Transitievisie Warmte Moerdijk
Tekst van het document
Gevel
Kozijnen en glas Dak
Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 – 1950
Kruipruimte isoleren Isolatie binnenzijde Minimaal HR glas als aanwezig
Dak (na)isoleren
Spouw (na)isoleren* Minimaal HR glas ≥ 1950 – 1975 ≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005
Voldoet
Voldoet
Minimaal HR glas
Voldoet
≥ 2005 Tabel 3 Indicatie maatregelen Landelijke Streefwaarden - per bouwjaar
Overwegingen bij isolatie
62
•
Voor alle isolatiemaatregelen geldt dat technisch advies noodzakelijk is. Voorbeeld is het voorkomen van problemen met vocht bij spouwmuur isolatie. Een ander voorbeeld is dat in sommige gevallen een betere isolatie alleen kan in combinatie met betere ventilatie.
•
Behalve een stapsgewijze route kan de Standaard ook in één keer worden gerealiseerd. Met name eigenaren die bij de aankoop van de woning verduurzaming willen meefinancieren en willen voorkomen
dat verbouwd moet worden in een bewoonde situatie, is het in één keer isoleren naar de Standaard aantrekkelijk.
2. all-electric In hoofdstuk 3 zijn verschillende aardgasvrije warmteoplossingen benoemd als alternatief voor aardgas, namelijk: elektrisch verwarmen (all-electric), verwarmen met een duurzame warmtebron (warmtenet of bronnet) of verwarmen met duurzaam gas. Hieronder gaan we nader in op de mogelijkheden van een all-electric warmtepomp. Naast all-electric is het ook mogelijk om een woning met een hybride warmtepomp of infrarood panelen te verwarmen. ‘All-electric’ betekent dat een woning alleen op het elektriciteitsnet is aangesloten, dus niet op het gasnet of een warmtenet. Er wordt dus alleen elektriciteit voor verwarming gebruikt. Met de huidige techniek kan dit alleen als de woning op het niveau van de Landelijke Streefwaarden is. Dit betekent ook dat bij gebruik van een warmtepomp oude radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren of vloerverwarming. Naast de warmtepomp komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. All-electric betekent meestal dat een woning verwarmd wordt met een warmtepomp. Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht/water-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water/water-warmtepompen). Een lucht/water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht.
Een water/water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zon (zonthermie). Met de nieuwe generatie zon-thermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook warmte kan winnen uit de buitenlucht. Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaatst worden op het dak van de woning. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron.
63
Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus een bewezen technologie. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan collectieve installaties in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Voor woningen zullen ook lucht/water-warmtepompen op de markt komen die wel 70°C kunnen produceren. Het voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. De verwachting is dat er ook water/water-warmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen. Dit gaat wel ten koste van de efficiëntie, het blijft dus van belang om bij woningen, waar mogelijk, goed na te isoleren. Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de warmte van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat een warmtepomp meer energie in de vorm van warmte aan de woning levert dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte leveren (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte 1:1, veel minder efficiënt dus.
Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Ander nadeel van infraroodpanelen is dat ze in de toekomst niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden.
3. Elektrisch koken Een inductiekookplaat werkt op stroom en is zuinig: een goed alternatief voor een gasfornuis. Koken op inductie lijkt veel op koken op gas: de temperatuur is snel te regelen. Maar het is ook veiliger dan gas: de kookplaat zelf wordt niet zo heet en er is geen vlam waar je je aan kunt branden. Nieuwe pannen zijn veelal geschikt om ook mee te koken op inductie. Oude pannen zijn misschien nodig voor vervanging. Wel kan het nodig zijn om de aansluiting op het stroomnet te verzwaren. Oudere huizen hebben meestal nog een aansluiting van 1x25A, die moet omgezet worden naar 3x25A. Nieuwbouwhuizen hebben vaak al een aansluiting van 3x25A.
64
Bijlage 4: Warmtebronnen en warmtenetten In deze bijlage gaan we in op collectieve oplossingen: warmtenetten en warmtebronnen. Ook beantwoorden we de vraag wat de mogelijke rol voor warmtenetten kan zijn in Moerdijk.
Wat zijn warmtenetten? Warmtenet op midden of hoge temperatuur Een warmtenet is een collectieve warmtevoorziening waarbij een infrastructuur van ondergrondse leidingen warm water vervoert naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Om in een wijk een warmtenet te realiseren, is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van woningen en gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. In samenwerking met woningcorporaties en verenigingen van eigenaren is het daarnaast ook makkelijker om de benodigde schaal te bereiken dan met particulieren alleen. De bestaande warmtenetten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hogetemperatuur). Woningen in nieuwere wijken zijn beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur is daar dus lager, circa 70°C (middentemperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C. In dat laatste geval moet wel een aanvullende installatie geplaatst worden voor warm tapwater (55°C). In de praktijk zien we dat daarom bij nieuwbouwwoningen vaak wordt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet.
Bronnet (laag temperatuur warmtenet) Een bronnet is een warmtenet op lage temperatuur. Een bronnet brengt water (circa 15°C) direct van de bron naar woningen en gebouwen. De bron kan een WKO, een rioolwaterzuiveringsinstallatie of oppervlaktewater zijn. Omdat de bron op lage temperatuur is, is in het gebouw een warmtepomp nodig voor verwarming en warm water. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Veel woningen of utiliteitsgebouwen kunnen gebruik maken van een warmtepomp op buitenlucht. In dat geval is een bronnet geen logische optie. Bij de meeste bronnetten kan ook gekoeld worden met dezelfde infrastructuur. Bronnetten zijn daarom met name interessant voor utiliteitsgebouwen, zoals kantoren en winkels, omdat deze vaak een hoge koudevraag hebben. Bronnetten liggen daarom vooral voor de hand in gebieden met hoogbouw en/of een hoge dichtheid en/of een hoge koudevraag én waar de gebouwen goed geïsoleerd zijn.
Welke warmtebronnen zijn denkbaar voor gemeente Moerdijk? De basis van een warmtenet is dat ze de warmte van een centrale warmtebron transporteren naar eindgebruikers. In deze paragraaf gaan we nader in op de mogelijke warmtebronnen: restwarmte, biomassa, aardwarmte/geothermie, thermische energie uit oppervlaktewater en zonthermie. 16 Restwarmte Restwarmte komt vrij bij een productieproces, vaak industrie. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. In Moerdijk is veel industriële restwarmte beschikbaar. In regionaal verband zal met een bronnenstrategie bekeken worden wat de beste inzet is van deze restwarmte. De kans is
De RES noemt ook aerothermie. Dit is buitenlucht warmte die direct in warmtepompen kan worden gebruikt. Dit is dus een warmtebron voor individuele gebouwen, niet voor warmtenetten. 16
65
klein dat deze warmte voor Moerdijk beschikbaar is vanwege de beperkte warmtevraag en bestaande afzet Amernet. Biomassa Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De optimale inzet van biomassa voor warmtenetten is onderdeel van de Regionale Energie Strategie. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen (kachels) is niet efficiënt en is niet goed voor de luchtkwaliteit. Inzet op grote schaal is daarom te vermijden. Bodemenergie Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan aardwarmte (vaak ook geothermie genoemd) onttrokken worden. Een vuistregel is dat elke kilometer de temperatuur met circa 30° C toeneemt. Dus hoe dieper je gaat, hoe hoger de temperatuur. Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen. Tot 250 meter diep kan gewerkt worden met WKO of bodemlussen. Dit zijn bewezen technieken die ook in gemeente Moerdijk worden toegepast, bijvoorbeeld bij nieuwbouw of bij utiliteit. Bodemlussen zijn geschikt voor een individuele woning, voor kleine kantoren of voor een klein aantal appartementen. WKO is voor appartementencomplexen, grotere kantoren of bronnetten en kan in combinatie met andere duurzame warmtebronnen worden gebruikt.
Volgens de RES West-Brabant is ondiepe aardwarmte tot 500 meter diepte een mogelijke warmtebron. De mogelijkheden van diepe aardwarmte (1.000 – 4.000 meter) zijn zeer onzeker (eigenlijk onbekend). Hier wordt in nationaal verband nader onderzoek naar gedaan. Warmtebron
Diepte
Temperatuur
Bodemlussen of WKO Tot 250 meter
10 - 15 °C
Ondiepe aardwarmte
250-1000 meter
20 - 40 °C
Diepe aardwarmte
1-4 kilometer
40 - 100 °C
Ultradiepe aardwarmte 4-6 kilometer
100 - 180 °C
Thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater Met alle thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater (TEO en TEA) kan in potentie een groot deel van de gebouwde omgeving verwarmd worden. Oppervlaktewater (bijvoorbeeld uit een kanaal) wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO-bronnen. In de winter kan deze warmte (circa 15°C) gebruikt worden voor een laagtemperatuur warmtenet. Bij een aantal plaatsen in de gemeente is stromend oppervlaktewater aanwezig, zoals Zevenbergen en Willemstad. Zonthermie Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de transitie naar aardgasvrij. Alleen voor de opwek van warm tapwater (zonneboilers in een woning) is deze techniek toegepast. In de toekomst kan met zonthermische panelen in combinatie met een warmtepomp een woning individueel verwarmd worden (een vorm van all-electric) Ook is zonthermie in het veld mogelijk. Hiermee kunnen meerdere gebouwen of zelfs een wijk verwarmd worden, als er ruimte in de nabijheid is voor zon-thermische panelen. Dit is nog wel een kostbare techniek.
66
Mogelijke rol voor warmtenetten in Moerdijk Uit de analyse van maatschappelijke kosten blijkt dat in het grootste deel van de gemeente Moerdijk individuele oplossingen voor de hand liggen. In een aantal gebieden kan nog geen duidelijke keuze tussen collectieve en individuele oplossingen worden gemaakt. Onderstaande analyse is gemaakt vanuit het vastgoed: als een duurzame warmtebron voor een warmtenet beschikbaar zou zijn, zou een warmtenet / bronnet dan aantrekkelijker zijn of een all-electric oplossing? In de blauwe gebieden ligt vanwege het bouwjaar (overwegend >1990) de voorkeur bij all-electric of hybride warmtepompen.
Legenda: laagste maatschappelijke kosten Groen:
warmtenet (hybride kan lagere kosten hebben)
Rood:
hybride; warmtenet en all-electric qua kosten vergelijkbaar
Blauw:
all-electric en hybride afhankelijk van bouwperiode
Paars:
utiliteit/ bedrijventerrein: all-electric of warmtenet (maatwerk)
Figuur 20 Maatschappelijke kosten duurzame alternatieven
In de rode gebieden zijn collectieve oplossingen denkbaar, indien duurzame warmtebronnen beschikbaar zijn. In een nadere verkenning kan dan bekeken worden wat passend is voor inwoners, bedrijven en hun situatie. Alleen in Zevenbergen, Klundert, Zevenbergschen Hoek en Moerdijk is op afzienbare termijn een duurzame warmtebron denkbaar. In de andere plaatsen is dit in de praktijk niet het geval, met uitzondering van WKO voor enkele appartementen of utiliteitsgebouwen. Dorp Moerdijk komt uit de analyse naar voren als individueel gebied. Bij nadere beschouwing van Moerdijk gaat het wel veelal om oudere woningen van voor 1975 en blijkt ook dat het gasverbruik relatief hoog is. Dit
67
betekent dat de isolatie opgave in Moerdijk mogelijk hoger is dan aangenomen in de het rekenmodel. Dit is nader te bezien bij de voorgestelde verkenning. Als hybride warmtepompen als eindoplossing mogelijk zijn (dat wil zeggen: duurzaam gas is voldoende beschikbaar), dan kan het zijn dat deze oplossing lagere maatschappelijke kosten heeft dan een warmtenet en all-electric. Hybride warmtepompen zijn in deze maatschappelijke kostenanalyse vooralsnog niet meegenomen.
Grootschalige mogelijkheden voor een warmtenet Een grootschalig warmtenet kan interessant zijn voor rijwoningen, appartementen en afhankelijk van de koudevraag ook voor utiliteitsgebouwen (bij grote koudevraag zijn laag temperatuur warmtebronnen of individuele oplossingen per gebouw vaak aantrekkelijker, zie bijlage 4). Rijwoningen is het meest voorkomende woningtype in de gemeente Moerdijk. Voor het aardgasvrij maken van een rijwoning van voor 1990 is de aansluitbijdrage voor een warmtenet meestal wat lager dan de investering in all-electric (zie bijlage 3). Voor woningen met een grote isolatie opgave kan een warmtenet voordeliger zijn als dure investeringen in isolatie vermeden kunnen worden. Als duurzaam gas en hybride warmtepompen echter beschikbaar zijn, dan is de verwachting dat dit in vrijwel alle gevallen een goedkopere optie is. Dit betekent dat een warmtenet in de gemeente Moerdijk met name denkbaar is voor gebieden met woningen van voor 1975 en het bedrijventerrein in de plaatsen Zevenbergen, Zevenbergschen Hoek en Moerdijk. In de gemeente Moerdijk zijn weinig clusters van (hoogbouw) appartementen. De uitzondering hierop is het centrumgebied van Zevenbergen. Dit beperkt de kansen om rendabel een warmtenet op te bouwen. Appartementen, zeker hoogbouw, zijn relatief makkelijk aan te sluiten.
Een typische ontwikkeling van een nieuw warmtenet is dat eerst in diverse wijken de hoogbouw wordt aangesloten. Het warmtenet is dan breed beschikbaar, zodat daarna stap voor stap grondgebonden woningen aangesloten kunnen worden. Deze strategie voor het opbouwen van een warmtenet is in de gemeente Moerdijk niet mogelijk.
Kleine collectieve oplossingen We hebben gekeken waar kleine collectieve oplossingen op basis van WKO denkbaar zijn, door gebieden te inventariseren waar appartementen en utiliteitsgebouwen redelijk dicht bij elkaar staan. Voor de Transitievisie Warmte is niet gekeken naar economische of technische haalbaarheid. De bedoeling van deze kaart is om de dialoog tussen gemeente en inwoners en inwoners onderling te bevorderen. WKO is de meest voor de hand liggende warmtebron. Aanname is dat 200 woning equivalent (weq) het minimum is voor een rendabel WKO systeem. Met deze criteria zijn kleinschalige collectieve oplossingen denkbaar in Zevenbergen, Fijnaart en Standdaarbuiten. In die laatste twee plaatsen gaat het om zorgcomplexen met enkele omliggende appartementsgebouwen. De kansen voor WKO kan beperkt worden door vergunningsregels voor maximale boringsdiepte. Provincie Noord-Brabant wil die mogelijk beperken. Ook is het belangrijk om rekening te houden met bestaande of geplande WKO-installaties en individuele bodemlussen: nieuwe installaties mogen een goede werking van bestaande systemen niet in de weg zitten.
68
Bijlage 5: Koeling Hitte in en rond gebouwen is een belangrijk onderwerp. Goed geïsoleerde woningen hebben een lagere warmtevraag, maar raken ook moeilijker warmte kwijt in de zomer. Daarnaast veroorzaakt klimaatverandering steeds intensere hittegolven. Ook werken we steeds meer thuis. Deze effecten zorgen ervoor dat de komende decennia steeds meer behoefte is om warmteoverlast of ‘hittestress’ in woningen te voorkomen. Voorkomen van warmteoverlast Hittestress is overlast ervaren door mensen en dieren door een te warme en/of vochtige omgeving. Niet iedereen ervaart dezelfde temperatuur als warmteoverlast. Dit kan per leeftijdsgroep en persoon sterk verschillen 17. Ook is het afhankelijk van de specifieke functie van het gebouw of een ruimte. Om de gebouwde omgeving voor iedereen in de toekomst comfortabel en leefbaar te houden, is het belangrijk om hittestress te voorkomen of in ieder geval de mogelijkheden te bieden om deze te verminderen. Er zijn twee manieren om dit te doen: 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen; 2. Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken. 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Dit geldt ook in veel gevallen voor warmteoverlast: het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het massaal actief gaan koelen van gebouwen.
Voorkomen kan door beschaduwing, reflectie van zonnestralen, verdamping en ventilatie. Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd. Principe Beschaduwing Reflectie Verdamping Ventilatie
Werking Voorkomen directe zoninstraling Reflecteren van zoninstraling Verkoeling door waterverdamping Ventileren met koelere lucht
Voorbeelden Bomen, hoge gebouwen, zonwering, Lichte kleuren of groen op daken, gevels en in straten Meer groen en water rond gebouwen Nachtventilatie, ventilatoren
Het eigenaarschap van deze maatregelen kan erg wisselen. Zonwering en vegetatiedaken (groene daken) zal op (grotendeels) initiatief en rekening zijn van de gebouweigenaar, terwijl openbaar groen of water in de wijk bij de gemeente ligt. Het voorkomen van warmteoverlast is een onderdeel van een ‘aanpak klimaatadaptatie’, waar veel partijen bij betrokken kunnen en moeten zijn. 2. Het actief koelen van gebouwen om warmte kwijt te raken Wanneer het een gegeven is dat gebouwen en woningen te veel opwarmen, kan het noodzakelijk zijn om door actieve koeling warmte te onttrekken. We noemen deze ‘vraag’ naar het onttrekken van warmte ook wel de ‘koudevraag’. Het energiegebruik dat hiervoor nodig is, verschilt sterk per maatregel en of het hele gebouw, of alleen een slaapkamer en/of werkkamer gekoeld wordt.
17
https://www.koelebuurt.nl/publicaties/gedrag-van-bewoners-heeft-grote-invloed-op-de-binnentemperatuur-dit-blijkt-uit-eerste-verkennende-
metingen-in-bestaande-woningen
69
Energiegebruik Zeer hoog energiegebruik Hoog energiegebruik Laag energiegebruik
Werking
Voorbeelden
(Omgevings)energie gebruiken Mobiele airco met slang door voor een koelproces geopend raam Lucht-lucht warmtepomp (airco) of lucht-water warmtepomp Koude verplaatsen Ventilator, bodemkoeling, opslag van koude
Uiteraard hebben de opties met een laag energiegebruik de voorkeur, alleen zijn deze niet altijd toepasbaar of voldoende om tot de benodigde koelbehoefte te komen. Kosten, ruimtegebruik en inpasbaarheid in de bestaande gebouwde omgeving zijn ook belangrijke factoren voor de haalbaarheid. Warmtevraag is doorslaggevende factor voor de Transitievisie Warmte De keuze voor een duurzame warmte-infrastructuur (gasnet, warmtenet, all-electric) wordt voor de bestaande bouw bepaald aan de hand van de warmtevraag, niet de koudevraag. Met een cv-ketel (gasnet) of een warmtenet kan geen koude geleverd worden. Bij all-electric kan een warmtepomp vaak wel koude leveren, maar all-electric vereist goede isolatie. De mogelijkheden voor isolatie en duurzame alternatieven voor de warmtevraag zijn dus leidend. Invulling koudevraag voor de bestaande bouw De Transitievisie Warmte geeft per gebied een voorkeursoptie voor bestaande gebouwen. Bij toenemende isolatie wordt het interessant om ook naar koude te kijken. Per voorkeursoptie geven we een aantal zaken waar op gelet moet worden in relatie tot koudevraag. All-electric: Bij all-electric worden woningen verwarmd met een lage temperatuur. Woningen moeten daarvoor wel voldoende zijn geïsoleerd. Hierdoor kan de koudevraag dus hoger zijn. Met klimaatadaptieve maatregelen kan de koudevraag verder verlaagd worden.
Een individuele all-electric oplossing met een bodem warmtepomp biedt ook de mogelijkheid om te koelen. Warmtenet: Een warmtenet kan alleen warmte leveren. Actieve koeling is mogelijk met individuele koude oplossingen (airco’s). Aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen is dus wenselijk. Omdat bij de aanleg van een warmtenet de straat open gaat, is dit een logisch moment om klimaatadaptieve maatregelen te nemen, waarmee de koudevraag kan worden beperkt en de leefomgeving kan worden verbeterd. Gasnet: Woningen waar een duurzaam gasnet wordt voorzien, zijn voornamelijk oudere woningen. In deze woningen blijft de warmte minder hangen in de zomer. Individuele koude-oplossingen en klimaatadaptieve maatregelen zijn logische stappen voor deze wijken. Bronnet: Bij een bronnet zit automatisch koeling ook in de warmte-infrastructuur. Deze optie komt daarom met name voor bij grotere gebouwen, bijvoorbeeld kantoren en winkels, omdat deze al vaak een hoge koudevraag hebben. Een bronnet is een efficiënte manier van koelen, omdat vaak gekoeld kan worden zonder tussenkomst van een warmtepomp, bijvoorbeeld als wordt gekoeld met energie uit de bodem (WKO of bodemlus). Koudevraag bij nieuwbouw Koudevraag heeft wél invloed op de keuze van de warmtevoorziening bij nieuwbouw. In nieuwbouw is het voorkomen van warmteoverlast al standaard bij utiliteitsbouw, zoals kantoren.
Hier wordt actieve koeling vrijwel altijd toegepast. Vanaf 2021 zal het ook standaard worden voor woningbouw. Er komt dan een wettelijke eis, die een limiet stelt aan hoge temperaturen in de zomer in woningen (de zogenaamde TO-juli indicator). Deze indicator houdt echter geen rekening met het al dan niet aanwezig zijn van klimaatadaptieve maatregelen in de omgeving. Ook houdt het geen rekening met toenemende hittestress door klimaatverandering. Het is bij nieuwbouw daarom nuttig om hier extra aandacht aan te besteden, met name bij hoogbouw. Hier kunnen slimme keuzes gemaakt worden, zoals aandacht voor windcorridors tussen gebouwen en de oriëntatie van straten.
70
Bijlage 6: NL Klimaatakkoord en financieringsinstrumenten In 2019 is in Nederland een nationaal klimaatakkoord opgesteld, zie voor meer informatie: www.klimaatakkoord.nl. De afspraken voor de gebouwde omgeving staan in onderstaande Infographic. De enige wijziging ten opzichte van de afspraken in 2019 is dat de gebouwgebonden financiering niet mogelijk blijkt. In plaats daarvan wordt gewerkt aan financiering van isolatie en alternatieven voor aardgas via het Warmtefonds.
Figuur 21 Overzicht klimaatakkoord voor de gebouwde omgeving
Nieuwe financiële instrumenten zijn nodig om ervoor te zorgen dat iedereen zoveel mogelijk betaalbaar de stap naar een aardgasvrij gebouw kan maken. Op het moment van schrijven (zomer 2021) zijn de volgende instrumenten beschikbaar of verwacht:
Subsidieregelingen -
71
BZK proeftuinen aardgasvrij: het ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK) heeft een subsidieregeling voor aardgasvrije proeftuinen om in de eerste aardgasvrije wijken de onrendabele top (verschil maatschappelijke kosten ten opzichte van aardgas) te verkleinen en lessen voor de uitvoering op te doen. Er zijn begin 2021 twee rondes geweest, waarin 48 wijken subsidie hebben gekregen. Er is in
-
-
-
-
-
2021 een derde ronde opengesteld, met focus op participatieve aanpakken en isolatie naar de streefwaarde als vereiste. Subsidie Energiebesparing Eigen Huis (SEEH): VvE’s kunnen een subsidie aanvragen bij RVO (Rijksdienst voor Ondernemen) wanneer zij willen verduurzamen. Deze subsidie is bestemd voor (gemengde) VvE’s, woonverenigingen en wooncoöperaties. Commercieel vastgoed binnen de VvE (zoals winkels of kantoren) is uitgesloten van subsidie. Er kan subsidie aangevraagd worden voor energieadvies voor het meerjarenonderhoudsplan (MJOP) en energiebesparende maatregelen. Daarnaast verstrekt het Nationaal Warmtefonds voor de verduurzaming van VvE’s laagrentende leningen (zie onder). Regeling Reductie Energiegebruik Woningen (RREW): Gemeenten kunnen bij het ministerie van BZK subsidie aanvragen voor kleine energiebesparende maatregelen in woningen. Met de RREW zetten gemeenten projecten op om huiseigenaren en huurders te stimuleren tot kleine energiebesparende maatregelen in huis. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inregelen van de cv-installatie, het aanbrengen van radiatorfolie en tochtstrips of het plaatsen van ledlampen. Daarnaast gebruikt de gemeente de regeling om advies te geven aan huiseigenaren over energiebesparende maatregelen, zoals dak-, raam- of gevelisolatie.
Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE): Particuliere huishoudens en zakelijke gebruikers (waaronder Verenigingen van Eigenaars (VvE’s)) die zelf duurzame energie willen opwekken kunnen subsidie aanvragen voor zonneboilers en warmtepompen. De subsidie is afhankelijk van de gekozen maatregel. Subsidie is ook beschikbaar voor het aansluiten op een warmtenet als woningeigenaar, op moment van schrijven €3.325. De Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) is bedoeld voor het aansluiten van huurwoningen van woningbouwcorporaties op een warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet. Op arbeidsloon voor het aanbrengen van isolatie geldt ook het lage btw-tarief van 9 procent. Op zonnepanelen kan als particulier de BTW worden teruggevraagd.
Financiering -
-
Het Nationaal Warmtefonds biedt langjarige financiering tegen een lage rente voor woningeigenaren en Verenigingen van Eigenaars (VvE’s) voor de verduurzaming van woningen. Hypothecaire leningen: deze zijn te overwegen vanaf € 15.000, - vanwege de bijbehorende administratie- en advieskosten. Bij het kopen van een nieuwe woning kan tot € 9.000, - extra gefinancierd worden voor verduurzamingsmaatregelen. Overige duurzaamheidsleningen: verschillende Nederlandse banken bieden duurzaamheidsleningen aan. Gebouwgebonden financiering (nog niet beschikbaar). Een lening voor energiebesparende maatregelen die gekoppeld is aan het huis. De lening gaat bij verkoop van het huis over op de koper. Deze optie is echter door het kabinet onderzocht en wordt voorlopig niet ingezet.
Overig -
72
Collectieve inkoopacties zorgen voor lagere kosten per maatregel, zoals isolatie en zonnepanelen.
Bijlage 7: Wettelijke kaders en regels In de Omgevingswet zijn er drie instrumenten te onderscheiden voor gemeenten die bijdragen aan de warmtetransitie in de gebouwde omgeving. De omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s en omgevingsplannen. De impact van de Omgevingswet op de werkwijze van de gemeente zal in de toekomst steeds duidelijker worden. • De omgevingsvisie is een overkoepelende ontwikkelingsvisie voor de fysieke leefomgeving in de gemeente, waarin de opgaven en ambities beschreven staan. De ambities, uitgangspunten, doelstelling en transitiestrategie in de Transitievisie Warmte zijn een integraal onderdeel van de omgevingsvisie. De omgevingsvisie wordt door College en Raad vastgesteld. • Omgevingsprogramma's zijn een concrete opgave- of gebiedsgerichte uitwerking van de ambities en doelen uit de omgevingsvisie voor de korte- en middellange termijn. De programma’s hebben dus een kortere tijdshorizon dan de omgevingsvisie. Hierin staat hoe en met wie de gemeente de ambities uit de visie wil bereiken. Omgevingsprogramma’s zijn alleen bindend voor de gemeente zelf, dit betekent dat inwoners, ondernemers en organisaties gestimuleerd worden om bij te dragen, maar daartoe niet verplicht zijn. o De samenwerkings- en verkenningsgebieden voor isolatie- en andere verduurzamingsprogramma’s (hoofdstuk 4.3 en hoofdstuk 5) zijn te kenschetsen als een omgevingsprogramma.
o Een wijkuitvoeringsplan is ook te kenschetsen als een uitvoeringsprogramma, maar dan gebiedsgericht, met als doel om een omgevingsplan te wijzigen. • Het omgevingsplan is de opvolger van bestemmingsplannen en is juridisch bindend. In de toekomst is het denkbaar om de volgende onderwerpen via een wijziging van het omgevingsplan te regelen: o een minimaal isolatieniveau, eventueel als streefwaarde, voor bepaalde buurten met het oog op een toekomstig aardgasvrij alternatief. o het vastleggen van een warmtekavel voor een warmtenet (met opt-out mogelijkheden conform Wet Collectieve Warmte). o als op termijn een buurt aardgasvrij wordt en er een aanpassing komt van de huidige infrastructuur, zoals het verwijderen of aanpassen van het gasnet, is een aanpassing op het omgevingsplan noodzakelijk. o het opnemen van een omgevingswaarde voor bijvoorbeeld de CO2-uitstoot ten behoeve van warmte of geluidsnormen van warmtepompen. Een omgevingswaarde kan vervolgens worden gekoppeld aan een (duurzaamheids)programma om zo de samenhang met andere opgaven in de leefomgeving te borgen. Wanneer overschrijding van een norm en dus van de omgevingswaarde wordt verwacht, is het opstellen van een omgevingsprogramma om te voldoen aan de omgevingswaarde verplicht onder de Omgevingswet.
De Wet Collectieve Warmtevoorziening Gezien de ontwikkelingen in de energietransitie is er een opvolger voor de Warmtewet in ontwikkeling, de Wet Collectieve Warmte (WcW). Dit is nodig om te anticiperen op de doelen uit het klimaatakkoord met collectieve warmtevoorzieningen en de bescherming van eindgebruikers. De WcW schrijft voor dat de gemeente gebieden (wijken, plaatsen) waar collectieve warmtevoorzieningen voorzien zijn als warmtekavel aanwijst. De warmtekavel zal naar verwachting worden opgenomen in het gemeentelijke omgevingsplan. Na toewijzing van de warmtekavel zullen warmtebedrijf en gemeente inventariseren welke eigenaren hun woning of gebouw willen aansluiten. Eigenaren kunnen daarbij kiezen voor een eigen duurzaam alternatief, de zogenoemde ‘opt-out’ mogelijkheid. Het aanwijzen van een warmtekavel is een omvangrijk besluitvormingstraject, waarin het omgevingsrechtelijke traject (transitievisie, uitvoeringsprogramma, en omgevingsplan) nauw samenhangen met het selectieproces voor een warmtebedrijf (opstellen kavelplan, vaststelling kavel, selectie warmtebedrijf en inventarisatie opt-out).
73
De wet is met name relevant als er collectieve warmtenetten worden uitgerold binnen de gemeente Moerdijk op basis van de kansenkaart.
74
Begrippenlijst Aardgasvrij
Niet aangesloten op de fossiele brandstof aardgas. Dit betekent niet altijd gasloos, er kan duurzaam gas worden toegepast.
Aardgasvrij-ready
Een woning of gebouw dat klaar is om van het aardgas af te gaan.
Duurzaam gas
Een gasvormige brandstof voor gebruik in cv-ketels, in de praktijk zijn dit duurzaam geproduceerde waterstof of groen gas (gas gemaakt uit biomassa, vergelijkbaar met aardgas). Zie ook hoofdstuk 3.
Energieneutraal
Op jaarbasis evenveel energie gebruiken als dat een woning, gebouw of gemeente zelf opwekt.
Gebouwde omgeving
Woningen en utiliteitsgebouwen in een wijk of gemeente
Hybride warmteoplossing
Warmtelevering met elektrische oplossing, in principe een warmtepomp, in combinatie met een cv-ketel op aardgas of duurzaam gas. Zie ook hoofdstuk 3.
Laagst maatschappelijke kosten
De laagst totale kosten voor de gehele keten en al haar gebruikers, dus zowel kosten voor aanpassingen aan gebouwen, kosten voor de infrastructuur en kosten voor de bron en levering van energie, die nodig zijn voor een aardgasvrije gebouwde omgeving. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen, dus inclusief de energierekening van de eindgebruiker, gedurende een periode van 30 jaar. De kosten per vermeden ton CO2 zijn naast deze maatschappelijke kosten tevens afhankelijk van de kosten voor verduurzaming van bronnen.
Regionale Energie Strategie (RES); Regionale Strategie Warmte (RSW)
Regionaal samenwerkingsverband van gemeenten om de mogelijkheden voor duurzame warmte en elektriciteit te inventariseren en te bevorderen. Moerdijk is onderdeel van de RES-regio West Brabant. Zie ook hoofdstuk 1.
Transitiegereed
Zelfde betekenis als aardgasvrij-ready: Een woning of gebouw dat klaar is om van het aardgas af te gaan.
Transitievisie Warmte (TVW)
Document op gemeenteniveau waarin het tijdspad wordt bepaald waarin buurten aardgasvrij worden en met welke warmteoptie.
Utiliteitsgebouwen
Gebouwen met een zakelijk of maatschappelijk doel met een verblijffunctie. Voorbeelden zijn: kantoren, winkels, zorg, scholen, horeca, werkplaatsen. Landbouw (stallen, kassen), fabrieken (procesindustrie) horen hier niet bij.
Warmte
Energie die een woning of ander gebouw nodig heeft voor ruimteverwarming en warm tap water voor douche, bad en keuken.
Warmteoptie of voorkeursoptie De beoogde infrastructuur voor warmtelevering zonder aardgas voor een gebouw of wijk. Dit kan collectief (warmtenet) of individueel per gebouw. Een warmteoptie is de combinatie van een duurzame warmtebron (duurzaam gas, elektriciteit en/of warmte), een netwerk (gasnet, elektriciteitsnet, warmtenet) en systeem in de woning of utiliteitsgebouw voor het gebruiken van warmte. De isolatie van het gebouw is passend bij de warmteoptie. Warmtenet/ bronnet
Verwarmingssysteem waarop meerdere gebouwen zijn aangesloten met een gezamenlijke warmtebron. Dit kan een kleinschalig collectief zijn (minder dan circa 500 woningen) of een grootschalig warmtenet. Een warmtenet kan op verschillende temperatuurniveaus zijn: -
75
Hoog: 70 graden Celsius of hoger
-
Midden: 40-70 graden Celsius
-
Laag: onder 40C graden Celsius
Een laag temperatuur warmtenet (<40C) heeft meestal de temperatuur van de warmtebron. Daarom wordt dit ook wel een bronnet genoemd. Bij lage temperatuur warmtenetten is in de woning een warmtepomp noodzakelijk. Warmtepomp
Een warmtepomp kan een woning of gebouw verwarmen en is een van de alternatieve technieken om de cv-ketel te vervangen. Een warmtepomp werkt als volgt: de warmtepomp onttrekt warmte aan een bron (meestal buitenlucht of grondwater), verhoogt met elektriciteit de temperatuur en staat die hogere temperatuur weer af aan een gebouw of warmtenet.
Warmtetransitie
De overgang van fossiele, niet-duurzame manieren van verwarmen naar een duurzame manier van verwarmen.
Wijkuitvoeringsplan aardgasvrij Plan waarin het aardgasvrij maken van een buurt wordt geconcretiseerd in samenwerking met belanghebbenden en bewoners. Zie ook hoofdstuk 5. Woningequivalent (weq)
Een eenheid van warmtevraag die gebruikt wordt in het ontwerpen van warmtenetten, gelijk aan de warmtevraag van een gemiddelde Nederlandse woning. Op deze manier zijn utiliteitsgebouwen en woningen vergelijkbaar gemaakt.
Woonlastenneutraal
Landelijke definitie om invulling te geven aan het begrip betaalbaarheid van de overstap naar aardgasvrij. Dit geldt als er voor het overgrote deel van de eigenaren de kosten van de financiering voor de overstap (isolatie en alternatief voor aardgas) gelijk of lager zijn dan de kostenbesparing op de energierekening.
76
77