CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl. 2. Bijlagen bij de Toelichting bestemmingsplan ‘Uitbreiding bedrijventerrein Melkweg Fase II, Bleskensgraaf’

Raadsvergadering 21 februari 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Melkweg Fase II, Bleskensgraaf29.517 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Analyse landschappelijke inpassing uitbreiding bedrijventerrein te Bleskensgraaf

4 juli 2022 In opdracht van: Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V.

Oog voor buitenruimten

Analyse landschappelijke inpassing uitbreiding bedrijventerrein te Bleskensgraaf 4 juli 2021

I.o.v. Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V.

Is voorbereid door: Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten b.v. Postbus 67 2860 AB Bergambacht 0182 357077 info@lagendijkTLarchitecten.nl lagendijktlarchitecten.nl

2

Inhoud 

Inleiding

4

Analyse landschappelijke inpassing

5

Projectgebied in wijdere omgeving

5

Projectgebied ingezoomd en kadastraal

6

Fotobeelden bestaande situatie

7

Bestaand bouwplan en buitenruimte

11

Landschappelijke kwaliteit en hoofdstructuur

12

Functies

14

Ontwerpuitgangspunten

15

Uitgezoomde situatie in wijdere setting

15

Ingezoomd op plangebied

16

Zijde A

17

Zijde B

18

Zijde C

19

Zijde D

20

Ontwerpuitgangspunten t.a.v. dorpsrand

21

Aanbevelingen

22

Landschappelijk inpassingsplan (uitgezoomd in wijdere setting)

22

Landschappelijk inpassingsplan (ingezoomd op planlocatie)

23

Referentiebeelden wijdere setting

24

3

Inleiding

Aanleiding Opdrachtgever Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V. heeft Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten gevraagd een landschappelijk inpassingsplan op te stellen met een analyse op hoofdlijnen ten behoeve van de landschappelijke inpassing van een viertal bedrijfspanden en bedrijfsterrein. De ontwikkeling is reeds bekend bij de gemeente, diens stedenbouwkundig adviseur en provincie ZuidHolland. Het plangebied vormt onderdeel van een zone van bedrijfsterreinen en is gelegen ten noorden/oosten van de Melkweg en ten westen van de Wervenkampweg te Bleskensgraaf. Doelstelling Het is de doelstelling om het bedrijfsterrein op landschappelijk en stedenbouwkundig verantwoorde wijze in te passen in het bestaande landschap. Daarnaast is het creëren van werkgelegenheid in een landelijke setting met oog voor landschappelijke- en ecologische waarden doelstelling. Het geheel wordt zorgvuldig in het landschap ingepast waarbij het streven is te komen tot een duurzame ontwikkeling. Aanpak Via een stedenbouwkundige en landschappelijke verkenning en de analyse gericht op de landschappelijke hoofdstructuur en landschappelijke kwaliteit, wordt een beoordeling gegeven over de mogelijkheden die het gebied heeft voor de beoogde transformatie.

4

Inleiding

slagenlandschap

Bleskensgraaf

Projectlocatie

Bedrijventerrein

slagenlandschap

Projectgebied (bron: Ruimtelijke plannen)

5

Analyse landschappelijke inpassing Projectgebied in wijdere omgeving

Projectlocatie

Projectlocatie

Melkweg

Projectgebied ingezoomd

Kadastrale kaart en Basiskaart grootschalige topografie

6

Analyse landschappelijke inpassing Projectgebied ingezoomd en kadastraal

Zicht op lintbebouwing langs de Hofwegen gezien vanaf de Melkweg.

Westgrens van het plangebied met kavelsloot en bestaande knotwilgenrij als grens.

Westgrens van het plangebied met kavelsloot en bestaande knotwilgenrij als grens.

Zicht op de diversiteit van de lintbebouwing langs de Hofwegen gezien vanaf de Melkweg.

7

Analyse landschappelijke inpassing Fotobeelden bestaande situatie

Zicht op het plangebied vanaf westelijk bedrijfsterrein.

Oostgrens van het plangebied langs de Wervenkampweg en zicht op de lintbebouwing langs de Hofwegen.

Vanaf Wervenkampweg zicht op de planlocatie kijkend in westelijke richting.

Vanaf Wervenkampweg zicht op de planlocatie en groene filtering langs bestaande bedrijventerrein.

8

Analyse landschappelijke inpassing Fotobeelden bestaande situatie

Zicht op het plangebied en Melkweg vanaf de Wervenkampweg met wijds zicht op het groene poldergebied.

Zicht vanaf de Hofwegen (vanaf de zuid/oosthoek van het plangebied) op en langs de Wervenkampweg.

Vanaf de achtersloot/bakwetering achter de lintbebouwing van de Hofwegen met enkele knotwilgenrijen kijken in westelijke richting vanaf de Wervenkampweg.

Vanaf de Melkweg met zicht op het oostelijk deel van het plangebied.

9

Analyse landschappelijke inpassing Fotobeelden bestaande situatie

Zicht op nog onbebouwde bedrijfslocatie in noordelijke richting met zicht op de knotwilgenrij als erfgrens van het plangebied.

Zicht op brede sloot/bakwetering als grens tussen tuinen/terreinen van de lintbebouwing en het plangebied.

Zicht op brede sloot/bakwetering als grens tussen tuinen/terreinen van de lintbebouwing en het plangebied.

Zicht uit noordelijke richting op westelijke grenssloot tussen het plangebied en westelijk Bedrijventerrein.

10

Analyse landschappelijke inpassing Fotobeelden bestaande situatie

Bestaand configuratie van bouwplannen en buitenruimte De voorgestelde bedrijfshallen zijn groter dan de kavelbreedte van de weilanden met bestaande kavelscheidingssloten. Het is om die reden beperkt mogelijk het bestaande slagenlandschap in de oorspronkelijke staat te behouden. Het is daarom van belang zoveel mogelijk elementen die refereren aan de slagenverkaveling te behouden of op symbolische wijze op andere wijze tot uitdrukking te brengen zoals wegen, bomenlanen, behoud van aanzetten van kavelsloten en de inrichting van het gebied met streekeigen elementen zoals inheems bosplantsoen met bloesemaccenten, bloemrijk grasland en natuurvriendelijke oevers. De grootte van de gebouwen bieden ook kansen, zo heeft iedere zijde een eigen karakteristiek en mogelijkheden een unieke uitstraling te realiseren. Daarnaast heeft de architect de grote gevelvlakken voorzien van lijnvormige vlakken in aarde tinten. Tevens is er een daktuin in het ontwerp opgenomen dat de totaalmassa in vier massa’s verdeeld in lijn met de oorspronkelijk kavelverdeling. De definitieve terreininrichting zal in kleine mate afwijken van de op deze bladzijde getoonde illustraties van de architect.

Aanzichten Bouwplan door Brand | BBA architecten

3D Aanzicht Bouwplan en buitenruimte door Brand | BBA architecten

3D Aanzicht Bouwplan en buitenruimte door Brand | BBA architecten

11

Analyse landschappelijke inpassing Bestaand bouwplan en buitenruimte

Landschappelijke kwaliteit en hoofdstructuur Het landschapstype rond Bleskensgraaf betreft het slagenlandschap. Dit wordt gekenmerkt door lange rechte kavelscheidingssloten die vaak min

De landschappelijke hoofdstruc-

of meer in noord-zuidrichting lopen. Veelal haaks daarop liggen buurtwe-

tuur bestaat uit lange rechthoekige

gen in de vorm van lintbebouwing of landbouwontsluitingswegen. De dor-

weilanden omringd door sloten. Dit

pen liggen daar als woonclusters binnen. Vaak is het hoogste punt de

is kenmerkend voor de slagenverkaveling. De lintbebouwing min of

kerktoren. De hoogte en massa wordt veelal gevormd door erfbeplanting en bebouwing. Van een afstand is een groene horizon kenmerkend waarbinnen de gebouwen ingekaderd zijn door bomen en bosschages. Aan de

meer haaks op de verkavelings-

Strakke achterkant van lint door aanwezigheid van wetering

randen van de kernen liggen vaak bedrijven terreinen. Bleskensgraaf

structuur valt op mede door het kleinschaliger karakter. Andere

Kerk

vormt bij bovengenoemde karakteristieken geen uitzondering. Om de

toegevoegde elementen in min of

landschappelijke kwaliteit te waarborgen heeft de gemeente het Molen-

meer oost-west richting zijn de

waards Kookboek laten opstellen waarin randvoorwaarden zijn opgesteld.

bermsloot of bakwetering en de

het plangebied. Concreet heeft dit betrekking op de landschappelijke

verschil in korrelgrootte tussen de lintbebouwing van de Hofwegen en dat van het aangrenzende bedrij-

kwaliteit van het gebied, de verschijningsvorm van bebouwing en de be-

venterrein. Vanuit de lucht is dit

Legenda

duidelijk waarneembaar, echter Bestaande lengte sloot

plantingskeuze daarbinnen, en hoe wordt omgegaan met de verkavelingsstructuur van het landschap. Het gebied wordt gekenmerkt door een groen kader en groene uitstraling en hierbij is het streven dit ook in de nieuwe ontwikkelingen door te zetten zodat er een aanvulling plaats vindt op de ontwikkeling van een sterk groen kader. Dit zorgt voor een zachte overgang naar het open veenweide landschap en zet streekeigen inheem-

Voormalige lengtesloot

vorm in uitgezoomde als ingezoomde situaties en is van toepassing op

Waterzui-

Dit Molenwaards kookboek heeft zowel betrekking op de verschijnings-

Melkweg. Duidelijk zichtbaar is het

vanaf het maaiveld kan dit een kleinschaliger karakter krijgen mits gekozen wordt voor de juiste samenstelling van de beplanting en terreininrichting.

se beplanting in om het landschappelijk karakter van de dorpsrand te versterken en de overgang naar het buitengebied te verzachten.

Kerktoren

Locatie plangebied

Van een afstand valt de groene horizon op met daarbinnen opgesloten bebouwde massa. Het rode gebouw en grootschalige schuurvormige gebouwen vormen een harde confrontatie tussen bebouwde massa en de bovengenoemde fijne groen/bebouwingsstructuur. Het verdient aandacht de nieuwe ontwikkeling van het bedrijfsgebouw op een meer passende wijze landschappelijk in te passen zonder de architectuur van het gebouw te kort te doen.

12

Analyse landschappelijke inpassing Landschappelijke kwaliteit en hoofdstructuur

De ontwikkeling draagt bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden

Voormalige lengtesloten zijn met de ontwikkeling van het bedrijventerrein komen te vervallen.

Invulling van planlocatie als bedrijfslocatie maakt de reeds ingezette weg voor functieverandering van agrarisch naar een zone specifiek bedoelt voor bedrijven compleet.

Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de voorgenomen bedrijfszone structuur.

De stedenbouwkundige opzet van de bedrijven met de maatvoering die daarbij past en gekozen is vormt uitgangspunt voor deze zone. Het plangebied vormt daar onderdeel van. De keuzes hiervoor zijn reeds vastgelegd in het huidige vigerende bestemmingsplan dat geldt voor de omgeving van het plangebied. Deze zone is nu herkenbaar als een aaneengesloten bedrijvenzone die parallel loopt aan het lint van de Hofwegen. Het niet invullen van deze bedrijfsontwikkeling draagt bij aan een onevenwichtige zone hetgeen niet gewenst is.

Strakke achterkant van lint door aanwezigheid van wetering

Om het landschap in de originele kwaliteit terug te brengen is het wenKerk

selijk de huidige bedrijfszone weg te denken, en te transformeren naar veenweide gebied waarmee aan de richtpunten uit het ruimtelijk kwaliteitsbeeld wordt voldaan. Er is reeds vastgesteld beleid om een andere invulling te geven aan het gebied, waarbij het plangebied de voltooiing op twee gedachten.

Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren

Waterzuivering

betekent van deze zone. Het hier niet in mee gaan betekent het hinken

Legenda

Bestaande lengte sloot

ke hoofdstructuur uiteraard gaat dit ten koste van enkele bestaande weilanden. Het opnemen van een groter bouwvolume in het lint zou een ongewenste korrelgrootte opleveren binnen een kleinschalig lint van de Hofwegen dat een verstoring van de beeldkwaliteit over een grote lengte veroorzaakt. Het is beter de grotere bouwvolumes te concentreren op een daarvoor gereserveerde zone en het bestaande lint van de Hofwegen zo

Voormalige lengtesloot

Het hoofdgebouw en diens omgeving volgt de bestaande landschappelij-

veel mogelijk te ontzien. Het compleet maken van de bedrijfszone voorziet hierin.

Ruimte voor water en structuurdragende beplantingsbuffer

Melkweg vormt nieuwe structuurdrager en achterkant van het lint en dorpskern.

1995 Uitbreiding melkfabriek over de wetering

1998 Aanleg Melkweg en bouwrijp bedrijventerrein

13

2011 Uitbreiding bedrijventerrein in oostelijke richting

2019 Bouwrijp maken locatie naast projectgebied

Analyse landschappelijke inpassing Landschappelijke kwaliteit en hoofdstructuur

Functies De opdrachtgever heeft voor hun bedrijfsontwikkeling behoefte aan bedrijfshallen van uiteenlopende grootte en bijbehorende parkeervoorziening. Volgens de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 zijn er 182 parkeervakken vereist voor personenauto’s, verder zijn nodig 11 laaddocks en een stallingsmogelijkheid voor ca. 50 fietsen. Daarnaast is er voldoende manoeuvreerruimte nodig voor grote vrachtwagens. Binnen de gemeente is hier draagvlak voor, voorwaarde is het realiseren van een zorgvuldige landschappelijke inpassing waarbij rekening wordt gehouden met gebiedskenmerken en omwonenden. Voor dit laatste is er overleg gevoerd om draagvlak te creëren.

Waterberging en ecologie Een deel van de watergangen zal gedempt moeten worden om de bouwmassa’s te kunnen realiseren, ter tegemoetkoming van het verlies aan open waterberging zal vervangende waterberging worden gerealiseerd. Daarnaast zijn er kansen vanuit ecologisch oogpunt mede vanwege de ligging van het plangebied aan de rand van het buitengebied van Bleskensgraaf. Voorbeelden kunnen zijn natuurvriendelijke oevers en de juiste beplantingskeuze voor vogels, bijen en vlinders.

Natuurvriendelijke oevers

14

Analyse landschappelijke inpassing Functies

Ontwerpuitgangspunten Op basis van de inventarisatie/analyse van het gebied en op basis van de landschappelijke kwaliteit en de landschappelijke hoofdstructuur zijn ontwerpuitgangspunten te destilleren. Deze zullen in deze paragraaf uiteengezet worden. Er is onderscheid te maken tussen: 1. Uitgangspunten t.a.v. de uitgezoomde situatie in wijdere setting 2. Uitgangspunten t.a.v. het betreffende plangebied 1. Uitgangspunten t.a.v. de uitgezoomde situatie in wijdere setting In lijn met het Molenwaards kookboek zullen bedrijfsterreinen grenzend aan het buitengebied van gepaste landschappelijke beplanting worden voorzien. In lijn met de analyse betekent dit de toepassing van boombeplanting met een gemiddelde hoogte onder de bestaande gebouwen en erfbeplanting. Door deze toepassing wordt vanuit de omgeving een basis gecreëerd voor een wenselijke overgang naar het buitengebied. De architectuur van de gebouwen levert ook een belangrijke bijdrage aan de omgeving. De architect is hierbij uitgegaan van de toepassing van, meer ingetogen kleuren in de gevels.

Zichtlijnen vanuit poldergebied (slagenlandschap) op het projectgebied.

Zicht op het plangebied vanuit wijdere omgeving

15

Ontwerpuitgangspunten Uitgezoomde situatie in wijdere setting

Ontwerpuitgangspunten 2. Uitgangspunten t.a.v. het betreffende plangebied

Zijde A: zone relatie met bewoners Hofwegen

De bedrijfshallen worden gevormd door een ensemble van rechthoekige bouwmassa’s. Waarbij de bouwmassa’s zo ver mogelijk naar het midden van het terrein worden gepositioneerd om net voldoende ruimte over te houden voor zoveel mogelijk parkeren in de kern. Hiermee ontstaat er maximale ruimte voor de inpassing van beplanting langs de buitenranden. Daarnaast is er ruimte om diversiteit te creëren in de vier buitenzijden. Grenzend aan de vier zijden bevinden zich terrein onderdelen met elk een eigen karakteristiek en functie. In deze paragraaf zullen de ontwerpuitgangspunten per zijde nader worden toegelicht.

Zijde D: zone relatie met geplande / bestaande bedrijfskavel

Zijde B: zone relatie met Wervenkampweg

Melkweg

Zijde C: zone relatie met Melkweg

16

Ontwerpuitgangspunten Ingezoomd op plangebied

Zijde A Kenmerken Deze zijde betreft de zone grenzend aan de bestaande lintbebouwing van de Hofwegen. De lintbebouwing bestaat uit een mix van bijgebouwen en woningen van uiteenlopende stijl en afmetingen. Aan de zijde van het plangebied bestaat dit uit weilanden en enkele rijen knotwilgen. De slagenverkaveling is duidelijk aanwezig middels enkele lengtesloten. Twee van deze lengtesloten zullen gedempt moeten worden om de bouw van de bedrijfshallen en daarmee de bouwmassa’s mogelijk te maken. De zone krijgt mede door de nieuwe bedrijfshallen een wat kleinschaliger karakter. Beplanting zal hierbij een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de landschappelijke kwaliteit.

Ontwerpuitgangspunten Ten behoeve van het bewaren van de diversiteit aan verkavelingspatronen is het van belang de aanzetten van de lengtesloten samen met de natuurvriendelijke oevers te behouden. De zone grenzend aan de dwarssloot/bakwetering kan worden ingericht als bosplantsoen met hoogstam boskrieken en andere boomsoorten met bloemrijk grasland. Er dient rekening te worden gehouden met het behoud van de kenmerkende landschapselementen. Dit betekend dat de knotwilgenrij parallel aan de wetering wordt behouden. Eventueel aangevuld met nieuwe knotwilgen. Deze inrichtingscomponenten leveren een positieve bijdrage t.a.v. de ecologische waarde en knipoog naar het slagenlandschap. De zone langs het erf kan worden ingericht als bosplantsoenstrook bestaande uit streekeigen struik- en boomvormers. Deze struik- en boomvormers kunnen uitgroeien tot onder de hoogte van het pand waarmee er een groen filter ontstaat richting bewoners langs de Hofwegen. Hiermee wordt tevens voldaan aan de uitgangspunten gesteld in het Molenwaards Kookboek. Een belangrijk deel van deze zone valt buiten de invloedsfeer van de molenbiotoop en heeft daarmee geen beperking, echter daar dit wel het geval is kan de bosplantsoenstrook worden beperkt tot struikvormers en lagere boomsoorten indien dit buiten de luwte sfeer van molenbiotoop valt.

Hoogstam boomgaard

Bosplantsoenstrook

Natuurvriendelijke oevers

17

Ontwerpuitgangspunten Zijde A

Zijde B Kenmerken Deze zijde betreft de zone grenzend aan de Wervenkampweg. Momenteel is er vanaf de Hofwegen kijkend in zuidelijke richting vrij uitzicht over de polder, echter dit gaat veranderen met de bedrijfsbestemming die zal worden toegekend aan het plangebied en westelijk daarvan gelegen gronden. Hierbij wordt de nieuwe bebouwing geplaatst binnen de voorgenomen structuur van het bedrijventerrein, eindigend bij de Wervenkampweg. Komend vanuit zuidelijke richting kom je het dorp binnen vanuit een achterkant situatie, echter in de beleving is dit een voorkant. Met dit gegeven wordt met de landschappelijke inpassing rekening gehouden. Deze zone draagt bij aan de entreebeleving van Bleskensgraaf komend vanuit zuidelijke richting en is van belang voor een verantwoorde landschappelijke inpassing. Het is van belang een passende overgangskwaliteit te realiseren zodat een goede overgang tussen de dorpsbebouwing en veenweidegebied ontstaat.

Ontwerpuitgangspunten Dit plandeel biedt een kans een groenbuffer te realiseren ter hoogte van de gebouwen. De zuidoost kop is een belangrijke zijde van het gebouw. Dit vormt naast het gebouw ook een belangrijke stedenbouwkundige hoeksteen van de totale ontwikkeling van het gebied. Het is van belang dat de beplanting een ondersteunende rol vervult waarbij de architectuur van het pand de hoofdrol vervult. Dit houdt in dat de beplanting zal bestaan uit bodembedekkers met enkele solitair heesters en/of bomen. Het verlies van enkele lengtesloten zal worden gecompenseerd met een streekeigen bufferbeplanting aan de oostzijde van het pand die als structuurdrager van de slagenverkaveling zal worden aangeplant. De bufferbeplanting zal onder de gebouwhoogte blijven, rekening houdend met wind uit westelijke richting. Bij andere windrichtingen heeft de laanbeplanting geen nadelige invloed. Bij het beplantingsassortiment zal rekening worden gehouden met ecologische waarden zoals insecten en besdracht als voedsel en nestelgelegenheid voor vogels. Bufferbeplanting

Alnus glutinosa ‘Laciniata’

Bloeiende voorjaarsheesters

Natuurvriendelijke oevers, vooral richting zuiden

Bloeiende zomerheesters

18

Bufferbeplanting

Kleurrijke oever met bufferbeplanting

Ontwerpuitgangspunten Zijde B

Zijde C Kenmerken Deze zijde van het gebouw is georiënteerd op de hoofdontsluitingsweg, de Melkweg. Dit is vanuit landschappelijk oogpunt gezien een belangrijke ontsluitingsweg, omdat zowel deze weg als ook de entreezone van het gebouw bijdraagt aan de entreebeleving van Bleskensgraaf komend vanuit zuidelijke- en oostelijke richting. Het is vanuit dat oogpunt van belang te kiezen voor een verantwoorde landschappelijke inpassing. Naast de beleving van het landschap van grotere afstand is ook deze zijde van het gebouw de belangrijkste qua beleving. Er is een tegenstrijdigheid, enerzijds wil je het bedrijventerrein niet zien vanaf grotere afstand en anderzijds juist wel vanuit oogpunt van beleving van het gebouw. Dit is ook bij zijde B het geval. De kavelsloot langs de Melkweg heeft

Bloeiende heesters

Symphoricarpos chen. ‘Hancock’

Haag

een natuurlijke uitstraling en refereert naar de landelijke uitstraling van het buitengebied. Het verdient aandacht deze karakteristiek te behouden. Ontwerpuitgangspunten Dit plandeel biedt toegang tot het parkeerterrein. Dit zal d.m.v. een haag van 1,50m hoogte een belangrijk deel van de parkeerplaats uit het zicht brengen. Centraal in deze zone zal de geplande gedempte sloot als structuurdrager worden gecompenseerd door de hoofdontsluitingsweg van de parkeerplaats. Dit zal verder worden ondersteund door een bomenlaan. In lijn met de oostzijde van het gebouw, zijde B is het van belang uit oogpunt van eenheid te kiezen voor een zelfde uitstraling qua beplanting en oevers. De centrale toegangsweg ligt op de voormalige watergang deze wordt als struc-

Groot materieel is mogelijk bij voldoende opgekroonde bomen

tuurdrager teruggebracht. De voormalige watergang wordt geaccentueerd door een onderheide duikerdam nabij de Melkweg. Samen met de aanzetten van de bestaande sloot vormt dit een contrast en tevens een duidelijk accent waar de entree van het terrein ligt. De zuidgevel van de Eurogroep en Montapacking liggen in elkaars verlengde en zal dezelfde uitstraling krijgen uit oogpunt van eenheid en beeldkwaliteit. Deze zijde zal worden beplant op een wijze dat een juiste balans ontstaat tussen de zichtbaarheid van de gebouwen en de beplanting. Van belang is hierbij is de juiste beplantingskeuze in relatie tot de landschappelijke inpassing. Er is potentie het karakter van het strakke gebouw met strakke wegen en parkeerplaatsen in contrast te brengen met juist losse natuurvriendelijke oevers aan de Melkwegzijde. Vanwege de molenbiotoop zal de laanbeplanting onder de gebouwhoogte blijven, rekening houdend met wind uit (zuid-)westelijke richting. Bij andere windrichtingen heeft de laanbeplanting geen nadelige invloed. Langs de Melkweg is aan de zuidzijde een laanbeplanting aanwezig van een type Els dat verwantschap heeft met het landschap. Het is wenselijk dat aan de noordzijde van Melkweg ook een laanbeplanting aangebracht wordt van eenzelfde type zodat deze ontsluitingsweg qua hiërarchie als primaire ontsluitingsweg herkenbaar wordt.

Echter vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen in deze berm aan de noordzijde is de kans groot dat een laanbeplanting aan deze zijde niet mogelijk is. Wellicht dat bij de verdere ontwikkeling van het bedrijventerrein er mogelijkheden kunnen ontstaan dit alsnog aan te brengen Vanuit oogpunt van contrast is het van belang aan de bermzijde van het bedrijfspand natuurvriendelijke oevers te realiseren met losse struik en boomgroepen in gras. Bij het beplantingsassortiment zal eveneens rekening worden gehouden met ecologische waarden zoals insecten, amfibieën, watervogels en andere flora en fauna. Van een afstand zal de laanbeplanting als groene wand worden ervaren, waarbij tegelijkertijd er behoefte is aan de zichtbaarheid van het pand, dit kan door de toepassing van het juiste type laanboom die voldoende is opgekroond.

Natuurvriendelijke oevers

19

Ontwerpuitgangspunten Zijde C

Zijde D Kenmerken Deze zone is beperkt qua omvang en wordt begrensd door een bestaande watergang. Deze sloot heeft een structuurdragende functie van het slagenlandschap. Wat betreft de molenbiotoop valt dit deel buiten deze zone. Ontwerpuitgangspunten De kavelscheidingssloot kan zich krachtiger in het landschap manifesteren door de aanplant van knotwilgen in aanvulling op een rij bestaande knotwilgen op terrein van het westelijk gelegen perceel. De berm kan worden ingeplant met een besrijke heester waardoor een positieve bijdrage wordt geleverd aan de flora en fauna.

Symphoricarpos chen. ‘Hancock’, Sneeuwbes

Knotwilgen langs sloot

20

Ontwerpuitgangspunten Zijde D

Ontwerpuitgangspunten t.a.v. dorpsrand Het is wenselijk dat de ontwikkeling aan de dorpsrand een bijdrage levert aan Verbinding leggen tussen bebouwd gebied en landschap met zichtbare structuur van elzenrijen en lengtesloten. Elzenrij als laanbeplanting langs weg Elzenrij als bufferbeplanting langs perceel Elzenrij als landschapselement in veenweidegebied

het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap) Het gaat hier om contactkwaliteit. Er is aan de vier zijden van het plangebied aandacht geschonken aan het realiseren van een rand met passende contactkwaliteit. (Dit is eerder in het rapport

toegelicht) Ter aanvulling van de contactkwaliteit is er potentie aan de oostzijde van het

Wilgenstruweel in richting van de slagenverkaveling

plangebied de contactkwaliteit te versterken. De zone tussen het plangebied en de Wervenkampweg biedt mogelijkheden de relatie tussen bebouwd gebied en open weidelandschap te versterken.

Versterken landschappelijke hoofdstructuur, belevingswaarde en ecologische waarde met transparante bomenlanen, waterlopen en rietkragen

De gebiedsvreemde bocht in de Wervenkampweg in aansluiting met de Hofwegen is uit te breiden met een waterelement. Hierin kunnen via elzenlanen of wilgenstruweel een bijdrage worden geleverd aan herstel van de slagenverkaveling en het aanbrengen van landschapselementen. Juist om de contactkwaliteit vanuit het lint met het veenweidegebied te verhogen. Aan de zuidzijde van het plangebied kan langs de zuidzijde van de Melkweg extra watercompensatie worden gerealiseerd waarbij de nadruk kan liggen op een

Versterken structuurdragende sloot met knotwilgenrij als kenmerkend landschapselement

passende landschappelijke inpassing. Van de Wervenkampweg kijkend levert dit een bijdrage aan de beleving en landschappelijke inpassing van de achterzijde van het lint, als bijdrage aan landschappelijk herstel. Ook het aanbrengen van

Zichtlijnen vanuit bebouwde omgeving dorp

Bewaren diversiteit verkavelingspatronen. Zichtbaar houden van kavelbreedte met aanzet van lengtesloten

meer elzen- en wilgenlanen aan de Melkweg kunnen een meerwaarde hebben voor het landschappelijke herstel.

Behoud van doorzicht

Aan de twee zijden ter hoogte van het plangebied kan onderzocht worden of watercompensatie verplichting van dit perceel gecombineerd kan worden bijvoorbeeld door het versterken van de lengtesloot als structuurdrager aan de westzijde en een compensatie aan de oostzijde.

Watergang versterken als structuurdrager, lengtesloot versterken door aanbrengen van knotwilgenrijen

Suggestie voor invulling watercompensatie opgave gemeente

Natuurvriendelijke oevers, elzenrijen en water geven streekeigen natuurlijk karakter en tevens invulling aan de wateropgave

Bestaande sloot in slagenverkaveling overnemen als structuurdrager aan westzijde plangebied (ter plekke van boerderij verdwenen)

Natuurvriendelijke oevers met Lisdodde, rietsigaar, kattenstaart e.d. 21

Elzenstruweel

Knotwilgenrij

Ontwerpuitgangspunten Ontwerpuitgangspunten t.a.v. dorpsrand

Bewaren diversiteit verkavelingspatronen. Zichtbaar houden van kavelbreedte en aanzet lengtesloten

Landschappelijk inpassingsplan (uitgezoomd in wijdere setting)

Versterken landschappelijke hoofdstructuur met bomenlanen en lengtesloten

Versterken structuurdragende sloot met knotwilgenrij als kenmerkend landschapselement

Wilgenstruweel in richting van de slagenverkaveling

Zie p23 voor plan ingezoomd op locatie

Versterken landschappelijke hoofdstructuur met bomenlanen, waterlopen en rietkragen

Bewaren van diversiteit verkavelingspatronen. Zichtbaar houden van kavelbreedte door behouden van aanzet lengtesloten Zichtlijnen

Suggestie voor invulling watercompensatie opgave gemeente

Natuurvriendelijke oevers, elzenrijen en water geven streekeigen natuurlijk karakter en tevens invulling aan de wateropgave

22

Aanbevelingen Landschappelijk inpassingsplan (uitgezoomd in wijdere setting)

Landschappelijk inpassingsplan

23

Aanbevelingen Landschappelijk inpassingsplan (ingezoomd op planlocatie)

Graskade met elzen op gedempte sloot (te behouden) Mogelijk onderdeel uit laten maken van ommetje door weidelandschap voor bewoners van de dorpskern. Structuur versterkende elementen middels bomenrijen en wilgenstruweel als overgang naar buitengebied vanuit het lint.

Structuur versterkende elementen middels bomenrijen en wilgenstruweel als overgang naar buitengebied vanuit het lint.

Natuurvriendelijke oevers en rietkragen.

Elzengroep met rietkraag en doorzicht op achterliggende land.

24

Aanbevelingen Referentiebeelden wijdere setting

© Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten bv Postbus 67 | 2860 AB Bergambacht | T (0182) 357077 | F (0182) 357027 E info@lagendijktlarchitecten.nl

25

9 5 2

4 2 VAK B Oppervlakte bosplantsoen 157 m2 met de volgende soorten: 39 Crataegus monogyna (25%) 24 Viburnum opulus (15%) 16 Ilex aquifolium (10%) 16 Ligustrum vulgare (10%) 3a 16 Sambucus nigra (10%) 2 31 Corylus avellana (20%) 16 Rhamnus frangula (10%)

5 Malus floribunda 5 Acer campestre 'Elsrijk' 2 Salix alba (geknot)

7 Salix alba (geknot)

bestaande knotwilgen

3 Prunus avium 'Plena'

P135 P127

P128

P129

P130

P131

P132

P133

P134

P136

P137

P182

81 Salix purpurea 'Nana'

4 Pyrus calleryana 'Chanticleer'

4 Alnus glutinosa 'Laciniata' P120

P121

P122

P123

P124

P125

3 Malus floribunda

P126

P138

P139

P140

70 Crataegus monogyna

VAK A Oppervlakte bosplantsoen 353 m2 met de volgende soorten: 88 Crataegus monogyna (25%) 53 Viburnum opulus (15%) 35 Ilex aquifolium (10%) 35 Ligustrum vulgare (10%) 35 Sambucus nigra (10%) 71 Corylus avellana (20%) 35 Rhamnus frangula (10%)

P113

P114

P115

P116

P117

P118

P119

P141

P142

P143

1 Pyrus calleryana 'Chanticleer' 29 Amelanchier lamarckii

2 Alnus glutinosa 'Laciniata' P106

P107

P108

P109

P110

P111

P112

P99

P100

P101

P102

P103

P104

P105

P144

P145

P146

P147

P148

P149

447 Salix purpurea 'Nana'

3 Malus floribunda 318 Rosa rugosa'Dagmar Hastrup' P68

P69

P70

P71

P72

P73

P74

P75

P76

P77

P78

P79

P80

P81

P82

P83

P84

P85

P86

P87

P88

P89

P90

P91

P92

P93

P94

P95

P96

P97

P98

30 Amelanchier lamarckii P29

P30

P31

P32

P33

P34

P35

P36

P37

P38

P39

P40

P41

P42

P43

P44

P45

P46

P47

P48

P49

P50

P51

P52

P53

P54

P55

P56

P57

P58

P59

P60

P61

P62

P63

P64

P65

P66

P67

P150

P151

P152

P153

P154

P155

4 Alnus glutinosa 'Laciniata' 4 Pyrus calleryana 'Chanticleer' 48 Crataegus monogyna

51 Salix purpurea 'Nana'

P157

P158

P159

P160

P161

W ER

P156

VEN KAM PW

EG

4 Prunus avium 'Plena'

3 Malus floribunda

VAK C Oppervlakte bosplantsoen 892 m2 met de volgende soorten: 223 Crataegus monogyna (25%) 134 Viburnum opulus (15%) 89 Ilex aquifolium (10%) 89 Ligustrum vulgare (10%) 89 Sambucus nigra (10%) 178 Corylus avellana (20%) 89 Rhamnus frangula (10%)

1 Alnus glutinosa 'Laciniata'

3 Prunus avium 'Plena'

P162

P163

P164

P165

P166

P167

1 Alnus glutinosa 'Laciniata' P22

P23

P24

P25

P26

P27

P28

231 Salix purpurea 'Nana' 10 Amelanchier lamarckii

P15

P16

P17

P18

P19

P20

P168

P21

P169

P170

P171

1 Acer campestre 'Elsrijk'

P172

477 Calamagrostis ac. 'Karl Foerster' 2 Alnus glutinosa 'Laciniata' P08

P09

P10

P11

P12

P13

P173

P14

P174

P175

P176

P177

189 Nepeta kubanica

468 Calamagrostis ac. 'Karl Foerster'

522 Calamagrostis ac. 'Karl Foerster'

204 Salix purpurea 'Nana'

11 Amelanchier lamarckii 1 Acer campestre 'Elsrijk'

2 Prunus avium 'Plena'

300 Salix purpurea 'Nana'

2 Alnus glutinosa 'Laciniata' 3 Prunus avium 'Plena'

105 Carpinus betulus

270 Calamagrostis ac. 'Karl Foerster'

2 Acer campestre 'Elsrijk'

245 Nepeta kubanica

55 Carpinus betulus P01

P02

P03

P04

P05

P06

P07

P178

P179

63 Lythrum salicaria

531 Calamagrostis ac. 'Karl Foerster'

P180

351 Phlomis russeliana

P181

24 Iris pseudacorus

2 Alnus glutinosa 'Laciniata' 198 Salix purpurea 'Nana' 266 Nepeta kubanica 56 Typha angustifolia 36 Lythrum salicaria

48 Iris pseudacorus 26 Salix alba (geknot)

245 Nepeta kubanica 204 Salix purpurea 'Nana'

1 Prunus avium 'Plena'

24 Iris pseudacorus

260 Luzula nivea 200 Luzula nivea 315 Phlomis russeliana

2 Acer campestre 'Elsrijk'

15 Amelanchier lamarckii

207 Phlomis 56 Typha russeliana angustifolia

340 Luzula nivea 24 Iris pseudacorus

16 Amelanchier lamarckii 11 Caltha palustris 45 Lythrum salicaria

81 Lythrum salicaria 40 Iris pseudacorus

63 Typha angustifolia

56 Typha angustifolia

MEL KWEG

330 Luzula nivea

168 Salix purpurea 'Nana' 21 Caltha palustris

273 Nepeta kubanica

370 Luzula nivea

54 Lythrum salicaria

270 Phlomis 24 Iris pseudacorus russeliana 45 Lythrum salicaria

42 Typha angustifolia

14 Caltha palustris

17 Project:

Tekening nr.:

Inrichtingsplan nieuw bedrijventerrein

LTL21508-05

Melkweg te Bleskensgraaf

Schaal:

Titel:

1:500 op A1 formaat

Beplantingsplan

Datum: 23 december 2021

Opdrachtgever:

Gewijzigd:

Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V.

04-07-'22

Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten bv Weegbree 8, Postbus 67, 2860 AB Bergambacht Telefoon: 0182 - 35 70 77, Fax: 0182 - 35 70 27 E-mail: info@lagendijkTLarchitecten.nl, www.lagendijkTLarchitecten.nl

Archeologisch bureau- en booronderzoek voor het plangebied Bleskensgraaf-Melkweg, gemeente Molenswaard Mark Groenhuijzen

707

Archeologisch bureau- en booronderzoek voor het plangebied Bleskensgraaf-Melkweg, gemeente Molenwaard Mark Groenhuijzen

Zuidnederlandse Archeologische Notities

707

Amsterdam 2019 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

COLOFON

Opdrachtgever: Bevoegd gezag: Contactpersoon bevoegd gezag: Adviseur bevoegd gezag: Project: Type onderzoek: Uitvoerder: Plaats documentatie: Archis zaakidentificatie: Project-code: Coördinaten: Archeoregio: Provincie, gemeenten: Kaartblad: Kadastrale aanduiding: Omvang plangebied: Status: Datum: Auteur: Autorisatie: Omslagontwerp: ISBN:

Rho Adviseurs Gemeente Molenwaard R. van Oosterbos E.E.A. van der Kuijl (senior KNA archeoloog), Hamaland Advies, Ambachtsweg 9B, 7021BT Zelhem Bleskensgraaf-Melkweg Archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen VUhbs archeologie VUhbs, Archis, e-depot 4642697100 MW-BM-18 113.725 / 431.350 Hollands veen- en kleigebied Zuid-Holland, Molenwaard 38D BKG00E 471, 474, 498, 802 ca. 28.940 m² definitief oktober 2018, juli 2019 dr. M.R. Groenhuijzen drs. M.D.R. Schurmans M. Kriek 978-90-8614-685-7

©VUhbs archeologie, Amsterdam, juli 2019 De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM 2

INHOUD

Samenvatting.......................................................................................................................................5 1

2

Inleiding ......................................................................................................................................6 1.1

Kader en motivatie...............................................................................................................6

1.2

Doel en vraagstelling van het onderzoek ...............................................................................6

1.3

Opzet van het rapport ..........................................................................................................7

Bureauonderzoek ........................................................................................................................8 2.1

Doelstelling..........................................................................................................................8

2.2

Methode ..............................................................................................................................8

2.3

Resultaten ...........................................................................................................................9

2.3.1 Plangebied (LS01) ...............................................................................................................9 2.3.2 Huidige situatie (LS02)........................................................................................................9 2.3.3 Landschap (LS04) ................................................................................................................9 2.3.4 Archeologie (LS04) ........................................................................................................... 12 2.3.5 Historische situatie (LS03) ................................................................................................. 16 2.3.6 Archeologische verwachting (LS05)................................................................................... 17 3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................... 19 3.1

Doelstelling........................................................................................................................ 19

3.2

Methode ............................................................................................................................ 19

3.3

Resultaten ......................................................................................................................... 19

3.3.1 Bodemopbouw en landschappelijke interpretatie ............................................................... 19 3.3.3 Archeologische interpretatie .............................................................................................. 21 4

Conclusie .................................................................................................................................. 22

5

Aanbevelingen ........................................................................................................................... 24

6

Literatuur .................................................................................................................................. 25

3

BIJLAGEN

Bijlage 1. Bleskensgraaf-Melkweg. Locatie van het plangebied op de topografische kaart (bron: PDOK). Bijlage 2. Bleskensgraaf-Melkweg. Archeologische beleidskaart voormalige gemeente Graafstroom met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Boshoven et al. 2009). Bijlage 3. Bleskensgraaf-Melkweg. Paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Cohen et al. 2012). Bijlage 4. Bleskensgraaf-Melkweg. Hoogtemodel met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland 2017). Bijlage 5. Bleskensgraaf-Melkweg. Geomorfologische kaart met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Alterra 2008). Bijlage 6. Bleskensgraaf-Melkweg. Bodemkaart met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Alterra 2006). Bijlage 7. Bleskensgraaf-Melkweg. Archeologische vondst- en onderzoeksmeldingen rondom het plangebied (bron: Archis III). Bijlage 8. Bleskensgraaf-Melkweg. Kaart van Abel de Vries van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden uit 1767 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: VU Beeldbank). Bijlage 9. Bleskensgraaf-Melkweg. Kadastrale minuutkaart uit 1811-1832 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Beeldbank RCE). Bijlage 10. Bleskensgraaf-Melkweg. Topografische kaart uit 1878 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 11. Bleskensgraaf-Melkweg.

Topografische kaart uit 1894 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 12. Bleskensgraaf-Melkweg. Topografische kaart uit 1936 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 13. Bleskensgraaf-Melkweg. Topografische kaart uit 1969 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 14. Bleskensgraaf-Melkweg. Topografische kaart uit 1998 met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 15. Bleskensgraaf-Melkweg. Recente luchtfoto met daarop geprojecteerd het onderzoeksgebied en de boorlocaties (bron: PDOK). Bijlage 16. Bleskensgraaf-Melkweg. Boorprofielen over het onderzoeksgebied. Bijlage 17. Bleskensgraaf-Melkweg. Boorstaten. Bijlage 18. Bleskensgraaf-Melkweg. Verwachtings- en advieskaart voor het onderzoeksgebied op basis van het booronderzoek.

4

SAMENVATTING In het plangebied Bleskensgraaf-Melkweg is de uitbreiding van het bedrijventerrein Melkweg voorzien, waarvoor een bestemmingsplan moet worden opgesteld. VUhbs archeologie is verzocht een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren naar de verwachting op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. Het bureauonderzoek heeft uitgewezen dat in het plangebied rivierduinafzettingen voor kunnen komen. Indien de rivierduin geschikt is geweest voor bewoning, wat mogelijk tot uiting kan komen als een vegetatiehorizont in de top van de rivierduin, geldt een hoge verwachting op het aantreffen van kampementen van jagers-verzamelaars uit het Mesolithicum. Na het Mesolithicum is deze rivierduin waarschijnlijk al snel bedekt geraakt door sedimentatie en veengroei in het komgebied. Ten noorden van het plangebied is de stroomgordel van Schoonrewoerd gekarteerd. Het is echter mogelijk dat afzettingen van deze stroomgordel ook in het plangebied voorkomen. Op de oever- en beddingafzettingen van deze gordel geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden met name uit het Neolithicum en de Bronstijd. Na deze periode raakt de stroomgordel geleidelijk bedekt onder veen, al kunnen resten tot de Romeinse Tijd niet geheel worden uitgesloten.

Na de ontginning van de Alblasserwaard in de Late Middeleeuwen, waarvoor onder meer de Graafstroom en de naastgelegen wegen als ontginningsas zijn gebruikt, is het gebied weer geschikt geworden voor bewoning en landbouw. Vanaf het maaiveld kunnen daarom archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Er zijn echter geen aanwijzingen dat bewoning binnen het plangebied heeft plaatsgevonden; de gekarteerde laatmiddeleeuwse huisterpen liggen bijvoorbeeld allemaal dichter langs de Graafstroom. Voor het aantreffen van archeologische waarden uit de periode Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd geldt daarom slechts een middelhoge verwachting. In het booronderzoek zijn rivierduinafzettingen aangetroffen aan de noordelijke rand van het onderzoeksgebied, in boringen 1 en 8. De top van deze rivierduin ligt op 6.83-6.98 m -NAP (4.95-5.00 m onder maaiveld). Op basis van de relatief hooggelegen ligging blijft de hoge verwachting op het aantreffen van resten uit het Mesolithicum op de rivierduin in het noorden van het plangebied gehandhaafd. Er zijn geen oever- en/of beddingafzettingen van de stroomgordel van Schoonrewoerd aangetroffen. De hoge verwachting op het aantreffen van sporen en resten van bewoning uit de periode Neolithicum-Bronstijd komt daarom te vervallen. Wel zijn op diepere niveaus oeverafzettingen aangetroffen.

Voor dit niveau geldt echter een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten op basis van de geringe dikte van de oeverafzettingen en omdat er op dit niveau geen archeologische resten bekend zijn. In de top van de bodemopbouw zijn geen aanwijzingen gevonden voor eventuele bewoning in de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. De verwachting op het aantreffen van sporen en resten van bewoning in de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd kan daarom worden bijgesteld naar laag. Op basis van deze bevindingen wordt, indien dit niveau door werkzaamheden wordt bedreigd, enkel vervolgonderzoek geadviseerd voor het niveau van de rivierduinafzettingen in het noorden van het plangebied, waar resten uit het Mesolithicum kunnen voorkomen. Voor de overige perioden wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Aan een vervolgonderzoek naar eventuele archeologische waarden op de rivierduinafzettingen kleven echter wel praktische bezwaren: dit niveau ligt immers op relatief grote diepte en onder de grondwaterspiegel. Daarom zal op basis van de voorgenomen werkzaamheden bekeken moeten worden of, en zo ja, op welke manier, vervolgonderzoek zal moeten plaatsvinden.

5

1

INLEIDING

1.1

KADER EN MOTIVATIE

In opdracht van Rho Adviseurs heeft VUhbs archeologie een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor het plangebied Bleskensgraaf-Melkweg in de gemeente Molenwaard (bijlage 1). Binnen dit gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein Melkweg voorzien, waarvoor een bestemmingsplan moet worden opgesteld. Door de geplande werkzaamheden kunnen de bodem en eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord. Het plangebied is op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Graafstroom ten dele aangemerkt als een zone met een hoge archeologische verwachting.1 In het bestemmingsplan kent het gebied daarom een dubbelbestemming met betrekking tot de archeologie, op basis waarvan vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de eventuele aanwezigheid van archeologische resten. Allereerst is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om een specifiek verwachtingsmodel op te stellen. Dit onderzoek is uitgevoerd door M.R. Groenhuijzen MSc. Het verwachtingsmodel is getoetst door middel van een verkennend booronderzoek, uitgevoerd op 16 oktober 2018 door drs. K.A. Hebinck en M.R. Groenhuijzen MSc.

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen die gesteld worden in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en BRL 4000, specifiek BRL 4002 (bureauonderzoek) en BRL 4003 (inventariserend veldonderzoek).2

1.2

DOEL EN VRAAGSTELLING VAN HET ONDERZOEK

Het doel van het archeologisch onderzoek is een verwachting op te stellen over de eventuele aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied. In het bureauonderzoek dient aan de hand van bestaande bronnen informatie verworven te worden over bekende of te verwachten archeologische waarden. Deze informatie moet resulteren in een gespecificeerde archeologische verwachting, die in het aansluitende stadium van het onderzoek wordt getoetst door middel van een verkennend booronderzoek. Het booronderzoek heeft tot doel de bodemopbouw en de eventueel aanwezige archeologische resten en/of sporen binnen het plangebied in kaart te brengen. Uiteindelijk dient het onderzoek te resulteren in een advies ten aanzien van eventueel archeologisch vervolgonderzoek.

De vraagstelling van het onderzoek is als volgt: 1) Wat is de reeds bekende geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 2) Wat zijn de vooraf bekende en verwachte archeologische resten en/of sporen binnen het onderzoeksgebied? Wat is bekend van het karakter, de omvang, datering, gaafheid en conservering van deze resten? 3) Kan de in het antwoord op vraag 2 uitgesproken verwachting onderschreven en aangevuld worden op basis van veldwaarnemingen? Welke informatie leveren deze waarnemingen ten aanzien van het karakter, de omvang, datering, gaafheid en conservering van de eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen? Aan de hand van de bovenstaande deelvragen kan een advies gevormd worden over eventueel archeologisch vervolgonderzoek, in de vorm van een antwoord op de volgende vraag: 4) Wat zijn de te nemen vervolgstappen om te komen tot een waardering van de eventueel aanwezige archeologische resten, op basis waarvan uiteindelijk een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden?

1 2

Boshoven et al. 2009. www.sikb.nl.

6

1.3

OPZET VAN HET RAPPORT

De verslaglegging is per uitgevoerd onderdeel van het onderzoek samengesteld. In hoofdstuk 2 zullen de resultaten van het bureauonderzoek worden beschreven (vraag 1 en 2). Als toets van en in aanvulling op het bureauonderzoek zal in hoofdstuk 3 het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen worden beschreven (vraag 3). Een conclusie naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek wordt gepresenteerd in hoofdstuk 4 op basis van de gestelde deelvragen. Afsluitend zal in hoofdstuk 5 een advies gegeven worden ten aanzien van eventuele vervolgstappen in het kader van de archeologische monumentenzorg (vraag 4).

7

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

DOELSTELLING

Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied aan de hand van bestaande bronnen. Hierbij zullen gegevens verzameld worden met betrekking tot de aan- of afwezigheid, het karakter, de omvang, datering, gaafheid en conservering van archeologische en cultuurhistorische waarden en aardwetenschappelijke gegevens. Het dient te resulteren in een gespecificeerde verwachting, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek.

2.2

METHODE

Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de specificaties uit de KNA 4.1 en BRL 4002 (LS01 t/m LS06). Een eerste stap hierin is het afbakenen van het plan- en onderzoeksgebied en het vaststellen van de consequenties van toekomstig gebruik (LS01). In de volgende stappen wordt achtereenvolgens vastgesteld wat de huidige situatie is (LS02), hoe de historische situatie is en of er verstoringen bekend zijn (LS03) en wat de bekende archeologische waarden en aardwetenschappelijke gegevens zijn (LS04). Voor de beschrijving van de archeologische waarden wordt gebruik gemaakt van Archis III, de online archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) en de Archeologische Monumenten Kaart (AMK), en waar mogelijk informatie over eerder gedaan onderzoek en archeologische waarnemingen. Naast deze informatie wordt, als deze voorhanden zijn, ook gebruik gemaakt van provinciale en gemeentelijke beleids- en verwachtingskaarten.

Voor het huidige onderzoek is gebruik gemaakt van de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de voormalige gemeente Graafstroom.3 De aardwetenschappelijke waarden worden beschreven aan de hand van geologische, geomorfologische4 en bodemkundige5 kaarten en het hoogtemodel van Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).6 Op basis van de in boven beschreven specificaties verkregen gegevens wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld (LS05), waarin zo gedetailleerd mogelijk de verwachte archeologische resten beschreven worden. Onderhanden rapportage is opgesteld volgens specificatie LS06. Van de gebruikte bronnen wordt een overzicht gegeven in tabel 1.

Tabel 1. Overzicht van de voor het bureauonderzoek gebruikte bronnen.

3

Willemse 2015. Alterra 2008. 5 Alterra 2006 6 Actueel Hoogtebestand Nederland 2017; www.ahn.nl. 4

8

2.3

RESULTATEN

2.3.1 PLANGEBIED (LS01)

Het plangebied betreft drie percelen aan de Melkweg ten zuiden van de bebouwde kom van Bleskensgraaf en aan de oostelijke rand van het bedrijventerrein Melkweg. Binnen dit gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein voorzien, waarvoor een bestemmingsplan moet worden opgesteld. In het huidige bestemmingsplan heeft de locatie een agrarische bestemming met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Archeologisch onderzoek is hier benodigd indien een bouwplan de in het kader van het archeologische beleid opgestelde vrijstellingsgrenzen overschrijdt (zie verder volgende alinea). De exacte verstoringsdiepte van het geplande bedrijfsgebouw is (nog) niet bekend, wel is zeker dat de vrijstellingsgrenzen overschreden worden. Het oppervlak van het plangebied bedraagt circa 28.940 m². Op de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Graafstroom (bijlage 2), wat het vigerende beleid vormt voor het grondgebied van deze voormalige gemeente binnen de gemeente Molenwaard, is het noordelijke deel van het plangebied gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting aan of nabij het oppervlak. Het gemeentelijk beleid stelt dat in deze gebieden archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld. Deze grenzen worden in het plangebied overschreden.

Het zuidelijke deel van het plangebied is gelegen in een zone met een lage archeologische verwachting, waarvoor archeologisch vooronderzoek slechts noodzakelijk is voor bodemingrepen groter dan 10.000 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld.7

2.3.2 HUIDIGE SITUATIE (LS02)

Het plangebied beslaat drie percelen aan de Melkweg. Het wordt aan de zuidzijde begrensd door de Melkweg, aan de oostzijde door de Wervenkampweg, aan de noordzijde door de bebouwing langs de Hofwegen, en aan de westzijde door percelen van het bedrijventerrein Melkweg. De begrenzing wordt aan alle zijden gevormd door sloten. De drie percelen binnen het plangebied worden eveneens gescheiden door sloten. Het huidige landgebruik van het plangebied kan gekenmerkt worden als een grasland.

2.3.3 LANDSCHAP (LS04)

Het plangebied ligt in de Alblasserwaard in het Nederlandse rivierengebied. Kenmerkend voor het rivierengebied is dat de bewoning sterk gerelateerd is aan de ondergrond: zo zal bewoning vanaf de Steentijd zich hebben geconcentreerd op rivierduinen en bewoonbare oeverwallen, en zijn veengebieden pas geschikt gemaakt voor bewoning na de ontginning in de Late Middeleeuwen. De verwachting op het aantreffen van archeologische sporen en resten hangt daarom ook sterk samen met de geologische en geomorfologische opbouw van het gebied, wat in deze paragraaf in meer detail zal worden beschreven. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000-11.700 jaar geleden), bestond de RijnMaasdelta uit een vlechtend riviersysteem dat voornamelijk grof zand en grind afzette in brede, ingesneden dalen. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.8 Tijdens de overgang van het Weichselien naar het Vroeg-Holoceen veranderde het vlechtende patroon van de rivieren in een meanderend patroon, waardoor deze Formatie in Midden- en West-Nederland een kleiige top heeft die bekend staat als de Laag van Wijchen.9 Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye bevinden zich op circa 10.5 m onder maaiveld (12 m -NAP).10 7

Boshoven et al. 2009. Busschers/Weerts 2003.

8 9

Makaske/Nap 1995. Gebaseerd op boring B38D0047, geplaatst op het oostelijke perceel in het plangebied (www.dinoloket.nl).

10

9

Aan het eind van het Weichselien zijn aan de noordoostelijke zijden van de rivierdalvlakte hoge, paraboolvormige rivierduinen ontstaan als gevolg van uitblazing uit de droge riviervlakte. Deze rivierduinen liggen doorgaans op de Laag van Wijchen en worden gerekend tot het Laagpakket van Delwijnen in de Formatie van Boxtel.11 Op rivierduinen kunnen resten van kampementen van jagersverzamelaars uit het Mesolithicum worden aangetroffen. De vroegste sedentaire bewoning in het opvolgende Neolithicum heeft ten dele ook plaatsgevonden op de hogere delen van rivierduinen. Uit jongere perioden zijn vrijwel geen resten van bewoning op rivierduinen bekend in de Alblasserwaard. Door de voortdurende sedimentatie in het komgebied en veengroei raken steeds meer rivierduinen afgedekt, en verliezen ze daarmee ook hun geschiktheid voor bewoning.12 Ten noorden van het plangebied, onder de kern van Bleskensgraaf, zijn rivierduinafzettingen in de ondergrond bekend.13 Uitlopers van deze rivierduin kunnen ook in het plangebied voorkomen, en worden verwacht op een diepte van circa 10 m -NAP.14 In het begin van het Holoceen was er ter hoogte van het plangebied nog sprake van insnijding van de rivieren, waardoor terrassen zijn ontstaan in deze afzettingen. Ook op de nog overgebleven terrasresten kunnen resten uit het Mesolithicum voorkomen.

Kort na 8000 jaar geleden verplaatste de terrassenkruising zich voorbij het plangebied richting het oosten, wat inhoudt dat ter hoogte van het plangebied geen netto insnijding en terrasvorming meer plaatsvond, maar dat netto accumulatie van riviersediment kon plaatsvinden. Thans ligt deze zogenaamde terrassenkruising ten oosten van Nijmegen.15 In het hierdoor ontstane dynamische rivierenlandschap konden rivieren hun stroomgordel regelmatig verleggen (zogenaamde avulsies). Jongere stroomgordels bedekten oudere stroomgordels, wat heeft geresulteerd in een complexe stratigrafie. De fluviatiele afzettingen die zijn gevormd tijdens het Holoceen worden gerekend tot de Formatie van Echteld.16 Deze afzettingen worden verder onderverdeeld op basis van hun lithologie en genese. De grofste sedimenten worden afgezet binnen de rivier en worden daarom beddingafzettingen genoemd. Deze zijn doorgaans zandig tot grindig. De oeverafzettingen bestaan uit zavel en lichte klei en vormen de natuurlijke oeverwallen die vaak het eerst hoog en droog genoeg waren voor bewoning en landbouw. In het omliggende komgebied wordt bij hoogwater zware klei afgezet, die de zogenaamde komafzettingen vormen. Wanneer een oeverwal werd doorbroken door de rivier ontstond een zogenaamde crevasse. Crevasseafzettingen zijn zandig tot kleiig naar gelang de afstand tot de doorbraak.

Wanneer een rivier (een deel van) een stroomgordel verlaat kan een restgeul achterblijven. De restgeul wordt in de loop der tijd opgevuld met fijn zand tot klei met eventueel veenvorming. Nadat de terrassenkruising de Alblasserwaard is gepasseerd, is onder invloed van de stijgende grondwaterspiegel een groot drassig gebied gevormd waarin veenvorming heeft kunnen plaatsvinden. Het veen dat is gevormd tijdens deze fase wordt gerekend tot de Basisveen Laag in de Formatie van Nieuwkoop.17 Ook kan in deze fase klei zijn afgezet door overstromingen van meer afgelegen stroomgordels. De eerste stroomgordel die is gevormd in de nabijheid van het plangebied is de stroomgordel van Vuilendam, zoals te zien is op de paleogeografische kaart van de stroomgordels van de Rijn-Maasdelta (bijlage 3). Deze rivier had een anastomoserend karakter, wat inhoudt dat hij bestond uit meerdere, onderling verbonden stromen, waarvan de ten zuiden van het plangebied gekarteerde stroomgordel er slechts één van is. De aanvang van sedimentatie in deze rivier is gedateerd rond 7370 ± 100 BP (63706104 voor Chr.), en is beëindigd rond 6270 ± 85 BP (5326-5075 voor Chr.). Gezien de ouderdom

11

Schokker et al. 2005. Boshoven et al. 2009, 42-45. 13 Kok/Bosch 1980. 14 Gebaseerd op boring B38D0205, geplaatst op 40 m ten noorden van het plangebied (www.dinoloket.nl). 15 Berendsen 2008, 206-207. 16 Weerts/Busschers 2003a. 17 Weerts/Busschers 2003b. 12

10

zouden op deze stroomgordel resten uit het Mesolithicum en Neolithicum kunnen voorkomen, maar tot dusver zijn op deze stroomgordel geen archeologische waarden bekend.18 Rond 4520 ± 60 BP (3352-3105 voor Chr.) begint sedimentatie in een nieuwe stroomgordel ten noorden van het plangebied, de zogenaamde stroomgordel van Schoonrewoerd (bijlage 3). Net als de stroomgordel van Vuilendam is dit een onderdeel van een anastomoserende rivier. Sedimentatie in deze rivier is beëindigd rond 3700 ± 60 BP (2197-1983 voor Chr.). Op de stroomgordel van Schoonrewoerd worden archeologische sporen van bewoning aangetroffen met name uit het Neolithicum en de Bronstijd.19 Hoewel deze stroomgordel in de omgeving van het plangebied grotendeels is gelegen in het bebouwde gebied en ter hoogte van de Graafstroom, is het nog ten dele zichtbaar op de hoogtekaart (bijlage 4)20, met name als een verhoging in het onbebouwde perceel tussen de Zeemansweg en de Meulenbroek ten noordoosten van het plangebied. In de omgeving van Bleskensgraaf komt de top van oever- en beddingafzettingen van de stroomgordel van Schoonrewoerd voor op circa 2 tot 3 m -NAP.21 Na het verlaten van de stroomgordel van Schoonrewoerd worden geen nieuwe stroomgordels gevormd in de wijde omgeving van het plangebied. Dit heeft tot gevolg dat een groot venig komgebied ontstaat met voornamelijk bos- en broekveen.

Het veen dat tijdens deze fase is gevormd wordt gerekend tot het Hollandveen Laagpakket binnen de Formatie van Nieuwkoop, en kan in het plangebied tot aan het maaiveld voorkomen.22 Vanaf de 11de eeuw is aangevangen met de bedijking van rivieren om overstromingen tegen te gaan. Op dat moment werden ook nieuwe watergangen gegraven om vernatting van het achterliggende venige komgebied te voorkomen. Hiertoe behoort ook de Graafstroom die ten noorden van het plangebied is gegraven als een oostelijke voortzetting van de Alblas. De Graafstroom met de naastgelegen wegen heeft daarna gediend als ontginningsas van het omliggende veengebied.23 De geomorfologische kaart (bijlage 5)24 onderschrijft de hierboven beschreven ligging van het plangebied. Het noorden van het plangebied is hier gekarteerd als een bebouwde zone vanwege de nabijheid van de kern van Bleskensgraaf. Het overige terrein is gekarteerd als een ontgonnen veenvlakte. In de omgeving komen ook stroomruggen voor, al komt de loop van deze ruggen niet meer geheel overeen met de recentere paleografische kartering van de stroomgordels.25 Op de bodemkaart (bijlage 6)26 is het plangebied, evenals de wijde omgeving van het plangebied, gekarteerd als een koopveengrond op bosveen. De naam van dit bodemtype is afgeleid van het veelvoorkomende toponiem ‘koop’, wat dan weer duidt op de Middeleeuwse cope-ontginningen van het veengebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=029c37df-839a-4b96-bfa3-2dffa16dd968