Beantwoording technische vragen SGP - archeologiebeleid.docx
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief Onderwerp
:
Beantwoording technische vragen SGP -archeologiebeleid
Zaaknummer
:
1112971
Datum
Portefeuillehouder
Behandelend ambtenaar
: : :
28 september 2021 Johan Quik
Ronald van Oosterbos
Beste meneer De Groot, Op 22 september jl. stelde u technische vragen over het archeologiebeleid. Via deze raadsinformatiebrief worden uw vragen beantwoord.
In het beleid artikel 29.3 benoemd u omgevingsvergunningplichtige werken geen gebouw zijnde. Vraag 1:
Klopt het dat u voor deze werken ook een archeologisch onderzoek verlangt? Antwoord:
Ja, ook overige bodemingrepen zoals diepploegen, egaliseren en scheuren van grasland kunnen onderzoeksplichtig zijn. Dit geldt ook voor ingrepen die van invloed zijn op het bodemarchief, zoals ophogen, verharden, of het al dan niet tijdelijk verlagen van de grondwaterspiegel.
Vraag 2:
Onder artikel 29.3.1 benoemt u het scheuren van het grasland. Klopt het dat u van de agrariërs
vooraf een vergunning verlangt voordat er maisteelt plaats kan vinden op het perceel? Hoe is dat in voorgaande jaren gegaan en is de sector hiervan ook op de hoogte? Antwoord:
In formele zin moet hiervoor een aanlegvergunning aangevraagd worden, in de praktijk gebeurt
dit niet of nauwelijks. Mogelijk komt dit doordat dit bij vele niet bekend is. Opgemerkt wordt dat de bepaling in het voorliggende Archeologie beleid een bestendiging is van het huidige beleid daarbij is in de bestemmingsplanvoorschriften van de bestemmingsplannen Buitengebied (Giessenlanden, Graafstroom, Liesveld, Nieuw-Lekkerland) het voorschrift opgenomen. Vraag 3:
Onder artikel 29.3.1 benoemt u ook het ophogen van het terrein met 30 cm als
vergunningplichtige activiteit. Deze werken hebben toch geen negatieve gevolgen voor de
archeologische waarde in de grond en zijn voor deze werkzaamheden werkelijk een archeologisch
2 onderzoek nodig? Is vrijstelling ook een mogelijkheid of kan dit vanuit wet en regelgeving niet onder een vrijstelling vallen? Antwoord:
Nee, het ophogen van grond kan reductie, oxidatie of differentiële klink teweeg brengen voor het bodemarchief, waardoor vindplaatsen (sporen en vondsten) verloren kunnen gaan. Om dit te voorkomen zijn door de Rijksdienst de bijgevoegde leidraden opgesteld (zie bijlage).
Toezegging, beantwoording van de vraag waarom voor de 1% gekozen is (bodemverstoring door heipalen in relatie tot het netto bouwoppervlak). Antwoord:
De keuze voor de 1% bodemverstoring, als zijnde toelaatbaar, is gebaseerd op de leidraad voor paalfunderingen die door de RCE is ontwikkeld (zie bijlage Handreiking Paalfundering),
de beleidsadviezen van RAAP/BAAC t.a.v. dit vraagstuk en ‘best practices’. Veel gemeenten hanteren een veel strenger beleid t.a.v. paalfunderingen in relatie tot archeologie en
hanteren daarnaast ook een verplichte minimale afstand tussen de palen zijnde 4 of 5 meter.
Volgens onze adviseur blijkt dat dit in de praktijk niet houdbaar is omdat paalfunderingen h.o.h. 4 tot 5 meter sterk kostenverhogend zijn voor bouwprojecten, vandaar dat wij in Molenlanden
gekozen hebben voor de 1% regeling en een afstand van 3 meter tussen de palen, zodat een machinale opgraving in de toekomst mogelijk blijft.
Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris,
De burgemeester,
Leon Anink
Theo Segers
CC: de leden van de gemeenteraad Molenlanden