CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

1a Toelichting

Raadsvergadering 25 mei 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Bestemmingsplan Streefkerk, Nieuwe Veer 3915.810 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 39’

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 39’

Opgesteld door: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Lekdijk 44 2967GB Langerak Identificatie: NL.IMRO.1978.BPNieuweVeer39SKK-VG01 Datum: 23-05-2023 Planstatus: Vastgesteld

2

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 7

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9

1.6

Communicatie (omwonenden) ..................................................................... 9

1.7

Realisatie .................................................................................................... 9

1.8

Leeswijzer................................................................................................. 10

Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 11

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 14

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 19 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 19

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 21

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 27

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 29

3.5

Conclusie .................................................................................................. 30

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 31 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 31

4.2

Watertoets ................................................................................................ 32

4.3

Geluid ....................................................................................................... 38

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 39

4.5

Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 41

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 43

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 47

4.8

Molenbiotoop ........................................................................................... 48

4.9

Ecologie .................................................................................................... 52

4.10 Bodem ...................................................................................................... 55 4.11 Archeologie .............................................................................................. 56 4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 59 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 60 5.1

Inleiding ................................................................................................... 60

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 60

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 60 3

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 61

Bijlage Omschrijving 1 Landschappelijk inpassingsplan 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 Verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) 4 Ecologische quickscan 5 Archeologisch bureauonderzoek

Auteur Referentie Lagendijk tuin- en LTL21582 landschapsarchitecten Voortman Ingenieurs R-JVO/1808

Datum 09-12-2021

Linge Milieu B.V.

22-2035

Nov. 2022

Blom Ecologie B.V.

2022-0399

08-04-2022

ADC Archeoprojecten

Rapport 5947

19-12-2022

11-05-2022

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Nieuwe Veer 39 te Streefkerk betreft een agrarische bedrijfslocatie. De agrariër is voornemens de agrarische bedrijfsactiviteiten te beëindigen. Het plan is om de agrarische bedrijfsbebouwing, behoudens de gesplitste karakteristieke boerderij, te slopen. Conform het principe van de ‘Ruimte-voor-Ruimte-regeling’ is het plan om op de locatie van de huidige melkveestal een levensloopbestendige vrijstaande woning te realiseren. Het plan is strijdig met het huidige bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ (vastgesteld op 20 februari 2018) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’(vastgesteld op 26 maart 2013). Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’ is het realiseren van burgerwoningen niet toegestaan. Tevens is het niet toegestaan de huidige agrarische bedrijfswoningen in de gesplitste karakteristieke boerderij te bewonen wanneer het agrarisch bedrijf is beëindigd. Op 1 maart 2022 heeft het college van de gemeente Molenlanden in principe besloten om medewerking te verlenen aan de beëindiging van het agrarisch bedrijf en sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing in ruil voor de realisatie van een levensloopbestendige vrijstaande burgerwoning. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.

1.1.2 Plangebied Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Streefkerk, sectie E, nummers 693, 838 (gedeeltelijk), 1035 en 1036, aan de Nieuwe Veer te Streefkerk. Aan de oost- en westzijde wordt het plangebied begrensd door de perceelsgrenzen met naastgelegen percelen Nieuwe Veer 37 en 40. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan het open veenweidelandschap.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

5

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan resulteert in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (landschap) Dit plan voorziet in een forse afname van bebouwing/verharding in het landelijk gebied. De agrarische bedrijfsactiviteiten zullen binnen afzienbare tijd worden beëindigd. Middels dit plan wordt leegstand, verpaupering van de agrarische bedrijfsbebouwing en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Verder is een aanzienlijk deel van het agrarisch bouwvlak in het verlengde van de melkveestal verhard (o.a. kuilplaten en sleufsilo’s). Het overgrote deel van de terreinverharding wordt omgezet naar grasland. Hiermee is sprake van een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap wordt hiermee hersteld. Om te komen tot een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst wordt het plangebied op een passende wijze landschappelijk ingericht.

Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf en het verwijderen van het agrarisch bouwvlak is sprake van een verbetering van het woonen leefklimaat van de aangrenzende woonpercelen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat met het verwijderen van het agrarisch bouwvlak de planologische mogelijkheid tot toekomstige realisatie van agrarische bedrijfsgebouwen en terreinverharding tot ver in het veenweidelandschap wordt weggenomen. Toekomstbestendige situatie Het plan is in overeenstemming met het landelijk en zorgbeleid. Het Rijk zet in op langer zelfstandig thuis wonen. Mensen moeten de komende jaren langer op zichzelf blijven wonen in plaats van in beschermde woonzorginstellingen. Middels dit plan wordt een toekomstbestendige woonsituatie gecreëerd. Het plan voorziet in een levensloopbestendige woning op de locatie van de huidige melkveestal. De initiatiefnemers van dit plan zullen hun intrek nemen in deze woning. Hiermee ontstaat een toekomstbestendige situatie waarbij de initiatiefnemer nog jaren op de locatie Nieuwe Veer 39 Streefkerk kunnen blijven wonen. Het plan is een wenselijke ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

6

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld (vastgesteld op 26 maart 2013). Het plangebied heeft de bestemmingen: • Agrarisch; De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waarde – Archeologie – 7; • Waarde – Archeologie – 8; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak;’ • Bouwaanduiding ‘karakteristiek’; • Maatvoeringsaanduiding ‘maximaal aantal wooneenheden: 2; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 100 m’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ vastgesteld. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen van het buitengebied, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plan betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. Verder is op de verbeelding van het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘wetgevingszone: wijzigingsgebied dorpslint’ toegevoegd.

7

Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ Op 27 oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ vastgesteld. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020”. In paragraaf 2.2.2 ‘Verkeer en parkeren’ is beschreven dat dit plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Molenlanden het bestemmingsplan ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan voorziet uitsluitend in een juridische borging voor het reguleren van het beleid met betrekking tot huisvesting van arbeidsmigranten. Door deze regeling wordt het eveneens onmogelijk gemaakt om andere ongewenste huisvestingsvormen toe te staan in woningen. De regeling is overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan (artikel 13.2).

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om op de locatie van de huidige melkveestal op het perceel Nieuwe Veer 39 te Streefkerk een levensloopbestendige vrijstaande woning te realiseren. Verder is het toegestaan om de twee woningen in gesplitste karakteristieke boerderij te bewonen als burgerwoningen.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een planontwikkeling te informeren. Gezien de kleinschaligheid van het plan hebben de initiatiefnemer van dit plan gekozen om de omwonenden persoonlijk mondeling te informeren over de plannen. De buren hebben allen positief gereageerd op de plannen. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners. Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid (VRZHZ) is akkoord met paragraaf 4.6 Externe veiligheid de voorliggende toelichting van het bestemmingsplan.

8

De VRZHZ adviseert de woningen te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). De veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid wil graag betrokken blijven bij de inrichtingsplannen van het gebied om gezamenlijk de zelfredzaamheid van de gebruikers en de beheersbaarheid door de hulpverleners te kunnen optimaliseren. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie (omwonenden) Er is op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via het digitale Gemeenteblad en het Kontakt).

1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande levensloopbestendige woning kan dan worden aangevraagd.

9

1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

10

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Rond de 12e en 13e eeuw is men voor bewoning het uitgestrekte natte veengebied van de Alblasserwaard ingetrokken. Daarbij kwamen de in het veen zichtbare donken en stroomruggen van riviertjes als de Alblas en Goudriaan het eerst voor permanente bewoning in aanmerking. Zo is ook het huidige dorp Streefkerk ontstaan. Op de in het landschap van nature aanwezige zanddonk is in de vroege middeleeuwen de eerste bewoning ontstaan. Recente archeologische vondsten doen zelfs vermoeden dat er door jagers zelfs gebruik is gemaakt van de Streefkerkse donk voor onze jaartelling. In de vroege middeleeuwen vestigden de eerste bewoners van deze streek zich op deze uit het veen oprijzende zandheuvel, om vandaar uit met de ontginning van het moerasland te beginnen. In de Gouden Eeuw begint in Streefkerk de welvaart toe te nemen, wat resulteert in de groei van het dorp. Met de bedijking van de Alblasserwaard neemt ook langzaam de bewoning langs de dijken toe. Zo ontstaat er een langgerekt dijkdorp met een compacte kern. Een ruimtelijke structuur die nog steeds kenmerkend is voor het dorp. De eerste uitbreiding van het dorp concentreerde zich in een compacte bebouwing rond de in 1495 gebouwde kerk, op de van nature aanwezige zanddonk.

Pas in de 20e eeuw kent Streefkerk een grotere uitbreiding en met name de naoorlogse wijken zijn hiervan een goed voorbeeld. Het centrum van het dorp is gelegen aan de Kerkstraat en Kerklaan. De commerciële en maatschappelijke functies zijn langs deze straten geconcentreerd. Doordat Streefkerk een kleine kern is, staat het draagvlak voor winkels onder druk. Een studie naar een passendere schaal en maat voor deze voorzieningen is momenteel gaande. Hierbij spelen zaken als kwaliteit en toekomstvastheid een belangrijke rol. Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern Streefkerk. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Lekdijk/Nieuwe Veer. Langs de Nieuwe Veer is sprake van een verdichting aan lintbebouwing. Deze dichte bebouwing is kenmerkend voor de stedenbouwkundige structuur van het cultuurhistorische lint langs de Lekdijk/Nieuwe Veer. In het lint langs de Nieuwe Veer ziet men een afwisseling van (grotere) historische (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) voormalige arbeidershuizen. Daarbij is sprake van afwisselende functies, agrarische bedrijven, overige bedrijvigheid en woningen wisselen elkaar af. Wat betreft de architectuur van de bebouwing ziet men een afwisseling van traditionele en moderne bebouwing.

De gebruikte bouwmaterialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel. De gebruikte kleuren zijn ingetogen en in harmonie met het omliggende landschap.

11

Afbeelding 3: Foto’s bestaande situatie Nieuwe Veer 39 Streefkerk

12

2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Nieuwe Veer 39 te Streefkerk betreft een agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten zullen binnen afzienbare tijd worden beëindigd. Aan de voorzijde van het perceel staat een karakteristiek boerderijgebouw dat gesplitst is in twee woningen (Nieuwe Veer 38 en 39). Op het achtererf staat in totaal 1.477 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing. Verder is een aanzienlijk deel van het agrarisch bouwvlak in het verlengde van de melkveestal verhard (o.a. kuilplaten en sleufsilo’s).

Te slopen agrarische opstallen (1477 m2)

Afbeelding 4: Te slopen bestaande agrarische bedrijfsbebouwing

13

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het perceel Nieuwe Veer 39 te Streefkerk betreft een agrarische bedrijfslocatie. De agrarische bedrijfsactiviteiten worden binnen afzienbare tijd beëindigd. De gesplitste karakteristieke boerderij aan de voorzijde van het plangebied blijft behouden. Conform het principe van de ‘Ruimte-voor-Ruimte-regeling’ wordt in ruil voor de sloop van in totaal 1.477 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing op de locatie van de huidige melkveestal een levensloopbestendige vrijstaande woning gerealiseerd. Wat betreft de maatvoering van de woning wordt aangesloten bij de bouwregels voor de bestemming ‘Wonen’ in het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ (vastgesteld op 20 februari 2018). In het plan is rekening gehouden met de windvang van de molen ‘de Liefde’. De nieuwe woning wordt op circa 130 meter ten zuiden van het middelpunt van de molen ‘de Liefde’ gerealiseerd. Conform de rekenmethodiek van de provincie Zuid-Holland betekent dit een maximale bouwhoogte van 11 meter voor de nieuwe woning. De maximale bouwhoogte is vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. De nieuwe woning voldoet aan de eisen voor een levensloopbestendige woning. De woning is geschikt (of kan zonder grote bouwkundige ingrepen geschikt gemaakt worden) voor bewoning in alle levensfasen.

De levensloopbestendigheid is middels de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - levensloopbestendige woningen’ vastgelegd in de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan. De ammoniakrechten (750 kg NH3) van het agrarisch bedrijf worden verkocht aan een agrarisch bedrijf in Brandwijk. Voor de overdracht van de ammoniakrechten is een aanvraag Wet natuurbescherming ingediend.

Afbeelding 5: Nieuwe situatie (uitvergroot in bijlage)

14

2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel Nieuwe Veer 39 Streefkerk wordt in de huidige situatie ontsloten via een stoep op de Nieuwe Veer. Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Als gevolg van het plan is sprake van een afname van de verkeersgeneratie. Middels dit bestemmingsplan wordt de planologische mogelijkheid om een agrarisch bedrijf te starten/uit te oefenen met daaraan gerelateerde bedrijfsverkeersbewegingen weggenomen. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROWpublicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad – in zijn geheel - in de categorie ‘niet stedelijk’. Het perceel Nieuwe Veer 39 is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van dit plan uiteengezet. Tabel 1: Parkeerbehoefte Categorie Parkeernorm Factor Aantal Totaal Koop, twee-onder2,2 Per woning 2 4,4 een-kap Koop, vrijstaand 2,4 Per woning 1 2,4 Totaal 7 parkeerplaatsen* * Parkeerbehoefte wordt volgens de richtlijnen naar boven afgerond (Bron: 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020).

Conform het parkeerbeleid wordt op het achtererfgebied van de boerderij voorzien in voldoende parkeergelegenheid (10 parkeerplaatsen). Het parkeren wordt opgelost achter de bebouwing of groen ingepakt middels streekeigen erfbeplanting. Hierdoor worden de geparkeerde auto’s aan het zicht onttrokken. Het plan is in overeenstemming met het parkeerbeleid van de gemeente Molenlanden.

15

Afbeelding 6: Parkeren

16

2.2.3 Landschappelijke inpassing Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden dan wel te versterken is het bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied wenselijk zorg te dragen voor een passende landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing. Het plan resulteert in een aanzienlijke landschappelijke verbetering. Het plan voorziet in een forse afname van bebouwing/verharding in het landelijk gebied. In totaal wordt 1.477 m2 aan agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Het overgrote deel van de terreinverharding (o.a. kuilplaten en sleufsilo’s) wordt omgezet naar grasland. Het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap wordt hiermee hersteld. Daarbij dient opgemerkt te worden dat met het verwijderen van het agrarisch bouwvlak de planologische mogelijkheid tot toekomstige realisatie van agrarische bedrijfsgebouwen en terreinverharding tot ver in het slagenlandschap wordt weggenomen. Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen is door een landschapsarchitect een landschappelijke analyse uitgevoerd.

Dit heeft geresulteerd in de onderstaande kenmerken, kwaliteiten en ontwerpuitgangspunten: Kwaliteiten lint en omgeving • Cultuurhistorische lintbebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen, (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes en vervangende nieuwbouw; • Een afwisseling van landschappelijke doorzichten en samengegroeide lintbebouwing; • Wetering vormt grens met het achterliggende open slagenlandschap; • Het slagenlandschap kenmerkt zich door het open karakter, de slagenverkaveling omringd door sloten en (achter)weteringen en incidenteel ruimtelijke elementen in de vorm van bomenlanen, elzenhakhout akkers en (gerief) boselementen; • Boerderijen zijn hoofdzakelijk rechthoekig opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking. • Boerderijen zijn doorgaans op korte afstand van de weg en parallel aan het slagenlandschap gesitueerd. Overige gebouwen op het achtererf zijn zowel haaks als parallel aan het slagenlandschap gesitueerd.

• Agrarische identiteit; • Streekeigen (erf)beplanting; Kenmerken erf • Karakteristieke boerderij; • Beperkte landschappelijke doorzichten aanwezig; • De agrarische bedrijfsgebouwen, kuilplaten, sleufsilo’s concentreren zich op één slag; • Het perceel heeft een versteende uitstraling; • Streekeigen (erf)beplanting; Ontwerpuitgangspunten • Behouden karakteristieke boerderij; • Behouden/versterken aanwezig slotenpatroon; • Nieuwe woning een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de karakteristieke boerderij; • Parkeren aan het zicht onttrekken; • Het perceel groen inrichten middels streekeigen erfbeplanting. 17

Landschappelijke inpassing De gesplitste karakteristieke boerderij aan de voorzijde van het plangebied blijft behouden. Het plan is om het perceel in te richten in de vorm van een traditioneel boerenerf. Achter de karakteristieke boerderij is ruimte voor het realiseren van de boerentuin. De nieuwe vrijstaande woning wordt gesitueerd ter plaatse van de huidige melkveestal. Het bijgebouw wordt ten noordwesten van de nieuwe woning gesitueerd, zodat een landschappelijk doorzicht wordt gecreëerd naar het open veenweidelandschap. Passend bij een traditioneel boerenerf wordt centraal in het plangebied een markante erfboom geplant. Langs de sloten blijven de karakteristieke knotwilgenrijen behouden en worden waar mogelijk versterkt. Tenslotte, wordt om een duidelijke scheiding tussen het boerenerf en het open slagenlandschap een brede dwarssloot gegraven, waarmee het kenmerkende getrapte slotenpatroon (wetering) in dit gebied wordt hersteld. Het parkeren wordt opgelost achter de bebouwing of groen ingepakt middels streekeigen erfbeplanting. Voor de inrichting van de woonpercelen wordt eveneens gebruik gemaakt van streekeigen erfbeplanting.

Afbeelding 7: Landschappelijk inpassingplan

18

3.

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • • • •

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen Rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

19

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking In dit plan worden één woning toegevoegd. Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is.

20

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie ZuidHolland. De Omgevingsvisie vormt samen met de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma het provinciale Omgevingsbeleid van de provincie ZuidHolland. Het Omgevingsbeleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zeven richtinggevende ambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van ZuidHolland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6.

Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Stedelijke ontwikkelingen De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Het plangebied valt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Vanuit jurisprudentie wordt de nieuwbouw van één woning niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Er is sprake van een forse afname van de verstening in het landelijk gebied. Derhalve is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing.

21

Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). De essentie van ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.

De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’, ‘rivierdijken’ en de ‘linten’.

Plangebied

Afbeelding 8: Provinciale kwaliteitskaart (laag van cultuur- en natuurlandschappen)

22

Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar Rivierdijken Rivierdijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen.

Indien mogelijk worden recreatieve routes gekoppeld aan het water en/of de dijk. Voor ontwikkelingen in de rivierdijken heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders. • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm.

Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

23

Dit plan voorziet in een forse afname van bebouwing/verharding in het landelijk gebied. De agrarische bedrijfsactiviteiten zullen binnen afzienbare tijd worden beëindigd. Middels dit plan wordt leegstand, verpaupering van de agrarische bedrijfsbebouwing en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Verder is een aanzienlijk deel van het agrarisch bouwvlak in het verlengde van de melkveestal verhard (o.a. kuilplaten en sleufsilo’s). Het overgrote deel van de terreinverharding wordt omgezet naar grasland. Hiermee is sprake van een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap wordt hiermee hersteld. Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf en het verwijderen van het agrarisch bouwvlak is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woonpercelen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat met het verwijderen van het agrarisch bouwvlak de planologische mogelijkheid tot toekomstige realisatie van agrarische bedrijfsgebouwen en terreinverharding tot ver in het veenweidelandschap wordt weggenomen. Om te komen tot een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst wordt het plangebied op een passende wijze landschappelijk ingericht. De gesplitste karakteristieke boerderij aan de voorzijde van het plangebied blijft behouden.

Het plan is om het perceel in te richten in de vorm van een traditioneel boerenerf. Achter de karakteristieke boerderij is ruimte voor het realiseren van de boerentuin. De nieuwe vrijstaande woning wordt gesitueerd ter plaatse van de huidige melkveestal. Het bijgebouw wordt ten noordwesten van de nieuwe woning gesitueerd, zodat een landschappelijk doorzicht wordt gecreëerd naar het open veenweidelandschap. Om een duidelijke scheiding tussen het boerenerf en het open slagenlandschap een brede dwarssloot gegraven, waarmee het kenmerkende getrapte slotenpatroon (wetering) in dit gebied wordt hersteld. Het parkeren wordt opgelost achter de bebouwing of groen ingepakt middels streekeigen erfbeplanting. Voor de inrichting van de woonpercelen wordt eveneens gebruik gemaakt van streekeigen erfbeplanting. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 15 maart 2022 is een herziening van de Omgevingsverordening gepubliceerd. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd.

In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

24

b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Inpassen In dit licht kan het plan kan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied.

Bij het plan veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Gebiedsidentiteit De gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren. In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen. Een gebiedsidentiteit is meestal van grote omvang. Het plan betreft de sanering van een vrijkomende agrarisch bedrijfslocatie en de bouw van een vrijstaande woning. Middels dit plan wordt de landschaps- en waterstructuur hersteld. Er vinden geen wijzigingen plaats in de verkeersstructuur. Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf en het verwijderen van het agrarisch bouwvlak is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woonpercelen. Het plan is passend binnen de gebiedsidentiteit. Gebiedseigen De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. Het plan betreft een gebiedseigen ontwikkeling of functie dat naadloos aansluit op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van het gebied.

Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Structuur Onder structuur worden de samenhangende ruimtelijke elementen die in het gebied aanwezig zijn die het gebruik van functies in het gebied mogelijk maken. Er is een gebiedsanalyse gedaan in de omgeving en een architect heeft voor deze locatie een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Er is een analyse gedaan naar de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van de locatie en omgeving. De bestaande 25

landschappelijke kernkwaliteiten op de locatie blijven behouden en/of worden versterkt. Het verkavelings- en slotenpatroon wordt hersteld. Het plangebied wordt groen ingericht met streekeigen beplanting. Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Het plan betreft een kleinschalige ontwikkeling. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Bescherming Molenbiotoop In artikel 6.25 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn – met het oog op een afweging van de molenbelangen – instructieregels opgenomen.

Aan deze instructieregels dient een bestemmingsplan bij vaststelling getoetst te worden. Artikel 6.25 van de omgevingsverordening Zuid-Holland vermeldt hierover: Artikel 6.25 Bescherming molenbiotoop 1. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen binnen de molenbiotoop van traditionele windmolens, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. Binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen nieuwe bebouwing opgericht of beplanting aangebracht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. Binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: i. Voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek; ii.

Voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.

26

2. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is het oprichten van nieuwe bebouwing mogelijk ten behoeve van: a. Een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. Een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop, waarvan de plaats geometrisch is begrensd en verbeeld op kaart 15 in bijlage II, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. In het plan is rekening gehouden met de windvang van de nabijgelegen molen ‘De Liefde’. In hoofdstuk 4.8 ‘Molenbiotoop’ is beschreven dat het plan niet leidt tot een beperking van de windvang van de molen ‘De Liefde’. De bouwhoogte van de nieuwe woning zal niet hoger zijn dan 11 meter. Hiermee is geen sprake van een beperking van de windvang van de molen als gevolg van dit plan. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. In het kader van de regionale centrale visie, de vorming van een vitale regio, zijn niet in gebruik zijnde agrarische bedrijfspercelen niet wenselijk. Middels dit plan wordt een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie gesaneerd. De nieuwe woning wordt op een passende wijze vormgegeven en landschappelijk ingepast.

Het plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is daarmee in overeenstemming met het regionaal beleid.

27

3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.

Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking gebruikt worden. We sturen niet in exacte aantallen op de samenstelling van programma’s. In plaats daarvan hanteren we een kwalitatieve leidraad, die gemeenten helpt om lokaal de juiste keuzes te maken, in overleg met ontwikkelende partijen. Streefkerk is aangeduid als woondorp. Woondorpen vinden voorzieningen op korte afstand in het naastgelegen voorzieningendorp. Woondorpen hebben een hechte gemeenschap dat gebruik maakt van een sterk lokaal sociaal netwerk. Middels dit plan wordt een toekomstbestendige woonsituatie gecreëerd. Het plan voorziet in een levensloopbestendige woning op de locatie van de huidige melkveestal. De initiatiefnemers van dit plan, die al jaren op deze locatie woonachtig zijn, zullen hun intrek nemen in deze woning. Hiermee ontstaat een toekomstbestendige situatie waarbij de initiatiefnemer nog jaren op de locatie Nieuwe Veer 39 Streefkerk kunnen blijven wonen. Bij het overleg van de regionale Bestuurlijke tafel Wonen op 23 juni 2021 zijn afspraken gemaakt over welke plannen regionaal afgestemd worden. Plannen met een beperkte omvang, zoals dit plan, worden opgenomen op de planmonitor en hoeven niet in het regionaal overleg afgestemd te worden.

28

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •

•

•

•

•

•

Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).

In het dorp Streefkerk is er vooral behoefte naar woningen in het segment tot ca. € 300.000 en het segment van € 300.000 tot € 450.000. De behoefte is vooral afkomstig van senioren en starters. Het aandeel 1+2-persoonshuishoudens in Streefkerk is wat groter dan gemiddeld in de gemeente. De aantrekkingskracht op gezinnen van elders is beperkt. De woningvraag is dan ook met name lokaal: starters en senioren die op zoek zijn naar een betaalbare koopwoning. Dit plan voorziet in de eigen woningbehoefte van de initiatiefnemers van het plan. Kijkend naar de Woonvisie Molenlanden 2020-2024 is het plan, alhoewel zeer beperkt van omvang, niet passend in de kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte voor Streefkerk. De afweging is gemaakt om wel medewerking te verlenen aan dit plan door een doorslaggevende ruimtelijke kwaliteitsverbetering en de woning wordt uitgevoerd als levensloopbestendige woning. Met dit plan krijgt een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie een passende nieuwe invulling. Met dit plan verdwijnt het agrarisch bedrijf, de agrarische bedrijfsbebouwing en wordt een woning, landschappelijk ingepast, in het lint gebouwd. Dat is passend in het landelijk woonmilieu. Hiermee is sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woonpercelen. De nieuwe woning voldoet aan de eisen voor een levensloopbestendige woning.

De woning is geschikt (of kan zonder grote bouwkundige ingrepen geschikt gemaakt worden) voor bewoning in alle levensfasen. De levensloopbestendigheid is middels

29

de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - levensloopbestendige woningen’ vastgelegd in de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan. De woning zal voldoen aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. De woning wordt gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De woning wordt gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woning wordt zonder gasaansluiting gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonne-energie. Het plan zorgt daarmee voor een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente Molenlanden.

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • • •

Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is daarmee niet van toepassing; Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (o.a. wegbestemmen agrarische bedrijfslocatie en afname bebouwing/verharding). Bij het overleg van de regionale Bestuurlijke tafel Wonen op 23 juni 2021 zijn afspraken gemaakt over welke plannen regionaal afgestemd worden. Plannen met een beperkte omvang, zoals dit plan, worden opgenomen op de planmonitor en hoeven niet in het regionaal overleg afgestemd te worden.

30

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling (toevoeging één vrijstaande woning). Er is daarmee geen directe m.e.rplicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan is om de agrarische bedrijfsbebouwing, behoudens de gesplitste karakteristieke boerderij, te slopen.

Conform het principe van de ‘Ruimte-voorRuimte-regeling’ is het plan om op de locatie van de huidige melkveestal een levensloopbestendige vrijstaande woning te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen bedrijfsactiviteiten meer plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van het plan is sprake van een afname van de verkeersgeneratie. Middels dit bestemmingsplan wordt de planologische mogelijkheid om een agrarisch bedrijf te starten/uit te oefenen met daaraan gerelateerde bedrijfsverkeersbewegingen weggenomen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=4b8846b1-1028-4e6d-81c4-64ca75cc9c8e