4. Bijlagen VGBP Oud-Alblas, Noordzijde 25
Tekst van het document
1.2 Bestaande situatie en plangebied Het perceel Noordzijde 25 te Oud-Alblas met de bedrijfswoning, een bijgebouw en het bedrijfspand is jarenlang in gebruik geweest als aannemersbedrijf. De bedrijfsactiviteiten zijn reeds beëindigd, waardoor het perceel thans een woonfunctie heeft. Het plangebied maakt deel uit van de kadastrale percelen gemeente Oud-Alblas , Sectie D, nummers 552, 553 en 554.
Afbeelding 1: Begrenzing plangebied
Pagina 4 van 16
1.3 Nieuwe situatie Het plan voorziet in het volledig saneren van alle bedrijfsbebouwing en de realisatie van twee burgerwoningen.
Afbeelding 2: Nieuwe situatie
1.4 Ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Donkse Laagten’ is gelegen op circa 2,8 km afstand van het plangebied. Verder is het plangebied gelegen op een afstand van circa 3,4 km tot het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’.
2,8 km 3,4 km
Afbeelding 3: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
Pagina 5 van 16
2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan.
2.2 Programma Aanpak Stikstof (PAS) Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen (Natura 2000-gebieden). Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op natuurgebieden berekend worden.
Pagina 6 van 16
3. Wijze van meten De stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg- en de gebruiksfase van het plan is berekend met de nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator 2019A. De aanleg- en de gebruiksfase zijn tegelijkertijd berekend. Met betrekking tot het invoeren van de gegevens in de AERIUS Calculator 2019A wordt gebruikgemaakt van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2019’ van BIJ12 (versie 1.0 oktober).
Pagina 7 van 16
4. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase in kaart te brengen is een stikstofberekening opgesteld met behulp van de AERIUS Calculator 2019A. Voor het stikstofdepositieonderzoek is uitgegaan van onderstaande uitgangspunten.
4.1 Aanlegfase De aanlegfase kan globaal verdeeld worden in drie fases: de saneringsfase, het bouw- en woonrijp maken van het terrein en de realisatiefase. Op basis van expert judgement wordt per fase beschreven welke machines nodig zijn en hoe lang deze machines worden ingezet.
4.1.1 Saneringsfase Voor de saneringsfase wordt ervan uitgegaan dat 350 m² aan gebouwen wordt gesloopt en enkele daken voorzien zijn van asbest. De duur van de saneringsfase betreft 4 werkweken (20 werkdagen). Voor het saneren van de asbestdaken dient 5 werkdagen lang een hoogwerker ingezet te worden. Voor het slopen van de gebouwen wordt een graafmachine en een minigraver ingezet. De graafmachine wordt de gehele saneringsfase ingezet en de minigraver voor de helft van de saneringsfase. Een laadschop ruimt 3 werkdagen lang het puin op en een puinbreker breekt 3 werkdagen lang het puin. Verder zal tijdens de saneringsfase elke werkdag 2 bestelauto’s (licht verkeer) en 1 vrachtauto (zwaar vrachtverkeer) het plangebied betreden. In de laatste week van de saneringsfase zullen elke dag twee extra vrachtauto’s het puin ophalen. Resumerend worden voor de saneringsfase de volgende mobiele machines (tabel 1) en de volgende voertuigen (tabel 2) ingezet. Tabel 1: Inzet mobiele werktuigen tijdens de saneringsfase Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine (uren) Hoogwerker 1 40 Graafmachine 1 160 Minigraver 1 80 Laadschop 1 24 Puinbreker 1 24 Tabel 2: Inzet voertuigen tijdens de saneringsfase Type voertuig Aantal voertuigen Bestelauto (licht verkeer) 40 Vrachtauto (zwaar vrachtverkeer) 30
Totaal (uren) 40 160 80 24 24
Aantal ritten (heen en weer) 80 60
4.1.2 Bouw- en woonrijp maken De tweede fase voorziet in het bouw- en woonrijp maken van het plangebied. Voor deze fase is 1 maand (20 werkdagen) nodig. Voor het graven wordt een graafmachines en een minigraver ingezet. De graafmachine wordt gedurende de gehele fase ingezet en de minigraver wordt voor de helft van de tijd ingezet. Nadat de graafwerkzaamheden zijn voltooid wordt vijf werkdagen lang een trilplaat gebruikt om verzakking te voorkomen. Tijdens de fase betreden elke werkdag 3 bestelauto’s. Tevens betreedt om de twee dagen 1 vrachtauto het terrein. Resumerend wordt voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein de volgende mobiele werktuigen (tabel 3) en voertuigen (tabel 4) ingezet.
Pagina 8 van 16
Tabel 3: Inzet mobiele werktuigen tijdens het bouw- en woonrijp maken van het terrein Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine (uren) Totaal (uren) Graafmachine 1 160 160 Minigraver 1 80 80 Trilplaat 1 40 40 Tabel 4: Inzet voertuigen tijdens het bouw- en woonrijp maken van het terrein Type voertuig Aantal voertuigen Aantal ritten (heen en weer) Bestelauto (licht verkeer) 60 120 Vrachtauto (zwaar vrachtverkeer) 10 20
4.1.3 Realisatiefase Gedurende 9 maanden (180 werkdagen) wordt tijdens de realisatiefase het project afgerond. Een heistelling en een betonstorter worden beide voor 3 werkdagen ingezet voor het heien van de palen en het storten van de vloeren. Voor de realisatiefase wordt tenslotte 15 werkdagen een hijskraan ingezet voor het hijsen van vloeren, kappen en het verplaatsen van bouwmateriaal. Verder wordt ervan uitgegaan dat elke dag bouwvakkers het terrein betreden met 4 bestelauto’s. Voor het vervoeren van bouwmaterialen (palen, vloeren, kappen, stenen, kalkzandstenen, gipsbeton, betonstaal, trappen, bouwmaterialen, materieel, kozijnen, dakpannen, zandcement, afval en installatie) zijn 40 vrachtauto’s nodig. Resumerend wordt voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein de volgende mobiele werktuigen (tabel 5) en voertuigen (tabel 6) ingezet. Tabel 5: Inzet mobiele werktuigen tijdens de realisatiefase Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine (uren) Heistelling 1 24 Betonstorter 1 24 Hijskraan 1 120 Tabel 6: Inzet voertuigen tijdens de realisatiefase Type voertuig Aantal voertuigen Bestelauto (licht verkeer) 720 Vrachtauto (zwaar vrachtverkeer) 40
Totaal (uren) 24 24 120
Aantal ritten (heen en weer) 1.440 80
4.1.4 Resume Per saldo voorziet de aanlegfase in de inzet van de volgende machines (tabel 9) en voertuigen (tabel 7). Tabel 7: Inzet mobiele voertuigen aanlegfase Type mobiele werktuig Graafmachine Minigraver Laadschop Puinbreker Hoogwerker Trilplaat Betonstorter Hijskraan Heistelling
Inzet 320 uren 160 uren 24 uren 24 uren 40 uren 40 uren 24 uren 120 uren 24 uren Pagina 9 van 16
Tabel 8: Inzet voertuigen aanlegfase Type voertuig Aantal voertuigen Bestelauto (licht verkeer) 820 Vrachtauto (zwaar vrachtverkeer) 80
Aantal ritten (heen en weer) 1.640 160
Pagina 10 van 16
4.2 Gebruiksfase Met betrekking tot de gebruiksfase is in het kader van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe woningen alsmede de stikstofuitstoot door stookinstallaties in de woningen relevant.
4.2.1 Woningen Alle woningen worden gasloos gerealiseerd. Hierdoor is er geen sprake van stikstofemissies. De woningen zijn als puntbronnen opgenomen in de Calculator, waarbij alle parameters zijn ingevuld met 0 (gezien er geen stikstofemissie plaatsvindt).
4.2.2 Verkeer De ontwikkeling zal extra verkeer aantrekken. Om de verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling te bepalen is gebruikgemaakt van CROW-publicatie 381. In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimaal tot een maximaal kengetal. Voor het onderhavig onderzoek is worstcase uitgegaan van het maximale kengetal. In de berekening is verder uitgegaan van de stedelijkheidsgraad “niet stedelijk gebied” en het gebiedstype “buitengebied”. Het aantal verkeersbewegingen uit het onderzoek wordt verdubbeld, gezien het verkeer heen en weer rijd. Tabel 9: Verkeersgeneratie Woningcategorie Koop, vrijstaand
Norm/woning 2,8
Aantal Verkeersgeneratie per etmaal 2 6 verkeersbewegingen (12 ritten) Totaal 6 verkeersbewegingen (12 ritten)
4.3 Eigenschappen mobiele werktuigen Met betrekking tot de mobiele werktuigen wordt ervan uitgegaan dat de machines niet ouder zijn dan 5 jaar (bouwjaar 2015) en op diesel lopen, behoudens de trilplaat. Via bureaustudie is het vermogen van de werktuigen achterhaald door gebruik te maken van de websites van mobiele werktuigenproducenten en -verhuurders (zie bijlage 1). De stageklasse volgt uit het bouwjaar en de emissiefactor uit het TNO rapport ‘Emissie-model Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)’. Uit de aangeleverde gegevens kunnen de NOx-emissies van de mobiele werktuigen berekend worden middels een rekentool binnen de AERIUS Calculator. De mobiele werktuigen worden over het plangebied gebruikt zonder vaste werklocatie. Hierom zijn de bewegingen van de mobiele werktuigen als vlakbron op het plangebied gemodelleerd. Tabel 10: Eigenschappen mobiele werktuigen Type werktuig Bouwjaar Graafmachine 2015 Minigraver 2015 Laadschop 2015 Puinbreker 2015 Hoogwerker 2015 Trilplaat 2008 Betonstorter 2015 Hijskraan 2015 Heistelling 2015
Vermogen (kW) 120 17 110 328 25 10 200 370 271
Brandstof Diesel Diesel Diesel Diesel Diesel Benzine Diesel Diesel Diesel
Uitstoothoogte 4m 4m 4m 4m 2m 0,5 m 4m 4m 4m
Pagina 11 van 16
4.4 Eigenschappen voertuigen aanlegfase De verkeersbewegingen vanwege de aanlegfase zijn gemodelleerd middels een lijnbron met actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen.
4.4.1 Af- en aanrijdend verkeer De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer worden niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen ten behoeve van de aanlegfase zijn hierom gemodelleerd als lijnbron vanaf het plangebied tot het verkeer welke is opgenomen in het heersende verkeersbeeld; in dit geval tot enerzijds het kruispunt Noordzijde – Heiweg – Brugstraat en anderzijds tot de provinciale weg N481. Beide routes zijn opgenomen als lijnbron, waarbij worst-case in beide lijnbronnen alle verkeersbewegingen vanwege de aanlegfase zijn meegenomen.
4.4.2 Stationair draaien en manoeuvreren zwaar vrachtverkeer Daarnaast dient het stationair draaien en manoeuvreren van het zwaar vrachtverkeer meegenomen te worden in het onderzoek. Omdat op voorhand niet te bepalen is waar de vrachtauto’s zullen stilstaan of manoeuvreren is worst-case uitgegaan van een lijnbron over de gehele omtrek van het plangebied (De AERIUS Calculator laat geen vlakbron toe voor wegverkeer). Om het stationair draaien en manoeuvreren van de vrachtauto’s op te vangen in de berekening zijn alle 80 vrachtauto’s opgenomen als zwaar vrachtverkeer met een stagnatiefactor 100%.
4.5 Eigenschappen voertuigen gebruiksfase De verkeersbewegingen vanwege de gebruiksfase zijn gemodelleerd middels een lijnbron met actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. Deze lijnbron is opgenomen vanuit het plangebied tot het punt waar het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor het onderhavige plan wordt gesteld dat het extra verkeer vanwege onderhavige ontwikkeling niet meer te onderscheiden valt van het overige verkeer wanneer het verkeer enerzijds op het kruispunt Noordzijde – Heiweg – Brugstraat rijdt en anderzijds de provinciale weg N481 bereikt. Beide routes zijn opgenomen als lijnbron, waarbij worst-case in beide lijnbronnen alle verkeersbewegingen vanwege de aanlegfase zijn meegenomen.
Pagina 12 van 16
5. Conclusie In dit stikstofdepositieonderzoek is voor het plan de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van de omliggende Natura 2000-gebieden berekend. Uit de berekening blijkt dat er als gevolg van het plan geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden Natura2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van het plan. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. De invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 2 van dit rapport.
Pagina 13 van 16
Bijlage 1 – Referentie mobiele werktuigen Tabel 12: Referentie mobiele werktuigen Type werktuig Graafmachine
Bron: pon-cat.com Minigraver
Bron: pon-cat.com Laadschop
Bron: pon-cat.com Puinbreker
Bron: pon-cat.com
Pagina 14 van 16
Hoogwerker
Trilplaat Betonstorter Hijskraan
Bron: vhsvladel.nl Conform AERIUS Calculator: 10 kW Conform AERIUS Calculator: 200 kW
Bron: old.cranenetwork.com Heistelling
Bron: bouwmaterieel.benelux.nl
Pagina 15 van 16
Bijlage 2 – AERIUS-uitdraai
Pagina 16 van 16
Verkennend bodemonderzoek Noordzijde 25 en 25a te Oud-Alblas MA190503.R01.V1.0 13 september 2019
Verkennend bodemonderzoek Noordzijde 25 en 25a te Oud-Alblas Rapportnummer MA190503.R01.V1.0 13 september 2019
Opdrachtgever Heijkoop Beheer en Advies Veersedijk 273 3341 LM Hendrik Ido Ambacht
Functie
Naam
Projectleider
Francis Huitink
Collegiale toetser
Niels Geuijen
MA190503.R01.V1.0
Paraaf
2 van 10
Inhoud 1
Inleiding ...............................................................................5
2
Achtergrondinformatie ................................................ 6
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.8.1 2.9 2.9.1 2.9.2
Algemeen 6 Situering onderzoekslocatie 6 Historie 7 Vergunningen 8 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie 8 Niet gesprongen explosieven (NGE) 10 Archeologie 10 Terreininspectie 10 Terreininspectie ............................................................................................................................................ 10 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 10 Bodem ................................................................................................................................................................ 10 Asbest in bodem/puin .................................................................................................................................. 11
3
Veldwerk en analyses .................................................. 12
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Onderzoeksprogramma Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Veldwerk verkennend bodemonderzoek Bodemprofiel Watermonstername Veldwerk asbestonderzoek (indicatief
4
Analyseresultaten ......................................................... 16
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2 4.2.1 4.2.2
Toetsingskader 16 Wet bodembescherming ............................................................................................................................ 16 Besluit en Regeling bodemkwaliteit ..................................................................................................... 16 Asbest in bodem/puin ................................................................................................................................. 16 Toetsing van de analyseresultaten 17 Bodem ................................................................................................................................................................ 17 Asbest ................................................................................................................................................................ 19
5
Conclusies en aanbevelingen ................................... 21
5.1 5.2
Conclusies Aanbevelingen
21 22
Bijlagen Bijlage 1 Topografische overzichtskaart Bijlage 2 Foto’s locatie en proefgaten Bijlage 3 Boorstaten incl. legenda
MA190503.R01.V1.0
12 13 13 13 13 14
3 van 10
Bijlage 4 Analysecertificaten Bijlage 5 Toetsing Wet bodembescherming Bijlage 6 Toetsing Besluit bodemkwaliteit Bijlage 7 Overzicht bronnen vooronderzoek Bijlage 8 Situatietekening
MA190503.R01.V1.0
4 van 10
1 Inleiding Geonius Milieu B.V. heeft in opdracht van Heijkoop Beheer en Advies een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie aan de Noordzijde 25 en 25a te Oud-Alblas. Aanleiding voor dit verkennend bodemonderzoek vormt de voorgenomen eigendomsoverdracht van de locatie. In verband hiermee is inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vereist. Onderhavig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, oktober 2017), de NEN 5707+C2 (Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, december 2017 en de NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, januari 2009 en wijzigingsblad NEN 5740/A1, februari 2016). Geonius is gecertificeerd voor SIKB protocol 2001, 2002, 2003 en 2018 behorende bij Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” (BRL SIKB 2000). Het procescertificaat van Geonius Milieu B.V. en het bijbehorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij horende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium (of de opdrachtgever). Geonius Groep B.V. en de verschillende divisies zijn gecertificeerd volgens de algemene kwaliteitsnorm NEN-ENISO 9001:2015, ISO 14001 en VCA*.
Geonius Milieu B.V. streeft naar het uitvoeren van een representatief onderzoek. Het onderzoek is echter steekproefsgewijs uitgevoerd door middel van het uitvoeren van een volgens de norm voorgeschreven aantal boringen en het laten analyseren van grond(meng)monsters op een standaard analysepakket. Eventueel niet getraceerde (punt)bronnen van verontreinigingen kunnen derhalve niet worden uitgesloten. Geonius Milieu B.V. verklaart hierbij geen organisatorische, financiële of juridische binding te hebben met de opdrachtgever en/of onderhavige locatie en daarmee te voldoen aan de vereisten zoals gesteld in KwaliBo (Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer). In onderhavig rapport worden de resultaten van het vooronderzoek, de gehanteerde onderzoeksopzet, de uitgevoerde veldwerkzaamheden en de resultaten van het analytisch onderzoek beschreven. Tot slot worden de resultaten getoetst aan de referentiewaarden en worden conclusies, en eventueel aanbevelingen, geformuleerd.
MA190503.R01.V1.0
5 van 10
2 Achtergrondinformatie 2.1 Algemeen Voorafgaand aan het bodemonderzoek is een vooronderzoek conform de NEN 5725 verricht. De hierbij gehanteerde bronnen zijn opgenomen in bijlage 7. De resultaten van het vooronderzoek zijn in onderstaande paragrafen opgenomen.
2.2 Situering onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft een tweetal percelen aan de Noordzijde te Oud-Alblas. De onderzoekslocatie wordt aan de noordzijde door de weg genaamd Noordzijde begrensd en aan de zuidzijde door de rivier De Alblas. Op de twee percelen staat bebouwing (woonhuis en schuren). De ligging van de locatie is onderstaand weergegeven.
Figuur 2.1: Ligging locatie (bron: Google Maps, d.d. juli 2019)
In Tabel 2.1 zijn enkele gegevens betreffende de onderzoekslocatie weergegeven. De regionale ligging is weergegeven in bijlage 1. In bijlage 8 is een situatietekening met daarop de ligging van de locatie opgenomen. Foto’s van de locatie zijn opgenomen in bijlage 2. Tabel 2.1: overzicht topografische en kadastrale gegevens onderzoekslocatie Algemene en topografische gegevens Oppervlakte onderzoekslocatie
Circa 1.765m2
Maaiveldhoogte
Circa -0,9 m + NAP
X-coördinaat, Y-coördinaat
X: 108645, Y: 430338
Kadastrale gegevens Noordzijde 25 Kadastrale aanduiding
Gemeente Oud Alblas, sectie D nummer 554 Gemeente Oud Alblas, sectie D nummer 553
Oppervlakte kadastrale percelen
462 m2 397 m2
Eigenaar
D554: De heer Mels Jan Jakobus Boer en mevrouw Daisy van der Mede Sleutelbloemstraat 1 3286 VN KLAASWAAL
MA190503.R01.V1.0
6 van 10
D553: JMLB Holding B.V. Adres Oosteinde 31 2969 AT OUD-ALBLAS Locatie in eigendom sinds
2019
Kadastrale gegevens Noordzijde 25a Kadastrale aanduiding
Gemeente Oud Alblas, sectie D nummer 552
Oppervlakte kadastrale perceel
904 m2
Eigenaar
JMLB Holding B.V. Adres Oosteinde 31 2969 AT OUD-ALBLAS
Locatie in eigendom sinds
2019
2.3 Historie Op basis van de geraadpleegde historische kaarten blijkt dat sinds 1850 de eerste bebouwing in het agrarisch in gebruik zijnde gebied aanwezig is. De bebouwing op noordzijde 25 dateert uit 1980 en op Noordzijde 25a uit 1960. Op basis van Topotijdreis blijkt dat er een woning aan de Noordzijde 25 tot 1957 heeft gestaan. Enkele uitsneden van historisch kaartmateriaal zijn opgenomen in onderstaande Figuur 2..
1957
1958
1969
2018
Figuur 2.2: uitsneden historische kaarten
MA190503.R01.V1.0
7 van 10
2.4 Vergunningen Voor de onderzoekslocatie zijn geen vergunningen afgegeven in het kader van de voormalige Hinderwet, Wet milieubeheer, Bouwvergunningen, Sloopvergunningen of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dan wel niet bekend/aanwezig in de geraadpleegde bronnen. Uit de geraadpleegde bronnen (o.a. BOOT-archief) blijken geen gegevens die duiden op de aanwezigheid van één of meerdere tanks op de onderzoekslocatie.
2.5 Bodemopbouw, -kwaliteit en geohydrologie In Tabel 2. staat de bodemopbouw, geohydrologie, gegevens Bodemkwaliteitskaart/Nota bodembeheer en een samenvatting van de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken op en nabij de onderzoekslocatie vermeld. Tabel 2.2: overzicht bodemopbouw, geohydrologie en -kwaliteit Bodemopbouw Diepte in m-mv
Omschrijving
Opmerkingen
0 - -1
Antropogene ophooglaag
Diffuus heterogeen verontreinigd
- 1 - 10
Holocene afzetting
-
- 10-20
Formatie van Kreftenheye
Zand
-20-40
Formatie van Waalre
Klei
-40- 55
Formatie van Peize, Waalre
Zand
Geohydrologische gegevens Hoogte freatisch grondwater
Circa 1,5 m -NAP / Circa 0,6 m-mv
Stromingsrichting grondwater
Zuidelijk
Ligging van oppervlaktewater op en/of nabij de locatie
Ja, aan de zuidzijde direct grenzend aan De Alblas
Het voorkomen van brak of zout grondwater
Nee
Ligging binnen een grondwaterbeschermingsgebied
Nee
Aanwezigheid van grondwateronttrekkingen op de locatie of in de omgeving
Nee
Aanwezigheid van breukstelsels op of nabij de locatie
Nee
Bodemkwaliteitskaart / Nota bodembeheer Datum inkijken
Omschrijving
10 juli 2019
http://www.geosolutions.nl/sites/ozhz/
Bodemfunctieklasse
Wonen
Ontgravingsklasse
Bovengrond (0-0,5 m-mv): Industrie heterogeen Ondergrond (0,5-2,0 m-mv): Achtergrondwaarde
Bodemonderzoeken ter plaatse van onderzoekslocatie en in de directe omgeving Onderstaand is de beschikbare bodeminformatie weergegeven
Beschikbare bodeminformatie: Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn in het verleden diverse milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt dat het volgende. Noordzijde 25: Op de onderzoekslocatie is in 2006 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Dordrecht Research (kenmerk R/060316/hh, d.d. 14 maart 2006). Uit de resultaten blijkt dat er ter plaatse en op de naastgelegen locaties een gedempte sloot is gelegen. De sloot ligt parallel aan de noordzijde van de perceelsgrens en zou gedempt zijn met huisvuil. De breedte bedraagt circa 5 meter. De sloot eindigt vermoedelijk 16 meter van de
MA190503.R01.V1.0
8 van 10
locatiegrens met noordzijde 26 (westzijde). Op een diepte van 1,0 tot 2,0 m-mv bevindt zich een bodemlaag met veraard stortmateriaal. Het stortmateriaal bestaat uit puin, plastic, flessen, panty’s, fietsbanden, elektriciteitskabel, textiel, leer, glasscherven, aardewerk en metaaldelen. Deze laag (boring 3) is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met chroom en licht verontreinigd met cadmium, koper, lood, nikkel, PAK en minerale olie. Opgemerkt wordt dat er geen onderliggende lagen zijn geanalyseerd. Daarnaast is aangegeven dat het terrein is verhard met asfalt en gebroken puin. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat er een nader onderzoek benodigd is. De situering van de boringen is in onderstaand figuur weergegeven.
Figuur2.3: Situering boringen (Dordrecht Research, d.d. 2006)
Noorzijde 26: Het direct aan de westzijde grenzend gelegen perceel is in 2007 gesaneerd. Het betreft een BUS-sanering van 225 m3 sterk met lood, koper en PAK verontreinigde grond. Tevens is er sprake van een licht verontreinigde sloot (Dordrecht research, d.d. 13 maart 2006). Dit betreft vermoedelijk de sanering van dezelfde gedempte sloot als waar sprake van is op huisnummer 25 en 25a. Noordzijde 27: Circa 25 meter ten westen van de onderzoekslocatie is op Noordzijde 27 een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk Dordrecht research, d.d. 13 maart 2006). Er is sprake van een demping met huishoudelijk afval. Verder blijkt dat de locatie op basis van de asbestkansenkaart asbestverdacht is. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat er een nader onderzoek benodigd is. Dit betreft vermoedelijk dezelfde gedempte sloot als waar sprake van is op huisnummer 25 en 25a. Noordzijde 25-31A: Op basis van een verkennend bodemonderzoek van Mulder Ecoconsultancy (2008) blijkt dat er sprake is van een potentieel drietal verontreinigde activiteiten op deze adressen 25 tot en met 31A: • Burgerlijk- en utiliteitsbouwbedrijf van 1956-1984; • Timerwerkplaats data onbekend; • Demping met huishoudelijke in 1983.
MA190503.R01.V1.0
9 van 10
Verder wordt opgemerkt dat de onderzoekslocatie is gelegen in zone B (pluimzone) waarvoor een verwachting geldt van tussen de 0-10 ug/kg PFOA.
2.6 Niet gesprongen explosieven (NGE) Op of in de nabijheid van de onderzoekslocatie zijn geen gegevens bekend omtrent “niet gesprongen explosieven”.
2.7 Archeologie Uit de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart van de provincie Zuid Holland blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt.
2.8 Terreininspectie 2.8.1 Terreininspectie Op 30 juli 2019 en op 9 augustus 2019 is door de heer K. Vaassen een terreininspectie uitgevoerd. • Het betreft een met woonhuis en schuur bebouwde locatie; • De zuidzijde is gelegen aan het water en als tuin in gebruik; • Het terrein aan de zijde van de weg is (half)verhard met puin, grond en betonplaten. Tijdens het locatiebezoek asbest is het gehele terrein visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn op onderhavige onderzoekslocatie waargenomen in de vorm van vier asbestverdachte plaatjes. Deze zijn mogelijke afgebrokkeld van de dakbedekking van de schuur. In bijlage 2 en in onderstaand figuur is dit weergegeven.
Figuur2.4: Asbestverdachte dakbedekking op de schuur en op maaiveld aangetroffen asbestverdachte plaatmateriaal
2.9 Samenvatting vooronderzoek, onderzoekshypothese en –strategie 2.9.1 Bodem Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie deels verdacht is voor een bodemverontreiniging. De resultaten van het vooronderzoek alsmede eventuele verdachte deellocaties, onderzoekshypothese en -strategie staan samengevat in onderstaande Tabel 2.3. Wat betreft de verdachte en verontreinigde deellocatie betreft de uit het vooronderzoek geconstateerde gedempte sloot. Voor het overige
MA190503.R01.V1.0
10 van 10
terrein wordt de strategie ”onverdacht niet lijnvormig” (ONV-NL) is van toepassing op locaties waarvoor geen belastende bronnen/activiteiten zijn te verwachten op basis van het vooronderzoek. Het huidige en toekomstige gebruik zullen niet wijzigen. Tabel 2.3: samenvatting gegevens vooronderzoek, onderzoekshypothese en -strategie Periode
Bodemgebruik/potentieel bodembedreigende
Onderzoeksstrategie (NEN 5740)
activiteit [1980-heden]
Overig terrein onverdacht
ONV-NL
[<1984]
Gedempte sloot met huisafval
NTA5755 (maatwerk)
Voor de aanwezige verharding met asfalt met eventuele daar onderliggende fundatielaag en of gebroken puin (halfverharding) is asbest verdacht. Dit wordt in onderstaande paragraaf besproken.
2.9.2 Asbest in bodem/puin Op de locatie is wel sprake van een potentieel asbestverdachte deellocatie. Het betreft het met gebroken puin verharde pad (bron: Dordrecht Research, 2006) en de geasfalteerde verharding met mogelijke fundatielaag. Op basis van Streetview en Google Maps is onderscheid tussen asfalt en halfverharding niet zichtbaar. Deze deellocatie wordt als 1 locatie beschouwd. Het betreft een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. Het betreft een locatie met een plaatselijke bodembelasting in de bovengrond als gevolg van een storting met puin (verharding), de eventuele fundatielaag onder het asfalt en in de ondergrond huisvuil (gedempte sloot). De strategie conform de NEN5897 voor afgedekte funderingslagen op kleinschalige locatie wordt hiervoor gehanteerd. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek blijkt verder dat voor het overige deel van de onderzoekslocatie met betrekking tot asbest in bodem de hypothese onverdacht van toepassing is. Voor deze hypothese zijn geen belastende bronnen/activiteiten voor asbest in bodem te verwachten op basis van het vooronderzoek. Conform de NEN 5707 is in dit geval een onderzoek naar asbest in bodem niet per definitie noodzakelijk.
Om een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege te kunnen laten, moet, in aanvulling op het locatiebezoek tijdens het vooronderzoek, in dat geval echter ook een visuele inspectie van het maaiveld conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018, alsmede een visuele beoordeling van uit tijdens het verkennend bodemonderzoek uitgekomen grond worden uitgevoerd, waarbij geen asbestverdachte materialen (plaatjes, buis etc.) of bodemvreemde bijmengingen die worden geassocieerd met een mogelijke verontreiniging met asbest (puin, resten baksteen etc.) worden waargenomen. In dat geval wordt voor de locatie de hypothese “onverdacht” gesteld en is aanvullend onderzoek conform NEN 5707 niet noodzakelijk. Tijdens de veldwerkzaamheden wordt het maaiveld en de opgeboorde grond beoordeeld op de eventuele aanwezigheid van asbest, ter onderbouwing van de hypothese niet verdacht voor asbest. De hiervoor genoemde hypotheses wordt met behulp van dit bodemonderzoek getoetst. In de navolgende hoofdstukken worden de uitgevoerde werkzaamheden en de onderzoeksresultaten besproken.
MA190503.R01.V1.0
11 van 13
3 Veldwerk en analyses 3.1 Onderzoeksprogramma In onderstaande Tabel 3.1 is het uitgevoerde veld- en laboratoriumonderzoek samengevat. Tabel 3.1: onderzoeksprogramma bodem- en asbestonderzoek (Deel)locatie en
Oppervlakte (m2)
Analyses1)
Veldwerk
strategie Terrein
1.765
(ONV-NL)
Grond
Grondwater
8*0,5 m-mv
Bovengrond:
1*standaardpakket
2*2,0 m-mv
2*standaardpakket
1*peilbuis1)
4*uitsplitsing lood en zink Ondergrond: 1*standaardpakket
Gedempte sloot
Ca 35* 5 m
(maatwerk)
3*Raai van
Verdachte laag/afperkend:
2 tot 3* 0,5 m- demping
2)
-
10*metalen
Asbestonderzoek (indicatief) (Half)verharding (NEN5896 AF)
200 m2
3)
4 proefgaten (0,3*0,3) en 1 boring
3 asbest in grond/puin
(Ø12) tot 1,0 m-mv
(NEN 5898)
-
2 asbest in plaatmateriaal 1)
Standaardpakket (landbodem en grond): organisch stof en lutum 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink) som-PCB, som-PAK (10) en minerale olie Standaardpakket grondwater: 9 zware metalen vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis-1,2dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform) en minerale olie
2)
Ter plaatse van de gedempte sloot is een drietal raaien (10 boringen) geplaatst in plaats van de geplande 5 raaien. Gezien de sterk puinhoudende lagen variërend van 0,7 tot maximaal 1,8 m-mv was het niet mogelijk meer raaien te plaatsen met behulp van de ramguts. Het aantal geplande analyses is van 15 teruggebracht tot 10. Met de ramguts zijn de lagen bijna niet doordringbaar, waardoor asbestmonstername niet mogelijk was
3)
Er zijn vier proefgaten gegraven ter plaatse van de halfverharding, waarvan slechts 1 boring kon worden doorgezet. De 2 geplande proefgaten/analyses ter plaatse van de gedempte sloot zijn vervallen. Het aantal analyses asbest in puin/grond is 3 i.p.v. 2 analyses en 2 maal is asbest in plaatmateriaal geanalyseerd.
De chemische analyses van de grond(meng)monsters, het grondwatermonster zijn conform AS3000 uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam, gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 (certificaatnummer L28) en AS3000-erkend.
MA190503.R01.V1.0
12 van 13
De puin- en grond(meng)monsters ten behoeve van het asbestonderzoek zijn geanalyseerd op asbest conform NEN 5898. De (meng)monsters hebben een geschat drooggewicht van minimaal 10 kg voor grond en minimaal 25 kg voor puin.
3.2 Samenstelling en analyseparameters bodemmonsters Gerelateerd aan de zintuiglijke waarnemingen dan wel analyseresultaten zijn de volgende wijzigingen en/of bijzonderheden te melden: • Op basis van de analyseresultaten van mengmonster mmbg1 zijn de 4 individuele monsters van dit mengmonster separaat geanalyseerd op de parameter lood en zink.
De grond(meng)monsters zijn onderzocht op het standaardpakket landbodem en grond uit de NEN 5740. In Tabel 4.1 (hoofdstuk 4) is een overzicht gegeven hoe de grond(meng)monsters zijn samengesteld. Tevens is van elk grond(meng)monster het globale bodemprofiel, de zintuiglijke waarnemingen en de uitgevoerde chemische analyses vermeld. Het grondwatermonster is conform de onderzoeksopzet onderzocht op het standaardpakket grondwater uit de NEN 5740:2009. In bijlage 4 zijn de analyseresultaten en een overzicht van de toegepaste analysemethoden weergegeven.
3.3 Veldwerk verkennend bodemonderzoek De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 30 juli en 9 augustus 2019 conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen). De veldmedewerker die de werkzaamheden heeft uitgevoerd, de heer K. Vaassen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Tijdens de veldwerkzaamheden is assistentie verleend door de heer N.E. Riethoff. Een tekening met de ligging van de uitgevoerde boringen is toegevoegd als bijlage 8. Opgemerkt wordt dat voor de halfverharding de ramguts is gebruikt. Het betreft een dikke laag puinhoudend materiaal, die moeilijk te doorboren is. Hierdoor is het geplande aantal boringen lager dan gepland. Er hebben geen kritieke afwijkingen op de beoordelingsrichtlijn plaatsgevonden.
3.4 Bodemprofiel Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden is het bodemmateriaal beoordeeld op kleur, textuur, bijmenging(en) en eventuele bijzonderheden. De boorstaten zijn als bijlage 3 zijn toegevoegd. Uit de terreininspectie blijkt dat het maaiveld aan de zuidzijde van het woonhuis vooral begroeid is met gras (verwilderde tuin) en aan de andere zijde vooral (half)verhard is met puinhoudend materiaal/betonplaat. De bodem kan globaal als volgt worden omschreven. Vanaf het maaiveld wordt tot de maximale boordiepte (3,5 mmv) klei aangetroffen. In de bovengrond is plaatselijk sprake van zand of zandige bijmengingen. Er zijn verder geen afwijkende geuren (middels passieve geurwaarneming) en/of kleuren waargenomen.
3.5 Watermonstername Op 9 augustus 2019 is het grondwater bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters). De monsternemer, de heer K. Vaassen, is in dit kader geregistreerd
MA190503.R01.V1.0
13 van 13
bij het Ministerie van IenW. Voor de watermonstername is de grondwaterstand, zuurgraad, turbiditeit en geleidbaarheid bepaald. Deze zijn weergegeven in Tabel 4.2. De grondwaterstand is locatie- en seizoensgebonden en kan derhalve variëren.
3.6 Veldwerk asbestonderzoek (indicatief De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 30 juli en 9 augustus 2019 conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem). De coördinerend veldmedewerker, de heer K. Vaassen, is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van IenW. De coördinerend veldwerker is hierbij geassisteerd door de heer N.E. Riethoff. Voor asbestonderzoek geldt dat bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal protocol 2018 niet van toepassing is en het asbestonderzoek niet onder het BRL SIKB 2000 certificaat kan worden uitgevoerd. Voor onderhavig onderzoek is dat niet het geval, met uitzondering van proefgat 002. Tijdens het veldwerk waren de omstandigheden als volgt: • Droog (neerslag <10 mm); • Helder (zicht >50 m); • Bedekking maaiveld: voorterrein halfverhard 90% en tuin begroeid met gras (100%); • Toplaag: halfverhard/ zand; vochtig, vastgereden en/of matige vegetatie. De inspectie-efficiëntie van de maaiveldinspectie wordt geschat op maximaal 5%. Vermeld wordt dat de maaiveldinspectie niet conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorende protocol 2018 (locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem) heeft kunnen plaatsvinden.
Bij een inspectie-efficiëntie lager dan 50% is de waarde van een maaiveldinspectie namelijk onvoldoende om het verdachte gebied in te perken en een kwantitatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de toplaag. De maaiveldinspectie kan derhalve ook niet dienen om de onderzoekstrategie (eventueel) bij te stellen. Naar aanleiding van de maaiveldinspectie is op het maaiveld ter plaatse van boring 3 (aan de noordoosthoek van de schuur) asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het materiaal is bemonsterd, gelabeld en opgestuurd naar het laboratorium voor analyse op asbest conform NEN 5896. In Tabel 4.3 zijn de analyseresultaten van dit plaatmateriaal opgenomen. In aanvulling op de NEN 5707 is, tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden, tevens de uitkomende grond visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen, danwel verdachte bijmengingen die kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest. Deze zijn op onderhavige locatie niet waargenomen waardoor een verkennend onderzoek naar asbest in bodem achterwege kan blijven in de tuin. Ter plaatse van de halfverharding is er wel een asbestonderzoek uitgevoerd. Op basis van de opgestelde strategie zijn proefgaten gemaakt (minimaal 30*30 centimeter) en zijn boringen (minimale diameter van 12) uitgevoerd tot maximaal 0,5 m in de verdachte laag of tot in de ongeroerde ondergrond (maximaal tot 2,0 m-maaiveld).
In Tabel 3.2 is een beschrijving gegeven van de verschillende proefgaten/boringen.
MA190503.R01.V1.0
14 van 13
Tabel 3.2: resultaten veldwerk proefgaten en bijzonderheden verrichte boringen Proefgat
Onderzocht
Bodemomschrijving
traject (cm-mv)
Mengmonster
Afmetingen
Bodemvreemd
Asbest
fijne fractie
(cm)
materiaal (%)
aangetroffen
(l x b) 001
0,0-0,5
Uiterst puinhoudend
Asb 1-4
0,3*0,3
30
nee
002
0,0-0,4
Uiterst puinhoudend
Asb 2-2
0,3*0,3
97
nee
003
0,0-0,5
Uiterst puinhoudend
Asb3-7
0,3*0,3
45
nee
004A
0,0-0,5
Sterk puinhoudend
Asb 4-4
0,3*0,3
24
nee
Tijdens de visuele inspectie zijn enkele foto’s gemaakt, die zijn toegevoegd in bijlage 2. Op basis van de visuele inspectie kan worden geconcludeerd dat zintuiglijk geen onderverdeling wel asbestverdacht materiaal van de locatie kan worden gemaakt. De uit de proefgaten vrijgekomen materiaal is voor inspectie gezeefd (maaswijdte zeef 20 mm). De grove fractie van de uitgekomen materiaal is visueel beoordeeld op asbestverdachte materialen. In het opgegraven materiaal van alle proefgaten is in de grove fractie géén asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Vervolgens zijn van de grond 3 monsters samengesteld ten behoeve van de microscopische analyse van de fijne fractie conform NEN 5898. Er zijn drie representatieve monsters ingezet van sterk tot uiterst puinhoudende lagen en ter plaatse van op maaiveld aangetroffen asbest verdacht materiaal (boring 003).
MA190503.R01.V1.0
15 van 13
4 Analyseresultaten 4.1 Toetsingskader 4.1.1 Wet bodembescherming De analyseresultaten zijn getoetst aan de streefwaarden (S) voor grondwater, de interventiewaarden (I) voor grond en grondwater uit de Circulaire bodemsanering 2013 en de achtergrondwaarden (AW) voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (behorende bij het Besluit bodemkwaliteit). De achtergrondwaarden voor grond zijn vastgesteld op basis van gehalten aan stoffen, zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. De streefwaarden voor grondwater geven aan wat het ijkpunt is voor de milieukwaliteit op de lange termijn, uitgaande van Verwaarloosbare Risico’s voor het ecosysteem. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor de mens, dier en plant ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. De “tussenwaarde” (in onderhavig rapport aangeduid als T) betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrondwaarde/streefwaarde en de interventiewaarde, maar maakt geen onderdeel meer uit van de toetsing die noodzakelijk is vanuit de Circulaire bodemsanering en Besluit bodemkwaliteit, maar fungeert in onderhavig rapport als triggerwaarde waarboven het vermoeden van een geval van ernstige verontreiniging bestaat en nader onderzoek wordt aanbevolen.
In de navolgende paragrafen wordt de aangetroffen verontreinigingssituatie aangeduid met de termen licht, matig en/of sterk waaraan de volgende definities zijn gegeven: • Licht verontreinigd: betreft gehalten tussen de achtergrondwaarde en de “tussenwaarde” (gemiddelde van achtergrond- en interventiewaarde); • Matig verontreinigd: betreft gehalten tussen de “tussen”- en interventiewaarde; • Sterk verontreinigd: betreft gehalten die de interventiewaarden overschrijden.
4.1.2 Besluit en Regeling bodemkwaliteit In het geval van een niet-vormgegeven bouwstof zijn de analyseresultaten tevens (indicatief) getoetst aan de maximale samenstellingswaarden voor organische parameters zoals vermeld in bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit (Staatscourant, 20 december 2007, nr. 247/pag. 67).
4.1.3 Asbest in bodem/puin De resultaten van het asbestonderzoek zijn getoetst aan de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering 2013 (versie 1 juli 2013), dan wel aan de maximale samenstellingswaarden voor niet vormgegeven bouwstoffen uit het Besluit en Regeling bodemkwaliteit. In zowel de Circulaire, als het Beluit en Regeling, wordt als interventiewaarde een gehalte van 100 mg/kg d.s. gehanteerd. Het gehalte asbest wordt berekend uit het gewogen serpentijnasbestgehalte vermeerderd met 10 maal het amfiboolgehalte.
MA190503.R01.V1.0
16 van 13