Beantwoording technische vragen Kadernota 2025
Tekst van het document
Kadernota 2025 Beantwoording technische vragen
Partij Volgnummer Vraag
Antwoord
VVD
1. In november is in het Gemeenschappelijk Financieel Toezichtkader een regeling opgenomen voor de inzet van de algemene reserve bij een begrotingstekort. Het surplus van de algemene reserve mag ingezet worden. Het surplus van de algemene reserve is dat deel dat niet nodig is voor het afdekken van risico’s (weerstandscapaciteit). Van dit vrij besteedbare deel (surplus) kan een gemeente jaarlijks maximaal 10% inzetten voor het dekken van structurele lasten. Met de voorwaarde dat de solvabiliteit groter of gelijk aan 20% is en blijft. Dit is de reden waarom dit nu voor het eerst in de Kadernota genoemd is. 2. De drie bullets zijn bedoeld als invulling van deze regeling waar geen onderbouwing bij zit. Onder de eerste bullet wordt gedoeld op de tegenstrijdigheid van voordelige jaarrekeningresultaten en toekomstige nadelen. 3. De inschatting of de inzet van de AR een aanvaardbaar risico is lijkt ons meer iets voor de raadsbehandeling en is geen technische vraag. 4. Ook het principe of deze inzet gewenst is zien we niet als technische vraag. 5. In september volgt een raadsvoorstel voor het IHP met daarbij een voorstel voor de dekking. Op dat moment is de Raad in positie.
1
Algemene Reserve. Uitgangspunten (bladzijde 4). Algemene Reserve Categorie B Bevindingen. U stelt dat in tegenstelling tot voorgaande jaren nu wel de AR ingezet kan worden. Vraag 1. Wat is uw concrete onderbouwing daarvoor in relatie tot voorgaande jaren? Ook toen waren er immers substantiële overschotten en is er 1-op-1 gedoteerd aan de AR? Vraag 2. Wat is de onderbouwing voor de eventuele inzet van de AR met inachtneming van de punten die u noemt (3 bullets) waarbij het lijkt dat u de ‘deur’ open zet voor het opsouperen van de AR? Vraag 3. Vindt u dit een aanvaardbaar risico? Vraag 4. Vindt u met de VVD dat de AR ten principale aangewend moet worden voor incidentele tegenvallers? Bevinding. Onder verwijzing naar bladzijde 6 (tabel) lijkt het of u al sturend bent c.q. een voorschot neemt om een deel van de AR om te zetten in het bestemmingsreserve IHP. En dat terwijl u in het Rv specifiek duidt dat gegeven de bezuinigingsopgaven er een integrale afweging moet plaatsvinden. Vraag 5. Bent u zich bewust van deze positionering ten opzichte van de Raad?
VVD
2
Bezuinigingen (hoofdstuk 3). Bevinding. U stelt dat in het kader van de WMO enkele opties kansrijk zijn om op te bezuinigingen. Het 4e punt geeft aan dat er meer kan worden gecontroleerd op declaratiegedrag bij aanbieders. Vraag 1. Hoe is de controle op dit moment ingericht c.q. uitgevoerd? Vraag 2. Wat ontbreekt aan de huidige controle? Vraag 3. Tot welk bedrag acht u de inrichten van deze (extra) controle qua omvang mogelijk qua opbrengsten? Mogelijk uit te drukken in een percentage van het totaal alsmede een mogelijk vast bedrag.
Vraag 1: De aanbieder mag alleen direct cliëntgebonden tijd declareren. Dat is de tijd die daadwerkelijk thuis wordt ingezet. Door omstandigheden wordt soms minder ingezet dan de indicatie. De declaratie wordt via het geautomatiseerde berichtenverkeer digitaal gecontroleerd. Aanbieders kunnen - binnen de geldigheidsduur van de indicatie - nooit meer declareren dan het aantal geïndiceerde uren per week vermenigvuldigd met het aantal weken in een maand. Als meer wordt gedeclareerd volgt automatisch afkeur en wordt niet tot betaling overgegaan. Handmatige correcties zijn niet mogelijk. Vraag 2: Met de huidige controle is mogelijk te weinig aandacht voor de doelmatigheid van de declaraties. Ofwel: hoe wordt bij declaraties gecontroleerd dat de ondersteuning ook daadwerkelijk is ingezet? Bij de landelijke digitalisering zijn bij veel aanbieders de door de hulp en de cliënt ondertekende urenbriefjes vervallen. Het is voorstelbaar dat een hulp soms vergeet door te geven dat er minder of geen huishoudelijke ondersteuning is ingezet. In dat geval declareert de aanbieder de tijd die volgens planning ingezet had moeten worden. Regelmatig krijgen wij van cliënten te horen, dat er minder huishoudelijke ondersteuning wordt ingezet, dan de indicatie. Wij controleren dan of er ook minder is gedeclareerd.
Meestal blijkt er correct te zijn gedeclareerd (vaak is personeelstekort de oorzaak) en dan is er geen vervolgactie nodig. Soms wordt wel een afwijking gesignaleerd tussen declaratie en realisatie. Dan vragen wij de aanbieder om dit te corrigeren. In overleg met de aanbieders zouden wij dit aan de voorkant anders willen organiseren en niet zoals nu achteraf bij signalen. Dit vraagt een zorgvuldige afstemming met de 14 aanbieders.
VVD
VVD
3
4
OZB-subsidie. Bevinding. U stelt dat in 2026 wordt onderzocht of er besparingen mogelijk zijn. Het gaat over verenigingen met eigen onroerend goed. Vraag 1. Bedoelt u dat bezien wordt of bezuinigd kan worden op zowel de waarderingssubsidie, voor ondersteuning van de accommodatie en de OZBsubsidie of ‘slechts’ op het laatste onderdeel? Vraag 2. Op welke andere wijze dan korting op de OZB-subsidie denkt u een besparing te kunnen realiseren en op welke wijze gaat u dat met de betrokken verenigingen en kerken aanpakken c.q. communiceren? IHP. Bevinding. Qua investeringsopgave 1 van de grootste dossiers voor onze gemeente. U stelt dat in september de Raad komt te spreken over het
Vraag 3: In Molenlanden hebben meer dan 800 cliënten een indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. Als er voor elke cliënt één uur per jaar (dat is 5 minuten per maand) meer wordt gedeclareerd dan er wordt ingezet, dan komt dat op ongeveer € 28.000. De verwachting is dat dit jaar bijna 2,9 miljoen wordt uitgeven aan de huishoudelijke ondersteuning. Bij deze berekening gaat het om ca. 1% van de totale kosten. Bij een verdere verkenning van een extra controle moet duidelijk worden wat de kosten/baten zijn. Hierop vooruitlopend willen wij bij de aanbieders en de cliënten bewustwording creëren wat het betekent als ook niet ingezette tijd wordt gedeclareerd. Vraag 1: Het gaat hier enkel over de OZB-subsidie. Kanttekening hierbij is dat de compensatie voor zowel OZBeigenaar als OZB-gebruiker is (dus niet enkel verenigingen met eigendom kunnen van deze subsidie gebruik maken) Vraag 2: Dit bevindt zich nog in een eerste fase en zoals opgenomen in de Kadernota zal dit nog verder onderzocht en uitgewerkt worden.
De zorg voor goede onderwijshuisvesting is een wettelijke taak van een gemeente, het IHP voorziet in de fasering en geeft een beeld van de financiële impact. Vervolgens zal per school een voorstel aan de raad worden voorgelegd.
CDA
5
CDA
6
aangepaste en geprioriteerde IHP. Vraag 1. Is het optioneel en verantwoord om een pad te kiezen dat uitgaat van een verdere fasering van de aanpak van de huisvesting voor de scholen? Vraag 2. Is het mogelijk om met incidentele investeringen, bepaalde scholen te ‘helpen’ voor de korte termijn en als zodanig ruimte te maken voor verdere fasering? U schrijft in de Kadernota ‘Optie: resultaat jaarrekening 2023 reserveren voor IHP € 10 mln’. En vervolgens zien we in de rekensom van dat tabelletje dat daar rekening mee gehouden wordt. Als de gemeenteraad de Kadernota 2025 vastgesteld heeft: hebben we dan besloten de reserve die ‘IHP’ heet met € 10 mln te vergroten? In het verloop van de Algemene Reserve zien we een afname van de voorziening van € 3 mln voor de Opvanglocaties Oekraïense vluchtelingen (raadsbesluit 12-12-2023). In het raadsbesluit van 12-122024 werd vanuit financieel perspectief bezien een duidelijk onderscheid gemaakt tussen ‘aankoop grond’ en ‘feitelijke realisatie en inrichting'. De aankoop van de grond zou worden geactiveerd en de jaarlijkse rentelast zou onderdeel uit gaan maken van de financiële opzet. Voor de realisatie en inrichting werd een bedrag van € 2,4 mln beschikbaar gesteld vanuit de Algemene Reserve. A. De € 3,0 mln die in het overzicht staat: correspondeert
In september volgt een raadsvoorstel voor het IHP met daarbij een voorstel voor de dekking. Op dat moment neemt de raad pas een beslissing om eventueel een bedrag uit de algemene reserve beschikbaar te stellen. Bij de kadernota wordt dit niet besloten.
Het raadsbesluit is, rekening houdend met het BBV, verwerkt door de aankoop van Giessenburg te activeren (betreft grond) en de aankoop van Waal ten laste van de Algemene Reserve te brengen (betreft een pand). De aankoop van Waal en het bedrag van € 2,4 mln voor realisatie en inrichting komt hierdoor in totaal uit op € 3 mln. Over het terugvloeien van die € 2,4 mln vanuit de bekostigingsregeling is nog geen definitieve beschikking ontvangen. Hierover zijn we met het NOO in gesprek. Het NOO staat voor Nationale Opvang Organisatie en is onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Voorzichtigheidshalve staat deze terugvloeiing niet in het overzicht.
CU
7
die met de aankoop van de grond of de inrichting (€ 2,4 mln) waar een besluit over genomen is? B. Als het correspondeert met de € 2,4 mln waartoe wij besloten hebben: waarom neemt u dan in het overzicht van de Kadernota 2025 een bedrag van € 3,0 mln op? C. De € 2,4 mln werd beschikbaar gesteld onder de voorwaarde dat het Rijk garant zou staan voor de bekostigingsregeling tot en met 4 maart 2025. Waarom zien we het effect van die terugvloeiingsregeling niet terug in dit overzicht? pag. 4 Categorie B. Sinds 2024 is het mogelijk om incidentele middelen te gebruiken voor dekking van structurele lasten (max 10% v/h surplus in de AR). De gemeenten hebben daarover met de minister afspraken over gemaakt. Ook over de risico’s ervan is nagedacht. Zo gaat het over 10% van het vrij besteedbare deel, moet de solvabiliteit >20% zijn en blijven. Daarnaast moet het weerstandsvermogen (oordeel provincie) voldoende zijn en gebaseerd op een adequate risico-inventarisatie. Kortom, de risico’s van het inzetten van een deel van de AR zijn behoorlijk onderkend en met voorwaarden omkleed. Kunt u uitleggen waarom u dan daarbovenop nog extra risico’s vermeldt (2e bullet) en deze mogelijkheid tot een lagere prioriteit bestempelt dan bijvoorbeeld maatregelen in categorie A zoals risicovoller ramen?
Er is bij het maken van deze afspraak goed over de risico's nagedacht. Maar het blijft zo dat met incidenteel geld een structureel tekort wordt afgedekt. Wij vinden daarom dat dit alleen op korte termijn een oplossing is. Dit kan niet tot in lengte van jaren worden gedaan omdat het surplus van de algemene reserve dan niet blijft bestaan.
CU
8
Deze vraag komt voort uit Raadsinformatiebrief 1216226 van 24 juni 2024 m.b.t. de Initiatievenpot maar heeft ook betrekking op de voorbereidingen voor de begroting 2025. Daarin is te lezen dat het college besloten heeft de Initiatievenpot per 2024 te verlagen naar 100.000,a. Mag het college dit besluit in een lopend jaar nemen en genoegen nemen met het uitvoeren van de informatieplicht? Of valt dit besluit in het licht van wat in de verordening staat namelijk: ‘onder de 100k mag het college zelf besluiten mits de raad maar wordt geïnformeerd’? b. Betekent dit dat deze verlaging voor 2024 zonder inmenging van de raad wordt doorgezet in de begroting naar 2025 en de raad dus pas dan een besluit erover kan nemen? c. In de begroting voor 2024 stond deze post al voor 60.000 als structurele bezuiniging te boek (en niet 40.000 zoals de bijlage net de initiatieven suggereert) , waarom dan nog eens vanaf 2024 met 40k structureel verminderen terwijl de cijfermatige trend in de bijlage laat zien dat in 2023 nog 152.000 is besteed en alleen in het coronajaar 2021 (iets) minder dan 100.000 is besteed. Kortom, ons ontgaat de noodzaak om deze subsidiepot structureel te verlagen terwijl we dat een half jaar geleden ook al hebben gedaan. Graag een nadere toelichting op de afwegingen. d.
Overigens is het duidelijk dat het college ad hoc bekijkt of bijstelling nodig is als blijkt dat er een overschrijding aftekent. Zo lezen we in de RIB, maar
Vraag a/b/c Vorig jaar is met het vaststellen van de begroting 2024 door de gemeenteraad het bedrag van de initiatievenpot verlaagd van 160.000 naar 100.000,-. Hiervan is 60.000 als structurele bezuiniging aangemerkt ( is meegestuurd als bijlage bij de begroting 2024 naar de gemeenteraad). Dit is door de raad vastgesteld in de vergadering van 9 november 2023. Van het oorspronkelijke budget van de initiatievenpot van jaarlijks 200.000,- is vanaf 2023 reeds een bedrag van 40.000 overgeheveld naar JOP (Jongeren Ontmoetings Plek. Vraag d Als zich in de loop van het jaar een overschrijding dreigt af te tekenen, ruim voordat de pot leeg is, bekijkt het college of een nadere bijstelling nodig is.
deze pot is limitatief, dus als er aanvragen zijn terwijl de pot leeg is, dan moeten initiatiefnemers langer wachten op een collegebesluit dan wanneer de pot ruimte heeft want dan kan het ambtelijk apparaat de verordening uitoefenen conform de regels. Is het college het met ons eens dat dit het gevolg kan zijn?