B1 b_NL.IMRO.1978.BPgraafdijkw13MLN-ON01 Bijlagen samengevoegd.pdf
Tekst van het document
broed
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V. T.a.v. dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Datum
4 juni 2021
Kenmerk
BE/2021/537/r
Uw kenmerk
Email d.d. 10 mei 2021
Auteur(s)
ir. ing. K.J. Rebergen
Collegiale toets
ing. L. Pieterman
Quickscan Wet natuurbescherming Graafdijk West 13 te Molenaarsgraaf Aan de Graafdijk West 13 te Molenaarsgraaf is een perceel met een vrijstaande woning, voormalig agrarische schuur, overkapping, een tijdelijke woning en kleine opslagschuur gelegen. De voormalige agrarische schuur wordt reeds gebruikt als opslagschuur t.b.v. fietsen en klusschuur. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande boerderij op te splitsen in twee wooneenheden, een nieuwe woning en voldoende parkeergelegenheid te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van ‘agrarisch met waarden’ naar ‘wonen’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V.
verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf en betreft een perceel met een vrijstaande woning, voormalige agrarische schuur, overkapping en 2 kleine opslagschuren. Onderstaand is een omschrijving van de bebouwing weergegeven: (1) Vrijstaande woning. De woning is opgetrokken uit gemetselde muren zonder luchtspouw en een rieten zadeldak. (2) Zuidelijke aanbouw van de woning. Dit gedeelte is opgetrokken uit gemetselde muren met een golfplaten dak. Aan de kopse kant zijn schuifdeuren gesitueerd en is de gevel aan de bovenzijde opgetrokken uit houten schaaldelen. (3) Kleine (opslag)schuur. Deze is opgetrokken uit rabatdelen en golfplaten dak. (4) Voormalig agrarische schuur. De schuur is aan de kopse kanten opgetrokken uit een gemetselde gevels (onderste gedeelte) met daarboven damwandbeplating. De voor- en achtergevel bestaan uit gemetselde gevels. Het dak is opgetrokken uit golfplatenbeplating. (5) Tijdelijke woning. Dit tijdelijk gebouw is opgetrokken uit damwandbeplating. (6) Overkapping. De overkapping is opgetrokken uit houten panelen en een dak bestaande uit damwandbeplating. (7) Kleine opslagschuur. De kleine opslagschuur is volledig opgetrokken uit golfplatenbeplating. Op de planlocatie is tevens een tijdelijke bouwkeet aanwezig. Het perceel is verder opgetrokken uit verharding (c.q. kiezelstenen en klinkers).
Ten zuiden van de planlocatie is gazon gelegen. Verder zijn er groenblijvende hagen en enkele solitaire bomen aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door lintbebouwing met agrarische bedrijven, vrijstaande woningen en agrarische percelen. Ten noorden van de planlocatie is de rivier de Graafstroom aanwezig. Ten zuidoosten op een afstand van circa 2,2 km is de provinciaalse weg N214 gesitueerd.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Graafdijk West 13 te Molenaarsgraaf. De nummers corresponderen met de nummers in figuur 2 (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van alle bebouwing behoudens de woningen en de realisatie van een vrijstaande woning en dient te wijzigen van ‘agrarisch parkeergelegenheid. De aanwezige woning zal opgesplitst worden. De functie van het perceel met waarden’ naar ‘wonen’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; (mogelijk) kappen van enkele solitaire bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van Landschapsarchitecten).
de
beoogde
situatie
(bron:
Lagendijk
Tuin-
en
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 mei 2021 en is uitgevoerd door ing. L. Pieterman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 13 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
4
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en het Belangrijk weidevogelgebied. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland en het Belangrijk weidevogelgebied geldt het ‘nee, tenzij’principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en het Belangrijk weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
5
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2,0 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft een woonperceel met grotendeels verharding en enkele kunstmatige onderhouden groene delen. Gezien het vorengenoemde is geen habitat voor beschermde soorten aanwezig. Negatieve effecten op beschermde soorten kunnen uitgesloten worden. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, ree, veldmuis en vos (NDFF 2011-2021).
Voor de bever geldt dat de soort beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Door het ontbreken van dergelijke habitat kan de aanwezigheid van bever binnen de planlocatie uitgesloten worden. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
6
Vleermuizen Binnen een straal van 2,0 km is het voorkomen bekend van de gewone dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangend bast, of andere openingen welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De aanwezigheid van vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van boom bewonende vleermuizen kan derhalve uitgesloten worden. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. De woning is ongeschikt door het ontbreken van een luchtspouw en een toegankelijke dakruimte. Voor de overige bebouwing geldt tevens dat er geen wegkruipruimtes aanwezig zijn. De daken beschikken niet over dakbeschot, waardoor ook hier geen openingen zijn.
Gezien het vorengenoemde kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten worden. Door het ontbreken van lineaire structuren, zoals een bomenlaag of rietkragen, kan een essentiële vliegroute uitgesloten worden. Daarnaast kan wegens het ontbreken van grote delen met groenstructuren en afwisselende soorten, essentieel foerageergebied tevens uitgesloten worden. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en poelkikker. Binnen de planlocatie is geen oppervlaktewater en geschikte overwinteringshabitat aanwezig voor beschermde amfibieën. Rondom de planlocatie is oppervlaktewater aanwezig, maar zal niet aangetast worden.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen stellen hoge eisen aan het habitat en zijn alleen in bepaalde gebieden aanwezig. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden
7
Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Specifiek leefgebied voor beschermde insecten en andere ongewervelden is niet aanwezig. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, huismus, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, Turkse tortel en vink. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Rondom Gijbelandsedijk 28 aan de overzijde van het kanaal zijn enkele huismussen gehoord en gezien. Binnen de planlocatie kan door de dakconstructies en het ontbreken van geschikte ruimtes geen huismusnesten aanwezig zijn. De groene hagen binnen de planlocatie zullen behouden blijven. Solitaire bomen maken geen deel uit van het essentieel leefgebied van de huismus. Negatieve effecten op de huismus kunnen uitgesloten worden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Voor de gierzwaluw geldt tevens dat door het ontbreken van een geschikte dakruimte, de aanwezigheid van nesten uitgesloten kan worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen, door het ontbreken van geschikte elementen (c.q. kunstmatige ingerichte delen of delen met kwaliteit hoog onderhoudsbeeld) én gezien het groene delen van zeer beperkte grootte zijn. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en solitaire bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapen sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 2,0 km ligt het Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 4). Op een afstand van circa 2,0 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 5). Op een afstand van circa 450 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 5,0 km ligt het dichtstbijzijnde Bijzonder Provinciaal Landschap (figuur 6). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep.
9
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,0 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,0 km tot het Natuurnetwerk Nederland en circa 2,1 tot een ecologische verbinding, welke deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 450 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,0 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van alle bebouwing, behoudens de vrijstaande woning en de realisatie van een vrijstaande woning en parkeergelegenheid. De vrijstaande woning zal hierbij opgesplitst worden in 2 wooneenheden.
10
Voor de Donkse Laagten geldt dat er momenteel geen sprake is van overbelasting stikstof. Het dichtstbijzijnde overbelast Natura-2000 gebied betreft de Biesbosch en is gelegen op een afstand van circa 6,0 km. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien de grote afstand tot de Biesbosch, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
11
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Aanvullend onderzoek is niet benodigd. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Hiervoor dienen maatregelen getroffen te worden. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en berekening door middel van de AERIUS-Calculator is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (Cat. 1 t/m 4)
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Vogels (Cat. 5)
Nee
Tabel 3
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
2,0 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
2,0 km
Geen
N.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
450 m
Geen
N.v.t.
Strategisch reservering natuur
5,0 km
Geen
N.v.t.
Tabel 4
12
Nee
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Het saneren van alle bebouwing, behoudens de woning, en de realisatie van een vrijstaande woning en parkeergelegenheid aan de Graafdijk West 13 te Molenaarsgraaf is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. L. Pieterman Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1 Fotografische impressie
16
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Graafdijk 13 te Molenaarsgraaf en betreft een vrijstaande woning (rechts) en enkele overige gebouwen. De vrijstaande woning zal opgesplitst worden in 2 wooneenheden.
Figuur 2
De zuidelijk gelegen aanbouw van de vrijstaande woning. Deze zal behouden blijven.
17
Figuur 3
De voormalige agrarische schuur wordt reeds gebruikt als opslagschuur voor met name fietsen.
Figuur 4
De voormalige agrarische schuur vanaf de buitenzijde gezien.
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
B.V. Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond Adromi Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht onderzoek
Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl K.v.K. 230.825.46 te Rotterdam BTW: 8050.63.286.B.01 IBAN: NL75RABO0385477481
Kenmerk:
B202119
Status: Datum:
Definitief 2-7-2021
Auteur:
Mevrouw ing. L. Kruse
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
Inhoudsopgave 1.
Inleiding................................................................................................................................................................... 5
2.
Vooronderzoek ....................................................................................................................................................... 6 2.1.
3.
2.1.1.
Voormalig bodemgebruik .................................................................................................................... 6
2.1.2.
Huidig bodemgebruik .......................................................................................................................... 7
2.1.3.
Toekomstig bodemgebruik .................................................................................................................. 8
2.2.
Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................................................ 8
2.3.
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ....................................................................................... 8
2.3.1.
Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid .............................................................. 8
2.3.2.
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken ........................................................................................... 9
2.3.3.
Archeologie Gemeente Molenlanden ................................................................................................. 9
2.3.4.
Explosieven ........................................................................................................................................... 9
2.4.
Financieel / juridisch ..................................................................................................................................... 9
2.5.
Conclusie en hypothese ................................................................................................................................ 9
Onderzoeksstrategie ............................................................................................................................................10 3.1.
4.
5.
6.
Locatiegegevens ............................................................................................................................................ 6
Onderzoeksopzet ........................................................................................................................................10
Resultaten .............................................................................................................................................................11 4.1.
Veldwerk ......................................................................................................................................................11
4.2.
Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................12
4.2.1.
Resultaten grond ................................................................................................................................12
4.2.2.
Resultaten grondwater ......................................................................................................................13
4.3.
Bespreking resultaten .................................................................................................................................13
4.4.
Overweging resultaten ................................................................................................................................14
4.5.
Afwijkingen ..................................................................................................................................................14
Resultaten verkennend asbest-in-grondonderzoek ...........................................................................................15 5.1.
Onderzoeksstrategie ...................................................................................................................................15
5.2.
Veldwerk ......................................................................................................................................................15
5.3.
Maaiveldinspectie .......................................................................................................................................16
5.4.
Laboratoriumonderzoek .............................................................................................................................16
5.5.
Analyseresultaten fijne fractie (< 20 mm) bovengrond ............................................................................16
5.6.
Interpretatie van de resultaten ..................................................................................................................16
5.7.
Afwijkingen ..................................................................................................................................................17
Conclusies en aanbevelingen ...............................................................................................................................18 6.1.
Conclusies ....................................................................................................................................................18
6.2.
Aanbevelingen .............................................................................................................................................19
Adromi B.V.
B202119
Pagina 3 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
Bijlagen 1 2 3 4 5 6 7
Kadastrale gegevens Overzichtstekening met boorpunten Boorprofielbeschrijvingen en verantwoording veldwerk Toetsingstabellen Analysecertificaten Foto-overzicht Historische gegevens
Adromi B.V.
B202119
Pagina 4 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
1.
Inleiding
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. heeft opdracht gegeven aan Adromi B.V. (hierna ook: Adromi) voor de uitvoering van een verkennend bodemonderzoek gebaseerd op de NEN 5740:2009+A1:2016 nl (hierna: NEN 5740+A1) in combinatie met een verkennend asbest-ingrondonderzoek conform de NEN 5707+C2:2017 nl (hierna: NEN 5707+C2), voor de locatie GraafdijkWest 13 te Molenaarsgraaf. De aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is de herinrichting van de locatie, de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen en/of de voorgenomen aanvraag voor een omgevingsvergunning voor nieuwbouw van onder andere een woning. Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is: - Vaststellen of de concentraties van de vermoede verontreinigende stof in de grond en het freatische grondwater boven respectievelijk de achtergrondwaarde en de streefwaarde worden aangetroffen (VED-HE-NL). De doelstelling van het verkennend asbest-in-grondonderzoek is: - Nagaan met een relatief geringe onderzoeksinspanning of de verdenking op verontreiniging van de bodem met asbest terecht is en (indien sprake is van de aanwezigheid van puin in de grond) een indicatieve uitspraak doen over het asbestgehalte in de bodem. Ook indien voor een locatie geen verdenking op de aanwezigheid van asbest bestaat, kunnen er situaties zijn waarin het gewenst is deze hypothese door onderzoek te bevestigen.
Het onderzoek is onafhankelijk uitgevoerd. Adromi B.V. is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat er op de locatie een verontreiniging aanwezig is als die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. Adromi B.V. acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 5 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
2.
Vooronderzoek
Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl (hierna ook: NEN 5725). Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: − Informatie van de opdrachtgever; − Informatie van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid betreffende reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op en in de nabije omgeving van de onderzoekslocatie, eventuele aanwezigheid van brandstoftank(s), ophooglagen, maar ook de bodemkwaliteitskaart en overige relevante informatie; − Bodemloket (www.bodemloket.nl); − Topografische kaart (www.topotijdreis.nl); − Risicokaart (www.risicokaart.nl); − Ruimtelijke plannen (www.ruimtelijkeplannen.nl); − Luchtfoto’s (Google Earth); − Grondwaterkaart van Nederland (www.dinoloket.nl); − Archeologische waardenkaart en explosievenkaart; − Kadaster. De aanleiding voor het vooronderzoek is gebaseerd op aanleiding A uit de NEN 5725:2017 nl: − Het opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Op 19 mei 2021 is door mevrouw L. Kruse ter plaatse van de onderzoekslocatie een terreinverkenning uitgevoerd. In de volgende paragrafen worden de resultaten van het vooronderzoek beschreven. Een foto-overzicht van de locatie is opgenomen in bijlage 6.
Locatiegegevens Volgens informatie van de opdrachtgever betreft het de locatie Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf. De te onderzoeken locatie is gelegen in de kadastrale gemeente Molenaarsgraaf, sectie D, perceel 734. De totale oppervlakte van het perceel is circa 2.600 m2. De kadastrale kaart van de locatie is weergegeven in bijlage 1. 2.1.1. Voormalig bodemgebruik Het dorp Molenaarsgraaf is een lintdorp in de Alblasserwaard, gelegen in de gemeente Molenlanden, provincie Zuid-Holland. De Graafdijk-West grenst aan het riviertje Graafstroom. De woonboerderij dateert uit 1875. De locatie heeft een agrarische functie en is gelegen in poldergebied. De historische kaarten zijn op de volgende pagina weergegeven met daarop rood omlijnd de onderzoekslocatie.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 6 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
Kaart 1815
Kaart 1850
Kaart 1900
Kaart 1950
Kaart 2000
Kaart 2020
Op de locatie zijn voor zover bekend geen opslagtanks voor olie en/of gedempte sloten op de locatie aanwezig (geweest). 2.1.2. Huidig bodemgebruik Op de te onderzoeken locatie is een woonboerderij aanwezig met een grote schuur. Ook zijn een oud stookhuisje, een carport en containers aanwezig op het erf. Het erf is verhard met grind, klinkers en beton. Het aanwezige stookhuisje werd vroeger gebruikt om in te koken, vanwege brandgevaar in de boerderij door de aanwezige rietenkap. Het stookhuisje is leegstaand en onbruikbaar, omdat er
Adromi B.V.
B202119
Pagina 7 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
vanwege de diepe ligging vaak een laag water in staat. In de grote schuur staan o.a. een camper en hobbymatig materiaal. Op de locatie zijn geen bodembedreigende activiteiten aanwezig. De omgevingsrapportage van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is opgevraagd, zie bijlage 7. 2.1.3. Toekomstig bodemgebruik Op de locatie is men voornemens de bestaande boerderij te splitsen in een tweetal woningen. De grote schuur zal worden gesloopt en hier zal een nieuwe woning worden gerealiseerd. De aanwezige grindverharding, klinkerverharding en betonverharding blijft gehandhaafd. Bodemopbouw en geohydrologie De navolgende informatie is ontleend aan de website voor Data- en Informatie van de Nederlandse Ondergrond, genaamd het DINOloket (www.dinoloket.nl). Tabel 1: Regionale bodemopbouw en geohydrologie Diepte (m-NAP) Geohydrologische samenstelling
-1,0 – -9
Deklaag
-9 – -20
1e watervoerend pakket
-20 – -39
Scheidende laag
-39 – -52
2e watervoerend pakket
Bodemkundige samenstelling
Holocene afzettingen: afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand. Formatie van Kreftenheye: zandige klei en klei met weinig veen, fijn en midden zand en een spoor grof zand. Formatie van Sterksel: grof en midden zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei. Formatie van Waalre: zandige klei, klei en midden zand, met weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind.
Het freatisch grondwater is waargenomen op 1,50 meter minus maaiveld. De stromingsrichting van het freatische grondwater is vermoedelijk noordoostelijk gericht. De stromingsrichting van het eerste watervoerende pakket is vermoedelijk noordelijk gericht. Voor het gebied waarbinnen de onderzoekslocatie ligt, is sprake van voornamelijk inzijging. De onderzoekslocatie valt niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit Op de locatie zijn geen aanvullende verdachte deellocaties waargenomen. Tevens zijn geen andere ophogingen, verzakkingen, brandplekken en/of asbestverdacht materiaal aangetroffen. 2.3.1. Bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid De bodemfunctieklasse van de locatie is Wonen. De boven- en ondergrond zijn gelegen in bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie heterogeen’ (bron: Interactieve bodemkwaliteitskaart Zuid-Holland Zuid 2015 via www.ozhz.nl).
Adromi B.V.
B202119
Pagina 8 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
2.3.2. Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken Op en nabij de locatie is voor zover bekend niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7. 2.3.3. Archeologie Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden De onderzoekslocatie is gelegen in de lintbebouwing langs de rivier de Graafstroom. Uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Alblasserwaard en Vijfheerenlanden is de onderzoekslocatie in de zone met een middelhoge archeologische verwachting gelegen (bron: Archeologische inventarisatie verwachtings- en beleidsadvieskaart Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, BAAC rapport V-08.0185 d.d. november 2009). 2.3.4. Explosieven Voor de onderzoekslocatie is geen kaart met niet-gesprongen conventionele explosieven beschikbaar. Financieel / juridisch Op de locatie hebben voor zover bekend geen calamiteiten plaatsgevonden. De kadastrale gegevens zijn opgenomen in bijlage 1. Conclusie en hypothese Het bodemonderzoek zal worden gebaseerd op de NEN 5740+A1 waarbij vooralsnog de gehele te onderzoeken locatie als verdacht is aangemerkt. Op de locatie zijn geen bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest). Bij het stookhuisje is geen ondergrondse- of bovengrondse olietank aanwezig of in het verleden aanwezig geweest. In het stookhuisje werd in het verleden gekookt. In hoofdstuk 3 wordt de onderzoeksstrategie van het verkennend bodemonderzoek verder beschreven.
Tegelijkertijd met het verkennend bodemonderzoek is een asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd. In hoofdstuk 5 wordt dit onderzoek verder beschreven.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 9 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
3.
Onderzoeksstrategie
Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een totale aaneengesloten oppervlakte van maximaal 2.600 m2. Het onderzoek is gebaseerd op de NEN 5740+A1, strategie verdacht (VED-HE-NL). In tabel 2 zijn de te plaatsen boringen en uit te voeren chemische analyses weergegeven. Tabel 2: Onderzoeksstrategie verdacht (VED-HE-NL) Oppervlakte Veldwerkzaamheden boringen en peilbuis locatie tot 50 cmtot 200 boring met 2.000-3.000 m2 verdachte laag cm-mv peilbuis Deellocatie 1: gehele locatie 11 2 1 (2.600 m2)
Chemische analyses Grond (verdachte laag)
grondwater
3x NEN-pakket
1x NEN-pakket
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de BRL SIKB 2000 “Veldwerk milieuhygiënisch bodemen waterbodemonderzoek” en de daarbij horende protocollen 2001 en 2002. Het opgeboorde monstermateriaal van de grond is zintuiglijk beoordeeld (onder andere op kleur, bodemopbouw en bodemvreemde bijmengingen), beschreven en bemonsterd per 0,5 meter of per zintuiglijk gelijkwaardige laag. Het grondwater is minimaal 7 dagen na plaatsing van de peilbuizen bemonsterd en geanalyseerd. Tijdens het plaatsen van de peilbuizen en het bemonsteren van het grondwater is de grondwaterstand, de zuurgraad, de elektrische geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B.V. te Rotterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie conform ISO/IEC 17025:2005 onder nummer L028. Samenstelling pakketten en parameters: − Standaard NEN-pakket grond: Barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, som PCB, som OCB, som PAK, minerale olie, organische stof en lutumgehalte; −
Standaard NEN-pakket grondwater: Barium, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, minerale olie, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen; naftaleen, antraceen, fenantreen, fluorantheen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(a)pyreen, benzo(k)fluorantheen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen.
Voor de beoordeling van de kwaliteit van de grond en het grondwater zijn de gemeten gehalten omgerekend naar de waarden voor standaardbodem (10% organische stof en 25% lutum), zoals is opgenomen in de Circulaire Bodemsanering 2013.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 10 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
4.
Resultaten
Veldwerk Het plaatsen van de boringen en peilbuis is uitgevoerd door de heer J. Brouwer op 1 juni 2021. Het grondwater uit de peilbuis is door de heer D.A. Bakker op 8 juni 2021 bemonsterd. De heren J. Brouwer en D.A. Bakker zijn erkende en ervaren veldwerkers, welke jaarlijks wordt geaudit. Alle werkzaamheden zijn conform de BRL 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002 uitgevoerd. In totaal zijn 14 boringen geplaatst (nummers 01 t/m 14). Boring 05 is afgewerkt met een peilbuis. Een overzichtstekening met de boringen en peilbuizen is weergegeven in bijlage 2. Grond De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld tot circa 50 cm-mv uit zeer fijn, sterk siltig, matig tot sterk humeus zand. Vanaf circa 50 cm-mv tot de maximale boordiepte van 300 cm-mv bestaat de bodemopbouw uit afwisselend een matig siltige kleilaag of een veenlaag. De zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn opgenomen in tabel 3. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 3: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring Diepte boring Traject Grondsoort (m -mv) (m -mv) 01 0,70 0,20 - 0,70 Zand 02 0,90 0,40 - 0,90 Zand 03 2,00 0,00 - 0,50 Zand 04 0,90 0,40 - 0,90 Zand 08 1,00 0,20 - 0,50 Zand 10 1,00 0,00 - 0,50 Zand 0,50 - 1,00 Veen 11 0,50 0,00 - 0,50 Zand 12 0,50 0,20 - 0,50 Zand 13 0,50 0,00 - 0,50 Veen
Waargenomen bijzonderheden zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend uiterst metselpuinhoudend sterk metselpuinhoudend sporen baksteenhoudend zwak baksteenhoudend zwak baksteenhoudend sporen baksteenhoudend
Tijdens de veldwerkzaamheden is zintuiglijk metselpuin waargenomen. Een verkennend asbest-ingrondonderzoek is gelijktijdig met het bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het verkennend asbest-in-grondonderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 5. Grondwater De zintuiglijke waarnemingen tijdens de grondwatermonstername en de resultaten van de veldmetingen van het grondwater staan weergegeven in tabel 4. Het betreft de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 11 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf Tabel 4: Metingen grondwater Watermonster Filterdiepte Grondwaterstand (m -mv) (m -mv) 05-1-1 2,00 - 3,00 1,20
pH (-) 6,7
EC (µS/cm) 1490
Troebelheid (NTU) 2
De gemeten pH, EC en NTU zijn normale waarden voor een natuurlijke situatie in deze omgeving. Laboratoriumonderzoek Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd conform de voorgestelde onderzoeksstrategie, zie tabel 2. Grond In het laboratorium zijn 3 grond(meng)monsters ingezet. Bij de samenstelling van de grondmonsters is gekeken naar de diepte van het bemonsteringstraject, de waargenomen bodemsoort en de zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen. Tabel 5: Monsterselectie grond Analyse- Traject Deelmonsters monster (m -mv) mm1 0,00 - 0,90 01 (0,20 - 0,70) 02 (0,40 - 0,90) 03 (0,00 - 0,50) 04 (0,40 - 0,90) mm2 0,00 - 0,50 08 (0,20 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) mm3 0,00 - 0,50 11 (0,00 - 0,50) 12 (0,20 - 0,50)
Analysepakket Standaardpakket incl. lu/os
Standaardpakket incl. lu/os Standaardpakket incl. lu/os
Grondwater In de volgende tabel zijn de analyses van het grondwater opgenomen. Tabel 6: Analyse grondwater AnalyseFilterdiepte (m -mv) monster 05-1-1 2,00 - 3,00
Analysepakket Standaardpakket
4.2.1. Resultaten grond De geselecteerde grond(meng)monsters alsmede de toetsing Wbb van de analyseresultaten zijn weergegeven in tabel 7. De toetsing van de indicatieve klassebepaling van de grond (BBK) is tevens weergegeven. Tabel 7: Overschrijdingstabel grond Wbb en BBK AnalyseTraject > AW (+index) monster (m -mv) mm1 0,00 - 0,90 Nikkel (0,01) Koper (0,08) Zink (0,04) Kwik (0,01)
Adromi B.V.
> I (+index)
BBK indicatief
-
Klasse industrie
B202119
Pagina 12 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf Analysemonster
mm2
mm3
> AW >I Index
Traject (m -mv)
> AW (+index)
Lood (0,29) PAK 10 VROM (0,33) 0,00 - 0,50 Kobalt (-) Nikkel (0,16) Koper (0,06) Zink (0,27) Molybdeen (-) Kwik (-) Lood (0,05) PAK 10 VROM (0,26) Minerale olie (totaal) (0,07) 0,00 - 0,50 Zink (0,25) Lood (0,04) PAK 10 VROM (0,09) Minerale olie (totaal) (-) : > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)
> I (+index)
BBK indicatief
-
Niet Toepasbaar > industrie
-
Klasse industrie
De toetsingstabellen en analysecertificaten zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 4 en bijlage 5. 4.2.2. Resultaten grondwater De analyseresultaten van het grondwater zijn samengevat in de volgende tabel. Tabel 8: Overschrijdingstabel grondwater Watermonster Filterdiepte > S (+index) (m -mv) 05-1-1 2,00 - 3,00 Barium (0,37) Naftaleen (-) >S : > Streefwaarde >I : > Interventiewaarde Index : (GSSD - S) / (I - S)
> I (+index) -
De toetsingstabellen en analysecertificaten zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 4 en bijlage 5. Bespreking resultaten Grond Uit de analyseresultaten blijkt dat in de zwak baksteenhoudende zandlaag deels onder de grindverharding aan de voorzijde van het perceel (mm1: boring 01, 02, 03 en 04 van 0-0,90 m-mv) de gehalten koper, kwik, lood, nikkel, zink en PAK verhoogd boven de achtergrondwaarden worden aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de uiterst tot sterk metselpuinhoudende zandlaag onder de klinkers en naast de schuur (mm2: boring 08 en 10 van 0-0,50 m-mv) de gehalten kobalt, koper, kwik, lood,
Adromi B.V.
B202119
Pagina 13 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
molybdeen, nikkel, zink, PAK en minerale olie verhoogd boven de achtergrondwaarden worden aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de zwak baksteenhoudende zandlaag op het achterterrein van het perceel (mm3: boring 11 en 12 van 0-0,50 cm-mv) de gehalten lood, zink, PAK en minerale olie verhoogd boven de achtergrondwaarden worden aangetroffen. De toetsing van de indicatieve klassebepaling van de grond (BBK) op de gehele locatie is klasse ‘Industrie’. Grondwater In het grondwater ter plaatse van boring 05 zijn de gehalten barium en naftaleen verhoogd boven de streefwaarden aangetoond. Overweging resultaten Om de mate van verontreiniging aan te geven wordt voor grond en grondwater een indexwaarde (index = (GSSD-AW) / (I-AW)) berekend. Indien de indexwaarde voor een parameter groter is dan 1,0 (interventiewaarde), is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Indien de indexwaarde voor een parameter gelijk is aan of groter is dan 0,5 (helft van de interventiewaarde), bestaat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. In beide gevallen is dan nader onderzoek noodzakelijk. De gehalten in de grond en in het grondwater overschrijden de interventiewaarden niet. Afwijkingen Onderhavig verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de normen NEN 5725 en NEN 5740+A1. In de volgende tabel zijn de afwijkingen en opmerkingen ten opzichte van de normen weergegeven.
Tabel 9: Afwijkingen op de normen Deel van het onderzoek: Afwijkingen / opmerkingen: Vooronderzoek Geen afwijkingen. Onderzoeksstrategie Gebaseerd op de NEN 5740/A1. Geen afwijkingen. Veldwerk Geen afwijkingen. Grondanalyses Geen afwijkingen. Grondwaterbemonstering Geen afwijkingen. Grondwateranalyses Geen afwijkingen.
Adromi B.V.
B202119
Pagina 14 van 21
Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek Graafdijk-West 13 te Molenaarsgraaf
5.
Resultaten verkennend asbest-in-grondonderzoek
Het verkennend bodemonderzoek is gecombineerd met het verkennend asbest-in-grondonderzoek conform de NEN 5707+C2. Onderzoeksstrategie Voor de uitvoering van het verkennend asbest-in-grondonderzoek is de onderzoeksstrategie gehanteerd zoals opgenomen in de NEN 5707+C2, hoofdstuk 6, paragraaf 6.4.5.: een verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. In de volgende tabel is de onderzoeksinspanning weergegeven. Tabel 10: Verkennend onderzoek asbest conform NEN 5707+C2:2017, §6.4.5. Oppervlakte Minimaal Gaten in de Gaten tot onderzijde locatie aantal te verdachte laag tot verdachte laag met een inspecteren maximaal 50 cm maximum van 2 meter 2.000-3.000 m2 punten van het maaiveld locatie 11 11 2 (2.600 m2)
Aantal te analyseren (meng)monsters per verdachte laag
3
Vooralsnog zal de gehele onderzoekslocatie visueel worden geïnspecteerd. Indien tijdens de visuele inspectie asbestverdacht monstermateriaal wordt aangetroffen, zal hiervan een asbest verzamelmonster worden genomen. Vervolgens worden minimaal 11 graafgaten gegraven, daar waar de ondiepe boringen van het verkennend bodemonderzoek zullen worden geplaatst. Per gat en per traject van maximaal 0,5 meter diep wordt de uitgegraven grond geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Van de zintuiglijk waargenomen verdachte bodemlaag worden (meng)monsters genomen. Indien in een graafgat asbestverdacht materiaal of een afwijkende puinlaag wordt aangetroffen, zal dit separaat worden bemonsterd en geanalyseerd. Uitgangspunt is dat (meng)monsters van de fractie <20 mm zullen worden geanalyseerd op asbest. Veldwerk Het veldwerk is in combinatie met het verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door de heer J. Brouwer op 1 juni 2021. De heer J. Brouwer is een gecertificeerd monsternemer voor de BRL 2000, protocol 2018 en wordt jaarlijks geaudit. Met behulp van een schep zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie in totaal 11 gaten gegraven. De gegraven gaten van de schep hebben een breedte van 0,3 meter, een lengte van 0,3 meter en een diepte van 0,5 meter. De 2 graafgaten onder de verharding wijken af van deze meetwaarden (diameter 20 cm).
Voor een laagbeschrijving van de gaten wordt verwezen naar bijlage 3. Het materiaal uit de geboorde gaten is gezeefd met een zeefmaat van 20 mm. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens het protocol 2018, zoals vermeld op het formulier ‘verantwoording veldwerk’, zie bijlage 3.