Reglement van Orde voor de gemeenteraad aangepast
Tekst van het document
De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door
middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: -
een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden
ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze
personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke -
verhoudingen;
een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een
persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;
Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit
moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen
volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.
Artikel 23 Besluitenlijst Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet).
De besluitenlijst wordt tegelijkertijd met de oproep beschikbaar gesteld aan de leden van de raad.
Raadsleden, de burgemeester en de overige deelnemers aan de beraadslagingen kunnen een voorstel tot wijziging van de besluitenlijst aan de raad doen. Een voorstel tot wijziging dient twee werkdagen voor aanvang van de vergadering schriftelijk bij de griffier te worden ingediend. Het is aan de raad om te
beslissen of een voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State).
De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen 23
beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Het ligt voor de hand dat de besluitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk wordt gemaakt. Dit wordt weergeven in het zevende lid.
Raadsvergaderingen worden via internet in beeld en geluid uitgezonden. De opname van deze uitzending blijft gedurende de in de verordening vastgestelde periode via internet te beluisteren.
De wijze waarop de opnames worden gearchiveerd is nog punt van een landelijk lopende discussie met de leveranciers van de betreffende programmatuur. Met name het eigendom van de geïndexeerde bestanden speelt hierbij een rol. Zolang gebruik gemaakt wordt van de diensten van de huidige aanbieder blijven de bestanden als archiefstuk beschikbaar.
Artikel 24 Ingekomen stukken De (aan de raad gerichte) ingekomen stukken en raadsinformatiebrieven worden alleen in een commissievergadering behandeld wanneer dat door een of meer raadsleden gewenst wordt. Raadsleden hebben op
deze wijze de mogelijkheid hun mening over de ingekomen stukken en raadsinformatiebrieven kenbaar te maken en het college een advies mee te geven bij de verdere behandeling van het betreffende onderwerp of bij het maken van een concept antwoordbrief. De beantwoording van ingekomen stukken, waarop een antwoord van de raad gevraagd wordt, wordt in principe door het college voorbereid en ter goedkeuring
aan de raad voorgelegd via het bestuurlijke informatiesysteem. Wanneer raadsleden wensen te reageren op het concept antwoordbrief, kunnen zij aangeven dat zij de antwoordbrief willen behandelen in een
commissievergadering. Tussentijds worden briefschrijvers geïnformeerd over de afdoeningswijze van hun
brief. Voor elk ingekomen stuk stelt de griffier een afdoeningswijze voor. Wanneer raadsleden het hiermee niet eens zijn, kunnen zij dit aan de griffier kenbaar maken onder vermelding van de reden en de wijze
waarop de afdoening volgens hem zou moeten plaatsvinden. Het presidium neemt een eindbeslissing over de afdoening van de brief.
Artikel 25 Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een
raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen
omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verslag.
De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die
bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beelden geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of
geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven.
In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.
24
Artikel 26 Besluitenlijst besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, vierde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.
Artikel 27 Opheffing geheimhouding In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken
op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De
raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.
Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan geheimhouding worden opgelegd
door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die
volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.
Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat
geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten
vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen.
Artikel 28 Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.
Artikel 29 Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations
geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft.
Artikel 30 Amendementen en subamendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.
25
Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatief-
voorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit
voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het
subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 14).
Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daarnaast is bepaald dat er alleen
wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.
Artikel 31 Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een
voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde
ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel
kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.
Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft.
Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de
vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 32 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden.
Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het
individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om
zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.
In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de
raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.
26
Artikel 32 Initiatiefvoorstellen Primair is het de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.
De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige
initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk
voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het aan de voorzitter te zenden (art. 147a, eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en
onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele
raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij kan worden gedacht aan het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid).
Het tweede en derde lid van artikel 147a Gemeentewet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een
initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. In het nieuw aan de Gemeentewet toegevoegde vierde lid van artikel
147a volgt dat de gemeenteraad geen besluit mag nemen over een initiatiefvoorstel dan nadat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Uiteraard moet het college daarvoor een redelijke termijn krijgen, gekozen is voor twintig werkdagen.
In het derde lid van dit artikel van het RvO is vastgelegd dat een initiatiefvoorstel, nadat het college daarover zijn wensen en bedenkingen heeft kenbaar gemaakt, op de agenda van de eerstvolgende
raadsvergadering wordt geplaatst. Het presidium kan besluiten het voorstel alsnog eerst in een van de
commissies te bespreken. De voorzitter plaatst het voorstel echter niet meer op de raadsagenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 10, vierde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.
Artikel 33 Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het
voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.
Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het
voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw
behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.
27
Artikel 34 Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in
het verlengde van het mondelinge vragenrecht, dat verder in de Commissieverordening is geregeld en het schriftelijke vragenrecht dat in artikel 35 van dit reglement is geregeld. Het gaat om een recht van een
volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is toestemming van de raad nodig.
Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de
raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate
instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele
raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. In het RvO is er voor gekozen het besluit om een verzoek voor het houden van een interpellatie te honoreren over te laten aan een
raadsmeerderheid. Hiermee wordt een advies uit december 2005 van toenmalig Minister Pechtold, om aan te sluiten bij de regels van de Tweede Kamer te volgen, niet overgenomen. In de Tweede Kamer is het voor het houden van een interpellatie voldoende als 30 van de 150 Kamerleden daarmee instemmen. Vertaald
naar de Moerdijkse situatie, zou dat betekenen dat voor het houden van een interpellatie de steun van vijf raadsleden volstaat.
Artikel 35 Schriftelijke vragen Het vragenrecht vindt zijn basis in artikel 155 eerste lid van de Gemeentewet. Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die
tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair
van informatief van aard. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is.
De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, als de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het
verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft dit antwoord, omdat de portefeuillehouder primair verantwoordelijk is voor het te geven antwoord.
In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is
dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.
Artikel 36 Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. Naast een ingewikkelde inrichting van de
bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de
inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke
verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te
bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Dat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad
gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om 28
inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het
leven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Via het Reglement van Orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen wordt een zekere ordening aangebracht in de wijze waarop het
inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.
Artikel 37 Uitleg reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 38 Intrekken oude reglement Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 39 Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
Behoort bij besluit van de gemeenteraad van Moerdijk d.d. 18 maart 2021, De raadsgriffier,
A. Goslings
29