Toelichting - Oude Moerdijkseweg ongenummerd Zevenbergschen Hoek
Tekst van het document
31
4.9. Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen ‘Rustige woonwijk / rustig buitengebied’ en ‘Gemengd gebied’. Bij het eerste type is er duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een ‘gemengd gebied’, de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Beoordeling plan Met dit bestemmingsplan wordt een bestaande bedrijfsbestemming verruimd zodat er een groter oppervlakte met de dezelfde bedrijfsbestemming ontstaat. Op het beoogde nieuwe bedrijfsperceel zijn dezelfde planologische rechten voorzien, namelijk de bestemming ‘Bedrijf’ voor bedrijven tot en met milieucategorie 3.1. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 50 meter. Er bevinden zich geen woonfuncties binnen 50 meter van het plangebied. Dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning is gesitueerd op circa 250 meter ten oosten van het plangebied. Anderzijds wordt met het planvoornemen geen gevoelige functie gerealiseerd wat betreft milieuzonering. Vanuit het aspect milieuzonering is er dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
4.10. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied.
32
Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht.
De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beoordeling plan In het kader van dit bestemmingsplan is door Antea Group het aspect externe veiligheid onderzocht. De rapportage hiervan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In dit onderzoek is ingegaan op het risiconiveau van de relevante risicobronnen. Hierna volgen de resultaten.
Uitsnede professionale risicokaart (plangebied in met blauwe lijn aangeduid)
33
Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor • Het plangebied bevindt zich binnen 200 meter van de spoorlijnen Dordrecht - Roosendaal (route 35) en Zevenbergschenhoek - Breda (route 120); • de maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour ter hoogte van het plangebied bedraagt 21 meter. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt; • de spoorlijn heeft een aangewezen plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het plangebied ligt deels binnen het PAG. Indien er in de PAG wordt gebouwd, gelden er aanvullende bouwkundige eisen vanuit de Regeling Bouwbesluit 2012. In dit geval is het bouwvlak gesitueerd buiten het PAG, waardoor geen aanvullende eisen noodzakelijk zijn; • aangezien het plangebied binnen 200 meter van de spoorlijn is gelegen, is het groepsrisico beschouwd. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisiconiveau zeer laag is (0,1% en 0,0% van de oriëntatiewaarde). Het groepsrisiconiveau blijft in de toekomstige situatie gelijk. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve verplicht. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg • Het plangebied bevindt zich binnen 190 meter van de Rijksweg A16; • de maximale 10-6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 33 meter. Daarmee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden vanuit het Bevt; • de A16 heeft een aangewezen PAG van 30 meter.
Het PAG reikt niet tot het plangebied, daarmee worden er geen aanvullende bouwkundige eisen gesteld vanuit de Regeling Bouwbesluit 2012; • aangezien het plangebied binnen 200 meter van de A16 is gelegen, is het groepsrisico beschouwd. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisiconiveau laag is (3,1% van de oriëntatiewaarde). Het groepsrisiconiveau blijft in de toekomstige situatie gelijk. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve verplicht. De verantwoording van het groepsrisico t.b.v. het spoor, de snelweg en andere relevante risicobronnen in de omgeving is beschreven in de als bijlage toegevoegde rapportage en is in lijn met de beleidslijn externe veiligheid uit het Veiligheidsplan 2016-2019 van de gemeente Moerdijk. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Moerdijk, kan de elementen in de verantwoording van het groepsrisico betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van dit bestemmingsplan. In het kader van de groepsrisicoverantwoording is advies ingewonnen bij brandweer Midden- en West-Brabant. Het advies van de brandweer is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.11. M.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting
34
terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig.
Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het planvoornemen voorziet in uitbreiding van de bedrijfsbestemming ‘Bedrijf’, zodat een bestaand bedrijfsperceel in omvang wordt uitgebreid. Voor zover de activiteit al zou zijn aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), is een milieueffectrapportage pas verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, hetgeen hier niet aan de orde is. 2. Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een ‘gevoelig gebied’ zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden.
35
3. Belangrijke milieugevolgen In voorgaande paragrafen zijn verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. Gelet op bovenstaande opsomming is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
36
Hoofdstuk 5.
Uitvoerbaarheid
5.1. Economische uitvoerbaarheid 5.1.1. Exploitatieplan Algemeen Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: • het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling plan Gemeente Moerdijk heeft een overeenkomst als bedoeld in artikel 6.24 van de Wro gesloten met de ontwikkelende partij. In deze anterieure overeenkomst zijn onder andere afspraken opgenomen over het verhaal van exploitatiekosten. Hierdoor is het kostenverhaal verzekerd en het stellen van locatie-eisen middels een exploitatieplan niet nodig. Door de beperkte omvang van het plan is het bepalen van een tijdvak of fasering niet nodig. Gelet op het voorgaande kan in het kader van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. 5.1.2.
Planschade Algemeen Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt. Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. Beoordeling plan In vorige subparagraaf is aangegeven dat gemeente Moerdijk met de initiatiefnemer een overeenkomst is aangegaan. In deze overeenkomst is ook de eventuele planschade afgewenteld op de initiatiefnemer. Daarmee is zekergesteld dat initiatiefnemer volledig verantwoordelijk is voor de tegemoetkoming in schade, die ontstaan is als gevolg van onderhavig plan.
37
5.2. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.2.1. Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. In het voortraject is door iniatiefnemer contact opgenomen met Rijkswaterstaat. Hieruit volgt dat Rijkswaterstaat akkoord is met de voorgenomen plannen, met dien verstande dat een bouwvlak niet mag worden opgericht binnen de ‘vrijwaringszone - snelweg’. Hiermee is in dit bestemmingsplan rekening gehouden door geen bouwvlak aan te duiden ter plaatsen van bovengenoemde aanduiding. Hierdoor kunnen geen gebouwen worden opgericht binnen de vrijwaringszone. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan provincie Noord-Brabant, Waterschap Brabantse Delta, ProRail, Rijkswaterstaat ZuidNederland en DNWG. De betrokken instanties hebben akkoord gegeven op de plannen. Waterschap Brabantse Delta heeft tevens enkele opmerkingen gemaakt die zijn verwerkt in paragraaf 4.2 en in de regels.
Deze opmerkingen hadden betrekking op het niet gebruiken van uitlogende bouwmaterialen en het opnemen van een voorwaardelijke verplichting voor de benodigde waterberging. Adressen rondom het plangebied hebben eind april een brief ontvangen met daarin informatie over dit planvoornemen. Hierop is geen reactie gekomen. Deze brief is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. 5.2.2. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd, na voorafgaande publicatie op gemeentepagina en in de Staatscourant. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar via de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar op het gemeentehuis.
38
Hoofdstuk 6.
Juridische planbeschrijving
6.1. Onderdelen bestemmingsplan Het bestemmingsplan ‘Oude Moerdijkseweg ongenummerd Zevenbergschen Hoek’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Oude Moerdijkseweg ongenummerd Zevenbergschen Hoek’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.1709.BGOMwegongZH-BP30.
6.2. Toelichting op de verbeelding In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
6.3. Toelichting op de regels 6.3.1. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. 6.3.2. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Artikel 3 Bedrijf De bestemming Bedrijf is opgenomen voor de realisatie van een bedrijf met een maximale milieucategorie 3.1. De regels zijn overeenkomstig de bestaande regels voor deze bestemming t.b.v. het bestemmingsplan “Buitengebied”.
39
6.3.3. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. In de algemene aanduidingsregels is de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - snelweg’ opgenomen, ter voorkoming van het oprichten van bebouwing binnen deze aanduiding. Tevens is de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone - plasbrand aandachtsgebied’ opgenomen, ter voorkoming van de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten binnen deze zone. 6.3.4. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.
40
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5.
Laddertoets, Stec groep Stikstofdepositieberekening, Tritium Advies Externe veiligheid, Antea Standaardadvies, brandweer Midden- en West-Brabant Informatiebrief omgeving, Burgland Real Estate
41