CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

B1 Bijlagen b_NL.IMRO.1978.BPmiddelweg6NKL-VG01

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 1 november 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Middelweg 6, Nieuw-Lekkerland31.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. R.C. Pickert Auteur

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

16

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Middelweg 6-8 te Nieuw-Lekkerland en bestaat uit een bedrijfswoning met verschillende loodsen.

Figuur 2

Achter de planlocatie loopt een sloot.

17

Figuur 3

De open loods bestaat uit een stalen frame en golfplaten wanden.

Figuur 4

De spar op de planlocatie wordt gekapt.

Bijlage 2 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Figuur 1

Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.

Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

18

Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.

Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (aprilseptember) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaarsen zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).

Figuur 2

19

Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.

In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

Figuur 3

20

Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.

Voortoets stikstofdepositie ontwikkeling Middelweg 6 te Nieuw-Lekkerland

Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website:

Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu

Titel document: Referentie: Versie: Datum:

Voortoets stikstofdepositie ontwikkeling Middelweg 6 te Nieuw-. Lekkerland 20104 1.1 14 februari 2022

AERIUS kenmerk:

RZF4Z1iS52xH

Pagina 2 van 12

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Plangebied ..................................................................................................................................... 4 1.3 Nieuwe situatie.............................................................................................................................. 5 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats .......................................................... 6 2. Beleidskader............................................................................................................................. 7 2.1 Wet natuurbescherming ............................................................................................................... 7 2.2 Besluit natuurbescherming ........................................................................................................... 7 2.3 Regeling natuurbescherming ........................................................................................................

7 2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering .................................................................................. 7 3. Uitgangspunten ........................................................................................................................ 8 3.1 Aanlegfase ..................................................................................................................................... 8 3.2 Gebruiksfase .................................................................................................................................. 8 4. Emissiebepaling ........................................................................................................................ 9 4.1 Bestaande woning ......................................................................................................................... 9 4.2 Nieuwe woningen.......................................................................................................................... 9 4.3 Af- en aanrijdend verkeer.............................................................................................................. 9 4.3 Gebouwinvloed ............................................................................................................................. 9 5.

Rekenresultaat en conclusie.................................................................................................... 11 Bijlage – AERIUS-export .............................................................................................................. 12

Pagina 3 van 12

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Op het perceel Middelweg 6 te Nieuw-Lekkerland betreft een voormalig bedrijfsperceel. De initiatiefnemer is voornemens om het perceel te wijzigen naar een woonperceel, waarbij enkele voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt en 3 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden vanwege de deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd een stikstofdepositieonderzoek op te stellen.

1.2 Plangebied Het plangebied betreft het perceel Middelweg 6 te Nieuw-Lekkerland. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van het dorp Nieuw-Lekkerland en maakt onderdeel van de kadastrale percelen gemeente Nieuw-Lekkerland, sectie C, nummers 1328, 1344 en 1345. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de percelen Middelweg 2, Lekdijk 391 en van Vlietstraat 1c. Het chinees restaurant aan de Middelweg 4 en de openbare weg Middelweg zorgen voor de oostelijke begrenzing van het plangebied. Ten zuiden is het woonperceel Middelweg 8 en de openbare weg van de Rovaartstraat gelegen. Tenslotte zorgt een braakliggende kavel en het woonperceel van de Rovaartstraat 2 voor de zuidelijke begrenzing van het plangebied.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

Pagina 4 van 12

1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is de bedrijfswoning functioneel gewijzigd naar een burgerwoning en worden twee bedrijfsgebouwen gehandhaafd en worden gebruikt als bijgebouw bij de woning. Overige bedrijfsgebouwen zijn gesloopt en onnodige erfverharding is opgeruimd. Aan de zuidzijde van het plangebied worden 3 levensloopbestendige woningen gebouwd.

Afbeelding 2: Schets nieuwe situatie

Pagina 5 van 12

1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ en is gelegen op een afstand van circa 11,1 kilometer tot het plangebied. Verder zijn stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden ‘Boezems Kinderdijk’, ‘Donkse Laagten’ en ‘Oude Maas’ aanwezig. Tabel 1: Stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden Gebieds- Natura 2000-gebied Afstand stikstofgevoelige habitats tot nummer plangebied 106 Boezems Kinderdijk Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 107 Donkse Laagten Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 108 Oude Maas Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 112 Biesbosch 11,1 kilometer

11,1 km Afbeelding 3: Afstand plangebied tot stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden

Pagina 6 van 12

2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.

2.2 Besluit natuurbescherming In titel 2 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) is de Programmatische aanpak stikstof opgenomen. Daarin is aangegeven dat er een programma aanpak stikstof wordt vastgesteld met welke doelstellingen, hoe de vaststelling plaatsvindt, voor hoe lang en door wie. PAS-partijen stellen voor 6 jaar een programma vast. De gebiedsanalyses die per Natura 2000-gebied worden opgesteld zijn een verplicht onderdeel van het PAS. Deze maken ook onderdeel uit van de passende beoordeling van het programma. Deze zijn nodig om aan Europeesrechtelijke verplichtingen van de Habitatrichtlijn te voldoen. In het Bnb is in artikel 2.12 de hoogte van de zogenoemde grenswaarde vastgesteld op twee verschillende manieren. De eerste waarde betreft een generieke waarde van depositie op een habitat van 1,00 mol per hectare per jaar. Deze waarde wordt voor een Natura 2000-gebied van rechtswege verlaagd naar 0,05 mol per hectare per jaar op het moment dat blijkt dat nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld. De tweede waarde is van toepassing voor infrastructurele activiteiten en betreft een afstand in kilometers. Afhankelijk van de type activiteit waarbij het hier om gaat, is de afstand 3 of 5 km.

Deze grenswaarde voor infrastructurele activiteiten is beperkt tot de activiteiten die zijn opgenomen op de prioritaire lijst. Indien de grenswaarden door een activiteit niet worden overschreden, dan valt deze activiteit onder de uitzondering van de vergunningplicht.

2.3 Regeling natuurbescherming In de Wnb en Bnb is bepaald dat een aantal zaken nader bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt en vastgesteld, zoals dat de AERIUS Calculator gebruikt dient te worden als rekenmodel voor de bepaling van de depositie en de vrijstelling van beweiden en bemesten welke in provinciale verordeningen is vastgelegd.

2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie.

Pagina 7 van 12

3. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling in kaart te brengen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten.

3.1 Aanlegfase De aanlegfase voorziet uitsluitend in tijdelijke sloop-, bouw- en/of aanlegwerkzaamheden. Conform artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming worden deze activiteiten in het kader van stikstofdepositie buiten beschouwing gelaten. Derhalve wordt in voorliggende voortoets niet meer ingegaan op de aanlegfase en is de aanlegfase niet gemodelleerd in de AERIUS Calculator.

3.2 Gebruiksfase Met betrekking tot de gebruiksfase is in het kader van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe situatie alsmede de stikstofuitstoot door stookinstallaties in de woningen relevant.

3.2.1 Bestaande woning De woning wordt gewijzigd van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Het is thans niet bekend of de woning gas verbruikt. Worstcase wordt ervan uitgegaan dat de woning is aangesloten op het gasnetwerk.

3.2.2 Nieuwe woningen De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd en worden dus niet voorzien van stikstof emitterende stookinstallaties.

3.2.3 Af- en aanrijdend verkeer Voor de vaststelling van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de gemiddelde parkeerkencijfers uit de CROW publicatie 381. Uit wordt gegaan dat het plangebied is gelegen in de stedelijke zone ‘(rest) bebouwde kom’ van een ‘niet stedelijk’ gebied. Daarmee wordt aangesloten bij de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Tabel 2: Verkeersgeneratie per etmaal Categorie Verkeersgeneratie Koop, huis, vrijstaand 8,2 per woning Koop, huis, tussen/hoek 7,4 per woning

Aantal 1 3

Totaal 8,2 verkeersbewegingen 22,2 verkeersbewegingen

Totale verkeersgeneratie per etmaal

30,4 verkeersbewegingen

In de nieuwe situatie voorziet de ontwikkeling in de generatie van 31 verkeersbewegingen per etmaal.

Pagina 8 van 12

4. Emissiebepaling 4.1 Bestaande woning Er wordt uitgegaan dat de bestaande woning gas verbruikt. Omdat het gasverbruik niet bekend is, is aangesloten bij de factsheet ‘Emissiewaarden AERIUS versie 5’ (5 juli 2018) waarbij is uitgegaan van de categorie ‘oude woningen, vrijstaande woning’. Hieruit blijkt dat een dergelijke woning een jaarlijkse emissie heeft van 3,59 kg NOx en 0,47 kg NH3. De uitstoothoogte is geschat op 8,5 meter. Met betrekking tot de warmte-inhoud is worstcase uitgegaan van 0,00 MW.

4.2 Nieuwe woningen De nieuwe woningen worden gasloos gerealiseerd en worden daarom niet voorzien van stikstof emitterende stookinstallaties. Hierdoor is er geen sprake van stikstofemissies. De nieuwe woningen zijn als puntbronnen opgenomen in de Calculator, waarbij alle parameters zijn ingevuld met 0 (gezien er geen stikstofemissie plaatsvind).

4.3 Af- en aanrijdend verkeer De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer in de nieuwe situatie worden niet meer aan de locatie toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen ten behoeve van de gebruiksfase zijn gemodelleerd met lijnbronnen met actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. De lijnbronnen zijn gemodelleerd vanaf het midden van het plangebied tot het punt waarbij het verkeer geacht te zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld, in dit geval tot enerzijds de Lekdijk en anderzijds de kruising Middelweg – Klipperstraat. Beide lijnbronnen zijn voorzien van de totale verkeersgeneratie.

4.3 Gebouwinvloed Naast de emissie van mobiele werktuigen, voertuigen en gebouwen wordt de hoeveelheid stikstofdepositie deels bepaald door de invloed van gebouwen. Gebouwinvloed is relevant om mee te nemen in situaties waarin de verspreiding van emissies wordt beïnvloed door een dominant gebouw in de directe omgeving van de bron. Veelal is de emissiebron gelegen op of aan de zijkant van het gebouw zelf, zoals bij een fabriek met een schoorsteen of bij stallen. Het meenemen van gebouwinvloed heeft tot gevolg dat in veel gevallen een hogere (maximale) concentratie en depositie wordt berekend dan wanneer gebouwinvloed niet wordt meegenomen. In de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2021’ van BIJ12 is opgenomen dat gebouwinvloed in de berekening moet zijn meegenomen als al de vier criteria van toepassing zijn: 1. De bron wordt gemodelleerd als een stationaire puntbron, zoals het geval is bij stallen (stalemissies) en (industriële) schoorstenen. Gebouwinvloed wordt niet meegenomen in de berekeningen bij niet-stationaire bronnen zoals wegverkeer, railverkeer, scheepvaart en mobiele werktuigen. Ook bij oppervlaktebronnen (terreinen van waaruit diffuse emissies plaatsvinden, bijvoorbeeld bij bemesten en beweiden) wordt gebouwinvloed niet meegenomen. 2. De puntbron staat op een dominant gebouw of dichtbij een of meerdere dominante gebouwen; 3.

De hoogte van het emissiepunt is minder dan 2,5 maal de hoogte van het gebouw; 4. De afstand van de emissiebron tot de meest nabije stikstofgevoelige natuur is minder dan 3 kilometer. Pagina 9 van 12

Het plangebied is gelegen op een grotere afstand dan 3 kilometer tot Natura 2000-gebieden. Hiermee wordt niet voldaan aan alle vier de voorwaarden en kan worden geconcludeerd dat het aspect gebouwinvloed niet relevant is voor deze ontwikkeling en is derhalve niet meegenomen in de berekening.

Pagina 10 van 12

5. Rekenresultaat en conclusie In voorliggende voortoets is de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden als gevolg van de ontwikkeling berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2021. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en het rekenresultaat zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

Pagina 11 van 12

Bijlage – AERIUS-export

Pagina 12 van 12

Projectberekening

Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, op rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.

Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron

Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers

Projectberekening

Contactgegevens Rechtspersoon Inrichtingslocatie

Activiteit

Omschrijving Toelichting

Berekening

Van den Heuvel Milieuadvies Middelweg 6, 2957 TG Nieuw-Lekkerland Ontwikkeling Middelweg 6 te Nieuw-Lekkerland Functiewijziging bedrijfswoning naar burgerwoning. Sloop enkele bedrijfsgebouwen. Realisatie 3 levensloopbestendige woningen.

AERIUS kenmerk Datum berekening Rekenconfiguratie

RZF4Z1iS52xH 14 februari 2022, 11:18 Wnb-rekengrid

Totale emissie

Rekenjaar 2021

Situatie 1 - Beoogd

Resultaten

Emissie NH3 < 0,1 ton/j

Hoogste depositie Hexagon Situatie 1 - Beoogd Gekarteerd oppervlak met toename (ha) 0,00 ha Gekarteerd oppervlak met afname (ha) 0,00 ha Grootste toename van depositie 0,00 mol/ha/j Grootste afname van depositie 0,00 mol/ha/j

RZF4Z1iS52xH (14 februari 2022)

Emissie NOx < 0,1 ton/j Gebied

2/6

Projectberekening

Situatie 1 (Beoogd), rekenjaar 2021 Emissiebronnen 1 Wonen en Werken | Woningen | Bestaande woning

Emissie NH3 Emissie NOx < 0,1 ton/j < 0,1 ton/j

2 Wonen en Werken | Woningen | Nieuwe woning 1

-

-

3 Wonen en Werken | Woningen | Nieuwe woning 2

-

-

4 Wonen en Werken | Woningen | Nieuwe woning 3

-

-

< 0,1 ton/j

< 0,1 ton/j

 Verkeersnetwerk

RZF4Z1iS52xH (14 februari 2022)

3/6

Projectberekening

Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

500 m Habitatrichtlijn Vogelrichtlijn

Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn Niet bepaald

Grootste afname van depositie Grootste toename van depositie Hoogste totale depositie De bronnen op de kaart horen bij de Beoogde situatie. RZF4Z1iS52xH (14 februari 2022)

4/6

Projectberekening

Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Situatie 1" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie Totaal

RZF4Z1iS52xH (14 februari 2022)

Berekend (ha Hoogste totale Met toename Grootste gekarteerd) depositie (ha gekarteerd) toename (mol/ha/jr) (mol/ha/jr)

0,00

0,00

0,00

0,00

Met afname (ha Grootste gekarteerd) afname (mol/ha/jr)

0,00

0,00

5/6

Projectberekening

Situatie 1, Rekenjaar 2021 1 Wonen en Werken | Woningen Naam Bestaande woning Uittreedhoogte Locatie 105218, 433390 Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie

8,5 m 0,000 MW

NOx NH3

< 0,1 ton/j < 0,1 ton/j

2 Wonen en Werken | Woningen Naam Nieuwe woning 1 Uittreedhoogte Locatie 105227, 433340 Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie

0,0 m 0,000 MW

3 Wonen en Werken | Woningen Naam Nieuwe woning 2 Uittreedhoogte Locatie 105235, 433342 Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie

0,0 m 0,000 MW

4 Wonen en Werken | Woningen Naam Nieuwe woning 3 Uittreedhoogte Locatie 105244, 433345 Warmteinhoud Wijze van ventilatie Niet geforceerd Temporele Variatie Continue Emissie

0,0 m 0,000 MW

Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden. Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2021.0.2_20220128_2eee9c6138 Database versie 2021_2eee9c6138 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/

RZF4Z1iS52xH (14 februari 2022)

6/6

BAKKER

MILIEUADVIEZEN WAALWIJK Industrieweg 77 5145 PD Waalwijk Tel: 06-51583837 Email: o.bakker4@upcmail.nl

Opdrachtgever: Bouwonderneming Den Dunnen BV Rivierdijk 401 3372 BV Hardinxveld-Giessendam

Verkennend + nader bodemonderzoek (inclusief asbestonderzoek) Middelweg 6-8, Nieuw Lekkerland MAART 2022

BM/2537-2019 (VERSIE 2)

Gespecialiseerd in het verrichten van bodemonderzoek. IBAN: NL27INGB0006778864. K.v.K. Tilburg inschrijvingsnr.: 18132686

INHOUDSOPGAVE:

blz 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING

1

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE 2.1 Terreinsituatie 2.2 Bodemopbouw en geohydrologische situatie

1 1 2

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA 3.1 Algemeen 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Laboratoriumonderzoek

3 3 3 3

4.

ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Bodemopbouw en veldwaarnemingen 4.2 Analyseresultaten 4.3 Asbestonderzoek door Adcim BV

5 5 5 10

5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

11

NB: deze versie 2 vervangt de eerdere versie van augustus 2019. De OZHZ heeft bij de beoordeling aangegeven dat een van de verontreinigingen (de slootdemping met lood en zink > I) in noordelijke richting niet afgeperkt was. Daarnaast verzocht de OZHZ om nog enkele boringen ter plaatse van betonvloeren binnen en buiten. Tot slot had de OZHZ de suggestie of mening dat de slootdempingsverontreiniging niet schuin over het perceel ligt maar parallel aan de westelijke perceelsgrens. Middels door de OZHZ aangegeven 8 extra boringen diende het e.e.a. nader onderzocht te worden. De wijzigingen in het rapport t.o.v. 2019 zijn in rood aangegeven.

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Regionale situering onderzoekslocatie (1:12.500) Situatieschets met locaties boringen en peilbuizen (1:500) Gegevens grondboringen en peilbuizen Analyserapporten Toetsingstabellen Gegevens Adcim inzake asbestonderzoek

BM/2537-2019 versie 2 (V.O. Middelweg 6/8 Nieuw-Lekkerland)

1 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Bouwonderneming Den Dunnen BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend + nader bodemonderzoek uitgevoerd op de adressen Middelweg 6 en 8 te Nieuw-Lekkerland, kadastraal bekend sectie C, nummers 3, 1229 en 1230. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. Een groot deel van de huidige bebouwing zal worden gesloopt ten behoeve van de herontwikkeling van het terrein. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE.

2.1

Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de westzijde van de Middelweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het terrein bedraagt ca 3500 m2. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de eigenaren en enkele gebruikers, de Omgevingsdienst ZHZ (afdeling Dossiers), de websites TOPO-tijdreis en Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarhief geraadpleegd. De afdeling Dossiers van de OZHZ heeft per email medegedeeld niet over enige informatie te beschikken. Terreinbeschrijving. Op het onderzoeksterrein staan 2 woningen (nrs 6 en 8) en diverse afzonderlijke schuren of loodsen danwel de overblijfselen daarvan. Het kadastrale perceel C 1229 betreft een stuk grasland dat bereikbaar is via een bruggetje. De verhardingen in en rondom de bebouwing bestaan uit beton, klinkers, tegels en gebroken puin. De woning 8 met de aangrenzende grond ligt er normaal onderhouden bij. Het overige terrein oogt tamelijk verwaarloosd. Bij de terreininspectie zijn waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging. Huidig gebruik. Woning 8 is als zodanig in gebruik en woning 6 staat leeg. In alle overige schuren vindt opslag plaats danwel is er geen sprake van concrete activiteiten.

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

2 Voormalig gebruik. Op het terrein is deels sprake geweest van agrarische activiteiten. Hiervan getuigen nog enkele voormalige kleine stallen. Tevens is er deels sprake van de bestemming wonen. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Op het terrein is volgens nadere informatie van de inmiddels voormalige eigenaar (geboren in de jaren ’40) aan de westzijde een sloot of iets van een moerassig of lager gelegen deel gedempt. DE OZHZ stelt dat er parallel aan de huidige nog bestaande westelijke perceelsgrenssloot op ongeveer 6 a 7 m afstand voorheen een sloot lag. Hierbij baseert de OZHZ zich op kaarten op TOPO-tijdreis van 1930. De voormalige eigenaar staat overigens op het standpunt dat de demping wel schuin gelegen is t.o.v. de westelijke perceelsgrens. Boven- en ondergrondse tanks. Op het terrein is geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Ten westen wordt een woonwijk gesloopt. Voor het overige wordt het terrein omgeven door woningen. Op adresnummer 4 bevindt zich een chinees restaurant. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Uit eigen archief en op Bodemloket.nl zijn in de omgeving geen relevante bodemonderzoeken bekend. Bekend is dat de bodem op dergelijke langdurig gebruikte percelen tenminste licht verontreinigd is. Hypothese.

Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning uitgegaan van een verdachte locatie volgens paragraaf 5.6 uit de NEN 5740 (strategie VED). Dit komt er onder andere op neer dat mengmonsters uit maximaal 4 deelmonsters bestaan. Op basis van de eerste veldwaarnemingen is ook gelijk besloten tot uitvoering van een asbestonderzoek. Aandachtspunt PFOA. In juni 2018 heeft de Omgevingsdienst ZHZ met een nieuwe handreiking vereist dat de bodem binnen een bepaalde zone (zone 2 en 3) in hoofdzakelijk de Alblasserwaard extra onderzocht moet worden op de stof Perfluoroctaanzuur (afgekort PFOA) en andere Perfluorverbindingen. Deze stof is decennialang uitgestoten door een chemisch bedrijf uit Dordrecht. De stof is via de lucht aantoonbaar in de bodem terechtgekomen in een tamelijk groot gebied. Onderhavige locatie ligt niet in zone 2 of 3. Om deze reden is de grond niet onderzocht op PFAS.

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

3 2.2

Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde poldervaaggronden, welke worden gekarakteriseerd door humeuze klei op een venige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende en/of stuwende werking van direct aangrenzende watergangen. Daarmee is de stromingrichting niet eenduidig.

3.

ONDERZOEKSOPZET.

3.1

Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1 (april 2016), paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.

3.2

Veldwerkzaamheden. Op 8 maart 2019 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn in de eerste fase 16 boringen verricht, waarvan 14 voor het basisonderzoek en 2 extra boringen omdat op 2 separate plaatsen olie is waargenomen. Boring 1 is uitgevoerd tot 2 m-mv en voorzien van een peilbuis. De boringen 2, 8 en 13 zijn 1.5 m diep en de overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 a 0.8 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.3

Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Twee individuele monsters zijn apart onderzocht op olie. Van de overige grondmonsters zijn 5 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 5 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie.

Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum. Minerale olie kan als verontreiniging

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

4 -

worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM).

Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

5 4.

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1

Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodemopbouw ter plaatse van het westelijke grasveld als origineel kan worden aangemerkt (zintuiglijk schone klei op venige ondergrond. De bodem in de tuin van woning 8 is licht geroerd en bevat zwakke bijmengingen, doch hier is de bodemopbouw ook tamelijk origineel. Echter met name bij de boringen 1, 8, 9 en 10 is sprake van sterk geroerde grond met matige bijmengingen. Bij de boringen 1 en 8 zijn op grotere diepte nog bodemvreemde materialen tegengekomen, zoals draad, ijzerdraad, potscherven, hetgeen duidelijk wijst op een demping met (huishoudelijk) afval. Hier zou ooit een sloot of een moerassig deel van het terrein op deze manier zijn drooggelegd. Vanwege de puinbijmengingen is tevens onderzoek verricht naar asbest in de bodem. Hiervoor is het erkende bedrijf Adcim BV ingeschakeld. De veldwerkrapportage van Adcim is opgenomen als bijlage 6 van onderhavig rapport. Op de datum van grondwatermonstername werd grondwater op ca 0.5 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.

4.2

Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.

De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); >T overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); >I overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging). Grond. Mengmonster

Bodemlaag

Gehalte > AW

Gehalte > T

Gehalte > I

2+3+5

Onverdachte bovengrond tuin en grasland

kwik,lood,zink,PAK

-

-

1+4+6+9

geroerde bovengrond middenterrein

lood, PAK

-

-

11+13+14+15

bovengrond tuin bij woning 8

lood,zink,PAK

-

-

1.3+8.3

dempingsgrond boringen 1 en 8, verdacht (0.8-1.3 m)

koper, kwik, nikkel molybdeen, zink,PAK

lood

-

2.2+2.3+13.2+ 13.3

ondergrond onverdacht 0.5-1,5 m

-

-

-

Resultaten olie-onderzoek. Naar aanleiding van de constatering van een olieverontreiniging bij de boringen 7 en 10 zijn 2 aparte olie-analyses uitgevoerd met onderstaande resultaten. Monsternr. Diepte in cm-mv

oliegehalte

Org.stof%

AW 2000

0.5 (AW+I)

I-waarde

7 (20-70)

670

10,2

*

194

2647

5100

10 (10-50)

920

2

**

38

519

1000

Grondwater peilbuis 1 In onderstaande tabel staan de overschrijdingen in het grondwater weergegeven. Peilbuis

Gehalten > Streefwaarde

> Tussenwaarde

> Interventiewaarde

1

Barium

-

-

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

7 Nader onderzoek lood en zink in slootdemping ter plaatse van boringen 1 en 8. Naar aanleiding van het matig verhoogde loodgehalte (en zink bijna matig verhoogd) is aanvullend onderzoek verricht naar de ligging en de omvang van de slootdemping. Hiervoor is een kraan ingezet vanwege de bovenliggende puinlaag. Boring 1 is herhaald en de boringen 110 t/m 114 zijn extra uitgevoerd. In onderstaande tabellen staan de resultaten voor lood en zink. LOOD Monster

bodemlaag

loodgehalte (BOTOVA-gehalte)

AW 2000

T-waarde

I-waarde

1.3

100-150

1100 (1169)

50

290

530

1.4

160-200

19

"

"

"

110.3

100-150

3700 (3670)

***

"

"

"

110.4

150-200

71

(59)

*

"

"

"

111.3

120-170

1800 (1808)

***

"

"

"

111.4

170-210

170 (139)

*

"

"

"

111.5

210-250

13

(12.5)

"

"

"

112.3+113.3

100-150

23

(19)

"

"

"

114.3

100-150

56

(46)

"

"

"

AW 2000

T-waarde

I-waarde

140

430

720

"

"

"

"

"

"

"

"

"

***

(18)

*** overschrijding Interventiewaarde ** overschrijding tussenwaarde * overschrijding AW 2000 ZINK Monster

bodemlaag

zinkgehalte (BOTOVA-gehalte)

1.3

100-150

350 (422)

1.4

160-200

57

110.3

100-150

550 (673)

110.4

150-200

140 (106)

111.3

120-170

1200 (1471)

***

"

"

"

111.4

170-210

300 (252)

*

"

"

"

111.5

210-250

66

(74)

"

"

"

112.3+113.3

100-150

65

(49)

"

"

"

114.3

100-150

95

(72)

"

"

"

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

*

(64) **

Bakker Milieuadviezen

8 Nader onderzoek rondom olieverontreiniging boring 7. In het eerste onderzoek bleek de bovengrond ter plaatse van boring 7 (onder tegelvloer en schoon ophoogzand) licht verontreinigd met minerale olie. Hoewel de verontreiniging niet matig was is toch aanvullend onderzoek verricht. Rondom deze boring zijn 4 boringen verricht en tevens is boring 7 herhaald en dieper doorgezet en voorzien van een peilbuis. In onderstaande tabel staan de resultaten. Resultaten olie in grond. Monsternr. Diepte in cm-mv

oliegehalte

Org.stof%

AW 2000

0.5 (AW+I)

I-waarde

7 (20-70)

670

10,2

*

194

2647

5100

7.3 (170-210)

< 35

10,1

*

192

2621

5050

103 (20-50)

1640

10,2

*

194

2647

5100

104 (20-60)

87

4

*

76

1038

2000

105.2 (70-110)

440

4,3

*

81

1115

2150

106 (20-60)

51

4

76

1038

2000

Grondwater peilbuis 7. In het grondwater uit deze peilbuis zijn de gehalten aan olie en aromaten niet verhoogd aangetroffen.

Nader onderzoek rondom matig verhoogd oliegehalte boring 10. In het eerste onderzoek bleek de puin- en asfalthoudende bovengrond ter plaatse van boring 10 (onder tegelbestrating) matig verontreinigd met minerale olie. Rondom deze boring zijn 3 extra boringen verricht. In onderstaande tabel staan de resultaten van extra olie-analyses. Resultaten olie in grond. Monsternr. Diepte in cm-mv

oliegehalte

Org.stof%

AW 2000

0.5 (AW+I)

I-waarde

10 (10-50)

920

2

**

38

519

1000

100 (20-60)

240

2

*

38

519

1000

101 (20-60)

490

2

*

38

519

1000

102 (15-40)

940

4,3

*

82

1115

2150

102.2 (40-80)

< 35

6,6

*

125

1713

3300

V.O. Middelweg 6/8, Nieuw Lekkerland

Bakker Milieuadviezen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=6eadeeae-518a-4a46-ace1-8fe97a2db829