Beantwoording technische vragen VVD - archeologiebeleid
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief Onderwerp
:
Beantwoording technische vragen VVD - archeologiebeleid
Datum
:
15 september 2021
Portefeuillehouder
:
Johan Quik
Zaaknummer
Behandelend ambtenaar
: :
1112971
Ronald van Oosterbos
Beste meneer Snoek, Op 13 september jl. stelde u technische vragen over het archeologiebeleid. Via deze raadsinformatiebrief worden uw vragen beantwoord.
Toelichting: In het archeologie beleid komt een fors deel van de kosten terecht bij de burger met een bouwplan. Uit de beleidsnota blijkt dat de regels ruimte laten voor de individuele (en mogelijk selectieve) beoordeling van een aanvraag. De gemeente maakt bij de beoordeling gebruik van een extern ingehuurde deskundige. Naar we mogen verwachten is dat een deskundig en bevlogen archeoloog. De betrokkenheid zal kunnen leiden tot verdieping. Immers: wie weet wat er (allemaal) gevonden kan worden? De balans zal altijd doorslaan tot meer willen weten over de bodem in een gebied. Daarbij zijn kosten gemoeid. Onderzoek en extra onderzoek (mogelijk een nader onderzoek of een second opinion) kosten geld. Die kosten zijn voor rekening van onze inwoners. Bij de inwoners is er geen duidelijk zicht op nut, noodzaak en resultaat van de archeologie-onderzoeken. Vraag 1:
Zijn er kengetallen/cijfers c.q. is er bestuurlijke informatie beschikbaar (stel met betrekking tot de afgelopen 5 kalenderjaren) van de kosten die de burger van Molenlanden (en voorheen Molenwaard/Giessenlanden) gemiddeld moet maken voor een ‘opgelegd uit te voeren’ archeologierapport? Antwoord:
De cyclus van archeologische monumentenzorg bestaat uit meerdere onderzoeksfasen. Voor de omgevingsvergunning dient meestal alleen een bureauonderzoek en een verkennend
booronderzoek te worden uitgevoerd, waarna het traject afgesloten wordt met een archeologisch
rapport. Indien tijdens het verkennend onderzoek echter (een indicatie voor) een vindplaats wordt aangetroffen, volgt een waarderend proefsleuvenonderzoek. Als uit het waarderend onderzoek blijkt dat sprake is van een behoudenswaardige vindplaats die niet door middel van een planaanpassing behouden kan worden, dan volgt een opgraving of archeologische
graafbegeleiding. T.a.v. de kosten geldt de regeling dat de ‘verstoorder’ van het bodemarchief betaalt voor het archeologisch onderzoek dat door gecertificeerd archeologische bedrijven
uitgevoerd wordt. De kosten van zo’n onderzoek hangen af van de fase van het onderzoek (verkennend, waarderend of definitief onderzoek), van de omvang van het plangebied, de
2 spoordichtheid en vondstdichtheid van de vindplaats en de keuze voor welk uitvoerend bureau. Marktwerking speelt hierin een belangrijke rol. Vraag 2:
Is er een verdeling te geven in de (directe) kosten tussen de gemeente (geen beleidsoverhead/ salariskosten) en de aanvrager (de individuele burger)?
Gepoogd wordt van onze zijde om inzichtelijk te krijgen welk deel in zijn algemeenheid door de belastingbetaler gedragen wordt. Antwoord:
De kosten van de belastingbetaler zijn beperkt tot de kosten van de gemeentelijk ambtenaar en de inhuur (salariskosten) van de archeologische adviseur. De hoogte van deze kosten is afhankelijk
van het aantal bouwaanvragen en omgevingsvergunningen dat afgegeven wordt en verschilt sterk van jaar tot jaar. De kosten van de uitvoering van archeologisch onderzoek komen volledig voor rekening van de aanvrager (de individuele burger). Molenlanden kent geen subsidie toe aan aanvragers als tegemoetkoming in de kosten voor archeologisch onderzoek. Vraag 3:
Welk aantal archeologie-onderzoeken wordt in onze gemeente jaarlijks vanuit de regelgeving opgelegd?
Antwoord:
Het aantal archeologieonderzoeken is gelijk aan het aantal aanvragen van particulieren/instanties voor de omgevingsvergunning + het aantal onderzoeken voor de diverse gemeentelijke GWW projecten, zoals rioolvervanging of reconstructies van wegen e.d. Vraag 4:
En in hoeveel gevallen vindt aanvullend onderzoek plaats waarbij mogelijkerwijs een tweede (onafhankelijke) expert een rapportage oplevert? Antwoord:
Gemiddeld circa 2 op de 10 verkennende onderzoeken monden uit in een vervolgonderzoek. Het is gebruikelijk dat het bedrijf dat een verkennend onderzoek ook het vervolgonderzoek uitvoert
om de wetenschappelijke kwaliteit te kunnen borgen. De initiatiefnemer/aanvrager is echter vrij
om te kiezen welk gecertificeerd bureau hij/zij inhuurt voor de archeologische werkzaamheden.
Meestal is de kostprijs hierin doorslaggevend en is ‘kwaliteit’ van minder groot belang, omdat dit voor een leek niet of nauwelijks te meten is. Vraag 5:
Op welke wijze maakt het College de afweging tussen nut en noodzaak? Welke criteria worden daarbij gehanteerd? En op welke wijze controleert de gemeente de uitvoering van deze (extra) onderzoeken? Antwoord:
3 De gemeente heeft een wettelijke taak t.a.v. het beheer en behoud van het bodemarchief conform de Erfgoedwet (2016). De wettelijke taken van de gemeente worden momenteel zodanig ingevuld dat de gemeente aan haar wettelijke verplichtingen kan voldoen. De gemeente initieert echter
geen eigen onderzoeken, heeft geen eigen onderzoeksagenda en heeft geen actief beleid in het
ontsluiten van gegevens uit onderzoek, bijvoorbeeld door middel van tentoonstellingen, lezingen, schooleducatie of het weer zichtbaar maken van archeologische relicten. Vraag 6:
Is er inzicht te geven in de verwachtingswaarden en de daadwerkelijke bevindingen van de verschillende gebieden zoals op de kaart is ingekleurd? Antwoord:
Een verwachtingenkaart is wat anders dan een waardenkaart. Een verwachting is immers
hypothetisch en geen vastgestelde waarde. Pas nadat een onderzoek op perceelniveau is
uitgevoerd, kan een archeologische verwachting voor een perceel omgezet worden in een
vastgestelde waarde (verwachting bevestigd, of deel bevestigd, of geen waarde). De onder-
zoeksresultaten van archeologisch onderzoek in Molenlanden in de periode 2008-2020 zijn
door BAAC/RAAP verwerkt in de geactualiseerde waarden en verwachtingskaart. Gebieden zijn afgeschaald als er geen of onvoldoende aanwijzingen waren voor archeologische vindplaatsen of juist opgeschaald als gebleken is dat er sprake is van een archeologische vindplaats of kansrijke archeologische bodem. Vraag 7:
Welk aantal van deze onderzoeken levert ook daadwerkelijk een significante archeologische waarde op? Antwoord:
Dit aantal varieert sterk en hangt af van de ondergrond. Onderzoeken op rivierdonken, oude
stroomruggen en oude woongronden zoals historische kernen en woonterpen leveren de meeste resultaten op. Terrein in komgebieden of bestaande bedrijventerreinen, leveren minder vaak
significante archeologische waarden op. Echter geen waarde is ook een waarde, want leidt tot meer en beter inzicht in het bodemarchief. De kennis van de (geologische) ondergrond en
daarmee de kennis over potentiële vindplaatsen is op dit moment nog relatief beperkt in onze gemeente. Meer onderzoek leidt tot meer inzicht in kansrijke en kansarme gebieden.
Vraag 8:
Welk vervolgtraject wordt er ingezet in het geval er een daadwerkelijk archeologische waarde in ons gebied wordt aangetroffen? Antwoord:
De gemeente heeft de beleidsvrijheid om ruimtelijke ingrepen op behoudenswaardige
archeologische waarden en reeds bekende of vastgestelde archeologische waarden niet toe te
staan. Echter, zij dient de burger dan wel te compenseren, indien de ontwikkeling hierdoor niet door kan gaan, tenzij vooraf ‘algemeen’ bekend was dat op de locatie sprake was van
4 aanwezigheid van behoudenswaardige waarden/vindplaatsen. Dit geldt o.a. voor gewaardeerde archeologische terreinen zoals een AMK terrein, een archeologisch Rijksmonument of een
gemeentelijk archeologisch monument. Vanuit financieel technisch oogpunt wordt een ingreep op een behoudenswaardige vindplaats echter toch vaak toegestaan, op voorwaarde dat de
initiatiefnemer/aanvrager de vindplaats in voldoende mate laat onderzoeken (lees: opgraven) mits een bouwplan niet aangepast kan worden en archeologische waarden daardoor niet in situ behouden kunnen blijven. De spelregels over de mate waarin een vindplaats moet worden
onderzocht worden vastgelegd in een zogeheten Programma van Eisen (een ‘archeologiebestek’) dat door de gemeente wordt getoetst voor aanvang van de bodemingreep.
Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris,
De burgemeester,
Leon Anink
Theo Segers
CC: de leden van de gemeenteraad Molenlanden