CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

250114 Rekenkamer eindrapport duurzaamheid incl bijlagen

Gezamenlijke Commissievergadering 6 februari 2025, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Rekenkamerrapport Duurzaamheid Molenlanden24.602 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rekenkameronderzoek Duurzaamheidsbeleid gemeente Molenlanden januari 2025

Inhoud Bestuurlijke nota .................................................................................................... 3 Inleiding .............................................................................................................. 3 1.2

Conclusies en aanbevelingen .................................................................... 5

1.3

Reactie College van B&W ......................................................................... 17

Bijlagen ................................................................................................................ 23 Bijlage 1 Lijst met geïnterviewden ..................................................................... 23 Bijlage 2 Factsheet, opgesteld door onderzoeksbureau SME .............................. 24 Bijlage 3 Rapport onderzoeksbureau SME ‘Duurzaamheid Molenlanden’ ............ 24

2

Bestuurlijke nota Inleiding In het vierde kwartaal van 2023 heeft de rekenkamer aangekondigd onderzoek in te stellen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het gevoerde duurzaamheidsbeleid zoals neergelegd in het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022 - 2025. In het daarvoor gepresenteerde onderzoeksprogramma van de rekenkamer is er ruimte opgenomen voor een groter onderzoek. Daarbij is duurzaamheid als één van de mogelijk te onderzoeken thema’s genoemd. Met het beleid zijn substantiële middelen gemoeid. Onderzoeksvragen De rekenkamer heeft de volgende vragen bij de doorlichting van het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Molenlanden centraal gesteld: 1. Welke overkoepelende doelstellingen hanteert de gemeente in haar duurzaamheidsbeleid? 2. Welke strategie wordt gehanteerd om de doelstellingen te realiseren? 3. Welke (financiële) middelen worden als beleidsinstrument ingezet voor het duurzaamheidsbeleid? 4. Welk inzicht is er in de realisaties (in de afgelopen jaren) en prognoses (t/m 2050) op elk van deze doelstellingen? 5.

Welk inzicht in de effectiviteit en efficiëntie is er voorhanden? Hoe worden de middelen ingezet en welk effect op het doelbereik heeft deze inzet? In dit rapport wordt verslag gedaan van de bevindingen van de rekenkamer, de op basis daarvan getrokken conclusies alsmede de aanbevelingen die naar aanleiding daarvan aan het College worden gedaan. Onderzoeksverantwoording De rekenkamer heeft de doelen zoals geformuleerd in Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022 - 2025 als uitgangspunt genomen. Aan het terzake deskundige bureau SME is opdracht verstrekt om de doelen, ingezette beleidsinstrumenten en de resultaten op elk van die doelen in beeld te brengen. Daarbij is ook de opdracht gegeven om op basis van de beschikbare financiële gegevens inzichtelijk te maken wat de kosten zijn van de verschillende onderdelen van het Uitvoeringsprogramma. De aan de rekenkamer ter beschikking gestelde onderzoeksresultaten gaven aanleiding tot de conclusie dat de kosten voor het uitvoeringsprogramma niet (geheel) gedekt worden door subsidies en regelingen. In combinatie met het gegeven dat het bereiken van de doelen vooralsnog niet in het zicht is, heeft de rekenkamer aanleiding gegeven om in de tweede fase van het onderzoek vervolgvragen te stellen.

Om deze vragen te kunnen beantwoorden, zijn naast de analyse van documenten een aantal gesprekken gevoerd door de rekenkamer met: • onderzoekers van SME over de conclusies en aanbevelingen • opstellers van het uitvoeringsprogramma voor de gemeente (bureau Rebel) • uitvoerders van de analyse ten behoeve van de jaarlijkse actualisatie (CE Delft) • opstellers van de monitoringsrapportage van het uitvoeringsprogramma (Omgevingsdienst) • ambtenaren van de gemeentelijke dienst • de verantwoordelijk wethouder 3

De onderzoeksbevindingen zijn voor een verificatie op de feitelijkheid voorgelegd voor ambtelijk wederhoor. Vervolgens is de complete rapportage met conclusies en aanbevelingen voorgelegd voor bestuurlijk wederhoor.

4

1.2 Conclusies en aanbevelingen 1. Samenhangend beleid Duurzaamheid is een thema dat speelt in Nederland en ook in Molenlanden. In december 2021 heeft de raad van Molenlanden unaniem het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022-2025 vastgesteld. In dit Uitvoeringsprogramma is bij elkaar gebracht welke doelstellingen de raad heeft vastgesteld om als gemeente in 2050 (nagenoeg) CO2-neutraal, aardgasvrij en klimaatbestendig te zijn. In december 2021 heeft de raad unaniem ingestemd het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022-2025. In dit uitvoeringsprogramma is een overzicht gemaakt welke doelstellingen er zijn en welke aanpak wordt gevolgd om als gemeente in 2050 (nagenoeg) CO2-neutraal, aardgasvrij en klimaatbestendig te zijn. De rekenkamer heeft dit Uitvoeringsprogramma als uitgangspunt van het onderzoek genomen. Het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat richt zich op het samenbrengen van de volgende transitiethema’s: 1. de Regionale Energiestrategie (RES) 2. (Lokale) Warmtetransitie 3. (Lokale) Klimaatadaptatie en Bodemdaling 4. Circulaire Economie 5. Veenweidestrategie.1 Aan de raad is toegezegd dit Uitvoeringsprogramma jaarlijks te actualiseren. Inmiddels hebben twee actualisaties plaatsgevonden en wordt gewerkt aan een derde actualisatie.

In deze actualisaties wordt gekeken naar wat in het voorliggende jaar is gerealiseerd en vooruit geblikt welke activiteiten de komende jaren opgepakt zullen worden om de doelstellingen te realiseren. CE Delft is bij deze actualisatie door de gemeente gevraagd het Uitvoeringsprogramma door te rekenen en het effect te bepalen op de uitstoot van broeikasgassen in de gemeente. Daarnaast monitort de Omgevingsdienst ZHZ een aantal resultaten van het Uitvoeringsprogramma. Ook geeft het college in een terugblik op het afgelopen jaar inzicht in de activiteiten die in het kader van het Uitvoeringsprogramma zijn ontplooid. Deze documenten worden met de raad gedeeld. Het Uitvoeringsprogramma helpt om scherper afgebakend te krijgen wat binnen de gemeente wordt aangemerkt als onderdeel van het duurzaamheidsbeleid. Het lijkt er op dat het concept duurzaamheid iets in zich heeft waardoor het al snel diffuus zou kunnen worden en tot verwarring zou kunnen leiden. Met het Uitvoeringsprogramma wordt een serieuze aanzet gedaan dit te ondervangen door het duurzaamheidsbeleid meer samenhang en inkadering te geven. Met het bieden van dit kader is een noodzakelijke voorwaarde voor het scheppen van helderheid aan de raad ingevuld.

Tegen de achtergrond van deze bevinding was het de verwachting van de rekenkamer dat het eenvoudig zou moeten zijn om een integraal overzicht te hebben in de voortgang, resultaten en kosten van het beleid. Om daar vervolgens ook effectief op te kunnen (bij)sturen zoals met de adaptieve opzet van het programma met een jaarlijkse actualisatie wordt beoogd.

1 De veenweidestrategie maakt geen onderdeel uit van het unaniem genomen raadsbesluit, maar

wel van het uitvoeringsprogramma en de monitoring zoals bijvoorbeeld door CE Delft plaatsvindt.

5

Met die vooronderstelling is de rekenkamer van start gegaan met het opstellen van overzicht van de stand van zaken om helder te krijgen of de gemeente op koers ligt met het behalen van de geformuleerde doelen en of dit gebeurt op een wijze die kostenefficiënt is. Hiervoor heeft de rekenkamer zich laten ondersteunen door een extern bureau: SME (Stichting Milieu Educatie). De inventarisatie van het bureau SME is opgenomen in de bijlage als feitenrapportage.2 Bij het inzoomen op de mate van doelbereik en de kostenefficiëntie van de aanpak heeft de rekenkamer zich laten motiveren door het belang dat de raad hier zelf aan hecht. Dit blijkt uit de unanieme vaststelling van het Uitvoeringsprogramma om zo overzicht te krijgen op de doelen en de realisatie daarvan langs verschillende lijnen. En daarbij om op deze manier overzicht te krijgen op de met het beleid gepaard gaande kosten. Er is bij de vaststelling van het Uitvoeringsprogramma expliciet aandacht geweest voor de kostenkant en het punt dat de kosten voor het duurzaamheidsbeleid geen ‘open einde’ zouden moeten hebben. Zie hiervoor het Uitvoeringsprogramma zelf en ook de aanvullende notitie van 30 november 2021 die door het college met de raad is gedeeld. De scope van het duurzaamheidsbeleid is (nog) niet op alle punten even scherp. Zo is het bijvoorbeeld de positie van de aanpak van veenweide minder eenduidig.

Deze aanpak maakt wel onderdeel uit van het Uitvoeringsprogramma, maar niet van het raadsbesluit uit 2021. Hoewel de resultaten onderdeel zijn van de monitoring door CE Delft, maken deze geen onderdeel uit van de opgenomen informatie uit de klimaatmonitor van het Rijk waar de gemeente op haar website naar verwijst. Daarnaast zijn de maatregelen die worden aangekondigd in het Uitvoeringsprogramma, zoals ophoging waterpeil, niet opgenomen in het monitoringsrapport van de Omgevingsdienst, terwijl de strategie voor een veenweideaanpak volgens de inhoudelijk deskundigen een belangrijke bijdrage kan leveren aan het overkoepelende doel. Conclusie 1: De rekenkamer concludeert dat met het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022-2025 een belangrijke stap is gezet in het bij elkaar brengen en in het verkrijgen van overzicht op verschillende onderdelen van het duurzaamheidsbeleid. Daarmee is een basis gelegd voor integraal duurzaamheidsbeleid in de gemeente. De rekenkamer formuleert tegen de achtergrond van deze bevindingen en conclusie de volgende aanbeveling aan het college: Aanbeveling 1: Borg en versterk de gezette stappen in de integratie van beleid op het terrein van duurzaamheid.

2 Daarbij is in gesprek met de ambtelijke organisatie door de rekenkamer vastgesteld dat de

gevoerde administratie onvoldoende basis biedt om tot een financieel overzicht te komen dat een verband legt tussen doelen, ingezette beleidsinstrumenten en kosten. Hoewel SME een poging heeft ondernomen, heeft dit niet kunnen leiden tot het door de rekenkamer gevraagde eenduidige feitelijke inzicht dat ook door de gemeentelijke organisatie kon worden onderschreven. Dit financiële overzicht is om die reden ook niet bijgevoegd.

6

2. Monitoring van beleidsuitvoering Het Uitvoeringsprogramma als integraal overzichtskader van het duurzaamheidsbeleid is als zodanig nog geen voldoende voorwaarde voor een helder overzicht van de effectiviteit en de kosten van het beleid. Daarvoor is ook een integrale monitoring van de beleidsinspanningen én de beleidseffecten noodzakelijk. De rekenkamer heeft onderzocht of het mogelijk is om een totaaloverzicht te maken van de resultaten en kosten(effectiviteit) van het Uitvoeringsprogramma. Daarvoor is in een eerste fase door het bureau SME een overzicht opgesteld van alle doelen uit het uitvoeringsprogramma, de ingezette maatregelen op die doelen, en de geboekte resultaten. Het resultaat daarvan treft u in de factsheet die in de bijlagen is toegevoegd. Omdat ook na herhaalde pogingen het niet mogelijk bleek om een eenduidig kostenoverzicht op te stellen op basis van de beschikbaar gestelde gegevens, heeft de rekenkamer deze achterwege gelaten (zie daarover hieronder meer). Veel doelstellingen en/of resultaten zijn onvoldoende voorzien van gegevens. Hierdoor kan er op verschillende punten geen inhoudelijke beoordeling plaatsvinden wat betreft de effectiviteit van de beleidsmaatregelen van de gemeente Molenlanden bij het bevorderen van duurzaamheid.

Zo worden diverse doelen niet in de monitoring meegenomen, omdat de indicator er niet was of omdat de data voor de indicator niet beschikbaar is. Uitgaande van de doelen uit het Uitvoeringsprogramma is gesignaleerd waar het aan informatievoorziening aan de raad over de bereikte resultaten ontbreekt (zie geel gearceerde cellen in tabel 1 op de pagina’s 9-11). Dit is op diverse punten aan de orde zoals blijkt uit de overzichtstabel. De rekenkamer wijst op het belang van deze informatie voor de beoordeling van de effectiviteit van de gevolgde aanpak. Ook als het gaat om thema’s waar de gemeente beperkte verantwoordelijkheden en bevoegdheden heeft bij de implementatie van een effectieve aanpak, is het van belang om de informatiepositie zowel op gemeentelijk niveau alsook op regionaal en landelijk niveau goed op orde te hebben. Deze informatie is in het netwerk van verantwoordelijke/bevoegde partijen van betekenis, zodat het de mogelijkheid biedt om het belang van de gemeente in het beleidsnetwerk stevig te agenderen en van daaruit te acteren. Daar waar de informatie op de bereikte resultaten wel voorhanden is, is dat niet steeds op een even geïntegreerde wijze als waarop het Uitvoeringsprogramma zelf is opgesteld.

Zo zijn er op z’n minst drie verschillende overzichten: de rapportage van CE Delft, de monitoring van de Omgevingsdienst en een terugblik van de gemeente over het afgelopen jaar met inzicht in wat er gedaan is (met een accent op de beleidsinput). Op basis van de uitgevoerde inventarisatie heeft de rekenkamer vastgesteld dat: Conclusie 2: De informatievoorziening niet compleet is en beperkt geïntegreerd, waardoor de invulling van de monitoring op de door de raad vastgestelde doelen niet toereikend is om tot een volledig overzicht van de voortgang in de realisatie van de beleidsdoelen te komen. De rekenkamer formuleert tegen de achtergrond van deze bevindingen en conclusie de volgende aanbevelingen aan het college.

7

Aanbeveling 2a: Maak bij de doelstellingen inzichtelijk waar het beoogde beleid aan bijdraagt en breng aan de hand daarvan de feitelijke situatie en prestaties in beeld. Aanbeveling 2b: Vul de informatie aan op de onderdelen waar die nu ontbreekt in de monitoring (zie overzichtstabel voor de ontbrekende onderdelen) en actualiseer die periodiek. Aanbeveling 2c: Maak het beleid en de monitoring toekomstvast door vooruit te kijken om te bepalen of redelijkerwijs verwacht mag worden dat de voor de toekomst vastgestelde doelen gehaald gaan worden. Hanteer hiervoor prognoses en/of scenarioanalyses om inzicht te geven in de toekomstige ontwikkelingen en hun effect op de beleidsdoelen én de daarvoor benodigde beleidsinzet. De wijze waarop dat methodisch door CE Delft reeds gedaan wordt bij de monitoring van de CO2-ontwikkeling kan daarbij als voorbeeld worden gehanteerd. Aanbeveling 2d: Bundel de informatie over de voortgang op de geformuleerde doelen in het Uitvoeringsprogramma in één integraal en actueel overzicht. Bewaak de consistentie van deze integrale monitor over de jaren heen zodat ook inzichtelijk is welke ontwikkeling er is in de voortgang op de doelen.

3. Gerealiseerde effecten van beleid Uit de rapportage die is opgesteld door SME in opdracht van de rekenkamer is af te leiden dat de gestelde doelen niet worden behaald. Dit is eveneens af te leiden uit de beschikbare informatie behorend bij de twee inmiddels opgeleverde actualisaties van het Uitvoeringsprogramma, in november 2022 respectievelijk november 2023. De rapportages van CE Delft laten op de hoofdambitie – de reductie van CO2-emissies – een groot gat zien tussen de doelstelling en de realisatie van CO2-reductie die met het gevoerde beleid verwacht mag worden in 2030. Dit gat is in het jaar tussen de twee actualisaties (2022 en 2023) bovendien nog groter geworden. Dat tussen de eerste en de tweede actualisatie het doelbereik verder uit beeld raakt wat betreft de overkoepelende doelstelling van CO2-reductie, wijst er op dat de adaptieve strategie, met de mogelijkheid om jaarlijks bij te sturen op basis van de geboekte resultaten, (vooralsnog) geen zichtbaar resultaat heeft. In onderstaande tabel zijn, met input van SME, de doelen uit het Uitvoeringsprogramma en de resultaten door de rekenkamer samengevat:

Tabel 1 – Overzicht van doelen en resultaten (In de kolommen onder de titel ‘efficiënt/effectief’ en conclusies duiden de oranje gearceerde cellen er op dat de gestelde doelen op basis van de beschikbare informatie niet gehaald gaan worden; de geel gearceerde cellen duiden er op dat er te weinig informatie is om een conclusie te kunnen trekken over het wel of het niet behalen van de gestelde doelen)

8

Doelstelling

Resultaat

Efficiënt/ effectief

Conclusie

Beleidsoptie

Doel: In 2050 (nagenoeg) CO2neutraal. Voor 2030 wordt gestreefd naar 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Opwek duurzame Energie Doel: In de Regionale Energiestrategie (RES) is de ambitie bepaald dat in 2050 de energie voor 100% uit hernieuwbare bronnen moet komen. In Alblasserwaard moet in 2030 1.150 TJ (0,32 TWh) aan duurzame elektriciteit worden opgewekt, met verdeelsleutel van 51% zon (588TJ) en 49% (562TJ) wind. Doel: In 2030 is 35% van de elektriciteit duurzaam opgewekt.

49% wordt niet gehaald; in 2021 uitstoot gestegen. Sinds 1990 nu 13% reductie; trend zit op 26%.

Onvoldoende

Om 49% in 2030 te behalen moet er meer gebeuren

Landbouw en mobiliteit hebben groot aandeel. Zoek mogelijkheden om daar uitstoot terug te dringen.

Hernieuwbare bronnen is 64% nog niet gerealiseerd of concreet ingepland. Doel wordt zo niet gehaald

Te weinig capaciteit wind

Besluit minder windmolens leidt tot onvoldoende capaciteit.

Heroverweeg het besluit tot het beperken van het aantal windturbines per locatie. Of als capaciteit wind ontoereikend is, overweeg dan mogelijkheid van een groter aandeel zonenergie.

Nu 22,6 % gerealiseerd, doel wordt in deze trend in 2028 behaald

Lokale warmtetransitie Doel: in 2030 is 20% van de gebouwde omgeving verduurzaamd aardgasvrij-ready) / van het aardgas af.

Gestegen van 0,6% in 2020 naar 1,5% in 2021, moet 2% per jaar stijgen.

Doel: In de gebouwde omgeving besparen we tot 2030 30% aardgas ten opzichte van 2020

Licht gestegen door bedrijven, woningen iets gedaald.

Energiebesparing Doel: In de gebouwde omgeving besparen we vanaf 2020 2% energie per jaar tot 2030.

Doel: Het gemeentelijk vastgoed is energieneutraal in 2030 Circulaire economie Doel: maximaal 100kg restafval per inwoner per jaar in 2025

Energieverbruik Licht gestegen in zowel publieke dienstverlening, commerciële dienstverlening als woningen. Geen gegevens

Doel volgens huidige trend niet haalbaar (afname van

Beleid lijkt toereikend te zijn.

Te vroeg om te beoordelen

Doelen worden in huidige trend niet behaald.

Beleid formuleren inzake aantal en welke wijken die van aardgas afgaan om doel te behalen. Beleid bedrijven verduidelijken, bijvoorbeeld: mogelijkheden koppelkansen op één terrein.

Doel 2% besparen per jaar wordt niet gerealiseerd. Beleid besparing nog onvoldoende effectief.

Breng beleid aan dat zich tot het gedrag van inwoners richt.

Geen gegevens om te kunnen beoordelen.

Diftar is recent (2024) ingevoerd. Nog geen

Voorbeeldfunctie gemeente. Communiceer meer over de stappen die gezet worden. Tempo afval per inwoner daalt te langzaam, nieuw beleid/maatregelen

Monitor de impact van het Diftar beleid voor de komende

9

Doelstelling

Resultaat

Efficiënt/ effectief data in effectiviteit en efficiency beschikbaar.

Conclusie

Beleidsoptie

noodzakelijk om doel te behalen

jaren en stimuleer het scheiden van afval.

In 2020 zijn er 4 buurten binnen de gemeente die <20% groen hebben en 16 die >70% verhard zijn. In de gemeente is 32% van de panden gesitueerd op meer dan 300 meter afstand van een verkoelende plek. Onvoldoende gegevens om een trend uit af te leiden. Geen data gevonden voor het percentage water dat rond de kernen kan worden vastgehouden. In 2020 is 25% van de panden in Molenlanden als kwetsbaar ten tijde van extreme neerslag bestempeld.

Onvoldoende gegevens om te kunnen beoordelen.

Een derde van de panden ligt te ver van een verkoelende plek. Hittestress zal vaker voorkomen in de toekomst.

Breng groengebieden aan in de buurten waar veelal hittestress wordt ervaren.

Idem

Geen conclusie mogelijk

Meer inzicht in situatie en daaruit volgend beleid.

De gevonden gegevens tonen geen trend.

Een kwart van de panden in Molenlanden zijn kwetsbaar ten tijde van extreme neerslag. Dergelijke omstandigheden zullen vaker voorkomen in de toekomst.

Verstevig de ‘kwetsbare’ panden.

Alleen binnen de uiterwaarden van de Lek zijn er gebieden die ‘grote kans op overstroming’ hebben ten tijde van hoogwater.

Idem

Beperkt inzicht in trendmatige ontwikkelingen.

Overweeg voor het gebied bij de Lek genoeg ruimte voor de rivier te hanteren om kwetsbaarheid te reduceren.

Er is geen data gevonden wat betreft het tegengaan van bodemdaling.

Idem

Geen conclusie mogelijk.

Versterk de informatiebasis.

Er is een dalende trend in de CO2 uitstoot.

Er zijn geen gegevens over het

Geen conclusie mogelijk.

Ontwerp monitor om de effectiviteit van

230kg/inwoner in 2018 naar 207 kg/inwoner in 2021) Klimaatadaptatie Doel hittestress: De afstand tot verkoelende plekken verkleinen. Dit uit zich in indicatoren zoals het oppervlakte percentage groen en oppervlakte percentage verharding. De gemeente heeft hiervoor <20% respectievelijk >70% gesteld. Ook wordt de afstand tot koele plek meegenomen: iedere woning behoort een koele plek binnen 300 meter te hebben. Doel extreme droogte: rond de kernen minimaal 50% water vasthouden voor gebruik in droge perioden. Doel wateroverlast: Bij extreme neerslag van 90mm in één uur komen voor een korte periode één of meerdere kernen onder water (ongeveer 20cm). De gemeente wil hierbij de mogelijke schade beperken en een eventuele wederopbouw efficiënt laten verlopen. Doel overstromingsgevaar: Rekening houden met de gevaren van overstromingen. Hierbij gelden dezelfde wensen voor kwetsbare panden als tijdens een extreme regenbui. Doel bodem: Tegengaan bodemdaling. Veenweidestrategie Doel CO2: 2500 ton minder CO2 emissie

10

Doelstelling

Resultaat

per jaar door inzet waterinfiltratie. Doel biodiversiteit: Versterken biodiversiteit en vergroten van natuurwaarde

Doelstelling niet gekwantificeerd; en geen gegevens beschikbaar.

Efficiënt/ effectief effect van het infiltratiesysteem. Geen gegevens beschikbaar

Conclusie

Beleidsoptie

Geen conclusie mogelijk.

waterinfiltratie te kunnen aantonen. Versterk informatiebasis.

Op basis van de informatie die beschikbaar is over de bereikte resultaten op de vastgestelde doelen, die is geordend door het bureau SME, heeft de rekenkamer de volgende conclusie geformuleerd. Conclusie 3a: De gestelde doelen worden met de gevolgde aanpak op basis van de best beschikbare gegevens en inzichten die ook met de raad zijn gedeeld niet bereikt. Uit de door de rekenkamer gevoerde gesprekken blijkt voorts dat de gemeente heeft nagelaten de in het Uitvoeringsprogramma opgenomen doelen vooraf te toetsen op hun realiteitsgehalte. Zowel wat betreft de mogelijke consequenties die de beleidsinstrumenten hebben voor het te verwachten doelbereik als voor de uiteindelijke kosten van het programma om de doelen wel te bereiken. In lijn hiermee zijn ook geen scenario’s uitgewerkt of terugschaalopties in beeld gebracht. Ondanks de onzekerheden is vastgehouden aan de hoge ambities. Wel is in het Uitvoeringsprogramma een adaptieve strategie vastgesteld waarbij er ruimte is om bij de uitrol van het Uitvoeringsprogramma ‘de hand aan de kraan te houden’ en beleidsinspanningen en/of doelen bij te stellen. Nu het ‘realiteitsgehalte’ van de ingezette beleidsdoelen en -instrumenten uit het Uitvoeringsprogramma niet ex ante is getoetst, komt het aan op het scherp monitoren en volgen van de vastgelegde adaptieve benadering in het Uitvoeringsprogramma.

Het is de rekenkamer onvoldoende duidelijk geworden hoe geborgd wordt dat de adaptieve strategie zo wordt gehanteerd dat voorkomen wordt dat het beleid een ‘open einde’ heeft qua kosten maar ook qua doelbereik en gevolgde maatregelen. De rekenkamer legt daarom de vraag op tafel of tegen elke prijs aan de hoge ambities wordt vastgehouden en waar er een grens getrokken wordt om te voorkomen dat er een ‘open einde’-situatie ontstaat. Conclusie 3b: Doordat niet helder is welke beleidsmatige en financiële inspanningen vereist zijn om de gestelde doelen alsnog te halen en ook niet duidelijk is gemaakt tot welke prijs aan die doelen wordt vastgehouden, is er een reëel risico dat de gemeente bij het niet halen van de gestelde doelen steeds weer nieuwe financiële verplichtingen aangaat waarvoor het rendement in termen van doelbereik onzeker is. Het valt de rekenkamer op dat – tegen de verwachting bij een adaptieve benadering in – er een verslechtering optreedt in de beleidsresultaten tussen het eerste en het tweede moment van actualisatie. De rekenkamer heeft daarom verkend waarom de verwachte emissiereductie in de analyse van 2023 is afgenomen ten opzichte van het jaar daarvoor.

11

Uit het gesprek met CE Delft is naar voren gekomen dat de belangrijkste reden van de waargenomen verslechtering van het beleidsresultaat het gevolg is van de nadere uitwerking van de Transitievisie Warmte (TVW). In eerdere berekeningen waren er in de berekeningen optimistischer uitgangspunten over de uitwerking van de TVW gehanteerd. Na de invulling van de TVW blijkt de gekozen uitwerking minder op te leveren dan dat aanvankelijk was verondersteld. Dit voorbeeld van het effect van concretisering van de TVW laat daarmee zien dat aanpassingen in het ingezette beleidsinstrumentarium door de gemeente vrij direct doorwerkt in de effectberekeningen van CE Delft. De resultaten van de berekeningen zijn daarmee in ieder geval op het punt van realisatie van de hoofdambitie en de verwerking van de effecten van de gemeentelijke beleidsinstrumenten naar het oordeel van de rekenkamer adequaat. Daar waar actuele ontwikkelingen in rijksbeleid (nog) niet zijn meegenomen, zou dit naar de in het gesprek geuite verwachting van CE Delft niet tot een positieve bijstelling op de te verwachten effecten hebben geleid.

Conclusie 3c: Hoewel CE Delft de conclusie heeft getrokken dat de realisatie van de doelstelling over CO2-reductie op basis van het thans gevoerde beleid van gemeente (en derden) niet gehaald wordt, is het de rekenkamer naar aanleiding hiervan niet gebleken dat de gemeente inmiddels een met feiten en cijfers onderbouwde strategie heeft ontwikkeld, waarmee het grote verschil tussen realisatie (26% CO2-reductie) en doelstelling (49% CO2-reductie) alsnog overbrugd wordt in 2030. Op basis van deze bevindingen en conclusies komt de rekenkamer tot de volgende aanbevelingen aan het college: Aanbeveling 3a: Actualiseer het beleid in het kader van de vastgestelde adaptieve strategie en verwerk daarbij de inhoudelijke suggesties die zijn gedaan voor beleidsopties. Aanbeveling 3b: Reflecteer ook expliciet bij de actualisering op de bijdrage van elk van de genomen maatregelen (input) aan het gestelde doel (output) om op basis daarvan de toegevoegde waarde voor het voortzetten van maatregelen voor de raad inzichtelijk te maken en te kunnen afwegen tegen de kosten van deze maatregelen (zie hieronder). Aanbeveling 3c: Maak eveneens duidelijk bij de actualisering op welke punten bijgestuurd wordt om de resultaten van het beleid te verbeteren.

Ga daarbij expliciet in op de inhoudelijke aanbevelingen die in de monitoring door bijvoorbeeld CE Delft worden gedaan om tot een groter doelbereik te komen en betrek voorbeelden uit referentiegemeenten om de effectiviteit van het beleid te versterken. Aanbeveling 3d: Maak scherper duidelijk in de periodieke integrale monitoring wat de bijdrage is van het gemeentelijke beleid aan het doelbereik en welk deel beïnvloed wordt door derden (zoals het Rijk). Dit maakt het voor de raad meer transparant wat de (relatief beperkte) rol is van het gemeentelijke maatregelen in het doelbereik. Aanbeveling 3e: Geef met feiten en cijfers onderbouwd aan in welke mate verwacht mag worden dat aan de gestelde doelen in de aangegeven zichtjaren wordt voldaan en hoe daarbij

12

het gat tussen de door CE Delft aangegeven realisatie van 26% in 2030 en de gemeentelijke doelstelling van 49% in 2030 wordt gedicht. 4. Kosten van het beleid De kosten die met de gevolgde aanpak in het beleid gemoeid zijn, zijn aanzienlijk. Om te kunnen starten met de uitvoering van dit Uitvoeringsprogramma heeft de raad voor het jaar 2022 een bedrag van € 1.485.000 beschikbaar gesteld uit de Algemene Reserve. Dit bedrag was bedoeld als overbrugging, totdat duidelijk zou worden hoeveel middelen het Rijk op basis van het Klimaatakkoord meerjarig uitkeert aan gemeenten. Om de activiteiten uit het Uitvoeringsprogramma voort te kunnen zetten en te intensiveren voor het jaar 2023 is door de raad eind 2022 unaniem een bedrag van € 750.000 beschikbaar gesteld uit de Algemene Reserve (na de € 1.485.000 voor het jaar daarvoor). Eind 2023 wordt aan de raad gecommuniceerd dat er voor de jaren 2024 en 2025 behoefte is aan een totaalbedrag van € 3.261.200 om het Uitvoeringsplan te implementeren. Een deel daarvan wordt gedekt uit subsidies en regelingen van andere partijen dan de gemeente. Omdat dit niet het gehele benodigde bedrag dekt, wordt aan de raad het besluit voorgelegd om € 719.485 op te nemen op de begroting om de kosten van het Uitvoeringsplan gedekt te krijgen.

De rekenkamer heeft onderzocht of de raad over informatie beschikt dat inzicht verschaft in de totale omvang van de gerealiseerde uitgaven per doelstelling of activiteit, zoals uiteengezet in het Uitvoeringsprogramma. De rekenkamer stelt vast dat er in de raadsstukken rond de financiële onderbouwing veelvuldig cijfers worden genoemd, maar dat een helder overzicht op dit punt ontbreekt. Het is het door de rekenkamer ingeschakelde bureau ook niet gelukt op basis van de beschikbare administratie een gedragen overzicht te reconstrueren. Eerder is ook in de raad een poging gedaan (bij de eerste actualisatie) om meer inzicht te krijgen in de financiële situatie. Toen zijn naar aanleiding daarvan – lopende het debat in de raad – de gerealiseerde kosten in het eerste jaar bijgesteld van ruim € 1,4 miljoen naar € 1,0 miljoen. De rekenkamer heeft op basis van de beschikbare gegevens moeten vaststellen dat ook die cijfers niet correct zijn. Daarmee constateert de rekenkamer dat door de gevolgde wijze van administratie er een onvoldoende robuuste basis is voor een adequate informatievoorziening van het college aan de raad. Dit weegt des te meer omdat de raad op basis van deze niet adequate informatievoorziening gevraagd wordt om besluiten te nemen.

Zo is eind 2022 aan de raad gevraagd om een extra budget van € 750.000 te fiatteren “om de activiteiten uit het Uitvoeringsprogramma te kunnen voortzetten en intensiveren voor het jaar 2023”. Bij de onderbouwing wordt erop gewezen dat er voor 2022 € 1.485.000 ter beschikking was gesteld, maar “[d]it bedrag zal eind van het jaar nagenoeg op zijn”. Deze onderbouwing wordt na het stellen van vragen vanuit de raad in het raadsbesluit op 10 november 2022 vervangen door “Van dit bedrag is op dit moment ca 1 miljoen besteed”. Uit de gegevens die de rekenkamer heeft ontvangen, blijkt dat na de jaarafsluiting 2022 daadwerkelijk € 664.000 is uitgegeven. Eind 2023 wordt opnieuw een beroep gedaan op de algemene reserves, ditmaal voor het jaar 2024 en 2025. In het raadsbesluit 2022 is nog expliciet vastgesteld dat vanaf 2024 de tekorten worden gedekt vanuit rijksgelden en derdengelden: “Vanaf 2024 zullen we geen beroep meer doen op de Algemene Reserve voor de financiering van het Uitvoeringsprogramma. Naast de (extra) rijksmiddelen willen we inzetten op externe financiering”. In het raadsbesluit dat het daaropvolgende jaar wordt 13

voorgelegd, wordt evenwel gesteld dat er een budgetaanvraag van ruim € 719.000 resteert en vervolgens: “In de begroting 2024 hebben we daarom voorzien in een Onttrekking aan de Algemene reserve ten gunste van de Reserve duurzaamheidsprojecten waar vervolgens die lasten uit gedekt worden (…)”. Eerder in deze rapportage (voetnoot 2) is reeds vermeld dat het bureau SME door de rekenkamer gevraagd is om op basis van de beschikbare informatie zo goed mogelijk inzicht te geven voor de jaren 2022 en 2023 in de aanwending van de (o.a. door de gemeente) beschikbaar gestelde middelen ten behoeve van het Uitvoeringsprogramma. De gevoerde administratie over het Uitvoeringsprogramma maakte dit echter niet mogelijk, waardoor het door de rekenkamer gewenste beeld niet in kaart kon worden gebracht. Door de onoverzichtelijke financiële administratie die op het Uitvoeringsprogramma gevoerd wordt, blijft het verder voor de rekenkamer, ook na het intensief onderzoek, moeilijk om vast te stellen hoe het budget wordt benut voor de verschillende ingezette instrumenten van beleid. Het is namelijk niet duidelijk vast te stellen welke kosten aan de aanpak worden toegerekend, met name waar het gaat om de koppeling aan de verschillende onderdelen en doelstellingen van het Uitvoeringsprogramma. Voor de rekenkamer is dit inzicht van essentieel belang als a.

onderbouwing van de afweging om de gevraagde middelen voor de ingezette maatregelen beschikbaar te stellen. b. de kosteneffectiviteit van de ingezette maatregelen voor het bereiken van de gestelde doelen. Zeker in het licht van conclusie 3a. De in het Uitvoeringsprogramma geformuleerde en door de raad vastgestelde adaptieve aanpak heeft er alle reden om op dit punt scherp aan de wind te zeilen. Conclusie 4: De onderbouwing van de voorgelegde raadsbesluiten voor onttrekkingen aan de Algemene Reserve ten gunste van duurzaamheidsprojecten is niet toereikend voor een transparant inzicht ten behoeve van de raad. Verder is het op basis van de gevoerde financiële administratie niet mogelijk scherp inzicht te verkrijgen in de kosten van de verschillende ingezette beleidsinstrumenten in de aanpak van de duurzaamheid, waardoor ook geen stellige conclusies over de kosteneffectiviteit van die instrumenten getrokken kunnen worden in de gevolgde adaptieve strategie. De bovenstaande bevindingen en conclusie geven de rekenkamer aanleiding tot de volgende aanbevelingen aan het college: Aanbeveling 4a: Maak de relatie tussen beleidsdoelen en kostenposten scherp.

Om een duidelijk beeld te schetsen van de kosteneffectiviteit van de ingezette maatregelen is het van belang dat de benaming van de kostenposten op een inzichtelijke manier te verbinden zijn met de informatie in het uitvoeringsprogramma. Geef alsnog dit inzicht aan de raad conform logica van de vastgestelde adaptieve strategie voor de periode 2022-24 en borg dat dit inzicht ook in de toekomst gegeven wordt. Geef in het kader van de vastgestelde adaptieve strategie ook aan welke beleidslessen op basis van dit inzicht zijn of worden getrokken. Uit de overzichten die door de rekenkamer zijn ingezien, signaleert de rekenkamer nog een inhoudelijk aandachtspunt. De middelen die aangewend worden voor overhead/beleid/personeel kan als relatief omvangrijk overkomen in verhouding tot de (beperkte) omvang van de middelen die terechtkomen bij de beleidsadressant (de 14

burger, het bedrijf of de instelling op wie het beleid is gericht). De rekenkamer formuleert op dit punt geen algemene conclusie, omdat de rekenkamer geen feitelijk inzicht heeft in de verhouding. Wel vraagt de rekenkamer in de aanbevelingen proactief aandacht voor dit punt. Aanbeveling 4b: Bevorder het scherp inzichtelijk maken van de overheadkosten bij de ingezette maatregelen. Neem die verhouding mee in de beoordeling van de kosteneffectiviteit van de ingezette maatregelen. 5. Adaptieve benadering Tot slot herhaalt de rekenkamer de noodzaak van een zorgvuldige invulling van de vastgestelde adaptieve strategie in het licht van het ontbreken van een ex ante beoordeling van de beleidsdoelen en -instrumenten. Daarbij is het van belang om op basis van de inzichten in de doelen, instrumenten, resultaten en kosten de ruimte te nemen om te reflecteren op elk van deze vier genoemde elementen. In de gegeven situatie van het geconstateerde gat tussen doel en realisatie heeft deze reflectie urgentie. Om de gestelde doelen te kunnen halen, lijken er extra inspanningen verricht te moeten worden, hetgeen geld kost. Maar de vraag is ook of de meest kosteneffectieve maatregelen zijn gekozen in de aanpak, zoals neergelegd in het Uitvoeringsprogramma, of de maatregelen het meest efficiënt worden uitgevoerd en of de doelen niet te ambitieus zijn en bijstelling behoeven.

De rekenkamer wijst in dit verband op de aanvullende notitie die eind 2021 is opgesteld in antwoord op het zorgpunt dat met de besluitvorming over het Uitvoeringsprogramma een ‘open regeling’ wordt geschapen. In de aanvullende notitie is aan de raad aangegeven dat daar geen sprake van is en worden de knoppen aangegeven waar aan gedraaid kan worden. In deze context wijst de rekenkamer ook op de raadsinformatiebrief van november 2023 waarin wordt gesteld: “Door het jaarlijks bij de actualisatie van het uitvoeringsprogramma strak te monitoren op CO2-indicatoren en reductie, volgen we de effecten en houden we scherp in hoeverre Molenlanden de reductiedoelen haalt en waar bijstelling/meer nodig is”. De rekenkamer heeft in het onderzoek geconstateerd dat hier terecht wordt gesteld dat scherp wordt gemonitord op de CO2-indicatoren en -reductie. Ook wordt in de raadinformatiebrief terecht ingegaan op de beperkte rol van de gemeente. Niet scherp wordt echter gemaakt welke bijstelling precies wordt doorgevoerd, gegeven het gesignaleerde gat tussen doel en realisatie, wat daarvan redelijkerwijs verwacht mag worden, of dat de rol van de gemeente is en of de kosten opwegen tegen het te verwachten effect van deze bijstelling.

En juist dat is wel noodzakelijk om daadwerkelijk invulling te geven aan twee belangrijke elementen die in het beleid en in het gesprek daarover met de raad zijn vastgelegd: 1. er wordt een adaptieve benadering gevolgd (zie Uitvoeringsprogramma) 2. er is geen sprake van een open einde-regeling (zie aanvullende notitie)

15

Tegen de achtergrond van bovenstaande bevindingen komt de rekenkamer tot de volgende conclusie: Conclusie 5: De vastgestelde adaptieve strategie is een waardevol onderdeel van het Uitvoeringsprogramma, maar krijgt vooralsnog onvoldoende invulling. De laatste aanbeveling van de rekenkamer aan het college sluit daarop aan. Aanbeveling 5a: Neem in het kader van de vastgestelde adaptieve strategie nadrukkelijk de ruimte om te reflecteren op het ambitieniveau van de gestelde (gemeentelijke) doelen, ingezette instrumenten, behaalde resultaten en de daarmee gemoeide kosten in het licht van wat de gemeente moet, kan en wil in het duurzaamheidsbeleid. Aanbeveling 5b: Overweeg een presentatie van bijvoorbeeld PBL of CE Delft ten behoeve van de raad, waarbij een toelichting wordt gegeven op a) de status van de doelstellingen en de ruimte die er is om daarvan op gemeentelijk niveau af te wijken en b) de methodiek en actualiteit van de monitoring zoals die voor de gemeente Molenlanden wordt uitgevoerd. Met de hierboven geformuleerde aanbeveling bepleit de rekenkamer om de uitvoering van twee waardevolle uitgangspunten in het vastgestelde beleid te borgen: een adaptieve benadering die geen ‘open einde’ kent.

16

1.3 Reactie College van B&W

Aan: Rekenkamer Molenlanden

Datum: 17 december 2024 Zaaknummer: 1230467 Voor informatie:Minke Regenboog

Onderwerp:

minke.regenboog@jouwgemeente. nl Bestuurlijke reactie rekenkameronderzoek Duurzaamheidsbeleid Molenlanden

Geachte leden van de Rekenkamer Molenlanden,

Allereerst dank voor de onderzoeksrapportage Duurzaamheidsbeleid Molenlanden. Het onderzoek heeft zich gericht op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het tot op heden actuele duurzaamheidsbeleid, gebaseerd op de doelen zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022 -2025. Hierbij is ook gekeken naar de kosten toegekend aan de uitvoering van dit beleid. In deze brief geven wij een reactie op conclusies en bevindingen van de rekenkamer. Algemene reactie Duurzaamheidsthematiek is van internationaal en nationaal belang en daarmee ook van de gemeente Molenlanden. Als gemeente onderschrijven wij de uitdagingen en mogelijkheden die alle ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid en klimaat onze samenleving en daarmee ons als gemeente geven. Het is in een ieders belang om hier middels een adaptieve strategie en gedegen uitvoering op te anticiperen. Het gaat om een aantal transities; de energietransitie (RES), de warmtetransitie, klimaatadaptie en de landbouw transitie. Deze transities zijn onderhevig aan dynamische externe actoren, welke ook niet altijd allemaal in de beïnvloedingsfeer van de gemeente liggen. Daar waar dit wel het geval is, hebben we bij transities te maken met de bekendheid van de richting en de eindopgave, maar de weg er naartoe ontdekken we gaandeweg. Het rekenkamerrapport laat deze zoektocht ook zien.

Als gemeente volgen wij (met name) de Rijksdoelstellingen welke via nationale programma’s bij gemeenten zijn belegd, denk hierbij aan de Warmtetransitie, Regionale Energie Strategie ed. We onderschrijven deze en maken, mede op verzoek van de raad, de vertaalslag naar het uitvoeringsprogramma. Dat uitvoeringsprogramma bevat gemeentelijke doelstellingen en opgaven, alsook landelijke doelstellingen en opgaven. Aan deze landelijke doelstellingen zijn ook de rijksfinanciën gekoppeld voor de dekking van de gemeentelijke uitvoering van de doelstellingen op lokaal niveau. Deze middelen zijn een belangrijke drager van de activiteiten in het uitvoeringsprogramma. Het betreft daarbij veelal lange termijn doelstellingen waarbij ingezet wordt op een exponentiele groei, hetgeen resulteert dat er eerst geïnvesteerd moet worden om 17

een bepaalde versnelling te bereiken. Dit model past bij een van de meest complexe transities waar de overheid voor heeft gestaan. Daarbij komt dat de data waar vanuit daadwerkelijk gemeten wordt, twee jaar achterloopt. We missen in de algemene beschouwing van dit onderzoeksrapport deze context die naar ons inzien relevant is voor het totale beeld. Een deel van de conclusies van de rekenkamer lijkt meer van een lineair model uit gaan. Vanuit dat lineaire model zijn de conclusies logisch en begrijpelijk. Bestuurlijk is het wel de vraag of dat het juiste debat oplevert, omdat we in de fase waarin we nu zitten, opstarten. Als we eenmaal het hoe te pakken hebben is, is de verwachting dat er inderdaad sprake zal zijn van exponentiële toegroei naar de doelstellingen. We zoeken nog wel naar een monitoringsinstrument dat recht doet aan de aard van de transitie: niet lineair, maar traag beginnend en daarna exponentieel. Het rekenkameronderzoek geeft daar vooralsnog geen handvatten voor. Reactie op de conclusies en aanbevelingen Conclusie 1: De rekenkamer concludeert dat met het Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en Klimaat 2022-2025 een belangrijke stap is gezet in het bij elkaar brengen en in het verkrijgen van overzicht op verschillende onderdelen van het duurzaamheidsbeleid. Daarmee is een basis gelegd voor integraal duurzaamheidsbeleid in de gemeente.

Aanbeveling 1: Borg en versterk de gezette stappen in de integratie van beleid op het terrein van duurzaamheid. Reactie: Wij onderschrijven de conclusie en vinden herkenning in de aanbeveling daar wij hier ook continu naar streven in lijn met het uitvoeringsprogramma en bovenliggende visies en strategieën. Conclusie 2: De informatievoorziening niet compleet is en beperkt geïntegreerd, waardoor de invulling van de monitoring op de door de raad vastgestelde doelen niet toereikend is om tot een volledig overzicht van de voortgang in de realisatie van de beleidsdoelen te komen. Aanbeveling 2a: Maak bij de doelstellingen inzichtelijk waar het beoogde beleid aan bijdraagt en breng aan de hand daarvan de feitelijke situatie en prestaties in beeld. Aanbeveling 2b: Vul de informatie aan op de onderdelen waar die nu ontbreekt in de monitoring (zie overzichtstabel voor de ontbrekende onderdelen) en actualiseer die periodiek. Aanbeveling 2c: Maak het beleid en de monitoring toekomst vast door vooruit te kijken om te bepalen of redelijkerwijs verwacht mag worden dat de voor de toekomst vastgestelde doelen gehaald gaan worden. Hanteer hiervoor prognose en/of scenarioanalyses om inzicht te geven in de toekomstige ontwikkelingen en hun effect op de beleidsdoelen én de daarvoor benodigde beleidsinzet.

De wijze waarop dat methodisch door CE Delft reeds gedaan wordt bij de monitoring van de CO2ontwikkeling kan daarbij als voorbeeld worden gehanteerd. Aanbeveling 2d: 18

Bundel de informatie over de voortgang op de geformuleerde doelen in het Uitvoeringsprogramma in één integraal en actueel overzicht. Bewaak de consistentie van deze integrale monitor over de jaren heen zodat ook inzichtelijk is welke ontwikkeling er is in de voortgang op doelen. Reactie: In het onderzoeksrapport wordt als onderbouwing op deze conclusie genoemd dat na herhaalde pogingen het niet mogelijk bleek om een eenduidig kostenoverzicht op te stellen op basis van de beschikbaar gestelde gegevens. En dat hierdoor een overzicht als dit is achterwege gelaten. Echter in bijlage 3 is een overzicht bijgevoegd van deze weergave. Per thema (lees: Warmtetransitie, RES, Klimaatadaptatie, etc.) is een (financieel) overzicht aangeleverd, gelijk aan het uitvoeringsprogramma. De administratie is gecategoriseerd per thema. Het onderzoek heeft zich gericht op een andere manier van administreren, waardoor het maken van een vergelijk als ook een conclusie lastig is. Hierdoor herkennen wij ons niet geheel in de opgenomen conclusie. Laat onverlet dat wij de aanbevelingen voortvloeiend uit deze conclusie wel ter harte nemen, want ook bij het administreren op thema hechten wij waarde aan kwalitatieve monitoring. Daar waar mogelijk zullen wij de methodiek als toegepast door CE Delft bij de monitoring van de CO2- ontwikkeling overnemen, dan wel naar maatwerk toepasbaar maken.

Conclusie 3a: De gestelde doelen worden met de gevolgde aanpak op basis van de best beschikbare gegevens en inzichten die ook met de raad zijn gedeeld niet bereikt. Conclusie 3b: Doordat niet helder is welke beleidsmatige en financiële inspanningen vereist zijn om de gestelde doelen alsnog te halen en ook niet duidelijk is gemaakt tot welke prijs aan die doelen wordt vastgehouden, is er een reëel risico dat de gemeente bij het niet halen van de gestelde doelen steeds weer nieuwe financiële verplichtingen aangaat waarvoor het rendement in termen van doelbereik onzeker is. Conclusie 3c: Hoewel CE Delft de conclusie heeft getrokken dat de realisatie van de doelstelling over CO2-reductie op basis van het thans gevoerde beleid van gemeente (en derden) niet gehaald wordt, is het de rekenkamer naar aanleiding hiervan niet gebleken dat de gemeente inmiddels een met feiten en cijfers onderbouwde strategie heeft ontwikkeld, waarmee het grote verschil tussen realisatie (26% CO2-reductie) en doelstellingen (49% CO2-reductie) alsnog overbrugd wordt in 2030. Aanbeveling 3a: Actualiseer het beleid in het kader van de vastgestelde adaptieve strategie en verwerk daarbij de inhoudelijke suggesties die zijn gedaan voor beleidsopties.

Aanbeveling 3b: Reflecteer ook expliciet bij de actualisering op de bijdrage van elk van de genomen maatregelen (input) aan het gestelde doel (output) om op basis daarvan de toegevoegde waarde voor het voortzetten van maatregelen voor de raad inzichtelijk te maken en te kunnen afwegen tegen de kosten van deze maatregelen (zie hieronder). Aanbeveling 3c: Maak eveneens duidelijk bij de actualisering op welke punten bijgestuurd wordt om de resultaten van het beleid te verbeteren. Ga daarbij expliciet in op de inhoudelijke aanbevelingen die in de monitoring door bijvoorbeeld CE Delft worden gedaan om tot een groter doelbereik te komen en betrek voorbeelden uit referentiegemeenten 19

om effectiviteit van het beleid te versterken. Aanbeveling 3d: Maak scherper duidelijk in de periode integrale monitoring wat de bijdrage is van het gemeentelijke beleid aan het doelbereik en welk deel beïnvloed wordt door derden (zoals het Rijk). Dit maakt het voor de raad meer transparant wat de (relatief beperkte) rol is van het gemeentelijke maatregelen in het doelbereik. Aanbeveling 3e: Geef met feiten en cijfers onderbouwd aan in welke mate verwacht mag worden dat aan de gestelde doelen in de aangegeven zichtjaren wordt voldaan en hoe daarbij het gat tussen de door CE Delft aangegeven realisatie van 26% in 2030 en de gemeentelijke doelstelling van 49% in 2030 wordt gedicht. Reactie We onderschrijven dat er meer integraliteit nodig is tussen de verschillende sectoren om in lijn van de 49% CO-reductie doelstelling in 2030 en later in 2050 te kunnen handelen, deze goed te kunnen monitoren en hier goede toekomst prognoses op los te kunnen laten. Het uitvoeringsprogramma waar u nu onderzoek naar doet richt zich voornamelijk op de sector ‘gebouwde omgeving’. De gebouwde omgeving is één van de sectoren waar vanuit een bijdrage aan de CO2-reductie verwacht wordt, in lijn met de landelijke opgaven en doelstellingen. Relevante overige sectoren met impact op de CO2-reductie zijn de sectoren mobiliteit, landbouw en industrie.

Er liggen kansen in het verstevigen van de integraliteit in beleidsopties, uitvoeringsprogramma’s en monitoring op het gebied van de CO-reductie binnen onze gemeente. De aanbevelingen in dit onderzoeksrapport onderschrijven deze kansen. Belangrijke kanttekening hierbij is wel dat goed gezocht moet worden naar de haalbaarheid in balans met de beschikbare capaciteit en mogelijkheden. Tweede kanttekening is dat de rekenkamer uit lijkt te gaan van een logical framework achtige aanpak waarbij kosten en effect voorspelbaar zijn. In de transities waarin we nu zitten is een dergelijke planmatige logica vooralsnog niet mogelijk. De door de raad gevraagde doorkijk naar projecten die bijdragen aan de opgaven kunnen wel meer een doorkijk geven. Wellicht is dat een model om monitoring in transitieopgaven mogelijk te maken. Conclusie 4: De onderbouwing van de voorgelegde raadsbesluiten voor onttrekkingen aan de Algemene Reserve ten gunste van duurzaamheidsprojecten is niet toereikend voor een transparant inzicht ten behoeve van de raad. Verder is het op basis van de gevoerde financiële administratie niet mogelijk scherp inzicht te verkrijgen in de kosten van de verschillende ingezette beleidsinstrumenten in de aanpak van de duurzaamheid, waardoor ook geen stellige conclusies over de kosteneffectiviteit van de instrumenten getrokken kunnen worden in de gevolgde adaptieve strategie.

Aanbeveling 4a: Maak de relatie tussen beleidsdoelen en kostenposten scherp. Om een duidelijk beeld te schetsen van de kosteneffectiviteit van de ingezette maatregelen is het van belang dat de benaming van de kostenposten op een inzichtelijke manier te verbinden zijn met de informatie in het uitvoeringsprogramma. Geef alsnog dit inzicht aan de raad conform logica van de vastgestelde adaptieve strategie voor de periode 2022-2024 en borg dat dit inzicht ook in de toekomst gegeven wordt. Geef het kader van de vastgestelde adaptieve strategie ook aan welke beleidslessen op basis van dit inzicht zijn of worden getrokken. Aanbeveling 4b: Bevorder het scherp inzichtelijk maken van de overheadkosten bij de ingezette 20

maatregelen. Neem die verhouding mee in de beoordeling van de kosteneffectiviteit van de ingezette maatregelen. Reactie: We onderschrijven de wens om de relatie tussen de doelen en kosten te verbeteren. En zullen daarvoor ook de verdere mogelijkheden verkennen. We betreuren de opgenomen veronderstelling dat de adequate informatievoorziening van het college aan de raad in twijfel wordt getrokken. Evenals de veronderstelling dat het niet mogelijk is om de cijfers inzichtelijk te krijgen. Waarbij wij concluderen dat er een andere methodiek, systematiek en terminologie wordt gebruikt dan waar met dit onderzoek naar gezocht is. Als gemeente hebben wij een bredere maatschappelijke taak dan enkel het uitvoeringsprogramma duurzaamheid, wat maakt dat de financiële verantwoording en monitoring dient plaats te vinden in de daarvoor gebruikelijke (verantwoording) systematiek van onze gemeente. Bij het voor elk uitvoeringsprogramma anders te organiseren financiële administratie is zeer kostbaar, inefficiënt en onverantwoord. We zullen dus met de methodieken en systematiek als beschikbaar dienen zorg te dragen voor de juiste informatievoorziening. Zowel schriftelijk als mondeling zijn de verschillen verklaard. Het enkele hiaat wat wordt uitgelicht is in de raadsbehandeling onderkend en door de portefeuillehouder geadresseerd.

Verder is tijdens het onderzoek verwezen naar het vaststellingsproces van de jaarrekening en zijn de jaarrekeningen met relevante cijfers voor dit onderzoek aangeleverd en toegelicht. Wij zien deze feiten niet meegenomen zijn in het feitenrelaas. Conclusie 5: De vastgestelde adaptieve strategie is een waardevol onderdeel van het Uitvoeringsprogramma, maar krijgt vooralsnog onvoldoende invulling. Aanbeveling 5a: Neem in het kader van de vastgestelde adaptieve strategie nadrukkelijk de ruimte om te reflecteren op het ambitieniveau van de gestelde (gemeentelijke) doelen, ingezette instrumenten, behaalde resultaten en de daarmee gemoeide kosten in het licht van wat de gemeente moet, kan en wil in het duurzaamheidsbeleid. Aanbeveling 5b: Overweeg een presentatie van bijvoorbeeld PBL of CE Delft ten behoeve van de raad, waarbij een toelichting wordt gegeven op a) de status van de doelstellingen en de ruimte die er is om daarvan op gemeentelijk niveau af te wijken en b) de methodiek en actualiteit van de monitoring zoals die voor de gemeente Molenlanden wordt uitgevoerd. Reactie: We onderschrijven het belang en hebben de wens om verder door te ontwikkelen en visies, strategieën, uitvoeringsprogramma’s en monitoring dichter bij elkaar te brengen en dan ook nog gezien over verschillende beleidsthema’s.

Door de onderdelen te monitoren waarvan we data beschikbaar hebben vergaren we inzicht in wat wel en niet goed werkt, iets effectief of minder effectief blijkt. De afgelopen periode is er ervaring opgedaan met de monitoringsystematiek en dragen de aanbevelingen van dit rapport bij aan de reflectie om te komen tot een verdere doorontwikkeling. Verder hebben we kunnen ondervinden wat de effecten zijn van bijvoorbeeld geopolitieke spanningen op uitvoeringsprogramma’s op lokaal niveau zoals deze. Denk hierbij aan de energiecrisis. Dit versterkt het belang wat wij zien in het hebben van een adaptieve strategie en omarmen daarmee het belang van de 21

verdere ontwikkeling en invulling daarvan als opgenomen in deze conclusie en aanbevelingen. Tot slot Wat wij nog missen in het onderzoeksrapport is een relatie met de benchmark met andere vergelijkbare gemeenten, zoals die in de bijlage (rapportage van SME) is opgenomen. Zo ontstaat er een beeld van hoe ook andere gemeente opereren binnen dezelfde algemene context voor de duurzaamheids- en klimaatopgaves. Verder zijn we verheugd dat de rekenkamer met dit onderzoek en de daaruit volgende aanbevelingen erkenning geeft aan het gestelde uitgangspunt om vanuit het vastgestelde beleid te streven naar een adaptieve benadering die geen ‘open einde’ kent. Graag blijven we gezamenlijk met de raad optrekken om de verantwoordelijkheid die wij als gemeente hebben voor het bieden van adaptie en innovatie met betrekking tot de duurzaamheidsopgave naar goede uitvoering te brengen. Hierbij zijn we ons bewust van de uitdagingen op het gebied van informatievoorziening en administratie. We ervaren het rekenkamer onderzoek als een steun in de rug om blijvend kritisch naar de meer systeemkant van de problematiek te kijken en systemen zo in te richten dat goede monitoring mogelijk gemaakt wordt. We onderschrijven dit en gaan hier verder mee aan de slag.

Concreet betekent dit dat we bijvoorbeeld in lijn met de aanbevelingen verder verkennen op welke duidelijke wijze we de drie monitoringsdocumenten samen kunnen brengen tot één overzichtelijk document. Burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden, de secretaris,

de burgemeester,

Marko Does Theo Segers

22

Bijlagen Bijlage 1 Lijst met geïnterviewden 1. Beleidsambtenaren duurzaamheid 2. Beleidsambtenaren financiën 3. Portefeuillehouder duurzaamheid 4. Vertegenwoordiger CE Delft 5. Vertegenwoordiger Rebelgroup 6. Vertegenwoordiger Omgevingsdienst ZHZ

23

Bijlage 2 Factsheet, opgesteld door onderzoeksbureau SME

Bijlage 3 Rapport onderzoeksbureau SME ‘Duurzaamheid Molenlanden’

24

Thema

Algemeen 5

Doelstelling 2022

H4 (Uitvoeringsplan duurzaamheid en Klimaat 20222025)

D1: Aansluiten bij- en stimuleren van inwoner en bedrijven initiatieven.

Actuele doelstelling

H4 (uitvoeringsplan duurzaamheid en klimaat 2024-2025)

Geen wijzigingen

Strategie

H5 (Uitvoeringsplan duurzaamheid en Klimaat 2022-2025) 1

Communicatie strategie zit in de thematische strategieën gewoven.

Instrument 2023

H6 Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en klimaat. 2023-2026) 2

Geen bekende gegeven.

D2: Inwoners en bedrijven moeten bewust worden van mogelijk, wenselijk en noodzakelijk ander gedrag. D3: Positieve boodschap uitstralen.

Energie transitie RES

D1, Zon: 588TJ in 2030

S1: Zon op dak S1: Zon op veld S2: Wind op land

D2, Wind: 562 TJ in 2030 D3, Innovatie: stimuleren lokale projecten en programma’s D4: warmte: Afstemmen (boven) regionaal vraag en aanbod warmte. Voorkomen dubbel gebruik van bronnen.

Energie transitie TVW

Geen wijzigingen

D4, Energie systeem van de toekomst. (Bewustwording)

S3: Verbinden en ondersteunen actoren 6 S4:

D5, Actualisatie RES met actoren.

Geen wijzigingen

S5:

D6: Energie besparing inwoners 10

Geen wijzigingen

S6: Ondersteunen inwoners.

D7: Energie besparing bedrijven D1: monitoren en herijken TVW D2: Invullen regie rol gemeente.

D3: Gebiedsuitvoeringsplannen

D4: gerichte aanpak bewustwording en stimuleren tot verduurzamen

Geen wijzigingen.

Verduurzamingsabonnementen

S7: Ondersteunen bedrijven. S1: S2: Aanpak Startbuurt (2021-2026) S2: Aanpak nieuwbouwwijken uit na 2005 (2021-2026) S2: Aanpak overige buurten (doorlopend) S3: Uitvoeren gebiedsplan opgesteld vanuit verkenning. S4: Opzetten en uitvoeren van een aanpak gericht op bewustwording.

Regeling reductie energieverbruik Nationaal isolatieprogramma Regeling energiearmoede verduurzamingsabonnementen

verduurzamingsabonnementen

Begrote kosten 2022 3

Begrote kosten 2023 4

Begrote kosten 2024

Realisatie

Communicatie adviseur, centraal digitaal platform, en monitoring: €128.000,-

Adviseur bewustwording en communicatie: €88.000,Centraal digitaal platform: €8.000,-

Adviseur bewustwording en communicatie: €136.600,Centraal digitaal platform: €8.000,-

Website duurzaamheid wordt actueel gehouden. Tevens is er een regelmatige nieuwsbrief duurzaamheid die wordt gepromoot.

(Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en klimaat. 2022-2025)

(Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en klimaat. 2023-2026)

(Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid en klimaat. 2024-2025)

H7 (Meerdere bronnen van toepassing, zie blokken)

Monitoring: €17.500,-

Monitoring: €17.500,-

D1: 210.300,-

D1: 122.800,-

D1: € 70.000,-

D2: €97.250,-

D2: €80.000,-

D2: €200.000,-

D2: 102TJ (2023)

D3: €71.750,-

D3: €77.300,-

D3 €40.000,-

D3: geen waarde

D4: €189.000,- 7

D4: €161.000,-

D4: €65.000,-

D5: geen kosten in beeld 9 D6: €290.280

D5: €263.00,-

D5: €196.000,-

D6: €562.000,-

D6: €186.500,-

Uitvoeringsplan Duurzaamheid en klimaat. 2024-2025

D1: 155 TJ (2023)

Voortgangsrapportage RES Alblasserwaard) Voortgangsrapportage RES Alblasserwaard)

D4: 22,6% duurzaam opgewekte energie (2022) CO2-rapport CE Delft 8

D5: geen waarde

D6: 1279 TJ verbruikt in 2021 in de gebouwde omgeving. Monitoringsrapportage duurzaamheid 2023

D7: €71.341,D1: D2: €893.500,-

D7: €102.441,D1: €0,D2: €337.000,- 11

D7: €25.000,-

D1: €0,D2: €263.800,-

D7: Geen waarde D2 & D3: 1.5% van de woningen is aardgasvrij Monitoringsrapportage duurzaamheid 2023

D3: uitvoeringsplan nog niet van toepassing. D4: €62.500,-

D3: Uitvoeringsplan nog niet van toepassing. D4: €62.500,-

D3: €202.200,- 12

D2 & D3: 39,2 m3 gebruikt in 2021

Monitoringsrapportage duurzaamheid 2023

D4: €0,-

De strategie zoals beschreven in originele uitvoeringsplan is weergegeven. Als een actie in een actueler uitvoeringsplan is toegevoegd dan staat dit los vermeld. Met ‘instrument’ wordt een regeling bedoelt die inwoners ondersteund of stimuleert tot duurzamer handelen. Zodoende zijn er velden leeg daar deze niet door inwoners uitgevoerd en/of bekostigd worden. 3 Alle genoemde kosten bestaan uit personele kosten én werkbudget. 4 Er is gekozen om voor de jaren 2022, 2023, en 2024 de verwachte kosten weer te geven. Dit omdat de financiële administratie van de gemeente ontoereikend is gebleken voor een weergave op meer detail. Verder uitleg is gegeven aan het begin van hoofdstuk 5 van het bijbehorende rapport. 5 De rij ‘Algemeen’ omschrijft het overkoepelende werk dat de gemeente uitvoert ten behoeve van de verschillende thema’s. In het uitvoeringsplan worden deze doelstellingen en activiteiten in het laatste hoofdstuk beschreven. 6 In 2022 werd gefocust op de RSW 2.0. 7 Voor communicatie en participatie 8 Bij een jaarlijkse stijging van 2% punten. Deze groei is gemeten tussen de jaren 2021 en 2022. 9 De actualisatie van de RES 2.0 is nog niet aan de orde. 10 Energie besparing wordt door de gemeente als losstaand thema gehanteerd. Dit omdat er veel overlap, betreffende de ondersteuning en middelen de beschikbaar komen, met de ‘energie transitie TVW’ is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=e57bbdc2-4985-4e20-8eec-af23c2b3c0dc