Beantwoording politieke vragen CDA - uitgangspunten harmonisering omgevingsplan
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief Onderwerp
:
Beantwoording politieke vragen CDA – uitgangspunten
Datum
:
28 maart 2023
Portefeuillehouder
:
Zaaknummer
Behandelend ambtenaar
: :
harmonisering omgevingsplan 1170391
Arco Bikker
Joris Wijnakker
Beste meneer Klink, Op 27 maart 2023 stelde u politieke vragen aan het college conform artikel 55 van het Reglement van Orde. Via deze raadsinformatiebrief worden uw vragen beantwoord.
Ad. uitgangspunt 3: Vraag 1:
Waarom moet de te splitsen woning een cultuurhistorische waarde hebben? U geeft het volgende argument:
‘De gemene deler bij de drie verschillende splitsingsregelingen is dat de oorsprong zit in het duurzaam in stand kunnen houden van (meestal) agrarische panden die bijdragen aan het
cultuurhistorisch karakter van het gebied. Het is daarmee dan ook logisch om die component als uitgangspunt te behouden.’
Waarom is dit logisch? Tijden zijn veranderd en de behoefte aan woningen is gegroeid. Dat geldt zeker voor kleinere woningen. Waarom zou het doel van woningsplitsing alleen het in stand
houden van cultuurhistorie kunnen zijn? Volgens het CDA is het doel van woningsplitsing ook het vermeerderen van het woningaantal zonder daar extra grond voor te hoeven opofferen. Antwoord:
De regelingen hebben hun oorsprong in het creëren van een verdienmodel voor het onderhoud van cultuurhistorische panden. Het doel van dit raadsvoorstel is het harmoniseren van deze regelingen voor het hele buitengebied van Molenlanden. Daarom is het behoud van deze voorwaarde onderdeel van het voorgestelde uitgangspunt.
Het doel van de splitsingsregelingen is niet om mogelijk maken dat men bij nieuwe
woonbestemmingen in het buitengebied met nieuwgebouwde woningen van 1 naar 2 woningen kunnen gaan. Voor het vermeerderen van woningaantallen wordt in eerste instantie zoveel
mogelijk naar locaties binnen de kernen gezocht (of in ieder geval binnen BSD). In de linten in het
2 buitengebied staat dit op gespannen voet met provinciaal beleid, maar ook de druk op parkeren, verkeer en riolering.
Mochten er zich situaties voordoen waarbij het wel wenselijk is om een pand dat niet
cultuurhistorisch waardevol is te splitsen, dan kan medewerking worden verleend met een BOPA.
Vraag 2:
Waarom zou een woning in slechts twee woningen mogen worden gesplitst? U geeft het volgende argument:
‘De aanvulling om in maximaal 2 woningen te splitsen per pand is om voldoende grip te houden op de ruimtelijke impact van splitsing.’
Kan de grip op de ruimtelijke impact niet gewaarborgd zijn door de ruimtelijke toets bij het
beoordelen van de vergunningsaanvraag, op basis van open normen (zie uw eigen uitgangspunt 5)?
Er zou dan wel een minimaal volume moeten gelden voor de gesplitste woning. Antwoord:
De grip op de ruimtelijke impact wordt inderdaad ook gewaarborgd door de ruimtelijke toets en
de gestelde normen. Omdat met dit uitgangspunt bestaande regelingen worden geharmoniseerd wordt voorgesteld om dit te begrenzen om maximaal 2 woningen. De bestaande regelingen in
bestemmingsplannen zien hier op toe door het maximum 2 te benoemen of een minimaal volume van een gesplitste woningen op 400 m3 te hanteren. Er is gekozen voor een maximaal aantal in
plaats van een minimaal volume, omdat de bouwtechnische situatie van veel agrarische panden in het buitengebied zich niet lenen voor een gelijkwaardige splitsing, waardoor een splitsing van het pand een wat groter deel en een wat kleiner deel vaak bouwtechnisch gezien beter mogelijk is.
Ad. uitgangspunt 7 Vraag 3:
Het voorstel luidt: ‘In het Molenlands omgevingsplan worden regels voor bouwactiviteiten met gesloten normen vergunningsvrij gemaakt en waar dit nieuwe gebouwen betreft geldt een meldplicht.’
In de huidige situatie kan een initiatiefnemer gerust slapen wanneer hij/zij een
omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit verleend heeft gekregen. Deze vergunning heeft
3 een formele status. Ook als achteraf blijkt dat de vergunde bouwactiviteit niet conform de regels was.
In de nieuwe situatie ontbreekt die zekerheid. Voor nieuwe gebouwen geldt weliswaar een
meldplicht, maar biedt het doen van een melding de initiatiefnemer juridische zekerheid? Tot
wanneer kan iemand die een meldplicht heeft gedaan van een bouwactiviteit die later niet aan de regels blijkt te voldoen, geconfronteerd worden met handhaving? Tot in het oneindige? Gaat dit
geen situatie opleveren die lijkt op de situatie van de pasmelders? Als wij niet zelf zullen bepalen
vanaf wanneer een initiatiefnemer erop mag vertrouwen dat zijn bouwactiviteit legitiem is, dan zal de rechter dit gaan doen. Antwoord:
Het op juiste wijze voldoen aan een meldplicht, oftewel voldoen aan het op dat moment geldende omgevingsplan, geeft juridische zekerheid. Een melding die voortkomt uit een meldplicht moet
door het bevoegd gezag beoordeeld worden en moet gedaan worden voordat met een activiteit
wordt gestart. Zo kunnen activiteiten die niet binnen de regels passen nog ondervangen worden. Als een bouwactiviteit niet aan de regels voldoet kan gehandhaafd worden en daar is in principe
geen tijdslimiet voor te noemen. Om de vergelijking met de PAS te maken zou omgevingsplan op basis waarvan de meldplicht geldt vernietigd moeten worden door een rechter om een eenzelfde situatie als de pasmelders te komen.
Vraag 4:
Stel dat na een jaar het vergunningsvrij maken van deze bouwactiviteiten en de meldplicht voor nieuwe gebouwen niet goed blijken te werken. Is het aantal ambtenaren dat voorheen de
vergunningen verleende dan inmiddels geslonken, waardoor we praktisch niet meer terug kunnen naar het huidige bestaande vergunningenbeleid? Antwoord:
In theorie zorgen leges die men voor een vergunning betaald ervoor dat er budget is om het
aantal benodigde vergunningverleners op de werklast afgestemd te hebben. Teruggaan naar het
bestaande vergunningenbeleid betekent dat ook weer extra legesinkomsten, waarmee het aantal vergunningverleners op peil gebracht kan worden.
In de praktijk van deze organisatie is door een tekort aan vergunningsverleners een verlichting van capaciteitsdruk zeer welkom en ligt het dan ook niet in de verwachting dat het aantal
ambtenaren dat nu de vergunningen verleend zal slinken door uitvoering van dit uitgangspunt. De
4 uitgangspunten gezamenlijk betekent vooral dat werkzaamheden verschuiven doordat
vergunningverleners meer bezig zullen zijn met nieuwe beoordelingskaders van OPA’s en BOPA’s in plaats van met de relatief eenvoudigere bouwvergunningen.
Wij verwachten u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van Molenlanden, De secretaris,
De burgemeester,
Leon Anink
Theo Segers
CC: de leden van de gemeenteraad Molenlanden