CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Bijlagen VGBP Heulenslag 75B, Bleskensgraaf

Raadsvergadering 8 maart 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Heulenslag 75B, Bleskensgraaf31.686 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een deel van de bebouwing (open hooischuur, houten opslagschuur en voormalige veestal inclusief houten aanbouw); de wijzigen van een aan de woning aangebouwde voormalige veestal in twee wooneenheden, en de realisatie van een nieuwe schuurwoning. Dit zal ten opzichte van de huidige situatie mogelijk leiden tot een lichte toename in het aantal verkeersbewegingen.

De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Gedurende de werkzaamheden kan er een beperkte en tijdelijke toename in stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen (het ‘projecteffect’). Gezien het beperkte projecteffect, de beperkte verkeerstoename en de afstand tot Natura 2000-gebieden (2,2 km) worden geen negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht. Derhalve kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven.

14

Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven

per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Mochten er kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, vallen deze onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

15

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soort: kerkuil. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig die verwijderd worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden naar verwachting geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

2,2 km

geen

n.v.t.

75 m

geen

n.v.t.

760 m

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

1,7 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

ja

nee

n.v.t.

ja

nee

n.v.t.

Struiken Bomen

-

-

-

-

-

n

n

n

n

j

Geschikt habitat Andere soort

Belangrijk weidevogelgebied

-

n

-

Natuurnetwerk Nederland

-

+

-

n

-

+/-

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

Natura 2000

+

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Insecten en andere ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt mogelijk tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor kerkuilen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied hoeven geen bezwaar te vormen voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te

16

nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt mogelijk tot aantasting van habitat voor kerkuilen. Hiervoor dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Als dit onderzoek wordt uitgevoerd; er geen essentiële habitatonderdelen worden aangetroffen, en er enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, hoeft de beoogde ontwikkeling niet te leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Heulenslag 75B te Bleskensgraaf uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar kerkuilen uitgevoerd te worden. Dit kan middels drie gerichte veldbezoeken verspreid over de periode van begin februari t/m half oktober. De inventarisatie moet bij voorkeur uitgevoerd worden tijdens geschikte weersomstandigheden. De beste momenten om te inventariseren zijn ‘s avonds en ‘s nachts. Ter ondersteuning zou ene wildcamera geplaatst kunnen worden bij de invliegopening.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

17

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

18

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

19

Bijlage 1 Fotografische impressie

20

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Heulenslag 75B te Bleskensgraaf en bestaat uit een perceel met zeven gebouwen, grasvelden en een tuin. Dit is een noordoostelijk aanzicht van de planlocatie.

Figuur 2

Sloot langs de westkant van het perceel.

21

Figuur 3

Weilanden ten noorden van planlocatie.

Figuur 4

Heulenslag, de weg waar de planlocatie aan ligt. Rechts in beeld het woonhuis met voortuin.

22

Figuur 5

Uitzicht kijkend naar het zuiden vanaf de planlocatie.

Figuur 6

Uitzicht kijkend naar het oosten vanaf de planlocatie.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

23

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b

24

ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

25

INHOUDSOPGAVE: blz 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING

1

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE 2.1 Terreinsituatie 2.2 Bodemopbouw en geohydrologische situatie

1 1 2

3.

ONDERZOEKSPROGRAMMA 3.1 Algemeen 3.2 Veldwerkzaamheden 3.3 Laboratoriumonderzoek

3 3 3 3

4.

ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 Bodemopbouw en veldwaarnemingen 4.2 Analyseresultaten 4.3 Asbestonderzoek door Adcim BV

5 5 5 7

5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

10

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Regionale situering onderzoekslocatie (1:12.500) Situatieschets met locaties boringen en peilbuis (1:500) Gegevens grondboringen en peilbuis Analyserapporten Toetsingstabellen Gegevens Adcim inzake asbestonderzoek

BM/2601-2020 (V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf)

1 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het adres Heulenslag 75 te Bleskensgraaf, kadastraal bekend sectie D, nummer 404. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen verbouw van de huidige woonboerderij tot 3 wooneenheden en voor de nieuwbouw van 2 woningen op het noordelijke terreindeel. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE.

2.1

Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de noordzijde van de weg Heulenslag. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het onderzochte terrein bedraagt ca 2400 m2. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de bewoonster, de website Omgevingsrapportage Zuid Holland Zuid, TOPO-tijdreis, Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarchief geraadpleegd. Op de site Omgevingsrapportage wordt aangegeven dat er geen informatie is van het perceel. Terreinbeschrijving. Op het onderzoeksterrein staan een oude boerderij, een hooiberg, een schuur en een schuur annex stal. Ten oosten van de boerderij ligt een puin/grindpad. Het voorste deel van de boerderij is een woning en het achterste deel een stal. De meest noordelijke schuur/stal verkeert in een sterk verwaarloosde staat. Ten noorden van deze schuur/stal is sprake van onverhard grasland. Bij de terreininspectie zijn geen concrete waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging. Op de noordelijke stal liggen dakleerachtige golfplaten. Er is geen sprake van gootloze asbestdaken. Huidig gebruik. Alleen het voorste deel van de boerderij wordt bewoond. Er is al lange tijd geen sprake meer van agrarische activiteiten. Voormalig gebruik. In het verleden was er sprake van een melkveebedrijf.

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

2 Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. De oprit en het erf zijn deels verhard met puin waarop grind ligt. Op basis van TOPO-tijdreis zijn er geen gedempte sloten binnen het onderzoeksoppervlak. Boven- en ondergrondse tanks. Op het perceel is volgens de geraadpleegde bronnen geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olieopslag. Omgeving. Het perceel ligt aan een oude lintbebouwingsweg met woningen en oude boerderijen. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Van de locatie is geen eerder bodemonderzoek bekend. Uit eigen archief zijn een groot aantal onderzoeken bekend aan de 2 bekende lange lintbebouwingswegen (Heulenslag en Abbekesdoel) in Bleskensgraaf. Zonder uitzondering was de bovengrond op deze locaties in alle gevallen tenminste licht verontreinigd met diverse metalen en PAK. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning uitgegaan van de strategie VED-HE (paragraaf 5.6 uit de NEN 5740). Bij deze strategie wordt de licht verdachte bovengrond bij de oppervlakte van ca 2400 m2 in 3 in plaats van in 2 mengmonsters onderzocht. Tevens mogen mengmonsters van geroerde grond uit maximaal 4 deelmonsters bestaan. Aandachtspunt PFAS De bovengrond is extra onderzocht op PFAS. Bleskensgraaf blijkt in een zone te liggen waar bovengemiddeld verhoogd PFOA-gehalten worden aangetroffen. 2.2

Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde Westlandformatie, welke wordt gekarakteriseerd door overwegend kleiige bodemsoorten op een venige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende maar ook stuwende werking van nabijgelegen of aangrenzende oppervlaktewateren. De stromingrichting is hiermee dan ook niet eenduidig.

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

3 3.

ONDERZOEKSOPZET.

3.1

Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1 (april 2016), paragraaf 5.1 en 5.6, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.

3.2

Veldwerkzaamheden. Op 6 januari 2020 zijn op de onderzoekslocatie de eerste veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Inpandig zijn 2 boringen verricht. Er zijn uiteindelijk 17 boringen verricht. Boring 12 is uitgevoerd tot 2 m-mv en voorzien van een peilbuis. De boringen 1 en 6 zijn 1.5 m diep en de overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 a 0.8 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.3

Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 4 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 4 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.

Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

4 van VROM). Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

5 4.

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1

Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bovengrond rondom de bebouwing bestaat uit geroerde sterk humeuze klei. De ondergrond bestaat uit tamelijk ongeroerd kleiig veen. De bovengrond op het noordelijke graslandgedeelte is tamelijk ongeroerd en vrij van bijmengingen. Bij de inpandige boring 7 bevindt zich onder de betonvloer een laag zand en vervolgens ook de humeuze kleiige licht geroerde bodem. Zintuiglijk zijn algemeen in de bovengrond rondom de bebouwing bijmengingen van puin- en kooldeeltjes waargenomen, waarmee er noodzaak was tot aanvullend asbestonderzoek. Hiervoor is het erkende bedrijf Adcim BV ingeschakeld. De veldwerkrapportage van Adcim is opgenomen als bijlage 6 van onderhavig rapport. Op de datum van grondwatermonstername werd grondwater op 0.70 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.

4.2

Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.

De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); >T overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); >I overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging). Grond. Mengmonster

Bodemlaag

Gehalte > AW

Gehalte > T

Gehalte > I

1+3+4+5

Geroerde bovengrond rondom bebouwing

Cadmium,koper,kwik lood,zink,PAK

-

-

2+6+7+8

geroerde bovengrond rondom bebouwing

kobalt,koper,zink nikkel,PAK

lood

-

9 t/m 14

bovengrond noordelijk grasland

cadmium,koper,kwik lood,molybdeen nikkel,zink, PAK

-

-

1.2+12.2+12.3

ondergrond kleiig veen

lood,molybdeen

-

-

Nader onderzoek matig verhoogd loodgehalte. Naar aanleiding van het matig verhoogde loodgehalte in bovengrondmengmonster 2+6+7+8 is een uitsplitsing uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan zijn rondom boring 6 drie extra boringen verricht en nog 4 extra loodanalyses uitgevoerd. In onderstaande tabel staan de betreffende resultaten. Monster

bepaald loodgehalte

loodgehalte BOTOVA

AW 2000

T-waarde

I-waarde

2 (40-90)

190

191

*

50

290

530

6 (10-50)

1300

1305

***

"

"

"

6.2 (50-100)

76

76

*

"

"

"

7 (20-70)

140

141

*

"

"

"

8 (0-50)

240

241

*

"

"

"

15 (0-50)

70

70

*

"

"

"

16 (40-80)

73

73

*

"

"

"

17 (0-50)

130

130

*

"

"

"

BOTOVA-gehalten zijn gebaseerd op de in het mengmonster bepaalde gehalten aan lutum van 18% en humus van 16.7%. * overschrijding AW 2000 ** overschrijding tussenwaarde *** overschrijding interventiewaarde

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

7 Grondwater peilbuis 1 In het grondwater is onderstaande overschrijding aangetroffen. Parameter

Gehalte in ug/l

Barium

280

streefwaarde

Tussenwaarde

50

340

*

Interventiewaarde 625

Onderzoek PFAS (waaronder PFOA en PFOS) Mengmonster 1+3+4+5 is extra onderzocht op PFAS met onderstaande gehalten voor de 2 meest relevante stoffen uit deze reeks: PFOA 6.1 ug/kgds en PFOS 0.87 ug/kgds. 4.3 Asbestonderzoek (uitgevoerd door Adcim BV). Naar aanleiding van de aanwezigheid van puinresten in lichte tot matige mate in met name de bovengrond rondom de oude boerderij is aan een daartoe bevoegd onderzoeksbureau opdracht gegeven om een asbestonderzoek uit te voeren op deze bovengrond. Hierover het volgende: NB: Voor de onder de erkenning BRL SIKB 2018 (onderzoek asbest in bodem) vallende werkzaamheden is de firma Adcim BV ingeschakeld. Dit bedrijf beschikt over de erkenning voor het protocol 2018. De betreffende monsternemer (dhr. M. Visser) is geregistreerd bij Bodemplus. De laboratoriumanalyses zijn uitbesteed aan het daarvoor erkende laboratorium AL-West. Voor de rapportage inclusief toetsing geldt geen erkenningsplicht. Deze werkzaamheden zijn verricht door O. Bakker van Bakker Milieuadviezen. Hieronder volgt een kort verslag. Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar bijlage 6, waarin de veldwerkformulieren van Adcim BV en het analyserapport van AL-West zijn opgenomen. Uitgevoerde werkzaamheden. Op 31 januari 2020 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd.

Op basis van de oppervlakte van het terreindeel met puinhoudende grond (circa 750 m2) zijn 4 inspectiegaten gegraven. Bij de inspectie op asbest is het bemonsterde materiaal uitgespreid op folie met een hark. Vervolgens is gekeken naar de aanwezigheid van visueel waarneembare asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen. Laboratoriumanalyses. Het verzamelmonster van het uitgegraven monstermateriaal is ter analyse naar AL-West verzonden. Het verzamelmonster bestond uit monstermateriaal dat gezeefd is over 20 mm. In het verzamelmonster is het volgende asbestgehalte aangetroffen: Mengmonster A (puinhoudende grond) < 1 mg/kgds

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

8 5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.

Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: De licht tot matige puinhoudende bovengrond rondom de boerderij is licht verontreinigd met divere metalen en met PAK. Dit zijn gebruikelijke verhogingen op langdurig in gebruik zijnde percelen langs oude lintbebouwingswegen; -

In een tweede mengmonster van de puinhoudende bovengrond rondom de boerderij en de schuren bleek de bovengrond ook licht verontreinigd met diverse metalen en PAK maar matig verontreinigd met lood. Uit de uitsplitsing kwam naar voren dat de bovengrond bij alleen boring 6 sterk verhoogd was. Om deze reden zijn de extra boringen 15, 16 en 17 verricht rondom boring 6. Hierbij zijn slechts lichte verhogingen voor lood aangetroffen en dat geldt ook voor de ondiepe ondergrond van boring 6. Uiteindelijk is er dus sprake van slechts 1 interventiewaarde-overschrijding voor lood ter plaatse van boring 6. Er is duidelijk geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Feitelijk kan aan deze vermoedelijk enige negatieve toevalstreffer geen bodemvolume gekoppeld worden. Er is geen directe noodzaak of reden om deze kleine spot te saneren/verwijderen;

-

De bovengrond op het noordelijke graslandgedeelte bevat ook de gebruikelijke lichte verhogingen aan diverse metalen en PAK;

-

De zintuiglijk onverdachte venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan lood en molybdeen;

-

De bovengrond op het terrein is in een mengmonster onderzocht op PFAS. De gehalten aan PFOA (6.1 ug) en PFOS (0.87 ug) komen goed overeen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ;

-

Het grondwater uit peilbuis 12 bevat een licht verhoogd bariumgehalte, hetgeen een niet relevante verhoging is; In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinhoudende bovengrond op de zuidelijke terreinhelft.

-

Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. NB: bij eventuele afvoer naar elders van mogelijk overtollige licht verontreinigde bovengrond dient men qua kosten rekening te houden met de regels uit het Besluit Bodemkwaliteit. Er bestaat overigens geen enkele plicht tot afvoer van licht verontreinigde grond. Gezien de PFAS-problematiek wordt ook aanbevolen om juist te werken met een gesloten grondbalans. Overwogen kan worden om de minimale loodspot bij boring 6 te verwijderen maar vanuit de Wet Bodembescherming is dit niet verplicht. Gezien de ligging nabij de woning en het pad kan er voor gekozen worden om dit deel te voorzien van een verharding waarmee er al helemaal geen risico meer uitgaat van de zeer plaatselijke loodspot.

V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf

Bakker Milieuadviezen

Omgevingskaart

Klantreferentie: heul75

0m

125 m

625 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Bleskensgraaf D 404 Heulenslag 75, 2971VH Bleskensgraaf ca CC-BY Kadaster.

Schaal 1: 12500

13 14 12

grasland 10

grasland

11 9

404

schuur

405

1

8

236 hooiberg

7

uur

3

sch

2 4

stal

73

406 tuin

5

sla en

17

ul

woning

He

N

g

15 16 6

75

74

398

Bijlage 2: situatietekening V.O. Heulenslag 75, Bleskensgraaf 1 : 500 Boring 0.5 m-mv Boring 1.5 m-mv Peilbuis

399 242

Bakker Milieuadviezen BM 2601-2020 Get. A.F. Bakker

74 a

2

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

1

Boring:

GWS: Opmerking:

2

GWS: Opmerking:

0

0 1

-50

50

-70

1,2

100

Klei, matig zandig, sterk humeus, matig puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

0 -15

0

-40

50

Veen, zwak kleiïg, donkerbruin

puin Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak puinhoudend, donkergrijs

2

Klei, zwak siltig, sterk humeus, grijsbruin

grind

-100

100

-150

150

Boring:

3

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0 3

-50

50

Boring:

4

Klei, matig zandig, sterk humeus, matig puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

5

4 -50

50

Boring:

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, matig zandig, sterk humeus, matig puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

6

GWS: Opmerking:

0

0 5

-50

50

Klei, matig zandig, sterk humeus, matig puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

0 -10

0 6

-50

50 6,2

-100

100

Projectcode: 2601

Heulenslag 75 Bleskensgraaf

Klei, matig zandig, matig humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, neutraalbruin Zand, matig fijn, kleiïg, lichtbruin Klei, zwak siltig, matig humeus, donkergrijs

6,3 150

grind

-160

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

7

Boring:

GWS: Opmerking:

8

GWS: Opmerking:

0 -10 -20

0 7

50

-70

beton Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak puinhoudend, lichtbruin

0

0

Klei, zwak zandig, matig humeus, zwak puinhoudend, donkerbruin

8 -50

50

Klei, zwak siltig, matig humeus, zwak puinhoudend, donkergrijs

Boring:

9

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

9 -50

50

Boring:

10

GWS: Opmerking:

0

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

11 -50

50

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

10 -50

50

11

0

0

0

Boring:

12

GWS: Opmerking:

30 pH 6,9 Ec 150 mS/m 41 NTU

0

0

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

12 -50

50

Veen, sterk kleiïg, donkerbruin

12,2 100 12,3 150 200

Projectcode: 2601

Heulenslag 75 Bleskensgraaf

-200

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

13

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

13 -50

50

Boring:

14

0

0

-50

50

15

Boring:

GWS: Opmerking:

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

14

16

GWS: Opmerking:

0

0 15

-50

50

Klei, matig zandig, matig humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

0 -10

0

-40

50

16 -80

Boring:

17

GWS: Opmerking:

0

0

Klei, sterk zandig, matig humeus, zwak puinhoudend, donkerbruin

17 -50

50

Projectcode: 2601

Heulenslag 75 Bleskensgraaf

grind puin Klei, zwak zandig, matig humeus, zwak puinhoudend, donkerbruin

Bijlage 4 Analyserapporten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=12edb003-6048-4dd8-97b6-a2d819e691c7