quickscan flora en fauna Veerstraat 3
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna
Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Arnhem, 16 juli 2019
Pagina |2
Colofon Titel Subtitel
: Quickscan flora en fauna : Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Projectnummer Datum
: 19.079 : 16 juli 2019
Veldonderzoek Auteur(s)
: J. Boer, T. van de Zilver : J. Boer
Collegiale toets
: T. van de Zilver
Opdrachtgever Contactpersoon
: Agel Adviseurs : J. Sips
Bezoekadres Postcode Telefoon
: Snelliusweg 40-18 : 6827 DH Arnhem : 026-2001900
info@ekoza.nl www.ekoza.nl
Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |3
Inhoudsopgave 1. 2.
Inleiding ...................................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 5 2.1 Natura 2000-gebieden .......................................................................................................... 5 2.2 Natuurnetwerk Nederland.................................................................................................... 5 2.3 Soorten................................................................................................................................ 6 2.4 Houtopstanden .................................................................................................................... 8 3. Gebiedsbeschrijving ..................................................................................................................... 9 3.1 Gebiedsbeschrijving ............................................................................................................. 9 3.2 Voorgenomen ingreep ........................................................................................................ 11 4. Onderzoeksmethode..................................................................................................................
12 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 12 4.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 12 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 12 4.2 Soorten.............................................................................................................................. 12 4.2.1 Bronnenonderzoek............................................................................................................... 12 4.2.2 Veldonderzoek ..................................................................................................................... 13 4.2.3 Effectenbeoordeling ............................................................................................................. 13 4.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 14 5. Resultaten ................................................................................................................................. 15 5.1 Gebiedsbescherming ..........................................................................................................
15 5.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 15 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 16 5.2 Soorten.............................................................................................................................. 17 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 17 5.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 18 5.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 19 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 21 5.2.5 Flora...................................................................................................................................... 22 5.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 23 5.3 Houtopstanden ..................................................................................................................
23 6. Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................... 24 6.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 24 6.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 24 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 24 6.2 Soortbescherming .............................................................................................................. 24 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 25 6.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 25 6.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 25 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 25 6.2.5 Flora......................................................................................................................................
25 6.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 25 6.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 26 Bronnen ............................................................................................................................................ 27 Literatuur ...................................................................................................................................... 27 Websites ....................................................................................................................................... 27
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |4
1.
Inleiding In de plaats Standdaarbuiten in Noord-Brabant zal een extra woning worden gerealiseerd. Ekoza B.V. heeft in opdracht van Agel Adviseurs in dit plangebied een ecologische quickscan uitgevoerd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden.
Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen besproken, waarin ook de vervolgstappen worden omschreven.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |5
2.
Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag komt bij de provincies te liggen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden
2.1 Natura 2000-gebieden De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze natuurbeschermingsrichtlijnen hebben naast de bescherming van specifieke flora en fauna eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. In Nederland zijn 164 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Door de toenmalige Minister van LNV zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden, deze staan vermeld in het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit. In het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit staan de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels die in het Natura 2000-gebied voorkomen beschreven. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die nodig zijn ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten.
Elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: • de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren; of • een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, is ingevolge artikel 2.7, tweede lid verboden. De activiteit kan slecht doorgang vinden wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent.
2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland werd voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het doel van het Natuurnetwerk Nederland is om een samenhangend netwerk te creëren van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Het huidige netwerk bestaat voor het merendeel uit Natura 2000-gebieden en andere bestaande natuurgebieden. Daarnaast worden natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |6
Onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland zijn Ecologische Verbindingszones (EVZ), die natuurgebieden met elkaar verbinden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincies zijn sinds 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Bij toetsing van de ingreep aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de 'Spelregels EHS' van toepassing, een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en een door Rijk, provincies en maatschappelijke organisaties gezamenlijk opgesteld beleidskader. Provincies hebben de Spelregels laten doorwerken in hun eigen ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel voor de EHS is het sluitstuk van het ‘nee, tenzij’ beschermingsregime. Volgens dat regime zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen in de EHS met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én het ontbreken van reële alternatieven. De hoofdlijnen van de regels voor de bescherming en compensatie van de EHS zijn juridisch verankerd in de uitbreiding van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke ordening (Barro, voorheen AMvB Ruimte), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden (bekendmaking inhoud Stb. 2012, 388; bekendmaking inwerkingtreding Stb. 2012, 434).
2.3 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten
Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Opzettelijk dieren te verstoren; 3. Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; 4. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |7
5. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om gefokte of gekweekte dieren of planten.
Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Noord-Brabant. Ingevolge artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Artikel 1.11 Wnb voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.
Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |8
Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
2.4 Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Ingevolge artikel 4.1 vallen buiten de bescherming houtopstanden: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Pagina |9
3.
Gebiedsbeschrijving
3.1 Gebiedsbeschrijving Het plangebied bevindt zich in de plaats Standdaarbuiten, in de gemeente Moerdijk in Noord-Brabant. De locatie heeft een oppervlakte van circa 2100 m2 en betreft een tuin grenzend aan een woonhuis. Het perceel is voornamelijk omringd door bebouwing, agrarisch gebied en natuurgebied. Daarnaast ligt er circa 100 m ten zuiden van het gebied de rivier de Dintel. Binnen het plangebied staat een intensief onderhouden gazon, een vijver, een aantal bomen aan de meest noordelijke rand, een woonhuis en een schuurtje. Tevens staan er een aantal rijen jonge bomen langs de vijver. In Figuur 1 is de globale ligging van het plangebied weergeven. Figuur 2 geeft een impressie van het plangebied.
Figuur 1. Globale ligging (rood) van het plangebied.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 10
Figuur 2. Impressie van het plangebied.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 11
3.2 Voorgenomen ingreep De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe woning te realiseren binnen een bestaand perceel (Figuur 3). Om dit te verwezenlijken zal onder andere de jonge rij bomen verwijderd worden en tevens zal de vijver worden gedempt. Volgens de huidige plannen zal het bestaande schuurtje ook worden verwijderd.
Figuur 3. Het plangebied (blauw) en de locatie van de te realiseren nieuwe woning (rood gearceerd).
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 12
4.
Onderzoeksmethode
4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.
4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het plangebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hier is alle informatie over Natura 2000-gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: 1. Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. 2. Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. 3. Kunnen deze effecten: a. verstorend zijn voor kwalificerende soorten b. leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats c. significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen
4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het plangebied ten opzichte van de NNN is gebruikt gemaakt van de websites van de provincie Noord-Brabant. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het plangebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.
4.2 Soorten Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het plangebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten daadwerkelijk in het plangebied voor kunnen komen.
4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 13
databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de PGO’s (particuliere gegevensverzamelende organisaties) zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 2 juli 2019 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.
4.2.2 Veldonderzoek Het plangebied is eenmaal bezocht op 3 juli 2019. Het was een onbewolkte dag, met een temperatuur van rond de 12°C met matige wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.). Het onderzoek bestond uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het plangebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten.
4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het plangebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten is sterk afhankelijk van de voorgenomen werkzaamheden; op welke locatie van het gebied deze worden uitgevoerd, in welke periode van het jaar, wordt er ook 's nachts gewerkt, de duur van de werkzaamheden, welke machines of materialen er gebruikt worden enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de goede staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 14
4.3 Houtopstanden Bij het kappen van bomen binnen het plangebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten het besluit van de betreffende gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet) liggen.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 15
5.
Resultaten
5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op 7,5 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Hollands Diep. Daarnaast ligt de Biesbosch op 15 km afstand, en Krammer-Volkerak op 11 km afstand van het plangebied.
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied Hollands Diep, Biesbosch en Krammer-Volkerak. Het Hollands Diep was voorheen een estuarium van de delta van Rijn en Maas. Het Natura2000 gebied is circa 4225 hectare groot. Het Haringvliet vertegenwoordigde de laatste verbinding tot de zee. Deze verbinding viel echter weg toen de Haringvlietdam werd gesloten, en het Hollands Diep bevat nu zoet water. Tegenwoordig wordt het peil beheerd door sluizen en bovenstroomse stuwen. Het Hollands Diep is aangewezen tot Natura 2000-gebied vanwege speciale beschermingszone onder zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. Habitattypen die hierbij horen zijn slikkige rivieroevers, ruigten en zomen en vochtige alluviale bossen. Bijbehorende habitatsoorten zijn de zeeprik, rivierprik, elft, fint, zalm, bittervoorn, grote modderkruiper, kleine modderkruiper, bever en de noordse woelmuis. Bijbehorende broedvogelsoorten zijn de lepelaar en de kluut. Niet-broedvogelsoorten zijn de lepelaar, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wilde eend een kuifeend.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 16
Effectenbeoordeling De werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied ligt buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten.
5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt naast van het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 5). Dit betreft haagbeuken- en essenbos, genaamd het Standdaarbuitenbos. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen plaatsvinden.
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. In het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie de volgende doelstellingen: • het herstel en behoud van de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hiervoor moeten natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden, waardoor een netwerk ontstaat. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; • het bieden van ruimte aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Hierdoor kunnen inwoners en bezoekers de natuur beleven en het draagvlak voor natuurbeleid waarborgen.
Effectenbeoordeling Het plangebied ligt tegen het Natuurnetwerk Nederland aan. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 17
Natuurnetwerk Nederland, provincie Noord-Brabant Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen. Wel wordt geadviseerd geen materialen of werkterreinen binnen het Natuurnetwerk Nederland gebied te plaatsen.
5.2 Soorten Er is een bronnenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied. De belangrijkste gegevensbron is de NDFF. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast wordt bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te inventariseren zijn. Tenslotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven. Door middel van het veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachte beschermde soorten in het plangebied. Daarna is onderzocht welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.
5.2.1 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Een aantal grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied of in de omgeving van het plangebied waargenomen volgens de NDFF. Tabel 1 geeft een overzicht van deze soorten.
Tabel 1. Overzicht van waargenomen grondgebonden zoogdieren in het plangebied of in de nabije omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Bunzing Muskusrat Woelrat/Molmuis
andere soorten x
vrijgestelde soorten x x
De niet-vrijgestelde bunzing is waargenomen ongeveer 500 m ten oosten van het plangebied, in de akkervelden aan de overkant van rivier de Dintel. Overige niet-vrijgestelde soorten en die volgens hun verspreiding voor zouden kunnen komen zijn de das, eekhoorn, boommarter, steenmarter, hermelijn wezel.
Veldonderzoek Het plangebied bestaat grotendeels uit onderhouden gazon, een vijver en een schuurtje. In de bomen zijn geen eekhoornnesten aangetroffen en daarmee zijn er geen verblijfplaatsen van eekhoorns in het plangebied. Het plangebied, inclusief het schuurtje zijn gecontroleerd op mogelijke aanwezigheid van martersoorten. Er zijn geen sporen, verblijfplaatsen of anderzijds indicaties gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van marters. Daarnaast zijn er geen dassenburchten of holen aangetroffen op de onderzoekslocatie.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 18
Effectenbeoordeling De voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren.
5.2.2 Vleermuizen Vleermuizen vallen onder het beschermingsregime van de habitatrichtlijnsoorten. Verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven) en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soorten zijn beschermd.
Bronnenonderzoek Er zijn een drietal soorten vleermuizen in de omgeving waargenomen volgens de NDFF. De meeste vleermuiswaarnemingen betreft de gewone dwergvleermuis. Tabel 2 heeft een overzicht van de waargenomen vleermuissoorten volgens de NDFF.
Tabel 2. Overzicht van vleermuizen die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
Veruit de meeste meldingen van de gewone dwergvleermuis stammen uit de omgeving van de Hoogstraat en de sint Janstraat, ongeveer 300 m van het plangebied vandaan in het centrum van Standdaarbuiten. De waarnemingen van de laatvlieger en de ruige dwergvleermuis komen tevens uit deze omgeving. Aan de hand van hun verspreiding zouden de rosse vleermuis, meervleermuis en watervleermuis voor kunnen komen in de omgeving van het plangebied.
Veldonderzoek Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in gebouwen of bomen. In bomen bevinden vleermuizen zich in holtes, spleten of achter loshangend boomschors. In gebouwen kunnen vleermuizen zich onder andere bevinden in de spouw, onder dakpannen, achter boeiboorden en op zolders. De aanwezige bomen konden goed worden onderzocht op de aanwezigheid van holtes of spleten en deze waren afwezig. De te verwijderen rij met jonge bomen die zich naast de vijver bevindt hebben een diameter van minder van 25 cm. Hierdoor zijn deze ongeschikt om als eventuele verblijfplaats voor vleermuizen te dienen. Het bijbehorende woonhuis direct naast het plangebied zou wel geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Zij zouden zich eventueel kunnen vestigen onder de dakpannen, nok of dakrand van het gebouw. Het schuurtje is ongeschikt als vleermuizenverblijfplaats. Het betreft een schuurtje dat niet geïsoleerd is, waardoor er weinig schuilmogelijkheden aanwezig zijn. Daarnaast
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 19
waren er geen kieren of gaten zichtbaar waar vleermuizen zich eventueel kunnen vestigen (Figuur 6).
Figuur 6. Het schuurtje binnen het plangebied. Niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen, maar ook essentiële vliegroutes zijn beschermd. Vleermuizen zijn plaatstrouw en maken vaak jaren achter elkaar gebruik van hetzelfde netwerk aan verblijfplaatsen. De meeste soorten maken ook gebruik van min of meer vaste vliegroutes tussen hun verblijfplaats en het jachtgebied. Indien er geen alternatieven zijn is de vliegroute van essentieel belang voor een kolonie. Als de dieren niet meer zonder verstoring van hun verblijfplaats bij hun jachtgebied kunnen komen zullen ze moeten verhuizen. Om deze reden zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen beschermd. Lijnvormige landschapselementen die als vliegroute kunnen dienen zijn bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen. Zowel de bomenrij langs de sloot aan de noordkant als de vijver zelf zouden dienst kunnen doen als vliegroute, evenals de bosrand buiten het plangebied. Daarnaast zou het gazon gebruikt kunnen worden als foerageergebied door vleermuizen.
Effectenbeoordeling Het plangebied biedt geen geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor vleermuizen. In het bijbehorende woonhuis naast het plangebied zouden vleermuizen voor kunnen komen. Echter, dit gebouw zal volgens de huidige plannen intact blijven. Verwacht wordt dus dat de werkzaamheden geen negatieve effecten op zal leveren voor vleermuizen. Het plangebied biedt tevens vliegroutes en foerageermogelijkheden. In de nabije omgeving is echter genoeg alternatief aanwezig. Verwacht wordt dus dat het plangebied geen essentieel foerageergebied of vliegroute herbergt.
5.2.3 Vogels Alle vogelsoorten behoren tot de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het nest van enkele vogelsoorten jaarrond beschermd. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden. Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 20
Bronnenonderzoek In de omgeving van de planlocatie ligt bebouwing, weilanden en bosgebied waardoor een grote verscheidenheid aan vogelsoorten in de omgeving voorkomt. In Tabel 3 zijn de vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die zijn waargenomen in of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF weergegeven.
Tabel 3. Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten die zijn waargenomen in het plangebied of omgeving volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort blauwe reiger Boerenzwaluw boomkruiper buizerd ekster gierzwaluw grote bonte specht huismus huiszwaluw ijsvogel koolmees pimpelmees ransuil spreeuw zwarte kraai zwarte roodstaart
Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 5 5 5 4 5 2 5 2 5 5 5 5 4 5 5 5
De buizerd is gemeld 200 m ten oosten van het plangebied, aan de Oudlandsedijk. Waarnemingen van de gierzwaluw bevinden zich vooral verspreid over het westen van de bebouwde kom van Standdaarbuiten. De dichtstbijzijnde waarneming bevindt zich op circa 500 m afstand van het plangebied. De huismus is tevens voornamelijk gemeld in de westelijke bebouwde omgeving, aan de sint Janstraat en de Predikherenstraat, respectievelijk 300 m en 500 m ten zuidwesten van het plangebied. Een enkele waarneming van een ransuil is gemeld in het noorden van Standdaarbuiten, aan de Markweg (meer dan één kilometer van het plangebied vandaan).
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal vogels gehoord en gezien, waaronder de koolmees, pimpelmees, vink tjiftjaf, merel, heggenmus, winterkoning, ekster, Vlaamse gaai, kraai, kauw, houtduif en grote bonte specht. De bomen zijn zo ver mogelijk gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Het bijbehorende woonhuis zou geschikt kunnen zijn voor jaarrond beschermde nesten van gierzwaluwen of huismussen. Dit woonhuis behoort echter niet tot het plangebied. Het schuurtje binnen het plangebied biedt niet voldoende mogelijkheid voor verblijfplekken van gierzwaluwen of huismussen. Gierzwaluwen hebben minimaal 2 à 3 m hoogte nodig om zich te kunnen vestigen. Daarnaast waren er geen kieren of gaten aanwezig (Figuur 6) voor nestbouw van huismussen, noch gierzwaluwen. Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 21
Figuur 7. Diverse soorten vogels die voorkomen binnen het plangebied. Effectenbeoordeling In het woonhuis naast het plangebied kunnen zich eventueel gierzwaluwen of huismussen vestigen. Echter er zullen vooralsnog geen werkzaamheden plaatsvinden aan dit gebouw. Het schuurtje is ongeschikt voor gebouwbewonende vogels. In de bomen, inclusief de jonge rij bomen naast de vijver, zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden aan het woonhuis. Verwacht wordt dus dat de werkzaamheden geen negatieve effecten zullen hebben op jaarrond beschermde soorten. In de struiken kunnen wel eventueel vogels tijdens het broedseizoen broeden.
5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Bronnenonderzoek In Tabel 4 is een overzicht weergegeven van de waargenomen beschermde amfibieën, reptielen en vissen in het plangebied of in de omgeving van het plangebied volgens de NDFF.
Tabel 4. Overzicht van waargenomen reptielen, amfibieën en vissen in of nabij het plangebied volgens de NDFF van de laatste 3 jaar. Soort
Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort
Bruine kikker Gewone pad
andere soorten
vrijgestelde soorten x x
De verspreiding van de grote modderkruiper reikt daarnaast ook nog tot aan het plangebied.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 22
Veldonderzoek Op de onderzoekslocatie is een vijver aanwezig (Figuur 7). Deze is echter niet verbonden met wateren in de omgeving. Daarnaast biedt het niet de rijke oevervegetatie en modderlaag die nodig is voor de grote modderkruiper. Daardoor wordt niet verwacht dat deze voor zal komen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen indicaties gevonden voor de aanwezigheid van amfibieën in deze vijver. De vijverrand is hoogstwaarschijnlijk te hoog voor Figuur 8. De vijver binnen het plangebied. amfibiesoorten om zich hier te vestigen. Het plangebied bestaat uit onderhouden gazon, bestrating en bebouwing. Het aanwezige groen is dus ongeschikt als landhabitat voor beschermde amfibieën vanwege gebrek aan voldoende beschutting of schuilmogelijkheden. Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt over het gebruik van het plangebied door reptielen. De structuurrijke vegetatie en zanderige plekken benodigd voor de meeste reptielensoorten ontbreken. Zwaar beschermde reptielensoorten worden dan ook niet verwacht.
Effectenbeoordeling Zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibieënsoorten stellen kritische eisen aan hun leefomgeving. Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde vissen, reptielen en amfibieën in het plangebied niet aanwezig. Bovendien bevindt het plangebied zich niet binnen de te verwachten verspreiding van beschermde reptielen- of amfibieënsoorten. Verwacht wordt dat er zich geen negatieve effecten op beschermde reptielen- of amfibieënsoorten zullen voordoen.
5.2.5 Flora Bronnenonderzoek Gedurende de laatste 10 jaar is er slechts één beschermde plantensoort waargenomen in de omgeving van het plangebied, namelijk de naakte lathyrus. De naakte lathyrus is gemeld vanuit de akkers in de omgeving van Poldersvliet, op ongeveer 5 km ten oosten van het plangebied. Tenslotte valt het plangebied niet binnen het te verwachten verspreidingsgebied van enig andere beschermde plantensoort.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 23
Veldonderzoek Het onderzoek heeft plaatsgevonden in de bloeitijd van beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde planten waargenomen. Op de muren zijn geen beschermde planten aangetroffen. Daarnaast bestaat het plangebied voornamelijk uit frequent onderhouden gazon. Straatgras was dan ook de meest voorkomende plantensoort.
Effectenbeoordeling De meeste beschermde planten zijn zeer kritisch ten aanzien van hun standplaats. Beschermde planten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Gezien de aard van het plangebied en de soortensamenstelling van de aanwezige flora worden beschermde planten hier ook niet verwacht. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten worden dan ook niet verwacht.
5.2.6 Ongewervelden Bronnenonderzoek In de laatste 10 jaar zijn volgens de NDFF geen beschermde ongewervelde soorten waargenomen in de omgeving van het plangebied. Geen van de beschermde ongewervelden komen daarnaast voor binnen het plangebied volgens hun verspreiding.
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde ongewervelden in het plangebied. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat met bepaalde waardplanten. Beschermde ongewervelden zijn in het plangebied niet waargenomen. Daarnaast is ook gekeken naar het eventuele voorkomen van waardplanten van beschermde ongewervelden. Deze waren niet aanwezig binnen het plangebied.
Effectenbeoordeling Verwacht wordt dat er geen negatieve effecten zullen plaatsvinden op beschermde ongewervelde soorten.
5.3 Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 24
6.
Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het voorgaande kan een aantal conclusies worden getrokken en worden aanbevelingen gegeven voor de te nemen vervolgstappen. In de effectenbeoordeling en de daaruit volgende conclusies is uitgegaan van de werkzaamheden zoals die zijn omschreven in paragraaf 3.2. Veranderingen of afwijkingen hiervan kunnen tot andere conclusies leiden. Natuuronderzoek heeft doorgaans een juridische houdbaarheid van drie jaar.
6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 Natura 2000 Er zijn geen negatieve effecten, dan wel significant negatieve effecten te verwachten van het project op het nabijgelegen Natura 2000-gebied.
6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen. Geadviseerd wordt om bouwmaterialen niet in Natuurnetwerk Nederland te leggen.
6.2 Soortbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 5 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.
Tabel 5. Samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen. Soortgroep
Soort
Grondgebonden zoogdieren
n.v.t.
Vleermuizen
n.v.t.
Vogels
Algemene broedvogels
Reptielen
n.v.t.
Amfibieën
n.v.t.
Vissen
n.v.t.
Flora
n.v.t.
Ongewervelden
n.v.t.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
Maatregelen
Werken buiten het broedseizoen indien struiken worden verwijderd.
P a g i n a | 25
6.2.1 Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden zullen geen negatief effect opleveren voor grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.2 Vleermuizen Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig die mogelijk dienst kunnen doen als verblijfplaats voor vleermuizen. De bijbehorende woning naast het plangebied is wel geschikt als mogelijk vleermuizenverblijfplaats. Aan deze woning zullen echter geen werkzaamheden plaats gaan vinden. Het schuurtje binnen het plangebied is ongeschikt als vleermuizenverblijfplaats. De bomen zijn gecontroleerd op holtes, en deze zijn niet aangetroffen. De jonge bomen die worden verwijderd ten behoeve van de nieuwe woning zijn ongeschikt als eventueel verblijf voor vleermuizen. Tenslotte is er geen essentiële vliegroute of foerageergebied aanwezig binnen het plangebied. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.3 Vogels Er zullen geen werkzaamheden plaatsvinden aan het woonhuis welke eventueel geschikt is als verblijfplaats voor gierzwaluwen of mussen. Het schuurtje is naar inziens ongeschikt voor deze jaarrond beschermde soorten. Er waren geen jaarrond beschermde nesten aanwezig in de bomen. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig. Wel zouden zich eventueel algemene broedvogels kunnen nestelen in de aanwezige struiken. Mochten deze tijdens het realiseren van het nieuwe gebouw eventueel verwijderd worden, dan zou dit buiten de kwetsbare broedperiode moeten plaatsvinden (15 maart t/m 15 juli). Mocht het verwijderen van de struiken tijdens het broedseizoen niet vermeden kunnen worden, dan dienen de struiken voor verwijdering gecontroleerd te worden op actieve nesten.
6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. De vijver binnen het plangebied is ongeschikt om beschermde amfibiesoorten te herbergen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.5 Flora In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.6 Ongewervelden In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 26
6.3 Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming.
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten
P a g i n a | 27
Bronnen Literatuur •
• • • • • •
Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, van C. & Wynhoff, I., De Vlinderstichting 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. - Nederlandse Fauna 7. Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 1-432. Creemers., R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, EIS Nederland, Leiden. Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co, Haarlem. Limpens, H., Mosterd, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV, Utrecht. Ministeries van LNV en VROM en de provincies, 2006. Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Websites • • • • • • • • • • • •
http://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan/ https://monitor.aerius.nl/monitor/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/ www.eis-nederland.nl www.floron.nl www.google.nl/maps www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl
Quickscan flora en fauna Veerstraat 3, Standdaarbuiten