CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen ChristenUnie - Uitgangspunten klimaatadaptatie-energietransitie-biodiversiteit in de omgevingsvisie_.

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 7c. Uitgangspunten klimaatadaptatie – energietransitie - biodiversiteit in de omgevingsvisie1.102 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsinformatiebrief Onderwerp

:

Datum

:

Portefeuillehouder

:

Zaaknummer

Behandelend ambtenaar

: :

Beantwoording technische vragen ChristenUnie -

Uitgangspunten klimaatadaptatie-energietransitiebiodiversiteit in de omgevingsvisie 05-09-2023 1174027

Jan Lock en Arco Bikker

Sjoerd Raemaekers en Martin Crum

Beste meneer Timmer, Op 31 augustus 2023 stelde u technische vragen. Via deze raadsinformatiebrief worden uw vragen beantwoord. Vraag 1:

Er wordt in het RVS uitgegaan van diverse peilmaten ten opzichte van het zomerpeil van het

watersysteem bij beslispunt 3.a. De waterpeilen zijn verschillend per gebied en kunnen mogelijk

wijzigen. Bijvoorbeeld: om bodemdaling tegen te gaan, teelt van andere gewassen, biodiversiteit te stimuleren of andere redenen.

Hoe wordt met de genoemde peilvoorschriften omgegaan bij eventuele toekomstige verandering van zomerpeilen voor gebouwen, straten, etc? Kan dit over verschillende jaren verschillende

hoogten betekenen n.a.v. bouwjaar? Komen hierdoor niet teveel hoogte verschillen tussen wijken? Is het niet beter uit te gaan van een vast N.A.P.-peil of andere maat welke over een langere periode wordt bekeken en anticiperend op de toekomst wordt vastgesteld? Graag uw toekomstvisie hierop en wat u hiermee gaat doen. Antwoord:

De constatering dat het diversiteit geeft klopt. De reden voor deze keuze is dat we in een zettingsgevoelig gebied werken met verschillende grondslagen. Het vastleggen op één peil is daardoor onmogelijk door de diversiteit. Het principe bij peilbesluiten was tot voor kort dat het peil de zetting volgt. Dus m.a.w. het peil werd aangepast in de mate waarin de bodem daalt. Voor het komende peilbesluit is dat principe losgelaten. In die gebieden waarin de bodem sneller daalt dan gemiddeld, gaat het peilbesluit minder mee. Vooralsnog lijkt dat geen gevolgen te hebben voor de bebouwde omgeving, omdat het agrarische grond betreft. We hebben bewust het peilbesluit als uitgangspunt meegenomen, omdat we dan ook in de toekomst niet bovenmatige eisen stellen en aan kunnen sluiten bij de situatie per peilgebied.

2

In de gesprekken die we nu met het waterschap en provincie voeren, geven wij aan dat een peilbesluit als zodanig weliswaar een noodzakelijk doch onvoldoende is om bodemdaling tegen te gaan. Dan moet er ook iets met het grondwaterpeil gebeuren door b.v. WIS. Die toepassing haalt ook druk weg om via het peilbesluit alles te regelen. We denken daarom dat met de keuze die we gedaan hebben voldoende voorsorteren op de ontwikkelingen. Daarbij merken we op dat de omgevingsvisie een levend document is dat aangepast wordt op het moment dat factoren in de omgeving veranderen. Daarbij is er bij de uitwerking van deze uitgangspunten in Omgevingsplan de mogelijkheid om kritisch kijken of wat we stellen uitvoerbaar is.

Vraag 2:

Indien waterpeilen verhoogd kunnen worden en de bergingscapaciteit bij stortbuien groter moet zijn dan ligt het voor de hand om watergevoelige elektra-, data-, alarm- en

communicatiesystemen (meter-, elektra- en communicatiekasten en andere apparatuur) hoger in panden en in de openbare ruimten te plaatsen. Voor bepaalde zaken zoals meterkasten mag de gemeente afwijken van de Rijksregels/Bouwbesluit; (zie 1.1. Van de bijlage 1.) (Daarnaast vereisen verzekeraars dit ook steeds meer.)

Ziet het college dit probleem; en zo ja, is zij voornemens om dit te onderzoeken en met een voorstel te komen om minimale hoogten voor te schrijven om watergevoelige apparatuur te plaatsen gekoppeld aan de van toepassing zijnde peilen? Antwoord:

We kiezen ervoor om de twee punten uit uw vraag apart te beantwoorden. Het eerste punt is verhoging waterpeilen. Zoals aangegeven onder vraag 1 leidt peilverhoging in het oppervlakte water niet een op een tot een verhoging van de grondwaterstand. Dat heeft 1 op 1 te maken met het type bodem in Molenlanden. Veen en klei zijn slecht doordringbaar. Dat leidt in de zomer tot een aanzienlijke verlaging van het grondwaterpeil ten opzichte van het peil in het oppervlaktewater en in de winter omgekeerd. Dat is een werkelijkheid waar we nu ook al mee te maken hebben. Uw vraag speelt met name ook in de bebouwde omgeving. Daar zoeken we met het waterschap naar eigenstandige aanpak als het gaat om peilen en peilbeheer. Die nemen uw punt ook mee. Het andere punt is waterberging. Een peilverhoging zou in principe geen gevolgen mogen hebben voor waterberging. Dat betekent dat bij verhoging van het peil de oppervlakte water voor waterberging vergroot zou moeten worden. Doen we dat niet, dan leidt dat automatisch tot wateroverlast. Dat betekent dat we samen met het waterschap op zoek gaan naar alternatieve vormen van waterberging.

3

Zoals gesteld in de door u genoemde bijlage is het niet mogelijk om uitgangspunten en regels te wijzigen in de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan (publiekrechtelijk). Wel zouden wij (wanneer de gemeente opdrachtgever is van een ontwikkeling) daarvoor wel eisen kunnen stellen. (privaatrechtelijk d.m.v. contract of aanbesteding) Aangezien dit in de praktijk niet tot nauwelijks gebeurd zal het college hiervoor specifiek een voorstel voorbereiden.

Vraag 3:

Vragen n.a.v. beslispunt 2d; Bouwen op geschikte bodemgesteldheid:

3a: Moeten we hieruit concluderen dat niet overal meer bouw gewenst is?

3b: Is bekend of wordt ‘in beeld gebracht’ waar nog wel of niet gebouwd kan worden i.v.m. de bodemgesteldheid?

3c: Wat zijn de consequenties hiervan per gebied of grondsoort en wordt hiermee rekening gehouden bij (nieuw)bouwplannen?

Antwoord:

3a. Het antwoord dat u in uw vraag geeft is een van de mogelijke antwoorden. Op dit moment is deze vraag uiteraard wel erg actueel. De lijn die het college volgt is vooralsnog niet om te zeggen we bouwen niet. De richting die wij kiezen: we bouwen op een manier die passend is bij de bodemgeschiktheid. Dat vraagt om alternatieve vormen van bouwen en wonen. Dat is een zoektocht, waarbij we per geval kijken wat het antwoord is. De verdere verdieping op dit onderwerp zal in de vervolgaanpak (welke onderdeel is van de eerste Omgevingsvisie) aan u worden voorgesteld. 3b. In deze vraagt veronderstelt u dat we wel of niet ergens bouwen. Gezien ons antwoord onder 3a. kiest het college vooralsnog voor een andere lijn. Wat dit betekent voor Molenlanden daarvoor is verdere verdieping en meer onderzoek nodig. Deze volgt in de vervolgaanpak van de Omgevingsvisie. 3c. Voor nu kunnen we hier nog geen uitspraken doen. Dit omdat verder onderzoek nodig is.

4. Heeft de gemeente invloed op de hoogte van de waterpeilen; zo ja hoe en met wie? Antwoord:

Het waterschap is bevoegd om peilbesluiten te nemen. Uiteraard wordt de gemeente voorafgaand op zo’n besluit geconsulteerd. Op het peilbesluit, zoals dat nu ter definitieve besluitvorming voorligt, heeft de gemeente een zienswijze ingediend.

Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

4 Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris,

De burgemeester,

Leon Anink

Theo Segers

CC: de leden van de gemeenteraad Molenlanden

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c2413408-fdb0-4ef2-ba0d-a9ce4ffa63f0