Bijl. 1d Bijlagen
Tekst van het document
Quickscan Wet natuurbescherming Oosteinde ong. te Wijngaarden Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0527
Datum:
17 mei 2022
Samensteller:
ing. J. Dekkers
Collegiale toets:
ing. M.A. Brinkbaumer
Opdrachtgever:
Van den Heuvel B.V.
Contactpersoon:
R. de Groot
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
15
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
18
4.3
Houtopstanden
18
5 Conclusie
19
5.1
Conclusie
19
5.2
Uitvoerbaarheid
19
5.3
Vervolgstappen
19
5.4
Te treffen maatregelen
20
1 Inleiding Aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden is een grasveld gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om een woning op het grasveld te realiseren. Hiervoor wordt er een waterberging aangelegd welke in verbinding wordt gebracht met de naastgelegen watergang. Tevens worden er verscheidene bomen aangeplant. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Heuvel B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden. 4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden (figuur 1.2). De planlocatie bestaat grotendeels uit een grasveld. Een klein deel van het noordelijke deel van de planlocatie bestaat uit parkeerplaatsen. Op het perceel is tevens een zomereik aanwezig, deze blijft behouden. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarisch gebied. Op een afstand van circa 30 m ten zuiden van de planlocatie stroomt de Achterwetering een zijtak van deze wetering stroomt parallel langs de planlocatie. Op een afstand van circa 1,7 km ten noorden van de planlocatie ligt de N214 en op een afstand van circa 1,7 km ten zuiden van de planlocatie ligt de A15.
Figuur 1.3 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Op de planlocatie wordt een waterberging gerealiseerd welke in verbinding wordt gebracht met de naastgelegen watergang. Tevens worden er verschillende bomen aangeplant. De functie van het perceel dient te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; realisatie waterberging: graafwerkzaamheden; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.4 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: van den Heuvel B.V.).
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 2 mei 2022 en is uitgevoerd door ing. J. Dekkers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.
Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Vos
Bunzing
Huisspitsmuis
Wezel
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
8
Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
9
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: koolzaad, schietwilg, smalle weegbree, tamme kastanje, paarse dovennetel, paardenbloem en zomereik. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek.
Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bunzing, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de bever dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De bever leeft in overgangsgebieden tussen land en water. Een vereiste welke de bever stelt aan zijn leefgebied is de aanwezigheid van houtachtige gewassen op de oevers (Zoogdiervereniging, 2022). Op de oevers van de watergang direct ten westen van de planlocatie zijn, op een enkele zomereik na, geen houtachtige gewassen aanwezig. De planlocatie bestaat niet uit geschikt leefgebied voor de bever. Van negatieve effecten op de bever wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn en mol.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
11
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). In de beoogde ruimtelijke ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien en wordt geen bebouwing gesloopt. In de zomereik op de planlocatie zijn geen holtes, loshangende schorsdelen of andere mogelijke vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van vleermuizen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot een onderbreking in lijnvormige structuren en leidt derhalve niet tot aantasting van een essentiële vliegroute van vleermuizen. In de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen groenstructuren aangetast, er worden juist meer bomen aangeplant en meer oppervlaktewater gecreëerd. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van een essentieel foerageergebied. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De heikikker leeft in ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater, op vochtige plekken in schraal, ruig gebied en op vochtvrije plaatsen voor de overwintering (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). In de Alblasserwaard lijkt de soort minder kritisch ten aanzien van zijn leefgebied en komt de heikikker tevens voor in agrarisch gebied. De planlocatie bestaat uit een grasperceel waarop geen vorstvrije plaatsen aanwezig zijn. De planlocatie beschikt derhalve niet over geschikt leefgebied of overwinteringsplaats voor heikikkers. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt een waterberging gerealiseerd welke in verbinding komt te staan met de watergang direct ten westen van de planlocatie. De watergang blijft behouden. In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt derhalve geen voortplantingswater van de heikikker aangetast. Van negatieve effecten wegens de beoogde ruimtelijke ingreep op de heikikker is geen sprake.
De rugstreeppad is een pionierssoort welke voorkomt in zandige gebieden waar een vergraafbare grond aanwezig is. Derhalve komt de rugstreeppad voor op ruige, onbeschaduwde terreinen met geen of een lage vegetatie zoals op braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & van Delft, 2009). De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad is bekend op een afstand van circa 90 m ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF 20122022). De planlocatie bestaat uit een grasland, op een klein deel van de planlocatie is een kleine laag zandige grond aanwezig. Deze laag zandige grond is echter niet van voldoende volume om als overwinteringsplaats te kunnen functioneren. Tijdens het veldbezoek zijn geen rugstreeppadden waargenomen op de planlocatie. Op de planlocatie waren geen tijdelijke poeltjes en geen overwinteringsstructuren aanwezig welke als voortplantingswater en overwinteringsgebied voor rugstreeppadden kunnen functioneren. Op de planlocatie is derhalve geen geschikt leefgebied voor de rugstreeppad aanwezig. Tijdens de werkzaamheden kan er echter wel geschikt leefgebied voor de rugstreeppad ontstaan. Derhalve dienen er maatregelen getroffen te worden om kolonisatie van de planlocatie door de rugstreeppad ten tijde van de werkzaamheden te voorkomen (zie H5.4).
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
12
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). De grote modderkruiper leeft in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals in sloten, vennen en plassen. De paaizones dienen zonbeschenen te zijn en er dient een rijke onderwatervegetatie aanwezig te zijn (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2021). De dichtstbijzijnde waarneming van de grote modderkruiper is bekend op een afstand van circa 1,7 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF 2012-2022). In de beoogde ruimtelijke ingreep wordt een waterberging gerealiseerd welke in verbinding komt te staan met de bestaande watergang direct ten westen van de planlocatie. De huidige watergang blijft hierbij behouden en pas verbonden als de nieuwe verbinding volledig gevuld is met water.
In de watergang is geen uitbundige onderwater- en oevervegetatie waargenomen en is derhalve slechts beperkt geschikt voor de grote modderkruiper. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot aantasting van het leefgebied van grote modderkruiper. Van negatieve effecten op de grote modderkruiper wegens de beoogde ruimtelijke ingreep is geen sprake. Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter is er in de watergang voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden.
Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, ekster, kauw, koolmees, spreeuw en waterhoen. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 20122022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. 13
Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig waardoor de aanwezigheid van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten kan worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van de huismus. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie bestaat uit een grasland, in de directe omgeving is voldoende soortgelijk leefgebied aanwezig. Op de planlocatie is derhalve geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De planlocatie vormt voor algemene broedvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Tijdens het veldbezoek is een nest van de meerkoet vastgesteld in de watergang direct ten westen van de planlocatie. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
14
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).
De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
15
Gezien er sprake is de realisatie van één woning en er een afstand van 3,3 km is tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). Op een afstand van circa 1,9 km ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3). Op een afstand van circa 5,1 km ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
16
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
17
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer
3,3 km 1,1 km 1,9 km 5,1 km
Geen Geen Geen Geen
N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
18
5 Conclusie 5.1
Conclusie De realisatie van een woning en de aanleg van een waterberging aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
19
5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.
Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 2. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
20
Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1 Bijlage 2
Fotografische impressie Ecologie rugstreeppad
21
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Oosteinde ong. te Wijngaarden.
Figuur 2
De planlocatie bestaat uit een grasveld. De zichtbare groenstructuren blijven behouden.
22
Figuur 3
De oostzijde van de planlocatie.
Figuur 4
De te realiseren waterberging zal in verbinding worden gebracht met de watergang.
23
Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (figuur 1, Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Impressies van de verschillende levensstadia van rugstreeppad. Bron: bovenste foto’s RAVON, onderste foto’s: Blom Ecologie.
24
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen.
Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (april-september) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaars- en zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
25
Figuur 2
Bij hevige regenval kunnen ondiepe plassen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad, waarin eisnoeren afgezet kunnen worden. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden (bron: Blom Ecologie).
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn (bron foto’s: Blom Ecologie).
26
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl 27
VERKENNEND BODEMONDERZOEK OOSTEINDE WIJNGAARDEN, NAAST NR 44
KADASTRAAL A 795 MEI 2022
opdrachtgever
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Projectnummer
22-2055
versie:
1
datum:
31 mei 2022
LINGE MILIEU BV | BODEMONDERZOEK & ADVIES | POPPELENBURGERSTRAAT 52 | 4191 zt | GELDERMALSEN | THE NETHERLANDS T 0345 - 570 272
| INFO@LINGEMILIEU.NL
opgesteld door: Arjan Vlasblom
|
WWW.LINGEMILIEU.NL
|
KVK Tiel 30233558
controle / vrijgave: John Hol Hierbij verklaar ik, Nico Verweij, het veldwerk in Wijngaarden uitgevoerd te hebben volgens BRL SIKB 2000 en bijbehorend protocol 2001 en 2002, in mei 2022, onafhankelijk van opdrachtgever of eigenaar
1
1. Inleiding
1
2. Vooronderzoek
2
2.1 2.2
Historie en actuele situatie Bodemopbouw
2 3
3. Opzet en invulling van het onderzoek
4
3.1 3.2 3.3
Onderzoekstrategie Veldwerk onderzoek Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek
4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1 4.2 4.3
5
4 5 5
6
Analyseresultaten grond Resultaten asbest Analyseresultaten grondwater
6 7 8
Conclusie en aanbevelingen
9
5.1 5.2
Conclusies Betrouwbaarheid
bijlagen bijlage A: algemene toelichting bodemonderzoek bijlage B1 analyseresultaten NEN 5740 grond bijlage B2 analyseresultaten NEN 5740 grondwater bijlage B3 resultaten asbest bijlage C: boorstaten bijlage D1 kadasterkaart, historische gegevens bijlage D2 informatie Omgevingsdienst ZHZ bijlage E: situatieschets
1 Oosteinde Wijngaarden, naast nr 44, mei 2022
9 10
1. Inleiding Op 17 mei 2022 is in opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV te Langerak verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een perceel langs de Oosteinde in Wijngaarden, tussen de nummers 44 en 46A.
Op het terrein gaat een vrijstaande woning met bijgebouw worden gebouwd. De locatie bestaat uit gras, weiland, het heeft nooit een andere bestemming gehad. Kadastrale gegevens van het perceel zijn Wijngaarden A, nummer 795. Voor het onderzoek is een oppervlak aangehouden van 1.500 m², de ruime contour van het te ontwikkelen terrein.
Er zijn dertien boringen en een peilbuis over de locatie verdeeld, tot een diepte van maximaal 2.4 m-mv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.8 m-mv. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket, bestrijdingsmiddelen, PFAS en asbest. Het asbest-onderzoek is indicatief en betreft de geroerde bovengrond van het terrein. Linge Milieu is een onafhankelijk bureau dat als erkend bureau is aangewezen door het ministerie van Infra en Waterstaat. Linge Milieu is geen eigenaar van het perceel in Wijngaarden of anderszins betrokken bij het terrein aan de Oosteinde via de eigen organisatie. Voorwaarde voor de onafhankelijkheid is verder dat er geen zakelijke connecties bestaan tussen de monsternemer (Linge Milieu) en de opdrachtgever. Een dergelijke relatie tussen Van den Heuvel BV en Linge Milieu is er niet. Dit project is uitgevoerd onder certificaat volgens BRL SIKB 2000, certificaatnummer VB-051/7. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-Protocollen 2001 en 2002, waarvoor Linge Milieu volgens het procescertificaat veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek is gecertificeerd.
In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van het vooronderzoek gegeven, dat vooraf is gegaan aan het veldwerk. Er wordt daarbij een korte samenvatting gegeven van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 behandelt de opzet en uitvoering van het onderzoek. In hoofdstuk 4 en 5 tenslotte worden de resultaten getoetst en worden conclusies aan de resultaten verbonden.
1
2. Vooronderzoek 2.1
Historie en actuele situatie De onderzoekslocatie betreft het agrarisch terrein tussen de woningen aan de Oosteinde 44 en 46A in Wijngaarden, Gemeente Molenlanden. Kadastrale gegevens van het terrein zijn Wijngaarden A, nummer 795, postcode is 3366 BG. De onderzochte locatie heeft een oppervlak van 1.500 m². Voor het historisch onderzoek zijn gegevens gebruikt van Omgevingsdienst ZHZ. Verder zijn oude kaarten, luchtfoto's en gegevens van de opdrachtgever gebruikt. De historische gegevens zijn opgenomen in bijlage D. Algemene gegevens locatie Het terrein bestaat uit gras, weiland. Er heeft nooit enige bebouwing gestaan. Direct langs de Oosteinde bevindt zich een parkeerplaatsje, verhard met klinkers. De klinkers zijn aangebracht in 2017, bij de herinrichting van de openbare weg. Onder de klinkers bevindt zich menggranulaat. Hetzelfde halfverhardingsmateriaal bevindt zich ook aan de westkant van het terrein, langs de openbare weg. De parkeerstrook behoort bij het perceel A-795 en is bedoelt voor passanten. Foto's van de locatie zijn te vinden in bijlage D1. Aanleiding voor het onderzoek is de bouw van een woning met hooiberg cq garage. De contouren van de nieuwbouw zijn aangegeven op een ontwerpschets in bijlage D1. De parkeerstrook langs de openbare weg blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd.
Geschiedenis van het terrein In bijlage D1 zijn vijf kaarten van het gebied opgenomen : uit 1955, 1965, 1975, 1995 en 2015. Op alle kaarten bestaat de te ontwikkelen locatie uit gras, weiland. Verder zijn in bijlage D1 vier luchtfoto's opgenomen, uit 2005, 2014 en 2020 en 2021. Er zijn in deze periode geen wijzigingen in het bodemgebruik of de bestemming van het terrein te zien.
Gedempte sloten Er zijn geen gedempte sloten op de locatie terug te vinden op oude kaarten.
Tanks Er zijn geen tanks op het terrein bekend.
Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen. De enige mogelijke bron van asbest-bodemverontreiniging is het lichte puin in de bovengrond. Van de relatief meest puinhoudende grond is een mengmonster samengesteld voor analyse op asbest. Het puin of menggranulaat langs de openbare weg wordt gezien de periode van het aanbrengen ervan rond 2017 als onverdacht voor asbest beschouwd. Bovendien blijft deze strook ongewijzigd, wordt niet betrokken bij de ontwikkeling van het terrein.
Eerder onderzoek, omgeving Op het onderzochte terrein zelf is geen eerder onderzoek bekend bij Omgevingsdienst ZHZ. In de omgeving zijn wel enkele onderzoeken uitgevoerd. •
Voor de naastgelegen woning op nummer 46A is onderzoek uitgevoerd in 2009, door Inpijn Blokpoel BV. Grond en grondwater waren niet boven de tussenwaarde verontreinigd.
2 Oosteinde Wijngaarden, naast nr 44, mei 2022
•
Voor de bermen van de Oosteinde is onderzoek uitgevoerd in 2016 en 2017. De parkeerstrook aan de voorzijde van het perceel was daar onderdeel van. Ter hoogte van de kruising met de Provinciale Weg was de berm verontreinigd met asbest. Verder was PAK op enkele plaatsen sterk verhoogd. Het PAK was waarschijnlijk gerelateerd aan asfalt. De verontreiniging is gesaneerd in 2017, op basis van een BUS-melding.
•
Bakker Milieuadviezen heeft bodemonderzoek incl asbest uitgevoerd op het terrein aan de overzijde van de weg, Oosteinde 47. Aanleiding van nieuwbouw. Er is geen verontreiniging aangetroffen waar verder onderzoek voor nodig was.
Bodemkwaliteitskaart, bestrijdingsmiddelen, PFAS en japanse duizendknoop Voor Wijngaarden is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. De lintbebouwing langs de Oosteinde ligt in een zone Industrie Heterogeen. De kaart is opgenomen in bijlage D2. In de periode 1960-1980 hebben er fruitbomen aan beide zijden van de Oosteinde gestaan. De toplaag van het terrein is daarmee verdacht voor bestrijdingsmiddelen. Dit geldt de grond tot een diepte van 0.3 m-mv. Bovengrond in Wijngaarden is meer dan gemiddeld voor Nederland verdacht voor PFAS. Onderzoek naar PFAS is relevant als er grond van de locatie moet worden afgevoerd. De bovengrond is op PFAS geanalyseerd. Er is geen japanse duizenknoop waargenomen op of rond het te ontwikkelen terrein.
2.2
Bodemopbouw Het onderzoeksterrein ligt op de tijdens het Holoceen gevormde gronden, die worden gerekend tot de Betuweformatie. De bodem ter plaatse bestaat uit siltige klei, overgaand in veen tussen 0.5 en 1.5 m-mv. De bovengrond is humeus (organische stof rond 12%). Over de veengrond : enkele jaren terug is dichtbij de onderzoekslocatie op ongeveer 2 meter diepte een halve veen-eik gevonden bij graafwerk. De boom was 2000 jaar oud, had een ouderdom van 260 jaar en ligt tentoongesteld naast de parkeerstrook langs de weg. In meerdere boringen is wat puin aangetroffen, tot een diepte van maximaal 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht, steenachtig materiaal zoals baksteen en dakpan. Het gehalte is algemeen als licht of sporen van gekwalificeerd. Het puin, de half-verharding aan de kant van de weg bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Deze strook wordt ook niet betrokken bij de ontwikkeling van het perceel. Er is visueel nergens asbest waargenomen. Het maaiveld van het terrein ligt op 1.4 meter onder NAP. Ten tijde van het onderzoek bevond het grondwater zich op 0.8 m-mv. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk. De locatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied.
3 Oosteinde Wijngaarden, naast nr 44, mei 2022
3. Opzet en invulling van het onderzoek 3.1
Onderzoekstrategie Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie is de bijlage VED-HE van de NEN 5740 (Strategie bij verkennend onderzoek, verdacht, PFAS, bestrijdingsmiddelen) als richtlijn gehanteerd. Het asbestonderzoek is indicatief en betreft de relatief meest geroerde bovengrond van de locatie. Het aantal boringen en de locaties ervan is afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit in het kader van de ontwikkeling van de locatie.
3.2
Veldwerk onderzoek Voorafgaand aan het veldwerk is een KLIC-melding gedaan en is het terrein geïnspecteerd. De boringen en bemonstering van de bodem zijn uitgevoerd volgens de BRL-protocollen 2001 en 2002. Het veldwerk is uitgevoerd op 17 mei 2022, door Nico Verweij (Geldermalsen), erkend veldwerker voor de protocollen. Zie ook www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu. Er zijn dertien boringen en een peilbuis over de bouwlocatie verdeeld, tot een diepte van maximaal 2.4 m-mv. De nummers 8 en 9 staan in de parkeerstrook aan de voorzijde van de weg. Deze boringen zijn gestaakt op het gebroken puin aldaar. De boringen A tot en met D zijn gezet voor het onderzoek naar bestrijdingsmiddelen. Boring 5, op het midden van de locatie, is afgewerkt met een peilbuis met een filter van 1.3 tot 2.3 m-mv, bij een grondwaterstand van 0.8 m-mv. Bij de bemonstering van de peilbuis op 24 mei zijn de pH, troebelheid en de geleidbaarheid bepaald. De locaties van de boringen en peilbuis zijn terug te vinden in de schets in bijlage E.
Asbest Voor het indicatieve asbest-onderzoek is een mengmonster samengesteld van de relatief meest puinhoudende bovengrond van de locatie. Het asbest-onderzoek samengevat. tabel 2: asbest-onderzoek, omschrijving locatie
m-mv
mm A, bovengr 0.5
3.3
omschrijving
asbest op mv visueel asbest in grond mm asbest
boring 4-7, zwak puin
neen
neen
mm A, 12.0 kg
Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek Bij alle boringen is de grond zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen en verdachte afwijkingen. De bodem ter plaatse bestaat uit siltige klei, overgaand in veen tussen 0.5 en 1.5 m-mv. De bovengrond is humeus, met een gehalte organische stof van 12%. In enkele boringen is wat puin aangetroffen, tot een diepte van maximaal 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht, steenachtig materiaal zoals baksteen en dakpan. Het gehalte is als licht of sporen van gekwalificeerd. Het puin, de half-verharding aan de kant van de weg bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Deze strook wordt ook niet betrokken bij de ontwikkeling van het perceel. Er is nergens asbestverdacht materiaal waargenomen. De bodem is als volgt opgebouwd:
4 Oosteinde Wijngaarden, naast nr 44, mei 2022
tabel 1: Schematische weergave bodemopbouw m-mv
grondsoort
opmerkingen
kleur
0.0 - 0.5 0.5 - 1.0 1.0 - 2.4
klei klei veen
geroerd, lokaal zwak puin humeus -
bruingrijs grijsbruin bruin
De boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage C. Op basis van de doelstelling van het onderzoek en de bodemopbouw zijn vier representatieve grond(meng)monsters samengesteld. Voor de analysemonsters is de relatief meest geroerde grond geselecteerd. Tabel 2 is een overzicht van de monsters en analyses. tabel 2: boringen, peilbuis en analyses nr
boringen / peilbuis
m-mv
NEN analyses
1 2 3
B2 - 7 boring A, B en C B5 en 7
klei, max sporen puin kleiig klei, licht puin, hout
0.0 - 0.5 0.0 - 0.3 0.5 - 1.0
NEN 5740 grond en PFAS bestrijdingsmiddelen NEN 5740 grond
4
mm A
bovengr, licht puin
0.5
asbest-grond, NEN 5898
5
pb 5
grondwater
1.3 - 2.3
NEN 5740 grwater
NEN-pakket grond AS3000 (stap 1) - droge stof, lutum en organische stof, - zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), - PAK (10VROM) en PCB´s en olie. NEN-pakket grondwater AS3000 (stap 2) - zuurgraad (pH), - zware metalen (barium, cadmium, molybdeen, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink), - vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) en olie, - vluchtige chloorkoolwaterstoffen (1,2-dichloorethaan, cis 1,2-dichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, tetrachloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2- trichloorethaan, trichlooretheen (tri), trichloormethaan.
5 Oosteinde Wijngaarden, naast nr 44, mei 2022
4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1
Analyseresultaten grond De analysecertificaten en toets zijn opgenomen in bijlage B1. De toetsing is uitgevoerd conform de BoToVa-systematiek (Bodem Toets & Validatieservice). In de tabel zijn de naar standaard bodem omgerekende gehaltes opgenomen. De locaties van de boringen zijn terug te vinden in bijlage E. tabel 3 : analyses en toets grond (mg/kg ds), omgerekend naar stand.bodem boring m-mv puin
2-7 0-50 sporen
A, B en C 0-30 -
org.stof (%) dr.stof (%) lutum (%)
11.8 71 18
13.7 79.2 2
zw metalen barium cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK 10VROM PCB´s olie C10-40
0.65 • 48 • 0.28 • 103 • 1.7 • 40 • 184 • 1.6 • -
AW
TW IW
38 1.3 2.1 1.0 33.3 ••• 2.6 •
indicatief
wonen
0.6 15 40 0.15 50 1.5 35 140 1.5 0.02 190 0.011
wonen industr
10.7 59.7 18.2
-
bestrijdingsm som DDD som DDE som DDT som drins som OCB's PFAS PFOA lineair PFOA vertakt PFOS lineair PFOS vertakt som PFOA som PFOS
B5 en 7 0.5-1.0 -
15 • 49 • 0.31 • 129 • 1.7 • 43 • 196 • 1.8 • -
6.8 108 115 18 290 96 67 430 21 0.5 2600
1.2 35 54 0.83 210 88 200 6.8 0.04
4.3 190 190 4.8 530 190 720 40 0.5
0.02 0.1 0.2 0.4
1.9 1.4
7 3
7 3 wonen
- : geen overschrijding van de achtergrondwaarde, • : lichte verhoging, overschrijding van de achtergrondwaarde (AW), •• : matige verhoging, overschrijding van de tussenwaarde (TW).
Boven- en ondergrond In de boven- en ondergrond van het terrein aan de Oosteinde zijn metalen en PAK licht verhoogd. De gehaltes liggen onder het wonen-criterium. De grond tot 1.0 m-mv is op basis van de stoffen uit het NEN 5740-pakket indicatief wonen-kwaliteit. Van de bestrijdingsmiddelen is er niet één meetbaar verhoogd in de humeuze grond tot 0.3 m-mv. Van de PFAS-componenten is de som PFOA verhoogd in de bovengrond. Het gehalte ligt met 33.3 µg ruim boven het industrie-criterium. Dit soort gehaltes worden vaker aangetroffen in deze regio. Bron van de veront-reiniging met PFOA is de DuPont-fabriek (Chemour BV) in Dordrecht. Over de ernst en consequenties van de verontreiniging met PFOA: