Onder bepaalde voorwaarden kunnen deze geurnormen worden bijgesteld in het omgevingsplan.
Keuze gemeente: De gemeente wil aansluiten bij de huidige regelgeving, zodat het huidige beschermingsniveau in stand blijft. Er is geen enkele aanleiding om dit momenteel aan te passen. Keuze 12: Wel of niet aanpassen afstanden voor overige agrarische functies In de bruidsschat zijn vaste afstanden opgenomen voor de volgende agrarische activiteiten: Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie-afstand Gebruik substraatmateriaal van plantaardige oorsprong Opslaan kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen Opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie Voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisting Composteren of opslaan van groenafval De gemeente kan deze afstanden aanpassen of schrappen. Keuze gemeente: De gemeente wil aansluiten bij de huidige regelgeving, zodat het huidige beschermingsniveau in stand blijft. Er is geen enkele aanleiding om dit momenteel aan te passen. Keuze 13: meten vanaf de gevel of vanaf referentiepunt Het is gangbaar dat de normen en afstanden gelden op de gevel van de geurgevoelige gebouwen. De gemeente kan hier van afwijken door bijvoorbeeld te werken met referentiepunten50. Keuze gemeente: De gemeente wil blijven meten vanaf de gevel van geurgevoelige gebouwen Referentiepunten zijn namelijk lastiger te meten. Deze manier van werken is in het belang van toezicht en vergunningverlening ongewenst.
Keuze 14: Wel of geen regels over het stoken van hout in kachels en haarden door particulieren Er zijn door het rijk geen regels t.a.v. geur opgenomen voor activiteiten op locaties waar alleen wonen is toegelaten51. Er zijn dus geen (instructie)regels over geur afkomstig van het gebruik van woningen, zoals hobbymatige activiteiten of houtstook. Ook hiervoor geldt dat de gemeente regels in het omgevingsplan kan opnemen. Zo kan een gemeente ervoor kiezen de geur als gevolg van het 50 51
Artikel 5.93 en 5.94, Bkl Artikel 5.1.4.6, Bkl
stoken van hout in kachels en haarden door particulieren in het omgevingsplan te regelen. Wel gelden er strengere eisen voor nieuwe haarden en kachels. Deze moeten voldoen aan de Ecodesignrichtlijn waardoor er veel minder uitstoot is van schadelijke gassen en fijnstof. Keuze gemeente: De gemeente wil geur als gevolg van het stoken van hout in kachels en open haarden in en rondom woningen aanmerken als milieubelastende activiteit en hiervoor regels opnemen in het omgevingsplan. Er geldt dan een stookverbod bij een stookalert van het RIVM en alleen hout mag als brandstof worden gebruikt. Hiermee beperken we de overlast voor mensen met luchtwegenaandoeningen. Deze regels maken toezicht en handhaving op overlast gemakkelijker.
Bijlage 1: Overzicht vergunningsplichtige bedrijven Onderstaande bedrijven hebben mogelijk regels in hun vergunning t.a.v. geur. Naast deze lijst zijn er nog bedrijven waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
Bijlage 2: aangewezen gebieden in de Geurverordening gemeente Molenlanden