CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering 10 maart 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Schansweg 71 Klundert15.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan

Schansweg 71 Klundert ontwerp

Schansweg 71 Klundert

Inhoudsopgave

Toelichting

3

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 7 8

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Inleiding 2.2 Beschrijving huidige situatie 2.3 Beoogde situatie plangebied

9 9 9 10

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

13 13 13 16 23

Hoofdstuk 4 Planologisch relevante (milieu)aspecten 4.1 Inleiding 4.2 Parkeren & verkeer 4.3 Bodem 4.4 Waterhuishouding 4.5 Cultuurhistorie 4.6 Archeologie 4.7 Ecologie 4.8 Wegverkeerslawaai 4.9 Bedrijven en milieuzonering 4.10 Externe veiligheid 4.11 Luchtkwaliteit 4.12 Kabels en leidingen 4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

27 27 27 28 29 31 33 34 37 38 39 41 42 42

Hoofdstuk 5 Juridische plantoelichting 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van de regels 5.3 Regels

45 45 45 45

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid 6.1 Inleiding 6.2 Toepassing grondexploitatiewet 6.3 Economische uitvoerbaarheid

49 49 49 49

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Vooroverleg 7.2 Omgevingsdialoog 7.3 Zienswijzen

51 51 51 51

2

Toelichting

3

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Aanleiding Aan de Schansweg 71 te Klundert is sprake van een bestaand woonperceel met daarbinnen een vrijstaande woning met bijbehorende boerenschuur en paardenstal. De woning is gedateerd. De bewoners van de woning zijn daarom voornemens de bestaande woning te slopen en binnen het woonperceel een nieuwe woning te realiseren. De bestaande schuur en paardenstal blijven behouden en worden opgeknapt. Achterop het perceel is tot slot voorzien in een nieuwe paardenbak. Doel In het vigerende ruimtelijke regime in de vorm van het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" is aan de gronden de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' toegekend. De beoogde nieuwe woning is gedeeltelijk voorzien in de woonbestemming en gedeeltelijk binnen de bestemming 'Tuin'. Binnen deze laatste bestemming is het niet mogelijk om een woning te realiseren. De beoogde paardenbak is ook gelegen binnen de bestemming 'Tuin'. Binnen deze bestemming is geen paardenbak toegestaan. Het planvoornemen is derhalve niet mogelijk op basis van het vigerende ruimtelijke regime. Om het voorgenomen initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Hiervoor is onderhavig bestemmingsplan opgesteld.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten noorden van de kern Klundert, aan de Schansweg 71. De locatie is kadastraal bekend als voormalige gemeente Klundert, sectie B, perceelnummer 288 (gedeeltelijk). De ligging en begrenzing is nader geduid op de volgende afbeeldingen.

5

Uitsnede topografische kaart omgeving Klundert. Met de gele ster is globaal het plangebied geduid. Bron: topotijdreis.nl, 2020.

6

Uitsnede satellietfoto omgeving Schansweg met rood omkaderd het plangebied. Bron: streetsmart, 2020.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Toetsingskader Het vigerende ruimtelijke regime betreft het bestemmingsplan "Buitengebied Moerdijk" zoals vastgesteld op 1 maart 2018. In dit bestemmingsplan zijn de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Wonen' en 'Tuin'. Binnen deze laatste bestemming ligt tevens de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - gebouw'. Daarnaast ligt binnen het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' en 'Waarde Archeologie 6'.

Uitsnede van het bestemmingsplan “Buitengebied Moerdijk” van de gemeente Moerdijk. Het plangebied is rood omkaderd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Beoordeling De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn het wonen, met per bestemmingsvlak één woning. De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen en hobbymatig agrarisch gebruik. Binnen deze bestemming is een gebouw ook toegestaan, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van tuin - gebouw'. Voor een dergelijk gebouw binnen deze bestemming gelden wel beperkende maatvoeringseisen. De beoogde nieuwe woning is gedeeltelijk voorzien in de woonbestemming en gedeeltelijk binnen de bestemming 'Tuin'. Paardenbakken zijn toegestaan op het erf van een woning of agrarisch bedrijf (binnen woonbestemmingen en binnen agrarische bouwstedes/bouwvlakken). Tevens zijn paardenbakken ook toegestaan binnen de bestemming Agrarisch aansluitend aan de bestemming Wonen. De archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen ter bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings)waarden en kennen geen specifieke bouwmogelijkheden toe.

Conclusie

7

Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een nieuwe juridisch-planologische regeling om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Inleiding

Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld wordt gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. Ook wordt ingegaan op stedenbouwkundige inpassing en parkeren.

2.2

Beschrijving huidige situatie

Ter plaatse van het plangebied is momenteel sprake van een vrijstaande woning met aansluitend terrein op een bouwperceel van circa 2.200 m2 (de omvang van de bestemming 'Wonen'). Achter de woning is sprake van een ruime boerenschuur, door middel van een bijgebouw verbonden met de bestaande woning. Daar weer achter is sprake van een vrijstaande paardenstal. Het overige gedeelte van het perceel is thans ingericht als siertuin en als grasland. De vrijstaande woning was in gebruik ten behoeve van het wonen, maar staat momenteel al langere tijd leeg.

Aanzicht bestaande woning en boerenschuur binnen het plangebied vanuit de Schansweg. Bron: google.nl/maps, 2020.

9

2.3

Beoogde situatie plangebied

In de beoogde situatie wordt de bestaande woning gesloopt en herbouwd ten zuiden van de huidige locatie, globaal naast de bestaande boerenschuur. De paardenbak wordt achter deze bebouwing gesitueerd. Stalling van twee paarden vindt plaats in een bestaande schuur. De paarden worden enkel voor eigen (hobbymatig) gebruik gehouden. Van verhuur van land en paardrijd-faciliteiten of van stalling van paarden van derden is geen sprake. In Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan Schansweg 71 is de beoogde indeling van het plangebied gevisualiseerd. Het woonperceel is in de toekomstige situatie verkleind tot circa 1.500 m2 en is zodanig gevormd dat alle gebouwen hierbinnen vallen. De beoogde woning wordt opgebouwd uit één bouwlaag en sluit qua uitstraling aan bij de naastgelegen schuur. Ontsluiting van het plangebied vindt op gelijke wijze als de huidige situatie plaats via de Schansweg.

Impressie beoogde woning. Bron: Rivocon, 2020.

Het woonperceel wordt tot slot landschappelijk ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Een uitsnede daarvan is navolgend opgenomen. De landschappelijke inpassing van het woonperceel is als randvoorwaardelijk gesteld aan de beoogde ontwikkeling. Aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is gewaarborgd in de regels. Het landschappelijk inpassingsplan is daarbij als bijlage 1 bij de regels gevoegd.

10

Uitsnede landschappelijk inpassingsplan. Bron: Van Dun, 2020.

11

12

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Inleiding

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.

Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit.

Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Het voorliggende plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt (met uitzondering van de ligging in een radarverstoringsgebied). Uitsluitend het nationale belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten', als vervat in de 'ladder voor duurzame verstedelijking', is van toepassing op het onderhavige

13

bestemmingsplan. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van Rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt navolgend getoetst.

3.2.2 2012

Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro),

Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locaties Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom de radarstations mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan worden geen windturbines mogelijk gemaakt en ook geen nieuwe bebouwing boven de ter plaatse geldende maximale hoogtemaat. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation Herwijnen. Vanuit het radarstation Woensdrecht gelden eveneens geen belemmeringen aangezien de maximale bouwhoogte 113 meter bedraagt voor alle bouwwerken.

14

Ligging van Klundert binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht en Herwijnen. Met de rode aanwijzer wordt Klundert aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro)

Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de 'ladder voor duurzame verstedelijking' als een 'open norm' is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde 'overzichtsuitspraak' gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' houdt een antwoord op de volgende

15

rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan. a. b. c. d. e.

Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het besluitgebied de herbouw van een bestaande woning mogelijk. De paardenbak is ondergeschikt aan deze woonfunctie en niet voor publiek gebruik bestemd. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang niet als 'stedelijke ontwikkeling' te classificeren. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' behoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling niet is aan te merken als een 'stedelijke ontwikkeling'. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving', 2018

Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn. De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen.

De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de

16

nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet. Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet.

Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft de herbouw van een bestaande woning binnen een bestaand bouwperceel. De locatie krijgt daarmee een kwaliteitsimpuls en de oorspronkelijke woonfunctie kan worden hervat. Daarmee is het initiatief passend binnen de omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie Noord-Brabant.

3.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) - partiële herziening 2014, 2014

Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 - partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is doorvertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant. Beoordeling Op de structurenkaart van de SVRO 2014 is het plangebied gelegen binnen de structuur 'Landelijk gebied' met als perspectief 'Accentgebied agrarische ontwikkeling'.

17

Uitsnede Structurenkaart uit Structuurvisie Ruimtelijke Ordening met het plangebied aangeduid met een gele ster. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Ontwikkelingen in het landelijk gebied leveren een bijdrage aan de versterking en beleving van het landschap. Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie in haar structuurvisie twee perspectieven, te weten het gemengd landelijk gebied en het accentgebied agrarische ontwikkeling. Onderhavig plangebied behoort tot het accentgebied agrarische ontwikkeling. Aanvullend op het beleid van het gemengd landelijk gebied wordt hier gestreefd naar mogelijkheden om de positie van de aanwezige sectoren te versterken. Het plangebied betreft een bestaand woonperceel. Hierbinnen is reeds sprake van één woning, hetgeen in de beoogde situatie net verandert. De woning wordt enkel op een andere locatie gesitueerd. Bestaande agrarische bedrijven worden daarmee niet belemmerd in hun bedrijfsvoering, hetgeen ook zal blijken uit paragraaf 4.8. Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen de uitgangspunten van de provinciale structuurvisie.

3.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma's en waarden worden beschermd via de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening Noord-Brabant. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening

18

zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze, waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is ter hoogte van het bestaande bouwvlak en toekomstige woonbestemming gelegen binnen het 'Gemengd landelijk gebied'. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het 'Landelijk gebied'. Daarnaast moet worden getoetst aan de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Deze toetsing wordt navolgend gedaan.

Uitsnede kaartbeeld 'Landelijk gebied' van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het plangebied is geduid met een rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

19

Uitsnede kaartbeeld 'natuur en stiltegebieden' van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het plangebied is geduid met een rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

3.3.3.1 Wonen in landelijk gebied en afwijkende regels wonen (art. 3.68 en 3.69) Toetsingskader Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. In afwijking hiervan kan een bestemmingsplan voorzien in de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel, als is verzekerd dat de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Beoordeling In onderhavig geval wordt een bestaande woning gesloopt en wordt binnen het bouwperceel een nieuwe woning gerealiseerd. Hierbij zal geen sprake zijn van splitsing in meerdere woonfuncties. De bestemmingsplanregels geven hiertoe ook geen mogelijkheden. Van overtollige bebouwing is geen sprake. De woonbestemming is zodanig vormgegeven dat de oude woning planologisch wordt opgeheven. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.68 en 3.69 Iov. 3.3.3.2 Basisprincipes voor evenwichtige toedeling van functies (art. 3.5 t/m 3.8) Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie.

20

Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen. waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig is sprake van een bestaand bouwperceel, derhalve bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van de beoogde bouwvlakken voor de woning is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van

21

onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd, anders dan interne ontsluiting. Voor het overige heeft het planvoornemen geen negatief effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Het planvoornemen ziet niet toe op woningvermeerdering. Daarbij wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief een verouderde woning wordt vervangen. Verdere verloedering wordt daarmee voorkomen en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. Daarnaast wordt voorzien in kwaliteitsverbetering van het landschap. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.

3.3.3.3 Kwaliteitsverbetering van het landschap (art. 3.9) Toetsingskader Artikel 3.9 Iov schrijft voor dat een bestemmingsplan moet aangeven hoe een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied bijdraagt aan de verbetering van het de kwaliteit van het landschap. De toelichting dient dan ook een verantwoording te bevatten van de wijze waarop de kwaliteitsverbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd. Deze kwaliteitsverbetering dient binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied te passen. Dit kan bijvoorbeeld verzekerd worden middels landschappelijke inpassing, het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen of het slopen van bebouwing. Beoordeling De gemeente Moerdijk is aangesloten bij het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant. Afspraken over kwaliteitsverbetering zijn gemaakt in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant.

De regio heeft in het afsprakenkader drie categorieën onderscheidden: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief; Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Volgens het afsprakenkader betreft de vormverandering van het bestemmingsvlak tot 1.500 m2 een 'categorie 1' ontwikkeling. De realisatie van een paardenbak betreft een 'categorie 2' ontwikkeling. Volgens het afsprakenkader dient te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing. Daartoe is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, besproken in hoofdstuk 2. Aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd in de regels. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan kwaliteitsverbetering van het landschap.

22

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Moerdijk 2030

Toetsingskader Op 9 juni 2011 is de structuurvisie Moerdijk 2030 vastgesteld door de gemeenteraad. In de structuurvisie wordt beschreven hoe de gemeente op hoofdlijnen de inrichting van het grondgebied over 20 jaar voor zich ziet. De structuurvisie geldt als een overzichtskaart waarop alle besluiten en voornemens van de afgelopen jaren letterlijk in kaart zijn gebracht. Daarnaast geldt het als 'kompas' voor keuzes in de jaren tot aan 2030. In de structuurvisie worden, op basis van een analyse van het grondgebruik, vier verschillende zones in een samenhangend ruimtelijk raamwerk onderscheiden. Dit raamwerk vormt de leidraad voor de toekomstige ontwikkeling van de gemeente. De vier zones betreffen het stedelijk kerngebied, de recreatieve zone langs het Hollands Diep en Volkerak, de recreatieve zone langs de Mark / Dintel en het agrarisch en landschappelijk kerngebied. De structuurvisie is geen blauwdruk, maar een handleiding voor de toekomstige ruimtelijke koers van de gemeente met heldere uitgangspunten (spelregels) voor de verschillende partijen. De structuurvisie bestaat uit een visiegedeelte en uitvoeringsparagraaf. De structuurvisie heeft een planhorizon tot 2030 en omvat een integrale ruimtelijke ontwikkelingsvisie met een richtinggevend en programmatisch karakter.

Uitsnede structuurvisiekaart. Het plangebied is geduid met een rode contour.

Beoordeling Op basis van de structuurvisiekaart ligt het plangebied binnen het agrarisch gebied met een zoeklocatie voor extensieve recreatie. De algemene doelstelling is behoud en versterking van de agrarische functie. De specifieke opgaven en ontwikkelingen voor het buitengebied zijn op hoofdlijnen: de aanleg van fiets- en wandelpaden;

23

het stimuleren van de aanleg van groenzones, dijkbeplantingen en ecologische verbindingszones; het functioneel en toeristisch-recreatief ontsluiten van de relicten van de Zuiderwaterlinie; kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk mits deze bijdragen aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijk zijn ingepast. De ontwikkeling betreft een vormverandering van het bestemmingsvlak en de herbouw van een bestande woning. Het woonperceel wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing, waarmee de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt. De ontwikkeling past daarmee binnen de opgaven en de hoofdlijnen die de structuurvisie schetst. Conclusie De ontwikkeling past binnen de opgaven en de hoofdlijnen die de structuurvisie schetst.

3.4.2

Visie Buitengebied

Toetsingskader De in 2016 vastgestelde Visie Buitengebied vormt enerzijds de basis voor het te actualiseren bestemmingsplan Buitengebied. Anderzijds vormt het een op zichzelf staand afwegingskader dat kan worden gebruikt bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven. Het versterken en behouden van de kwaliteit van het buitengebied staat in de visie centraal. Daarnaast worden er binnen ruime kaders mogelijkheden geboden voor initiatiefnemers om te ontwikkelen en een bijdrage te leveren aan de kwaliteiten van het landschap.

Burgerwoningen De burgerwoningen zijn verspreid door het hele buitengebied gelegen en dus is er sprake van een sterke verwevenheid met de andere functies in het buitengebied. Dit betreft woningen die van oorsprong als burgerwoning zijn gebouwd, maar het betreft ook voormalige agrarische bedrijven met nog de nodige opstallen, die nu een woonfunctie hebben. De bestaande situatie van deze woningen wordt vanzelfsprekend gerespecteerd. Nieuwbouw van woningen in het buitengebied is slechts beperkt mogelijk.

Paardenbakken Uitgangspunt van beleid is dat paardenbakken als onderdeel van een bebouwd erf zijn togestaan en mits ze landschappelijk goed zijn ingepast. Paardenbakken zijn toegestaan op het erf van een woning of agrarisch bedrijf (binnen woonbestemmingen en binnen agrarische bouwvlakken). Tevens zijn paardenbakken ook aansluitend aan deze bestemming/aanduiding toegestaan, op een afstand van maximaal 50 m. Hierbij dient de paardenbak geheel binnen de afstand van 50 m gelegen te zijn. De paardenbakken mogen een maximale omvang hebben van 1.200 m² en dienen landschappelijk goed ingepast te worden. Tevens dient voldoende afstand tot omliggende woningen te worden aangehouden, waarbij 50 m als richtlijn wordt aangehouden. Beoordeling Met onderhavig initiatief is geen sprake van de toevoeging van extra woningen in het buitengebied, maar herbouw van een bestaande woning. De bestaande situatie wordt derhalve gerespecteerd. Bij de woning wordt voorzien in een paardenbak voor hobbymatig gebruik. De paardenbak voldoet aan de gestelde maatvoeringseisen en is eveneens gelegen op ruime afstand tot de bestaande woning aan Schansweg 73. Het woonperceel wordt tot slot landschappelijk ingepast. De ontwikkeling past daarmee binnen de Visie Buitengebied. Conclusie

24

De ontwikkeling is passend binnen de Visie Buitengebied.

3.4.3

Paraplunota Economisch Klimaat, Leefomgeving en Maatschappij

Toetsingskader De pijler 'economisch klimaat' richt zich op economie en bedrijvigheid. Het bedrijfsleven staat aan de lat om economische groei te realiseren, de overheid/gemeente creëert hiervoor de randvoorwaarden. Algemene ambitie van de gemeente Moerdijk is een goed, duurzaam ondernemingsklimaat te bieden en ondernemers te stimuleren om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. In haar paraplunota heeft de gemeente Moerdijk doelstellingen geformuleerd. Voor onderhavige situatie is het hoofddoel 'levendige kernen' het meest relevant, daar de ontwikkeling is gelegen aan de rand van de kern Zevenbergen. De ambitie van de gemeente Moerdijk is als volgt geformuleerd: 'De gemeente wil levendige kernen, waarbij de ambitie is gericht op minimaal behoud van winkels en horecavoorzieningen in de centrumgebieden van hoofdkern Zevenbergen en subregionale kernen Klundert, Fijnaart'. Ten behoeve van het behalen van deze ambitie heeft de gemeente Moerdijk een drietal doelstelling geformuleerd. Het gaat hier om een sterke centrumfunctie, een passend aanbod aan activiteiten en evenementen en toekomstbestendige detailhandel. De paraplunota 'leefomgeving' richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen ondergrond, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen.

Verder gaat de nota in op de inrichting en het beheer van de openbare ruimte en het effectief ruimtegebruik. De gemeente draagt zorg voor de bodemsituatie. Het streven is erop gericht om in ieder geval geen verslechtering van de bodemsituatie toe te staan. Daarnaast dient de aandacht voor water te worden vergroot. Bij alle herinrichtings- en reconstructieplannen is water mede ordenend. Ten aanzien van geluid en geur wordt een substantiële vermindering van het aantal geur- en geluidgehinderden nagestreefd in 2030. De pijler 'maatschappij' richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. De paraplunota 'maatschappij' heeft betrekking op het sociale gezicht van de gemeente, waar ondersteuning en voorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt, zoals verwoord in de strategische visie. Maatschappij omvat een breed terrein en kent zowel sociaalmaatschappelijke onderdelen als fysieke elementen. In deze paraplunota wordt ingegaan op de onderwerpen wonen, gezondheid, woonomgeving, de sociale structuur en de omgeving.

Beoordeling Onderhavig voornemen ziet toe op de herbouw van een woning en de aanleg van een paardenbak. Herbouw van de woning is een duurzame oplossing. In de paraplunota maatschappij geeft de gemeente Moerdijk aan het belangrijk te vinden dat inwoners zoveel als mogelijk de kans krijgen om in hun woonbehoefte te voorzien. Soms dient hiervoor maatwerk te worden geleverd. Herbouw van een woning kan hier onderdeel van zijn. Het plan toont aan dat sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning en omliggende bedrijven worden niet beperkt in uitbreidingsmogelijkheden. Voor de motivatie van diverse omgevingspecten verwijzen wij u naar hoofdstuk 4 van onderhavig schrijven. De paraplunota economisch klimaat heeft geen raakvlakken met onderhavig initiatief.

Conclusie De ontwikkeling is passend binnen de paraplunota's.

25

26

Hoofdstuk 4 4.1

Planologisch relevante (milieu)aspecten

Inleiding

Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: parkeren &verkeer; bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; ecologie; akoestiek; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; kabels en leidingen; luchtkwaliteit; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Parkeren & verkeer

4.2.1

Parkeren

Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de "Reparatiewet BZK" op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en / of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen. In het kader van 'een goede ruimtelijke ordening' dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door het geldende parkeerbeleid. Beoordeling De Nota Parkeernormen van de gemeente Moerdijk is in 2015 opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. Deze nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Blijkens de 'gebiedsindeling' zoals opgenomen in de nota ligt onderhavig plangebied in een gebied aangeduid als 'overig gebied'. Voor 'dure' woningen in dit gebied formuleert de nota een parkeereis van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen dienen te worden voorzien binnen het plangebied.

27

In de huidige situatie vindt het parkeren reeds plaats op eigen terrein. Ook in de beoogde situatie is voorzien in voldoende ruimte om het parkeren op te lossen. Om te borgen dat voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de parkeernota wordt in de regels van het bestemmingsplan, waarmee onderhavig planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk wordt gemaakt, een dynamische parkeerregeling opgenomen. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' zal concreet inzichtelijk moeten worden gemaakt waar de parkeerplaatsen worden gerealiseerd en wat de concrete parkeereis bedraagt. Het gemeentelijke parkeerbeleid vormt hiervoor een rechtstreeks toetsingskader. Conclusie Binnen het plangebied wordt voorzien in voldoende ruimte om te kunnen voldoen aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Realisatie van de benodigde parkeerplaatsen is gewaarborgd in de regels.

4.2.2

Verkeer

In de huidige situatie is reeds sprake van een woonperceel met daarbinnen een woning. Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van extra woningen of functies met een grotere verkeersaantrekkende werking. Gesteld kan worden dat het bestaande wegennet derhalve niet extra wordt belast met het planvoornemen.

4.3

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Door Moerdijk Bodemsaneringen BV is in oktober 2019 een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting.

Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. Wel is de toplaag onder de dakrand van de asbesthoudende dakbedekking beschouwd als verdacht ten aanzien van asbest in de bovengrond. In verband met het aantreffen van een puinlaag onder het grind en het beton is ter plaatse tevens aanvullend een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden, nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. Op basis van de bevindingen uit het bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de beoogde ontwikkeling.

28

Conclusie Uit een verkennend bodemonderzoek blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie.

4.4

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water.

Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en -kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021 'Grenzeloos verbindend', wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de rijkswateren en de regionale rivieren; het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met

29

betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Keur Waterschap Brabantse Delta De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing, tenzij: a. b. c. d.

het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 5.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. de toename van verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x Gevoeligheidsfactor x 0,06

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m² of groter is wordt er door het waterschap retentie geëist. Uitbreidingen van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² dienen te voldoen aan de Algemene Regels waterschap Brabantse Delta. Voor uitbreidingen groter dan 500 m² geldt sowieso een vergunningplicht. Voor het afkoppelen van verhard oppervlak < 10.000 m² wordt er vanuit het waterschap geen retentie geëist.

Uitsnede keurkaart Brabantse Delta met het plangebied geduid met een rode contour. Bron: brabantsedelta.nl, 2020.

30

Het planvoornemen ziet toe op sloop van een bestaande woning en nieuwbouw daarvan op een andere locatie binnen het woonperceel. Per saldo is daarmee geen sprake van een relevante verhardingstoename. Wel zal sprake zijn van de realisatie van een paardenbak. De paardenbak is echter waterdoorlatend en daarom niet aan te merken als verhardingstoename. Met het planvoornemen zal wel sprake zijn van een aanzienlijke verkleining van het woonbestemmingsvlak. Bebouwingsmogelijkheden worden daarmee beperkt, hetgeen ten gunste is van infiltratiemogelijkheden. Gescheiden van het hemelwater wordt het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) separaat verwerkt en aangesloten op de bestaande hemelwaterriolering. Het afvalwater wordt van daaruit afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater (hemelwaterafvoer; HWA) wordt de bestaande riolering veel minder belast. Het aanbod c.q. toename van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie als gevolg van de ontwikkeling niet toenemen. Om verdere invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen.

In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet gelegen is binnen een beschermd gebied.

Conclusie Er wordt vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan.

4.5

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale

31

Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant met het plangebied aangeduid met een gele ster.

Beleid gemeente De gemeente heeft het cultuurhistorisch beleid verankerd in de Erfgoedverordening (vastgesteld 18 december 2014). Bij deze Erfgoedverordening hoort een Cultuurhistoriekaart met bijbehorende toelichting. Deze is navolgend opgenomen.

32

Uitsnede Cultuurhistoriekaart van de gemeente Moerdijk met het plangebied aangeduid met een gele ster.

Beoordeling Het plangebied is op basis van de cultuurhistorische waardenkaart gelegen binnen het door de provincie aangeduid schootsveld behorend bij de oude stadskern van Klundert. De provincie heeft geen specifiek beleid voor deze zichtrelatie. De provincie wil deze historische zichtrelatie behouden, verder ontwikkelen en recreatief ontsluiten. In het vigerende bestemmingsplan is aan het schootsveld de aanduiding 'overige zone - schootsveld' toegekend. De gronden binnen deze aanduiding zijn tevens bestemd voor het behoud van het open zicht op het bijbehorende fort. Met het planvoornemen is enkel sprake van verplaatsing van bebouwing binnen een bestaand woonperceel. Daarbij worden geen afwijkende hoogtematen toegestaan dan reeds aanwezig. Het planvoornemen is derhalve niet van invloed op het schootsveld. De aanduiding 'overige zone - schootsveld' wordt met dit bestemmingsplan bestendigd. Voor het overige is het plangebied op basis van de gemeentelijke Cultuurhistoriekaart aangemerkt als 'oud erf'. Oude erven zijn vanuit archeologisch oogpunt van belang. Aan dit aspect wordt in de volgende paragraaf getoetst. Conclusie Het voornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de omgeving van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=ae4d424a-4222-43c3-9720-c68c32aa6593