CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening maatschappelijke ondersteuning 2021

Raadsvergadering 4 februari 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Gewijzigde verordening maatschappelijke ondersteuning17.110 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 2.7 (adviscring bij mclding of aenvraag) Voor de u¡tvoering van de wet vraagt het college advies als het zelf niet ter zake deskundig is. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Het kan dan ook voor komen dat het college een deskundigenadvies vraagt. Het behoeft geen toelichting dat het college doorgaans niet over een dergelijk advies zal kunnen beschikken binnen de wettelijke termijnen. De zes-weken-termijn van het onderzoek wordt dan in overleg met de cliënt verlengd. ln geval van een aanvraag heeft het

collegedebevoegdheiddebeslistermijnopteschortenondertoepassingvanartikel 4:l4vandeAwb. Uit de wet vloeit voort dit ook te doen indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden heeft aangeleverd of medewerking heeft verleend aan het onderzoek (als bedoeld in arl.2.3.2, vierde lid, van de wet), voor zover dat van belang is voor het beoordelen van de aanvraag (art. 4:15, tweede lid onder c, van de Awb). Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:8K4567 en CRVB:201 2:BYO324).ln het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst adequate oplossing is. Het kan voor komen dat een aanpassing inpandig kan worden opgelost in plaats van met een aanbouw. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Uit artikel 2.3.8, derde lid, van de wet vloeit voort dat de cliënt medewerking verleent aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen.

Daarbij geldt wel dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (CRVB:2012:8y0448). De hier bedoelde plicht geldt overigens ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend.

Artikcl 2.8 (inhoud bcschikking) De cliënt dient op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn

rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in dit artikel de onderuverpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking dienen te worden opgenomen.

Hoofdstuk 3 Beoordcling van de eanspraak ln dit hoofdstuk van de verordeníng zijn bepalingen opgenomen over de wijze waarop het college de aanspraak op een maatwerkvoorziening beoordeeld. Eerst komen de wettelijke bepalingen aan bod en daarna bepalingen die zijn gebaseerd op artikel 2.1.3 van de wet.

Artikcl 3. I (critcria voor ccn m¡atwcrkvoorzicning) Lid r Het college heeft bij het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag een zodanig beeld van de cliënt gekregen dat, zodra een aanvraag wordt ingediend, alleen nog een beschikking moet worden afgegeven. De voorbereiding op het nemen van die beslissing heeft grotendeels in de onderzoeksfase

24

semeelñ

oerdijk

al plaatsgevonden. De schriftelijke weergave van het onderzoek vormt de basis voor de beslissing op de aanvraag. Lid 2 onder a tot en met d Verder zijn in dit lid zijn voorde kenbaarheid de algemene criteriavan artikel 2.3.5, derde lid, van de wet opgenomen voor de beoordeling van de aanspraak door het college. Het verstrekken van een maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de hekkensluiter. Een belangrijk onderdeel van die beoordeling is de eigen kracht. Daaronder wordt dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Cebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen. lndien naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelUk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Mantelzorg is niet afdwingbaar, maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie.

Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zojawelke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerkte vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zi¡n beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie worden verminderd of weggenomen. Verder volgt uit de systematiek van de wet dat als de cliënt gebruik kan maken van algemene voorzieningen die de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen verminderen of wegnemen er geen taak is voor het college om een maatwerkvoorziening te verlenen. L¡d 3

Dit lid is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, derde lid, van de wet. Daarin staat dat de maatwerkwerkvoorzien¡ng een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend ¡s, is strikt genomen een open norm die slechts in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Uit recente rechtspraak blijkt ook dat een (forfaitaire) financiële tegemoetkoming onder de compenserende maatregel kan vallen (CRVB:2018:395 en 396). De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde ofwellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan totwat de situatie van de aanvragerwas voor hij ondersteuning nodig had. ln het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Lid 4 De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals het collectief vraagafhankelijk vervoer. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer was al bekend (en toegestaan in de jurisprudentie) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (\\A/G) en de Wmo 2007.

Het spreekt voor zich dat het college zich wel op het standpunt moet kunnen stellen dat een collectieve verstrekking een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Lid 5

25

gemeenfe

oerdijk De strekking van het vijfde lid is gelijk aan de strekking van het tweede lid met dien verstande dat dit

lid betrekking heeft op de personenkring van beschermd wonen en opvang. Lid 6

Dit lid is (mede) gebaseerd op de tweede volzin van artikel 2.3.5, vierde lid, van de wet. Daarin staat dat de maatwerkwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die slechts in beperkte mate in de verordening is ingekaderd. Zie verder

toelichting bij lid 3. Lid 7 Een indicatie voor beschermd wonen is slechts aangewezen indien de cliënt is aangewezen op een beschermende woonomgeving (inclusief noodzakelijk verblijf) gelet op diens complexe problematiek. Die kan betrekking hebben op onder meer het psychisch en psychosociaal functioneren of een psychiatrisch ziektebeeld en zich manifesteren op verschillende levensgebieden. Daarnaast is het zo dat de maatwerkvoorzieningen zoals ambulante begeleiding geen passende bijdrage kunnen bieden. Verder is beschermd wonen primair gericht op personen die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving en daarom zijn aangewezen op noodzakelijk verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarvoor kan aanleiding bestaan omdat de cliënt er (nog) niet in slaagt om zelfstandig te wonen zonder (in de directe nabijheid van) 24 uur per dag toezicht of tenminste een overwegend deel van een etmaal en daarbij is aangewezen op ondersteuning. Om die reden is het van belang om eisen te stellen aan de accommodatie indien de cliënt het pgb wenst te besteden aan een nietgecontracteerde aanbieder. Het kan zijn dat de cliënt, op termijn, in staat is een meer regulier leven op te bouwen, maar er zullen ook cliënten zijn die levenslang afhankelijk zijn van een beschermende woonomgeving.

Arti kel 3. 2 Spccifi ekc critcria maatwcrkvoorz¡cn i ng Lid I onder a ln dit onderdeel is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate staat moet stellen tot zelfredzaamheid en panicipatie. Het begrip 'zelfredzaamheid' bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en hetvoeren van een gestructureerd huishouden. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Bij 'panicipatie' gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat de cliënt zich kan verplaatsen. Denk in dit geval aan de mogelijkheid van het verlenen van een vervoersvoorziening. ln welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zUn en kan participeren is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt, het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die slechts in beperkte mate in de verordening is ingekaderd.

De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situat¡e van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. ln het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Tevens is opgenomen dat de maatwerkvoorziening wordt verleend mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dit kan alleen van het college worden gevergd als dat 26

gemeenfe

oerdijk ook op een verantwoorde wijze mogelUk is. Dat wil zeggen dat sprake moet zijn van op maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning. Deze toevoeging heeft te maken met de mogelijke aanspraak op toegang tot de Wet langdurige zorg ('I/lz).

Lid I onder b Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten

goedkoopst adequate maatwerkvoorziening te bieden. Deze vooruvaarde komt overeen met de 'goedkoopst compenserende voorziening' zoals onder de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd.

Lid I onder c Omdat een maatwerkvoorziening een individuele voorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in ovenvegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in ovenregende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning.

Lid2en3 Het college kan een vervoersvoorz¡ening in de vorm het collectief vraagafhankelijk vervoer verlenen voor respectievelijk 'de korte afstand' en voor de wat 'langere afstand' binnen de leefomgeving van de cliënt. Het verschil hiertussen is doorgaans gelegen in de vraag of het gerichte of ongerichte bestemmingen betreft. Zoals in de toelichting bij artikel 3.1, vierde lid, van de verordening al is vermeld geldt de hoofdregel van het pr¡maat van de collectieve maatwerkvoorziening. Het collectief vraagafhankelijkvervoerals aanvullend openbaarvervoer en zal in de meeste gevallen als passende bijdrage kunnen worden aangemerkt. De cliënt die gebruik maakt van het collectief vraagafhankelijk vervoer is daarvoor een ritbijdrage verschuldigd. Het gaat om algemeen gebruikelijke kosten omdat iedereen die gebruik maakt van het Openbaar Vervoer daarvoor ook moet betalen. Met het zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving wordt de cliënt ¡n staat gesteld tot part¡cipatie. Onder de leefomgeving wordt in dat kader l0-l 5 kilometer rondom de woning verstaan (vergelUk CRVB:2009:BH427O en CRVB:2010:8L4037). Daarmee wordt aangesloten op het vervoerssysteem van Valys. Het uitgangspunt quaomvang is bepaald op 1500-2000 kilometer per jaar. Hiermeewordtde lijn zoals die gold onder de Wmo 2007 geborgd.

Dit betekent echter niet dat er in het individuele geval niet meer of minder mogelijk zou kunnen zijn. Het college is immers gehouden maatwerk te leveren en is daarom bevoegd in individuele gevallen om af te wijken. Dat zou bijvoorbeeld (ook) het geval kunnen zijn als er meer dan één vervoersvoorz¡ening wordt verleend en met deze voorzieningen tezamen 1500-2000 kilometer op jaarbasis kunnen reizen bereikt kan worden. Lid 4 onder a

ln de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 201 5 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk CRVB:2009:8K5657, CRVB:2010:8N1265, CRVB:2015:87 en RBSGR:201l:BQ565l). Verwezen wordt naarde begripsbepaling

in de verordening. Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt 27

gemeenfe

oerdÜk verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelrjk als deze: l. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten. De persoon als de cliënt Een vierde vraag is aan het college te beoordelen. Namelijk of op het moment van de aanvraag sprake

is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiksdan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in

principe niet van belang (vergelijk RBARN:2012:8X8032). Lid 4 onder b Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerdervergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zUn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijktegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland venvacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade ofverlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.

Lid 4 onder c Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake, dat is afhankelijk van de individuele s¡tuatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk CRVB:201 I :8Q8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 4 onder d Hoewel de wet geen generieke weigeringsgrond kent, behoort het evenwel tot de eigen

verantwoordelijkheid van cliënt die een melding doet of een aanvraagt indient om naar volle vermogen een beroep te doen op andere wettelijke aanspraken die tot het hetzelfde resultaat leiden. Dat geldt ook voor het besteden van middelen die met eenzelfde doel kunnen worden verleend. Het college beoordeelt of hier sprake van kan zijn.

Artikcl 3.3 Spccifieke critcria woonvoorzicningcn Lid I ln geval van een indicatie voor een woningaanpassing en/of een traplift geldt het principe van het primaat van verhuizen. ln voorkomende gevallen beoordeelt het college de mogelijkheden hiertoe 28

øemeente sM

oerdijk

Deze beoordeling blijft achterwege als het college vaststelt datverhuizen binnen een medisch aanvaardbare termijn niet mogelijk is. L¡d 2

Het spreekt voor zich dat de reikwijdte van de verordening bij het verlenen van een woningaanpassing of een hulpmiddel in de vorm van een traplift zich beperkt tot de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft. De toevoeg¡ng 'zal hebben' is opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de gemeente Moerdijk te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zUnlhaar beperkingen. Lid 3 aanhef ln dit lid zun situaties opgenomen die voor het college aanleiding kunnen zijn om de aanvraag af te wijzen. ln die bepalingen ligt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten. Lid 3 aanhef en onder a Het kan voor komen dat de cliënt is verhuisd tenrvijl daar gelet op de beperkingen in het normale gebruik van de woning geen aanleiding voor was. Een ander voorbeeld is als wordt verhuisd van een adequate naar een -gelet op de te voorziene beperkingen in het normale gebruik van de woninginadequate woning. ls de verhuizing geen gevolg van het ondervinden van beperkingen in het normale

gebruikvan dewoning en bestond ergeen belangrijke reden om toch te verhuizen, dan weigert het college een maatwerkvoorziening. Als belangrijke redenen kunnen worden aangemerkt: samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewUzing van de woonvoorzien¡ng als de aanvrager geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (vergelijk CRVB:2012:BW68l0 en CRVB:201 3:776).ln geval van samenwoning of huwelijk houdt het college ook rekening met de keuze die de cliënt maakt in welke woning men gaat samenwonen. Ook in dat geval moet er een belangrijke reden zijn waarom naar de woning wordt verhuisd waar mogelijk meer aanpassingen moeten worden verricht. Het college betrekt daarbij ook de mogelijkheden die van de 'partner' van de cliënt kunnen worden gevergd. Lid 3 aanhef en onder b ls de cliënt niet verhuisd naar de voor hem beschikbare meest geschikte woning, dan wordt de maatwerkvoorziening in beginsel afgewezen. Het college wordt in voorkomende gevallen namelijk op voorhand de mogelijkheid ontnomen om nog te kunnen bepalen of de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening maar ook wat de goedkoopst passende bijdrage had kunnen zijn.

Onder deze bepaling zijn ook begrepen de aankoop (of het huren) van een woning of een kavel dan wel andere onomkeerbare handelingen zonder dat -voorafgaande daaraan- contact is opgenomen met het college. Door dat na te laten, bijvoorbeeld bij het college te informeren over de mogelijkheden tot maatschappelijke ondersteuning, brengt de cliënt zich in een lastige bewijspositie. De aantoonplicht dat er geen (andere) geschiktere beschikbare woningen waren, ligt in eerste instantie bij de cliënt. Zonder dat aan te tonen kan het college de aanvraag om een woningaanpassing afiruijzen (vergelijk CRVB:2O1 I :8Q2868 en CRVB:2012:8Y5215). Er is dus sprake van een uitzondering op de hoofdregel als de cliënt vooraf (schriftelUk) toestemming aan het college heeft gevraagd en schriftelijk heeft gekregen om te verhuizen naar de betreffende inadequate woning. Lid 3 aanhef en onder c

29

gemeenfe

oerdijk Woningen die niet bestemd en/of geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen kunnen niet dienen als hoofdverblijf. Daarom worden voor woningen die niet geschikt zijn om het gehele jaar te bewonen geen woningaanpassingen verstrekt (vergelijk bijvoorbeeld CRVB:201 1 :BR4l80). Lid 3 aanhef en onder d Deze añrvijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. Hieraan ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Denk bijvoorbeeld aan de constructie van een houten vloer in de woning (vergelijk CRVB:2003 :AM 5445). Lid 3 aanhef en onder e Aan deze afiruijzingsgrond(en) ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid ten grondslag. Net als ieder ander is de cliênt, die (mede)eigenaar is van de door hem bewoonde woning, verantwoordelijk om zaken als achterstallig onderhoud aan diens woning zelf op te lossen. ledereen zal onderhoud moeten plegen aan zijn (eigen) woning, hoe kostbaar dat soms ook kan zijn. Daaronder worden ook de eisen verstaan die redelijkenvijs aan een woning mogen worden gesteld. Voor zover het een eigen woning betreft spreekt dat voor zich. lngeval van een huunruoning ligt het op de weg van de cliënt de verhuurder hiervoor aansprakelijk te stellen. Het college mag daarbij een hoge mate van inspanningsverplichting venryachten van de cliënt.

Hoofdstuk 4 Pcrsoonsgcbonden budget ln dit hoofdstuk van de verordening zijn criteria opgenomen voor de aanspraak, bijbehorende verplichtingen bij de beoordeling van het recht op pgb en regels over de wijze waarop de hoogte van het pgb wordt vastgesteld. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aanleiding om de wijze waarop het pgb wordt vastgesteld in de verordening neer te leggen (CRVB:201 7:1803). Daaronder vallen ook gedifferentieerde tarieven. De hoogte van het pgb sluit vanzelfsprekend aan op het uitgangspunt dat het college niet meer toekent dan goedkoopst adequate maatwerkvoorziening.

Anikcl 4.1 (algcmccn) De beoordeling of er recht bestaat op een pgb is op grond van artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet voorbehouden aan het college. De aanspraak op een pgb is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst (aanvraagt). Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een pgb. Het college beoordeelt of aan de voonvaarden wordtvoldaan. lndien het college een indicatie vooreen

maatwerkvoorziening heeft vastgesteld kan het voor komen dat de cliënt het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verlenen. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan de voonvaarden om in aanmerking te komen voor een pgb moetworden voldaan aan de cumulatieve voonryaarden van dit artikel. Het ligt niet voor de hand dat hier snel met succes een beroep op kan worden gedaan.

Artikcl ¿t.2 (rcgcls pgb) Lid I tot en met 3 Hierin is neergelegd waar de cliënt (budgethouder) het pgb niet aan kan besteden en welke betalingen niet uit een pgb mogen worden gedaan. Lid 4

30

semeenilñ

oerdijk

lndien de cliënt een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland wordt venvacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Lid 5 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting

Lid 6 Het kan voor komen dat het toekennen van pgb's zal leiden tot negat¡eve gevolgen van door het college aan te bieden maatwerkvoorzieningen in natura. Daaronder wordt het bestaansrecht van zo'n maatwerkvoorziening verstaan (financiële doelmatigheidsreden). Een voorbeeld daarvan is collectief vraagafhankelijk vervoer. Lid 7 lndien aan de cliënt een pgb is verleend worden daar afhankelijk van de maatwerkvoorziening die daarmee zal worden aangeschaft, verplichtingen verbonden. Het college heeft ¡n dat kader eerst een zelfstandige bevoegdheid te beoordelen of voldoende is gewaarborgd dat de betreffende maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgerichtworden verstrekt (art. 2.3.6, tweede lid onder c, van de wet). Daarnaast oordeelt het college of de kwaliteit daarvan in redelijkheid geschikt is met het oog op het doel waarvoor het pgb is verstrekt (art. 2.3.6, derde lid, van de wet). Om dat oordeel kracht bij te zetten stelt het college hierover nadere regels in het Besluit zonder dat de gemeenteraad daarmee treedt in de bevoegdheden van het college zoals hier bedoeld. Welke voorwaarden kunnen gelden is vanzelfsprekend afhankelijk van de maatwerkvoorziening die is geïndiceerd. De betreffende voorwaarden kunnen ook gelden voor maatwerkvoorzieningen in natura.

Anikcl 4.3 (vcrplichtingcn pgb dicnstcn) Onder diensten wordt verstaan huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en beschermd wonen. Voor het beoordelen ofwordtvoldaan aan de vooruvaarde om in aanmerking te komen vooreen pgb zal de cliënt die is aangewezen op een maatwerkvoorziening een PGB-plan moeten opstellen. Hoewel het college bij het beoordelen van de voonryaarden ook op grond van art. 2.3.6 van de wet kan vragen om een PCB-plan, ontleend de gemeenteraad deze bevoegdheid naar analogie van de opdracht in art. 2.1.3, tweede lid onder c, van de wet. Hiermee wordt gewaarborgd dat de maatwerkvoorziening die met het pgb wordt ingekocht van voldoende kwal¡teit is. Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelovereenkomst van de Sociale verzekeringsbank (SVB). Deze modelovereenkomsten zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld.

Artikcl 4.4 (hoogta pgb dienstcn) Lid r

Dit lid bepaalt op basis van welke onderdelen de hoogte van het pgb wordt gebaseerd. De hoogte van het pgb sluit vanzelfsprekend aan op het uitgangspunt dat het college niet meer toekent dan de goedkoopst adequate oplossing. Ook is in dit lid de wettelijk eis opgenomen dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. Lid 2 Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de kwalificatie die aan de ondersteuner kan worden gegeven.

31

ge meente

la

Moerd U k

Lid 3 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikcl ¿t.5 (hoogta pgb huishoudclijkc ondcrsteuning) Lidlen2 Deze leden bepalen op basis van welke onderdelen de hoogte van het pgb wordt gebaseerd. De hoogte van het pgb sluit vanzelfsprekend aan op het uitgangspunt dat het college n¡et meer toekent dan de goedkoopst adequate oplossing. Het college stelt de hoogte van het pgb vast op basis van de

kwalificatie die aan de ondersteuner kan worden gegeven. Ook is in dit lid de wettelijk eis opgenomen dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de geïndiceerde maatwerkvoorziening in te kunnen kopen. Lid 3 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting Lid 4

Dit lid betreft de hoogte van het tarief of de vergoeding aan de ondersteuners HO binnen het PGB. Ten aanzien van 4.b. wordt de ministeriële regeling gevolgd die per I mei 2019 van kracht is en het mogelijk maakt om een vergoeding te verstrekken voor informele hulp (burenhulp, vriendendienst en hulp aan familie) zonder dat er onbedoeld een arbeidsrelatie ontstaat op grond waarvan het minimumloon zou moeten worden betaald. ln de Uitvoeringsregeling Wmo 201 5 is het mogelijk gemaakt om vanuit het persoonsgebonden budget door de SVB een laag bedrag per maand uit te betalen aan personen die informele hulp vanuit de sociale relatie met de budgethouder verlenen. Het betreft een lage symbolische vergoeding van maximaal € l4l euro per maand. Deze vergoeding is overigens aan te merken voor de inkomstenbelasting als inkomsten uit andere werkzaamheden. Deze maatregel geeft budgethouders een mogelijkheid om hun informele hulp in te zetten zonder dat daarbij sprake is van een arbeidsrelatie. De feiten en omstandigheden van het individuele geval blijven hierbij doorslaggevend.

Artikcl ¡0.6 (hoogtc pgb ovcrig) Voor hulpmiddelen geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn, waaronder inbegrepen de genoemde kosten. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:8X8897). Het kan voor komen dat de door het college gecontracteerde aanbieder(s) een bepaald hulpmiddel niet in hun zogeheten kernassortiment hebben. Dat betekent dat het college de hoogte van een pgb op een andere objectieve wijze moet vaststellen. Dat kan bijvoorbeeld op basis van een offerte. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt. Voor woningaanpassingen geldt in ieder geval dat deze niet standaard in een assortiment zitten van een aanbieder. Bij een pgb voor een woningaanpassing is het van belang dat de hoogte wordt vastgesteld op basis van een programma van eisen. Bij woningaanpassingen kunnen bijkomende noodzakelijke kosten aan de orde zijn. Denk bijvoorbeeld aan de kosten van bouwkundige in verband met het opstellen van een bouwtekening.

Anikcl 4.7 (controle pgb) Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting

32

genreente

oerdijk Hoofdstuk 5 Bijdrage in de kosten en kostprijs ln dit hoofdstuk van de verordening zijn de regels neergelegd over de verschuldigdheid van een bijdrage in de kosten voor de gebruikers van maatwerkvoorzieningen en ontvangers van een pgb.

Artikel 5.1 (algemcne voorz¡cn¡ngcn) Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting.

Artikel 5.2 (maatwcrkvoorzicningcn Gn pgb's) Lid I Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een pgb. Daaronder wordt ook de maatregel behorend tot de maatwerkvoorziening gerekend (financiële tegemoetkoming). Het vaststellen van de hoogte van de bijdrage en het innen wordt gedaan door het Centraal Administratiekantoor (CAK) op basis van de regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 20.l 5 (landelUke AMvB). Lid 2 Op grond van het Besluit verlaging eigen bijdrageWlz zorg en maatschappelijke ondersteuning

(Kamerstukken ll 2017118,34 104,nr.225)gaan vanaf I januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer Wmo maatwerkvoorzieningen een maximale periodebijdrage betalen van € 19,-betalen ongeacht inkomen en vermogen. Dit geldt niet voor cliënten die gebruik maken van beschermd wonen of maatschappelijke opvang. Cliënten die hiervan gebruik maken blijven de huidige i n komensafhan kel ij ke eigen bijd rage betalen. Conform het nieuwtoegevoegde onderdeel in het derde lid van artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 201 5, geldt de maximale periodebijdrage van € 19,-- niet: o a. indien de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage als bedoeld in artikel 3.ll of 3.12 dan wel een bijdrage ingevolge de artikelen 3.3.2.1 of 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is; o b. indien de cliënt of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; o c. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel l.l van deJeugdwet; o d. voor een rolstoel; o e.

voor een cliënt die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond van

artikel 2.1.5 van de wet een ander de bijdrage verschuldigd is;

o f. door de gehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, waaryan ten minste een o o

van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt; g. indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt; h. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in 33

semeeîñ

oerdijk

de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.

Lid3en4 ln tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 201 5 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend ten behoeve van een minderjarige. Het gaat b¡j een woningaanpassing om onroerende zaken. Dat betekent dat bijvoorbeeld een till¡ft en een verrijdbare douchebrancard niet als woningaanpassing aangemerkt kunnen worden en hiervoor dus geen bijdrage verschuldigd kan zijn. Een woningaanpassing betreft echter niet alleen een aanbouw of uitbouw van de woning (onroerende zaken). Het kan ook gaan om 'roerende zaken'die toch als onroerende zaken (woningaanpassing) aangemerkt worden omdat ze een onlosmakelijk deel uitmaken van de woning. Het Burgerlijk Wetboek spreekt in dergelijke gevallen van zaken die worden nagetrokken door de woning. Het derde lid bepaalt dat voor maatwerkvoorzieningen van technische aard die aangebracht worden ten behoeve van de minderjarige cliënt geen bijdrage verschuldigd is. ln de praktijk zal het doorgaans gaan om maatwerkvoorzieningen in de slaapkamer, de natte cel en/of automatische deuropeners. Denk bijvoorbeeld aan een (al dan niet) elektrisch bedienbare douchebrancard of wastafel in de natte cel die aan de muur bevestigd worden.

Lid5r/m8 Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting

Lid 9

Dit lid geeft invulling aan de delegatiebevoegdheid van het bepalen van de periode en de omvang van de bijdrage. Gelet op de nagenoeg identieke redactie van de toepasselijke regelgeving (wet en AMvB) op grond van de Wmo 2007 en de Wmo 201 5 wordt aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich niet verzet tegen gebruikmaking van het stellen van nadere regels aan het college (vergelijk CRVB:201 0:806880 en CRVB:201 3:CA2989).

Anikcl 5.3 (kostprUs) De kostprijs is bepalend voor de hoogte van de bijdrage in de kosten die verschuldigd is. De bijdrage

in kosten voor een maatwerkvoorziening mag namelijk niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorzie ni ng i nclu sief eventueel bijkomende noodzakel ij ke kosten. Deze noodzakelijke kosten kunnen ook betrekking hebben op de (forfaitaire) financiële tegemoetkoming. De kostprijs van het pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb binnen de budgetperiode.

34

gerT?eenfe

oerdijk Hoofdstuk 6 Tcgemoetkoming meerkosten ln dit hoofdstuk van de verordening zijn regels opgenomen over de bevoegdheid van het college om aan de persoon die behoort tot de doelgroep eens per drie jaar een tegemoetkoming in de meerkosten te verlenen voor de aanschaf van een sportvoorziening. Het betreft een inkomensondersteunende maatregel die los moet worden gezien van het verlenen van een maatwerkvoorziening. De tegemoetkoming meerkosten kan rechtstreeks aan de cliënt worden uitbetaald en er geldt geen bijdrage in de kosten. Er kunnen geen dubbele vergoedingen worden verstrekt. Als voor een (gedeeltelijke) vergoeding gebruik kan worden gemaakt van een andere wettelijke regeling dan dient daarvan gebruik te worden gemaakt. Het college stelt de hoogte van de tegemoetkoming meerkosten vast in het Besluit.

Hoofdstuk 7 Nicuwe feitcn Gn omstandigheden, herziening, inrckking Gn terugvordcring ln dit hoofdstuk van de verordening zijn bepalingen opgenomen over het aantasten van rechten. Daarvoor kan rechtvaardiging worden gevonden indien sprake is van de situaties zoals genoemd. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk hoort een afweging tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de plicht regels te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet (art. 2.1.3, vierde lid, van de wet).

Anikcl 7.1 (opschort¡ng cn bcëindiging) Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding

van het besluit ingaat vanaf het heden of

naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen

terugwerkende kracht. Erworden voorbeelden genoemd wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerk-voorziening dan wel pgb. Afhankelijk van de individuele situatie is het college bevoegd om de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelíjk op te schorten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarvan (nog) niet duidelijk is of het beëindigen van de maatwerkvoorziening wel op z'n plaats is.

Artikcl 7.2 (H¿rzicning of intrckking) Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van anikel 2.3.8 van de wet tot het desgevraagd of onvenvijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maatwerkvoorziening dan wel pgb. Sinds I augustus 2016 geldt deze verplichting (in geval van een pgb) ookjegens de Sociale verzekeringsbank (SVB). Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt. Ook kan het voor komen dat de cliënt de verplichtingen, uit een privaatrechtelijke overeenkomst met de aanbieder, niet nakomt. Denk bijvoorbeeld aan het onzorgvuldig gebruik van een scootmobiel. De verordening biedt een publiekrechtelijke grondslag om 35

uemeente vM

oerdijk

het betreffende toekenningsbesluit in te trekken. Dat betekent overigens niet dat op het college geen ondersteuningsplicht meer rust, maar dat mogelijk - de feiten en omstandigheden in aanmerking genomen - kan worden volstaan met het verstrekken van een gebruikerspas collectief vraagafhankelijk vervoer. Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit het pgb

(hoofdstuk 4 van de verordening) of tegemoetkoming meerkosten (hoofdstuk 6 van de verordening) leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit.

Artikcl 7.3 (tcrugvordering cn vcrrckcncn) ln dewet is in anikel 2.4.1 slechts één'terugvorderingsgrond'opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een hoog bedrag in de vorm van een pgb is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit CRVB:2006:AX58l9 kan onder meerworden afgeleid dat in zo'n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde.

Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering overte gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (art. 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbeslu¡t neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening.

Hoofdstuk I Overige bepalingen ln dit hoofdstukvan de verordening is over een aantal onderwerpen regels opgesteld. Deze zijn voor de duidelijkheid ondergebracht in een apart hoofdstuk en ingedeeld per paragraaf. Achtereenvolgens

komen de verschillende onderwerpen aan bod.

Paragraaf I Jaarlükse blijk van waarder¡ng mantelzorgers

Artikel 8.1 $aarlijkse bl¡jk van waardcr¡ng) Gemeenten worden opgedragen in hun verordening regels te stellen over de wijze waarop de

mantelzorgers jaarlijks een blijkvan waardering ontvangen. Bij de reikwijdte van deze verplichting wordt niet gekeken waar de mantelzorger woont, maar dat beslissend is of deze persoon mantelzorg verleent aan iemand in de gemeente Moerdijk.

Artikcl 8.2 Dienstencheques Naast de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers faciliteert de gemeente ook diverse vormen van mantelzorgondersteuning aan. Eén vorm daarvan zijn de dienstencheques huishoudelijke ondersteuning voor mantelzorgers. Omdat hier een bijdrage in de kosten voor gevraagd wordt is deze

36

semeela

oerdük

opgenomen in de verordening. Het College kan nadere voorwaarden stellen waaronder gebruik gemaakt kan worden van dienstencheques als vorm van mantelzorgondersteuning.

37

gefneenfe

oerdijk Paragraaf 2 Klacht¡fhandcl i ng cn mcdczcggcnschap

Artikcl 8.2 (klachtrcgcling) De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van

mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art.3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder melden. zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens ¡s, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Het college ziet er hoe dan ook op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt.

Anikel 8.3 (mcdczcggcnsch¡p bij aanbicdcrs van maatschappelijke ondarsteun¡ng) De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). Onder de Wmo 201 5 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er hoe dan ook op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt.

pr¡graaf 3 Bctrckken van ingczctcncn Artikcl 8.¡l (bctrckkcn ven ingczctcncn b¡j het bcleid) ln dit kader wordt venvezen naar de krachtens artikel I 50 van de Cemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manierwordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Verder wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Paragraaf 4 Kwal¡tc¡t Arti kcl E. 5 (hral itc¡tsei s€ n maatschappel ij ke ondersteu n n g) ¡

De Wmo 20.l 5 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de

maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. ln deze verordening is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit.

Artikcl E.6 (prUskwal itcitsverhoudi ng) 38

gemeenfe

oerdijk Lid I tot en met 3 ln dit artikel wordt invulling gegeven aan opdracht aan de gemeenteraad om bij de uitvoering van deze wet door derden, regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening. Aanleiding hiervoor is de wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 201 5 (landelijke AMvB). Op grond hiervan worden nadere regels gesteld aan de reeds bestaande verplichting van het hanteren van een reële prijs. De bepaling van de reële prijs voor een voorziening wordt geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren vast te leggen. Dit is een verduidelijking van de verplichting die op het college rust op grond van art. 2.6.6 van de wet. Ook wordt de plaats van een door het college vastgestelde reële prijs in de aanbestedingsprocedure geregeld. Deze nadere regels hebben tot doel dat een reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die ¡n opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. Lid 4

ln dit lid wordt bepaald hoe de prijs kan worden vastgesteld van voorzieningen die niet als diensten worden aangemerkt.

parrgrarf 5. Mcldingsrcgcl¡ng Anikcl E.7 (mcldingsrcgal¡ng c¡lamitcitcn en gawcld) ln artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening. ln artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. ln aanvulling op het vorenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

par¡graaf 6. Ecstrijding misbru¡k of oncigcnlijk gcbruik

Anikcl E.8 Artikel 2.1.3, vierde lid van de wet schrijft voor dat de gemeenteraad regels stelt over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Anikcl 8.9 (opschort¡ng bctaling u¡t het pgb) De Sociale verzekeringsbank (SVB) is op grond van deze bepaling bevoegd tot onder meer opschorting

van de betalingen uit het pgb onder toepassing van artikel 2, vierde lid, Uitvoeringsregeling Wmo

20l s).

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen ln dit hoofdstuk van deze verordening zijn de slotbepalingen opgenomen.

39

ge meente

Moerdijk

Art¡kcl 9.1 Hardhcidscleusulc Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afiruijken van de bepalingen van de verordening. Dit afiruijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de cliënt. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet nadrukkelijk worden beschouwd als een uitzondering. Bij de beoordeling van de aanvraag zou het college zelf aanleiding kunnen zien om de hardheidsclausule toe te passen. ln het algemeen geldt echter dat de cliënt gemotiveerd moet aangeven dat zijn situatie bijzonder is en zal hij dat desgevraagd ook nader moeten onderbouwen.

Arti kcl 9.2 lnr,rrorkingtrcdi ng cn citecrt¡tcl Dit artikel regelt de inwerkingtreding, waarbij geen overgangsrecht is opgenomen. Dat betekent dat deze verordening onmiddellijke werking heeft. Voor aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verorden¡ng en waarop het college op een datum na inwerkingtreding beslist geldt deze verordening, tenzij het oude regime gunstiger is. Het college heeft middels dit artikel de bevoegdheid om terug te komen van besluiten die zijn genomen op basis van de voorgaande verordeningen.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=f0da5afb-21be-4042-a33a-5ab65aaf6044