CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording vragen VVD - nieuw afval- en grondstoffenbeleid

Raadsvergadering 1 juni 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Nieuw afval- en grondstoffenbeleid1.706 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsinformatiebrief Onderwerp

:

Beantwoording vragen VVD – afval- en grondstoffenbeleid

Zaaknummer

:

1097852

Datum

Portefeuillehouder

Behandelend ambtenaar

: : :

18-05-2021 Arco Bikker Jeroen Blok

Beste meneer Snoek, Op 14 mei jl. stelde u vragen over nieuwe afval- en grondstoffenbeleid. Via deze raadsinformatiebrief worden uw vragen beantwoord. Vraag 1:

In uw strategie spreekt u van een noodzakelijke trendbreuk. Uw maatregelen zijn veelomvattend en berusten op aannames (inzet gedragscomponent en handhaving), deelwaarnemingen en

referenties van andere gemeenten. Kunt u ons aangeven waarom u niet overgaat tot een leercirkel waarbij u enkele (meer selectieve) maatregelen neemt, een strakke monitor zet op de effecten, de maatregelen eventueel bijstelt (mogelijkerwijs extra maatregelen toevoegt) en dan de volgende stap neemt? Antwoord:

De voorgestelde strategie is niet nieuw in Nederland. Veel gemeenten zijn gemeente Molenlanden voorgegaan en hebben daar goede resultaten mee behaald. De landelijke doelstelling van

maximaal 100 kg restafval in het jaar 2020 is al verstreken voor Molenlanden. Om niet nog verder achterop te geraken is een daadkrachtig beleid nodig. En dat kan ook, omdat we inmiddels van

andere gemeenten weten wat er goed en niet goed werkt. Het wiel hoeft niet opnieuw uitgevonden te worden. Dat laat onverlet dat we het nieuwe beleid goed gaan monitoren, evaluatiemomenten inbouwen en daar waar nodig zullen bijsturen.

Vraag 2:

U concludeert in het RV en de Strategienota (blz. 3 onderaan) dat bronscheiding de ‘norm’ is. Kun u aangeven waarom bijvoorbeeld Utrecht en Amsterdam (met een huidig vergelijkbare

inzamelingsvariant als Molenlanden) juist overgaan naar de variant van ‘nascheiding’? Antwoord:

Amsterdam en Utrecht zijn een stuk stedelijker dan Molenlanden, met aanzienlijk meer

hoogbouw. Het scheiden aan de bron van pmd bij de hoogbouw is daar problematisch met weinig mogelijkheden om individuele voorlichting, controle en handhaving toe te passen, immers de inwoners maken gebruik van (anonieme) wijkcontainers. Gemeente Molenlanden heeft die

2 mogelijkheid met de toepassing van minicontainers wel. Uiteindelijk heeft bronscheiding van pmd de voorkeur: het is goedkoper en het levert betere kwaliteit recyclaat op dan nascheiding. Vraag 3:

De invoeringskosten van deze revolutie (in plaats van een hervorming) zijn hoog. Gelukkig bent u

niet ziende blind. Op pagina 15 van uw Strategienota staat een interessante passage. Kortweg: ‘als niet meer lukt… wordt nascheiding toegepast…’

U zegt ook dat de techniek niet stilstaat. En

dat een heroverweging van ‘de norm’ mogelijk is. Op welke wijze heeft u een evaluatiemoment van de ‘werking’ van het totaal van uw huidige maatregelen ingebouwd en is het reëel te

veronderstellen dat een koerswijziging mogelijk is tegen verantwoorde kosten? Of met andere woorden: heeft u een uitgewerkt plan B en wanneer treedt dat in werking? Antwoord:

U heeft gelijk dat er in de strategienota niet echt een evaluatiemoment is opgenomen voor de

scheiding van pmd. Desgewenst kan dat als nog worden gedaan. Een eventuele koerswijziging

met betrekking tot nascheiding heeft overigens geen gevolgen voor de rest van het voorgestelde inzamelsysteem en de investeringen en kosten die daarmee gemoeid zijn. Indien zou worden

overgegaan op nascheiding pmd wordt alleen de pmd-minicontainer ingenomen. Deze container – die voor 2016 nog als restafvalcontainer werd gebruikt – is volledig afgeschreven.

Vraag 4:

Kunt u aangeven of en waarom wij als gemeente Molenlanden ‘vastzitten’ aan contractuele

verplichtingen aan HVC voor wat betreft de verwerking van PMD en restafval? En is onderzocht wat de verwerkingskosten bij een andere afvalverwerker kunnen zijn en wat zijn daarvan de resultaten? Antwoord:

Gemeente Molenlanden is aandeelhouder van HVC en is als zodanig gebonden aan de

dienstverlening van HVC, waaronder de verwerking van restafval en pmd. Er zijn gemeenten die lagere verwerkingstarieven hebben voor restafval en pmd. Veelal zijn dat oude contracten,

afgesloten in tijden dat er sprake was van overcapaciteit in de verbrandingsovens en voldoende

afzetmogelijkheden voor pmd. Van overcapaciteit is geen sprake meer. Gemeenten die vandaag de dag hun restafval aanbesteden, betalen een hoger tarief dan wij bij HVC hebben.

Vraag 5:

Kunt u aangeven wat de extra kosten zijn die gepaard gaan met afgekeurde PMD-inzamelingen bij HVC en wat procentueel de doorwerking daarvan is in de kosten per huishouden? En zo ja, wat de hoogte daarvan (in euro’s) is. En zo nee, wat daarvan de reden is? Antwoord:

Op dit moment hebben we geen afkeur. We voorkomen dat door het pmd afkomstig van de wijken waar te veel vervuiling voorkomt, af te voeren naar de voorscheidingsinstallatie van HVC. De extra

3 kosten die daarmee gemoeid zijn, zijn gelijk aan het verbrandingstarief (2021: 120,-) + de gederfde inzamelvergoeding van het Afvalfonds (2021: 245,- per ton).

Vraag 6:

Uit uw analyse blijkt o.i onvoldoende wat de vervuilingsgraad is (PMD en/of de combi restafval en PMD) in Molenlanden. Richtlijn van het Afvalfonds is 15%.

Welk cijfer komt daarbij uit de huidige referenties van Waardlanden naar voren en wat zijn uw verwachtingen over de jaren 2022-2023-2024 en 2025 met betrekking tot dit percentage? Antwoord:

De vervuilingsgraad van het pmd is bepaald op basis van sorteeranalyses die in mei 2020 zijn

uitgevoerd. De resultaten daarvan zijn opgenomen in het analyserapport dat in oktober 2020 aan de Raad is toegestuurd. De gemiddelde vervuilingsgraad van het pmd bedroeg 29% en is dus

hoger dan de toegestane 15%. Vanaf januari 2021 worden er kwaliteitscontroles uitgevoerd (op

pilotbasis). De resultaten daarvan zijn veelbelovend. De vervuilingsgraad neemt dusdanig af dat het ingezamelde pmd zonder problemen wordt geaccepteerd bij de verwerker.

Vraag 7:

De opzet van onze afvalheffing is solidariteit en de omslag per huishouden. In welke mate beschikt u over beleidsinformatie welke weergeeft in specifiek welke kern en/of in welke

gemeente de resultaten aangeven dat het afval goed wordt gescheiden of dat dit minder goed plaatsvindt? Kunt u dat op hoofdlijnen (bv in staafdiagrammen) weergeven? Antwoord:

Uit de landelijke benchmark blijkt dat de mate van hoogbouw en het al dan niet toepassen van een variabel tarief (diftar) de twee belangrijkste bepalende factoren zijn voor afvalscheiding. Een specificatie voor het verzorgingsgebied van Waardlanden en onze eigen kernen is er niet. Vraag 8:

Deelt u met ons dat het principe van ‘de vervuiler betaalt’ als uitgangspunt zou moeten gelden of op z’n minst zou moeten doorwerken in het variabel deel van de tarieven? (in deze context los te zien van incidenteel grof huisvuil/groot tuinafval). Kunt u dat nader onderbouwen?

Antwoord:

Ja, wij delen het principe de ‘de vervuiler betaalt’ en dat is ook exact het uitgangspunt dat is door

vertaald in het variabele tarief. Hoe meer restafval men aanbiedt, hoe meer men betaalt. De reden dat we geen volledig variabel tarief voorstellen (maar slechts een deel van de afvalstoffenheffing

variabel maken) heeft te maken met het risico van een begrotingstekort. Om te voorkomen dat de kostendekkendheid bij de gemeenten en Waardlanden in gevaar komt, worden alleen de variabele kosten (verwerkingskosten restafval) in het variabele tarief opgenomen.

4

Vraag 9:

Is het te overwegen om over te gaan tot het leggen van een verbinding tussen goed gedrag en minder goed gedrag c.q. tot differentiatie in de tarieven voor stedelijk en landelijk gebied? En welke overwegingen hanteert u om te komen tot uw positief of negatief oordeel? Antwoord:

De differentiatie van tarieven naar gebiedsoort is wat ons betreft niet wenselijk. In ons voorstel

wordt iedere inwoner die goed z’n afval scheidt beloond met een minder hoge afvalstoffenheffing. Daarbij maakt het dus niet uit of een inwoner in stedelijk of landelijk gebied woont.

Vraag 10:

U stelt in uw strategie dat er draagvlak is voor het nemen van de drie stappen om te komen tot het einddoel. Op welke wijze moeten wij dat draagvlak interpreteren? Kunt u ons inzicht geven in de wijze van de vraagstelling richting de burgers/bedrijven en de VVD zou graag komen te beschikken over absolute cijfers in dit verband. Antwoord:

In januari 2021 is een bewonersonderzoek gehouden waarin alle maatregelen uit de strategienota zijn gepeild op draagvlak. De vraagstelling in dit onderzoek is 1 op 1 overgenomen in de maatregelcatalogus die u bij de stukken heeft ontvangen. Vraag 11:

U zet tevens in op gedragsverandering. Hoe rijmt u dat een welwillende burger met

auto/aanhanger zich met afval meldt bij het afvalbrengstation en daarvoor een bepaald bedrag

moet (gaan) betalen? Deelt u niet met ons dat juist dit goede gedag wordt gestraft? Overweegt u niet a contrario om over te gaan tot een systeem van beloning? Antwoord:

Ook op het afvalbrengstation geldt ‘de afvalscheider wordt beloond’. Alleen voor

(verbouwings)restafval en een aantal ‘bedrijfsmatige’ afvalstromen moet betaald worden. Inwoners die hun grof afval netjes gescheiden aanbieden betalen niets.

Vraag 12:

Het is de VVD niet duidelijk op welke wijze het hanteren van de volume van het aangeboden

restafval in de verzamelcontainers doorwerkt in de praktijk qua tarief. Op welke wijze is het

gewicht een issue? En op welke wijze werkt dit uit in de hoogte van de DIFTAR? Een baksteen werkt immers anders uit dan het restafval/verpakking van bv een nieuw aangeschaft koffieapparaat.

Antwoord:

5 Voor de inwoners is het gewicht geen issue. De wijkcontainers voor restafval worden voorzien van een trommel waar per keer maar een beperkt volume restafval in kan worden aangeboden. Per keer dat de trommel wordt geopend wordt er een bedrag in rekening gebracht, ongeacht het

gewicht wat wordt aangeboden. Dit doen we zo omdat het inbouwen van weegapparatuur in de wijkcontainers erg complex en kostbaar is.

Overigens is het wel goed te beseffen dat de hoeveelheid restafval erg drastisch zal afnemen als

gevolg van diftar. De twee voorbeelden horen al niet in het restafval te komen. Een baksteen kan

naar de tweedekansbouwmaterialenmarkt of bij het puin. De verpakking van een koffieapparaat bij het karton.

Vraag 13:

Van belang is vooral voorlichting en bewustwording. Zie ook pagina 5 van de Strategienota. Wij zijn een groot voorstander om vooral aan de voorkant in te zetten op gedragsverandering. Uw

strategienota getuigd daar ook van. Denk aan het expertisecentrum, voorlichting op scholen en de bewustwording van de consument bij het doen van zijn of haar boodschappen in de

supermarkten. Wat wij missen bij dit onderdeel in de Strategienota is een concreet actieplan met deadlines.

Wanneer denkt u daarin te voorzien? Antwoord:

Terecht punt. We zullen de voorbereidingsfase daarmee aanvangen.

Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris,

De burgemeester,

Leon Anink

Theo Segers

CC: de leden van de gemeenteraad Molenlanden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=d38b9dcc-8465-4727-8059-c244cd7d43b8