CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

RV - Verordening individuele inkomenstoeslag Moerdijk 2025 - oude versie

Raadsvergadering 13 maart 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Verordening Individuele inkomenstoeslag Moerdijk 20252.667 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Raadsvoorstel Portefeuillehouder(s) Datum commissiebehandeling Datum raadsbehandeling Zaaknummer

wethouder G.J.M. Blom 20 februari 2025 13 maart 2025 1437165

Onderwerp

Verordening individuele inkomenstoeslag Moerdijk

Voorgesteld besluit de Verordening individuele Inkomenstoeslag Moerdijk vast te stellen Publiekssamenvatting Inwoners met drie jaar of langer een laag inkomen kunnen in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag. Het geldbedrag is vrij te besteden. In Moerdijk is de inkomensgrens vastgesteld op 101% van de bijstandsnorm. Aan de raad wordt voorgesteld de inkomensgrens vast te stellen op 105%. Hiermee proberen we te voorkomen dat uitkeringsgerechtigden er financieel op achteruit gaan als zij gaan werken en het inkomen uit werk net boven bijstandsniveau is. Inleiding Inwoners met drie jaar of langer een laag inkomen kunnen in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag. Het geldbedrag is vrij te besteden. In Moerdijk is de inkomensgrens vastgesteld op 101% van de bijstandsnorm. Aan de raad wordt voorgesteld de inkomensgrens vast te stellen op 105%. Beoogd effect Het beoogd effect van het verhogen van de individuele inkomenstoeslag van 101% naar 105% is dat meer mensen met een laag inkomen langer recht houden op toeslagen, waardoor zij minder snel in financiële problemen komen bij een stijging van hun inkomen. De regeling wordt gecontinueerd en verruimd, waardoor meer inwoners er gebruik van kunnen maken. Argumenten 1.1 De armoedeval kan worden voorkomen door de inkomensgrens voor de individuele inkomenstoeslag te verhogen van 101% naar 105%.

Uit onderzoek van Stimulansz blijkt dat de armoedeval bij 105% van het inkomen ten opzichte van de bijstand ontstaat door het wegvallen van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen en individuele inkomenstoeslag. Armoedeval kan grotendeels worden voorkomen als de inkomensgrens om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag, wordt verhoogd van 101% naar 105%. Enkel bij echtparen treedt er (nog) armoedeval op bij een inkomen tussen 120 en 130% van het sociaal minimum. Dit komt doordat landelijke toeslagen sneller afnemen naarmate het inkomen stijgt in vergelijking tot een alleenstaande (ouder), met als gevolg een vermindering in de groei van het besteedbaar inkomen bij een groeiend loon.

1.2 De wijziging van de verordening individuele inkomenstoeslag van 101% naar 105% is een inflatiecorrectie om de stijgende bijstands- en Wajong-uitkeringen aan te passen aan de gestegen kosten van levensonderhoud. De wijziging van de individuele inkomenstoeslag van 101% naar 105% is bedoeld om deze toeslag aan te passen aan de inflatie. Hierdoor kunnen meer mensen met een laag inkomen langer recht houden op toeslagen, wat hen helpt om minder snel in financiële problemen te komen bij een stijging van hun inkomen. Door de stijgende kosten van levensonderhoud hebben deze mensen behoefte aan extra financiële ondersteuning die in lijn is met de huidige prijzen. 1.3 Harmonisatie in armoede- en schuldenbeleid binnen De6-gemeenten. In het integraal beleidsplan armoede- en schulden van de De6-gemeenten is opgenomen dat we inzetten op verdere harmonisatie binnen het armoedebeleid. Ook de andere De6gemeenten hebben dezelfde Verordening voorgelegd aan hun gemeenteraad. Kanttekeningen en risico’s 1.1 Bestedingen niet onderzocht bij het optreden van armoedeval. Stimulansz heeft onderzoek gedaan naar de inkomsten in relatie tot het optreden van armoedeval. Er ligt geen inkomenseffectenrapport waarin ook de bestedingen zijn onderzocht. 1.2 Door stijging van het minimumloon kunnen mensen met een uitkering mogelijk geen aanspraak maken op de individuele inkomenstoeslag.

De afgelopen periode is het minimumloon harder gestegen dan de ParticipatieWetnormen (PW-normen). Gevolg is dat de grondslag voor uitkeringen die het UWV verstrekt (bijv. WAJONG) daardoor ook harder zijn gestegen dan de bijstandsnorm. Als gemeente Moerdijk de inkomensnorm van 101% blijft hanteren, heeft dit tot gevolg dat een aantal huishoudens die in het verleden en nu met een UWV-uitkering op minimumniveau (zoals WAJONG) nog net aan de inkomensnorm individuele inkomenstoeslag voldeden/voldoen in de knel komen. Als de tendens zich voortzet dat de minimumlonen (en afgeleide UWV-uitkeringen) harder blijven stijgen dan de PW-normen dan komt die groep in de gevarenzone en bestaat de kans dat zij niet meer in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag. Middelen Financiële middelen In 2023 is er voor EUR 152.007,00 aan individuele inkomenstoeslag uitgekeerd aan inwoners van de gemeente Moerdijk (cijfers 2024 nog niet bekend). Het Werkplein Hart van WestBrabant, die uitvoering geeft aan de regeling, verwacht extra kosten van EUR 28.500 per jaar als gevolg van het ophogen van de inkomensnorm. Hiervoor is financiële ruimte binnen de begroting. Personele middelen Er is geen extra inzet benodigd.

Communicatie De regeling Individuele Inkomenstoeslag is juridisch getoetst en akkoord bevonden door de afdeling bezwaar en beroep van het Werkplein. De cliëntenraad van het Werkplein heeft positief geadviseerd. Vervolg Na besluitvorming wordt het Werkplein, zijnde de uitvoerende partij geïnformeerd. De vastgestelde verordening wordt gepubliceerd op Overheid.nl Bijlagen Bijlage 1: Wijzigingen Verordening individuele Inkomenstoeslag Moerdijk Bijlage 2: Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet gemeente Moerdijk (2015) Mocht u vragen hebben over dit voorstel, dan kunt u contact opnemen met de griffier via +31168 366764, of via e-mail griffie@moerdijk.nl. Zevenbergen, 28 januari 2025 Burgemeester en wethouders van Moerdijk, de gemeentesecretaris, de burgemeester,

S. Elseman

A.J. Moerkerke

RAADSBESLUIT

VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG MOERDIJK De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 13 maart 2025: gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 28 januari 2025. gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b tweede lid en artikel 36 van de Participatiewet, BESLUIT vast te stellen de : VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG MOERDIJK

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen Artikel 1. Begrippen

1. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden

omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.

2. In deze verordening wordt verstaan onder: a. De wet: de Participatiewet;

b. Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum;

c. Peildatum: de eerste dag van de maand waarin de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd;

d. Inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande

dat voor de zinsnede “een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan” moet worden gelezen “de referteperiode”. Een uitkering-Participatiewet wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op de individuele inkomenstoeslag als inkomen gezien;

e. Rechthebbende: een alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde met recht op een individuele inkomenstoeslag.

Artikel 2. Uitvoering 1. De uitvoering van deze verordening berust bij het college van burgemeester en wethouders.

2. Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze

verordening. In de gevallen zoals geregeld in artikel 6 lid 2 van Gemeenschappelijke regeling van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Werkplein Hart van West-Brabant

heeft het algemeen bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant eveneens deze bevoegdheid.

Hoofdstuk 2. Recht op individuele inkomenstoeslag Artikel 3. Langdurig, laag inkomen 1. Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende de referteperiode het

gemiddelde inkomen per maand niet uitkomt boven 105% van de gemiddelde bijstandsnorm gedurende diezelfde periode.

2. Ten aanzien van perioden waarin een rechthebbende is uitgesloten van het recht op bijstand wordt een rechthebbende voor de toepassing van het eerste lid geacht

tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 105% van de norm op basis van de Participatiewet.

3. Ten aanzien van perioden waarin bij gehuwden één echtgenoot is uitgesloten van het recht op uitkering Participatiewet worden zij voor de toepassing van het eerste lid geacht tenminste een inkomen te hebben ter hoogte van 105% van de

gehuwdennorm, waarbij voor “bijstandsnorm” gelezen moet worden “gehuwdennorm”. 4. Geen recht op de individuele inkomenstoeslag hebben personen die op de peildatum

of in de referteperiode een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten.

Artikel 4. Hoogte van de individuele inkomenstoeslag 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar: a. Voor gehuwden € 720,00 (bedrag 2024);

b. Voor een alleenstaande ouder € 644,00 (bedrag 2024); c. Voor een alleenstaande € 506,00 (bedrag 2024).

2. Voor de toepassing van het eerste lid is de situatie op de peildatum bepalend. 3. Indien één van de gehuwden op de peildatum is uitgesloten van het recht op

individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van de wet komt

de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een toeslag naar de hoogte die voor hem/haar als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

4. Het in het eerste lid genoemde bedrag wordt elk jaar per 1 januari aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele verschil tussen de gehuwdennorm

bedoeld in artikel 21 sub c van de wet per 1 januari van dat jaar en de gehuwdennorm van het daaraan voorafgaande jaar. De bedragen worden op hele euro’s naar boven afgerond.

Hoofdstuk 3. Slotbepaling Artikel 5. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2025.

2. De ‘Verordening Individuele inkomenstoeslag Participatiewet 2015 gemeente

Moerdijk’, vastgesteld op 30 oktober 2014, wordt ingetrokken met ingang van inwerkingtreding van deze verordening.

3. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Moerdijk.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 13 maart 2025

De griffier, H.M Vonkel-Schenkel

De voorzitter, A.J. Moerkerke

Toelichting Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Moerdijk

Algemene toelichting: Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. De individuele inkomenstoeslag is een bijzondere vorm van bijzondere bijstand. De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een

inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde belanghebbenden die langdurig een

laag inkomen hebben en daarbij geen vooruitzicht hebben op inkomensverbetering. Deze voorziening staat in beginsel open voor iedereen met een minimum inkomen, dus ook voor werkenden.

Op grond van artikel 8 lid 1 onderdeel b Participatiewet dient de gemeenteraad bij

verordening regels vast te leggen met betrekking tot het verlenen van een individuele

inkomenstoeslag . Deze regels dienen in ieder geval betrekking te hebben op de hoogte

van de individuele inkomenstoeslag en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het begrip langdurig, laag inkomen, zoals die in artikel 36 lid 1 Participatiewet worden

gebruikt. Hiermee is beoogd te bewerkstelligen, dat de individuele inkomenstoeslag zoveel mogelijk een gemeentelijke verantwoordelijkheid wordt.

De voorwaarden om voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen, staan vermeld in artikel 36 van de Participatiewet.

Door de zinsnede in de wet ”geen uitzicht heeft op inkomensverbetering” wordt

gewaarborgd dat bepaalde groepen met een goed arbeidsmarktperspectief, zoals studenten, niet in aanmerking komen voor de inkomenstoeslag.

Verder is de ondergrens voor aanvragers bepaald op 21 jaar, omdat dit de leeftijd is waarop de ouderlijke onderhoudsplicht vervalt. Hiermee blijft de inkomenstoeslag

aansluiten op het systeem van de wet ten aanzien van personen jonger dan 21 jaar. Personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, zijn uitgesloten van het

recht op een inkomenstoeslag. Als gevolg van de al gerealiseerde inkomensverbetering voor deze categorie (hogere norm) blijft deze doelgroep buiten het bereik van de regeling.

Wettelijk is bepaald, dat een persoon ten hoogste éénmaal binnen 12 maanden in aanmerking komt voor deze inkomenstoeslag.

In deze verordening is verder gekozen voor invulling die rekening houdt met de

jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Voorts is gekozen voor een invulling die zo veel mogelijk ongewenste armoedevaleffecten voorkomt.

Artikelsgewijze toelichting: Artikel 1 Begrippen Begrippen die in de Participatiewet voorkomen hebben in deze verordening dezelfde

betekenis als in de Participatiewet. Ten aanzien van een aantal begrippen die als zodanig niet in de Participatiewet zelf staan is een definitie gegeven in deze verordening.

Met betrekking tot het begrip ‘inkomen’ is een van de Participatiewet afwijkende definitie opgenomen. Nu de wetgever de gemeenteraad opdracht gegeven om in de verordening regels te geven met betrekking tot het begrip ‘langdurig, laag inkomen’, is de gemeenteraad bevoegd om dit begrip voor de toepassing van artikel 36 lid 1

Participatiewet nader te definiëren. Met de gebruikte definitie wordt een uitkering o.g.v. de Participatiewet ook als inkomen gezien. Artikel 2 Uitvoering Omdat de uitvoering van het verstrekken van individuele inkomenstoeslag is opgedragen aan het college, kunnen ten behoeve van de uitvoering nadere beleidsregels worden vastgesteld. Strikt genomen dient dit niet in een verordening te worden vastgelegd. Omwille van de leesbaarheid van deze verordening is hier toch voor gekozen. Artikel 3 Langdurig, laag inkomen Nadat belanghebbenden drie jaar op een minimum inkomen zijn aangewezen is er over

het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van drie

jaar aangehouden. Dit sluit ook aan bij de impliciet door de wetgever gegeven termijn. De minimumleeftijd is immers door de wetgever eerder teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een belanghebbende is immers (normaal gesproken) vanaf zijn 18e voor de Participatiewet een zelfstandig rechtssubject.

Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat gemiddeld niet hoger is dan 105% van de gemiddelde Participatiewet-norm. Hiermee worden kleine afwijkingen ten opzichte van de bijstandsnorm niet gelijk uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag. Deze verschillen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door de inkomstenbelasting en heffingskortingen.

De methode van het kijken naar het gemiddelde loon maakt dat iemand die wegens werkaanvaarding een korte periode een inkomen boven bijstandsniveau heeft gehad niet zonder meer zijn recht op individuele inkomenstoeslag kwijt is. Een dergelijk gevolg zou namelijk een negatieve prikkel zijn bij het aanvaarden van werk. Dat geldt temeer als een belanghebbende geen of maar weinig zekerheid heeft over de duur van dit werk. Het is evenwel niet de bedoeling dat een belanghebbende perioden waarin hij een inkomen boven de norm heeft kan middelen met perioden waarin hij vanwege de aanwezigheid van een uitsluitingsgrond, zoals bijvoorbeeld detentie, geen recht op bijstand had. Dit geldt overeenkomstig voor gehuwden van wie één partner is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag . Daarom wordt in het derde lid bepaald dat dergelijke

perioden voor het berekenen van het gemiddelde inkomen meetellen als perioden waarin tenminste 105% van de norm is ontvangen. Het woord ‘tenminste’ in deze leden, maakt, dat als er in bedoelde perioden in werkelijkheid meer inkomen dan norm is geweest, dit hogere, werkelijke inkomen moet meetellen.

Van studenten wordt per definitie gesteld dat zij arbeidsmarktperspectief en uitzicht op inkomensverbetering hebben. Om te voorkomen dat degene met een baan met een

minimuminkomen, die zijn positie middels avondstudie probeert te verbeteren, niet in aanmerking zou komen, is bepalend of de studerende in de referteperiode

studiefinanciering heeft genoten. Studiefinanciering is immers alleen mogelijk bij een

dagstudie en bij studenten beneden een bepaalde leeftijd. Als het gaat om gehuwden of

degenen die daarmee gelijk te stellen zijn, waarvan één van beide een uitkering op grond van de Wet op de Studiefinanciering heeft genoten in een periode waarin beiden niet als gehuwd zijn aan te merken, komt het recht de ander toe, voor zover aan de overige voorwaarden is voldaan.

Artikel 4 Hoogte van de individuele inkomenstoeslag De hoogte is afhankelijk van de leef- of gezinssituatie op de peildatum. Hoewel door het wetsvoorstel Hervorming kindregelingen de normen voor alleenstaande ouders en

alleenstaanden worden gelijkgesteld is gekozen voor een aparte toeslag voor beiden. Het wetsvoorstel verandert namelijk niets aan de begripsbepalingen in de Participatiewet.

Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de bijstandsnormen

in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de individuele inkomenstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar.

In het derde lid wordt een regeling overeenkomstig artikel 24 Participatiewet gegeven

voor situaties waarin bij gehuwden één van beide partners is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 Participatiewet. Artikel 5 Inwerkingtreding Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=3876e106-b98b-4aba-8067-ee2af095309f