CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp BP toelichting Groeneweg 3 Noordhoek

Commissievergadering 25 mei 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Groeneweg 3, Noordhoek17.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Groeneweg 3, Noordhoek Ontwerp

1

2

INHOUD

I PLANTOELICHTING ............................................................................................. 5 1 INLEIDING ...................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding .............................................................................................. 7 1.2 Ligging plangebied ................................................................................ 7 1.3 Geldend bestemmingsplan...................................................................... 1.4 Leeswijzer .............................................................................................. 9 2 GEBIEDSBESCHRIJVING ................................................................................ 11 2.1 Ruimtelijk-functionele structuur Noordhoek ...................................... 11 2.2 Bestaande situatie plangebied ............................................................ 13 3 HET PLAN ..................................................................................................... 14 3.1 Toekomstige situatie ........................................................................... 14 3.2 Planopzet ............................................................................................. 14 4 BELEID ..........................................................................................................

17 4.1 Rijksbeleid ........................................................................................... 17 4.2 Provinciaal Beleid ................................................................................ 19 4.3 Gemeentelijk beleid ............................................................................ 23 5 RUIMTELIJKE- en MILIEUASPECTEN............................................................ 26 5.1 Flora en fauna ...................................................................................... 26 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................ 30 5.3 Verkeer en parkeren............................................................................ 34 5.4 Technische infrastructuur ................................................................... 36 6 MILIEUASPECTEN......................................................................................... 37 6.1 M.e.r. beoordeling ............................................................................... 37 6.2 Bodem ................................................................................................. 38 6.3 Geluid .................................................................................................. 38 6.4 Luchtkwaliteit ......................................................................................

39 6.5 Externe veiligheid ................................................................................ 40 6.6 Bedrijven en milieuzonering................................................................ 43 7 WATERPARAGRAAF ..................................................................................... 52 7.1 Beleid ................................................................................................... 52 7.2 Waterhuishoudkundige situatie .......................................................... 53 7.3 Beoogde ruimtelijke ontwikkeling ....................................................... 54 7.4 Afweging met betrekking tot wateraspecten...................................... 54 7.5 Overleg Waterschap ............................................................................ 56 8 UITVOERBAARHEID.......................................................................................... 8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid en procedure ............................... 57 8.2 Economische uitvoerbaarheid ............................................................. 57 8.3 Conclusie ............................................................................................. 58 9 JURIDISCHE TOELICHTING ...........................................................................

59 9.1 Uitgangspunten ................................................................................... 59 9.2 Toegekende bestemmingen ................................................................ 59

3

BIJLAGEN: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.

Stedenbouwkundig plan (Ordito, april 2020) Bodemonderzoek (M & A Milieuadviesbureau, 2018) Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (M & A Milieuadviesbureau, 19 juni 2019) Quickscan Flora en Fauna (M & A Milieuadviesbureau, 1 mei 2020) Archeologisch onderzoek (ADC, 2018) Aerius berekening d.d. 14 april 2020 Notitie indirecte hinder (M & A Milieuadviesbureau, 14 juli 2020, 220-NGr3-il-v2) Standaard verantwoording externe veiligheid Omgevingsdienst Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. Nota vooroverleg en inspraak Nota van zienswijzen: PM

4

I

PLANTOELICHTING

5

6

1

INLEIDING Aanleiding

Door initiatiefnemer is een verzoek ingediend bij de gemeente Moerdijk om medewerking te verlenen aan herbestemming van de locatie Groeneweg 3 in Noordhoek. Op deze locatie is momenteel een akkerbouwbedrijf gevestigd met een bedrijfswoning. Met het oog op de toekomst is besloten om de bedrijfsvoering ter plaatse te beëindigen. De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom en biedt weinig uitbreidingsmogelijkheden. Gelet op het woon- en leefklimaat is het beter de agrarische bedrijvigheid op deze locatie te staken. De wens van initiatiefnemer is om op de locatie woningbouw te realiseren. Om beëindiging mogelijk te maken is medewerking van de gemeente nodig om aan de huidige locatie een passende herbestemming te geven. Het plan behelst de volgende zaken: sanering van de agrarische bestemming Groeneweg 3; de twee bestaande loodsen achter op het perceel omzetten naar een bestemming ‘Bedrijf’ voor lichte bedrijvigheid waaronder opslag; omzetten van de bedrijfswoning Groeneweg 3 naar burgerwoning met behoud van de bestaande bijgebouwen; ontwikkeling van maximaal 12 woningen op het perceel aan de straatzijde tussen Groeneweg 1 en 3; ontwikkeling van twee woningen op het perceel tussen Groeneweg 5 en 7 de agrarische bestemming van de percelen incl. bouwblok komt te vervallen en de overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt.

De gemeente Moerdijk heeft te kennen gegeven om, onder voorwaarden, medewerking te willen verlenen aan dit initiatief. Om de herbestemming van de locatie mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk, want de beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Voorliggend document dient als toelichting waarin de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader worden gemotiveerd en verantwoord.

Ligging plangebied Het plangebied omvat de locatie Groeneweg 3 en bijbehorende gronden. De locatie is gelegen in de kern Noordhoek en voor een klein gedeelte in het buitengebied. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Klundert, sectie F, nrs. 1134; 1136; 1142 (gedeeltelijk) en 1144. Het plangebied is totaal ongeveer 1,4 hectare groot.

7

Figuur 1 Luchtfoto planlocatie met kadastrale aanduiding (bron: ruimtelijke plannen.nl)

Figuur 2 Situering plangebied (bron: topografische Dienst en Kadaster)

8

Geldend bestemmingsplan De locatie is gelegen binnen het bestemmingsplan Noordhoek van de gemeente Moerdijk, vastgesteld op 8 oktober 2015. Hierin heeft de locatie de bestemming ‘Agrarisch’. Bij het bedrijf hoort een bouwvlak van circa 0,85 hectare dat bestemd is voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Daarnaast ligt er een dubbelbestemming op voor archeologie (‘waarde - beleidsadviesgebied 5’ en ‘waarde - beleidsadviesgebied 6’) wat betekent dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk zou kunnen zijn op het moment dat grond verstoord gaat worden. In het bestemmingsplan is geen mogelijkheid opgenomen om in geval van beëindiging van de agrarische bedrijfsactiviteiten meerdere woningen te ontwikkelen of om de functie van de bedrijfsloodsen te wijzigen in lichte bedrijvigheid. Dit maakt het noodzakelijk dat voor dit plan een herziening van het bestemmingsplan opgesteld wordt.

Figuur 3. Uitsnede verbeelding bij bestemmingsplan Noordhoek (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd: -

Hoofdstuk 2 geeft een omschrijving van de ruimtelijk-functionele structuur van (de omgeving van) het plangebied en de bestaande situatie; Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Voor zover ruimtelijk relevant worden de belangrijkste plankenmerken beschreven; 9

-

Hoofdstuk 4 beschrijft de relevante planologische beleidskaders en hoe het plan zich hiertoe verhoudt; Hoofdstuk 5 geeft een systematische beschrijving en analyse van alle ruimtelijk relevante aspecten; Hoofdstuk 6 geeft een beschrijving van de relatie met de diverse milieuaspecten; Hoofdstuk 7 bevat de waterparagraaf. Hierin wordt beschreven wat de waterhuishoudkundige aspecten en effecten van het plan zijn; Hoofdstuk 8 beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan; Hoofdstuk 9 geeft een toelichting op de juridische planvorm: de regels en de verbeelding; Hoofdstuk 10 beschrijft de procedurele aspecten van het bestemmingsplan en een verslag van de gevoerde inspraak en de behandeling van ingediende zienswijzen.

10

2

GEBIEDSBESCHRIJVING Ruimtelijk-functionele structuur Noordhoek

Noordhoek is een van de kleinere kernen in de gemeente Moerdijk, maar heeft een redelijk voorzieningenniveau. Daarnaast bevinden zich relatief veel bedrijven in de kern. Het laatste decennium hebben veel champignonloodsen hun functie verloren en zijn nieuwe functies ontstaan. Het dorp wordt omsloten door een open polderlandschap. Het landschap van het West-Brabantse zeekleigebied is zeer sterk bepaald door de ligging nabij de Noordzee. In de landschapsvorming van het gebied hebben zee-invloeden een grote rol gespeeld. Na de laatste ijstijd ontstond er een langgerekte schoorwal langs de kust. In de luwte van deze schoorwal ontstond in het gebied achter de schoorwal (aan de oostzijde) een uitgestrekt veenlandschap dat alleen werd doorsneden door een rivieren- en bekensysteem. Door de eb- en vloedwerking van het omringende water konden tegen deze eerste polders nieuwe gronden aanslibben (aanwassen), die vervolgens eveneens werden bedijkt en in cultuur genomen. Vanuit een aantal van deze oude eilandkernen zijn voortdurend nieuwe polders ingedijkt, nadat deze voldoende waren opgehoogd door slib dat met het dagelijkse getij werd afgezet. Het dorp Noordhoek is in de 1e helft van de 16e eeuw gesticht bij de inpoldering van de Oudlandsche Polder. De kern ligt in de noordelijke punt van de polder waar de Klundertsedijk (/Noordhoek) aansluit op de Buitendijk en de Noordhoeksedijk (/St.

Jozefstraat). De ten noordwesten van de aansluiting van de A17/A59 gelegen kern ligt centraal tussen Fijnaart, Klundert, Zevenbergen en Standdaarbuiten. Het van origine agrarische kerkdorp is ontstaan bij de driesprong van de Oudlandschedijk (nu Noordhoeksedijk), de Buitendijk en de Klundertsedijk. De dorpskerk ligt aan de zuidzijde van de dijk. De kern heeft zich aanvankelijk – deels door verdichting van de dijklinten – uitgebreid langs de drie dijken; daarna – vanaf de 2e helft van de vorige eeuw – voornamelijk in de vorm van een viertal clustervormige woonbuurten rond de aansluiting van de drie dijken.

Figuur 4 Ruimtelijk- functionele structuur Noordhoek (bron: BP kern Noordhoek) 11

Een bijzonder gegeven vormen de Buitendijk en de Groeneweg. De typische huidige plattegrond van Noordhoek wordt sterk bepaald door het tracé van de Groeneweg. De Groeneweg vormde in het verleden de zuidgrens van Klundert en verbond de in het zuidoosten langs de Mark gelegen Molendijk met de in het westen langs de Verlamde Vaart gelegen Manciadijk. Het westelijk deel van de Groeneweg is nadien opgeheven waardoor de weg eindigt in de kern. Voor Noordhoek vormde de teelt van vlas een belangrijke bestaansbron. Het van oorsprong agrarische karakter is duidelijk zichtbaar door de aanwezigheid van binnen de dorpskom gelegen oude boerderijen. Aan de noordzijde van de dijk bevindt zich enige woonbebouwing, deels in de vorm van open en deels in de vorm van gesloten lintbebouwing. Het merendeel van de burgerwoningen staat nu echter (als vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen) aan de zuidzijde van de flankerende Groeneweg. Met name bij de oostelijk helft van de Groeneweg is daarbij sprake van een steeds intensievere menging met bedrijvenfuncties. Aan de noordzijde van de Groeneweg liggen juist weer een aantal (oorspronkelijk agrarische) bedrijven. De verwoesting van de dorpsbebouwing aan het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft ertoe geleid dat de hoeveelheid oudere vooroorlogse bebouwing beperkt is.

De dorpsbebouwing langs de dijken bestaat voornamelijk uit vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen onder langskap. Het kleinschalig centrum bestaat uit enkele winkels, een kerk en het gemeenschapshuis 'd'ouwe school'.

Figuur 5 Luchtfoto Noordhoek (bron: Google Maps)

12

Bestaande situatie plangebied Aan de Groeneweg 3 in Noordhoek is het akkerbouwbedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Op de locatie is een 4-tal loodsen / bewaarplaatsen aanwezig met bijbehorende bedrijfswoning. De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Noordhoek. Naast de bedrijfswoning met aangebouwde garage en bijgebouw is op het perceel aanwezig: moderne loods (hierna: ‘loods I’) van 850 m² loods (hierna: ‘loods II’) van 450 m² schuur en aangebouwde loods (hierna: ‘loods III’) van samen 720 m². Rond de bebouwing en de woning is de nodige erfbeplanting en erfverharding aanwezig. Het bedrijf beschikt over twee eigen toegangswegen aan de Groeneweg. Aan de Groeneweg ligt een primaire watergang van het Waterschap. De bebouwing van de Groeneweg vormt de overgang van bebouwde kom naar het buitengebied. Dit is een vrij harde begrenzing tussen stedelijk gebied en het open buitengebied. Van oudsher heeft de omgeving een gemengd karakter waarin (agrarische) bedrijvigheid tussen woonbebouwing is gesitueerd. Veel agrarische bedrijven die hier gevestigd waren zijn gestopt en gesaneerd. Op veel plekken zijn deze bedrijven vervangen door woningbouw of andere vormen van bedrijvigheid. Het bedrijf van initiatiefnemer is een van de agrarische bedrijven die nog actief zijn. Via de Groeneweg is de locatie goed ontsloten.

Figuur 6 Bestaande situatie Groeneweg 3, Noordhoek (rode lijn: eigendomsgrens)

13

3

HET PLAN Toekomstige situatie

Het initiatief is er op gericht om na beëindiging van de agrarische functie te komen tot een passende herbestemming van de locatie. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken wordt de agrarische functie beëindigd en de overtollige bebouwing gesloopt. Hierna wordt toegelicht welke gebouwen een nieuwe functie/bestemming krijgen en welke functie/bestemming wordt toegevoegd. Beëindiging agrarische functie Het akkerbouwbedrijf zal worden beëindigd. Deze beëindiging houdt in dat de agrarische bestemming van het bouwperceel wordt verwijderd en de overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Deze sloop behelst de afbraak van circa 720 m2 bedrijfsgebouwen (de loods en schuur aan de Groeneweg, onder paragraaf 2.2 aangeduid als loods III), zie figuur 7. Lichte bedrijvigheid De loodsen I en II achter op het perceel zullen gebruikt gaan worden voor lichte vormen van bedrijvigheid en/of opslag. Deze loodsen zijn vrij nieuw en bouwkundig in goede staat. Hier wordt bezoekersen arbeidsextensieve bedrijvigheid, uitsluitend in de dagperiode, in maximaal milieucategorie 2 toegestaan. De effecten van dit type bedrijvigheid naar de (woon-)omgeving zijn zeer beperkt en inpasbaar in een gemengd gebied zoals de Groeneweg. Omzetten bedrijfswoning naar burgerwoning De agrarische bedrijfswoning Groeneweg 3 wordt omgezet naar een burgerwoning.

Na het beëindigen van de agrarische bedrijvigheid verliest deze bedrijfswoning haar functie. Omzetting naar een woonbestemming is dan het meest doelmatig en wenselijk. Ruimtelijk vinden er geen veranderingen plaats. De bestaande woning blijft gehandhaafd. De bij de woning behorende bijgebouwen blijven eveneens gehandhaafd. Woningbouw Aan de Groeneweg wordt de mogelijkheid gecreëerd voor de bouw van nieuwe woningen. Na sloop van de loodsen wordt hier nieuwe woningbouw ingepast binnen de bestaande lintstructuur. Voor de inpassing van de woningen is een stedenbouwkundige opzet opgesteld. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van 12 rijwoningen tussen Groeneweg 1 en 3. Ten oosten van Groeneweg 5 worden twee woningen (twee-onder-een-kap) mogelijk. De 12 rijwoningen worden in blokken van 4 woningen gerealiseerd.

Planopzet Hoofdstructuur Voor de herontwikkeling van het plangebied is een stedenbouwkundige opzet gemaakt (zie bijlage 1) waarin de programmatische punten van het plan zijn uitgewerkt. Uitgangspunt voor deze opzet is aansluiting zoeken bij de ruimtelijke en landschappelijke kenmerken van de omgeving: lintbebouwing op de overgang van de bebouwde kom naar het open buitengebied. Het stedenbouwkundig plan vormt de basis voor de situering van de bebouwing, de inrichting en ontsluiting van de percelen en de landschappelijke inpassing van de percelen.

14

In het stedenbouwkundig plan voor de herontwikkeling van Groeneweg 3 Noordhoek wordt het bestaande agrarische bouwblok verkleind en gewijzigd naar lichte bedrijvigheid en opslag en is woningbouw in het bestaande lint langs de Groenweg mogelijk. Functioneel De beoogde functiewijziging naar wonen is een gangbare verandering gezien de ligging in en nabij de bebouwde kom. Op dergelijke locaties is een duurzame agrarische bedrijfsvoering niet mogelijk en niet wenselijk. Agrarisch hergebruik is dan ook niet aan de orde. Herbestemming naar wonen past binnen de beoogde ontwikkelingsrichting in dergelijke gebieden. Ook de aanwezigheid van kleinschalige lichte bedrijvigheid (maximaal milieucategorie 2) binnen de woonomgeving past binnen de bestaande ruimtelijk-functionele structuur van Noordhoek en de lintbebouwing aan de Groeneweg in het bijzonder. Bebouwing De loodsen I en II blijven behouden en krijgen de functie lichte bedrijvigheid en opslag (maximaal milieucategorie 2). De oudere schuren (III) aan de zijde van de Groeneweg zullen gesloopt worden. De huidige bedrijfswoning (Groeneweg 3) met aangebouwde garage blijft gehandhaafd en wordt herbestemd als een burgerwoning. Het bijgebouw achter de woning (ca. 150 m2) met wellnessvoorzieningen blijft behouden en is ondergeschikt aan de woonfunctie.

Figuur 7. Stedenbouwkundige opzet (variant 2-onder-1-kap ten oosten Groeneweg 5) Aan de oostzijde van Groeneweg 3 worden twee vrije kavels van ieder maximaal tot 500m² gerealiseerd. De planregels behorende bij dit bestemmingsplan maken het mogelijk om hier één twee onder één kapwoning (2 woningen) te realiseren. Het perceelgedeelte aan de achterzijde van deze twee woonpercelen zal een groenbestemming krijgen. 15

Aan de westzijde kunnen maximaal 12 rijwoningen worden gerealiseerd in blokken van 4 woningen. De oppervlakte van deze kavels bedraagt ca 170 m2 voor de tussenwoningen en ca 280 m2 voor de hoekwoningen. De maatvoering van de woningen sluit aan bij de regels van bestemmingsplan Noordhoek. Dit betekent onder andere dat de maximale bouwhoogte 11 meter mag bedragen. Landschappelijke inpassing Tussen de achtertuinen van de nieuwe woningen en de bedrijfsloodsen wordt een singelbeplanting aangebracht, om een visuele scheiding tussen de loods en de woningen te maken. Dit stuk krijgt de bestemming ‘Groen’. Het onbebouwde agrarische perceel aan de westzijde van het agrarische bedrijf blijft open. De huidige beeldbepalende beplanting rondom de boerderijwoning wordt in het plan ingepast. Parkeren en ontsluiting Er zal voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid conform de gemeentelijk parkeernorm. Conform gemeentelijk parkeerbeleid wordt de parkeerbehoefte volledig opgelost op eigen terrein. Voor de woningen gaat het om 2 woningen met een norm van 2,2 parkeerplaats per woning en 12 woningen met een norm van 2,0 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen zijn grotendeels voorzien op de woonkavels zelf. De 24 te realiseren parkeerplaatsen bij de rijwoningen worden ingevolge het parkeerbeleid van de gemeente niet beschouwd als volwaardige parkeerplaatsen.

Om die reden zullen er 4 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het terrein aansluitend bij de bedrijfsloodsen: dit terrein is openbaar toegankelijk. Voor de loodsen met bestemming ‘Bedrijf’ wordt uitgegaan van bezoekers- en arbeidsextensieve bedrijvigheid, waarvoor gerekend dient te worden met 0,7 parkeerplaats per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte. De loodsen I en II hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 1.340 m2, wat betekent dat er tenminste 9,4 (afgerond 10) parkeerplaatsen moeten zijn. Initiatiefnemer zal op het terrein dat direct aansluit bij de loodsen, minimaal 16 parkeerplaatsen realiseren. Hiermee wordt meer dan ruimschoots voorzien in voldoende parkeerplaatsen voor dit initiatief.

16

4

BELEID Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden of projecten van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011) Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgesteld. Het Barro is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische Hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Rijksbelang in de omgeving van het plangebied zijn de A17 en de A59 als onderdeel van de hoofdwegenstructuur. Dit bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de rijks belangen zoals opgenomen in het Barro.

Besluit ruimtelijke ordening Ingevolge artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: 17

"ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen" Het realiseren van 14 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien dit een nieuwe ruimtebeslag geeft. Bij het gewijzigd gebruik van de voormalige agrarische loodsen is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien dit gewijzigd gebruik niet gepaard gaat met extra bebouwingsmogelijkheden of toegenomen ruimtebeslag. Behoefte In de eerste trede wordt beoordeeld of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte. De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van 'migratiesaldonul'. Er is ruimte beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enige omvang. Het gaat om kwalitatieve verbeteringen in bestaand stedelijk gebied zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern en het behouden van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle complexen. Regionale afstemming vindt plaats in de regionale agenda's voor wonen. Het uitgangspunt voor het gemeentelijke reguliere woningbouwprogramma vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, gebaseerd op demografische ontwikkelingen en trends. Daarnaast mag de gemeente Moerdijk nog 1075 woningen bovenop het reguliere woningbouwprogramma bouwen.

Op basis daarvan heeft de gemeente een woningbouwcapaciteit van 2550 woningen voor de periode tot 2025. De 14 woningen van onderhavig plan passen binnen de woningbouwcapaciteit van de gemeente Moerdijk. Regionaal is dit plan tevens al geagendeerd. Derhalve kan geconstateerd worden dat er sprake is van een behoefte aan onderhavige ontwikkeling. Bestaand stedelijk gebied Binnen deze trede wordt bekeken of er binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. In artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro wordt ‘bestaand stedelijk gebied’ gedefinieerd als: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. De beoogde ontwikkeling van de woningen is voorzien op een locatie gelegen binnen de bebouwde kom van Noordhoek waarvan de ruimtelijke inrichting bestaat uit lintbebouwing. Daarmee is er sprake van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de kaders die gesteld worden door het rijksbeleid.

18

Provinciaal Beleid Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze vervangt 4 provinciale beleidsplannen: de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG). Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant voor de toekomst (2050). De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor- en nadelen die daaraan kleven. De regio West-Brabant wordt door de Provincie Noord-Brabant omschreven als een regio te midden van grote economische activiteit. De ligging tussen Rotterdam en Antwerpen in maakt de regio interessant. De Provincie ziet de regio zich ontwikkelen naar een innovatieve regio waar kwaliteit boven kwantiteit gaat en innovatie en duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Dit alles met begrip en respect voor de omgeving, natuur en landschap. De provincie wil inzetten op een welvarende meer verbonden, klimaatproof en vernieuwende leefomgeving waar wonen, werken en recreëren samen gaan. De Omgevingsvisie kent als basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: -

werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan een slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Onderhavig plan betreft de beëindiging van een agrarische functie, sloop van overtollige agrarische bebouwing en de realisatie van 14 woningen in verschillende categorieën. Deze ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de provinciale hoofdopgaven. De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van het perceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Het plan betreft een vorm van inbreiding en voorziet in een behoefte.

Onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door een zorgvuldige inpassing van de woningen en de herbestemming van de agrarische loodsen naar lichte bedrijvigheid wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat. 19

Het herbestemmen van een voormalige agrarische bedrijfslocatie naar wonen past uitstekend in de Brabantse omgevingsvisie.

Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Naast de Omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening NoordBrabant (oktober 2019 vastgesteld). In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsverordening bereidt de provincie Noord-Brabant de komst van de Omgevingswet (1 januari 2021) concreet voor. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor de doelgroep: burgers, gemeenten en waterschappen.

Figuur 8 Uitsnede kaart Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Voor onderhavig plan is hoofdstuk 3 van de verordening van belang, dit hoofdstuk bevat de instructieregels voor gemeenten. De relevante afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden. In cursief wordt toegelicht hoe onderhavige ontwikkeling aan de respectievelijke bepalingen voldoet. Afdeling 3.1 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Uit artikel 3.5 komt naar voren dat aan een drietal aspecten getoetst moet worden om een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving te waarborgen. Dit zijn de volgende aspecten: a. zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6); 20

het plan betreft een vorm van inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied waarmee wordt voorzien in een behoefte, hierdoor is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7); De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond: zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag: zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de occupatielaag: zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Het plan zorgt niet voor een wijziging in de eerste twee lagen. Doordat woningen worden toegevoegd leidt dit tot een beperkte aanpassing van de occupatielaag.

Het weghalen van de agrarische functie, het schrappen van overtollige bedrijfsbebouwing, het wijzigen van de agrarische functie naar lichte bedrijvigheid passend in de omgeving en het toevoegen van de woningen als vorm van inbreiding, draagt bij aan de kern Noordhoek als woon- en verblijfslocatie en de woningbehoefte. Hiermee wordt voldaan aan dit aspect. c. meerwaardecreatie (artikel 3.8). Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Het plan zorgt voor diverse vormen van meerwaarde: Beëindiging van de agrarische functie binnen gemengd gebied, het schrappen van overtollige bedrijfsbebouwing, het wijzigen van de agrarische functie naar lichte bedrijvigheid passend in de omgeving en het toevoegen van de woningen als vorm van inbreiding waarmee in een behoefte wordt voorzien. Het plan draagt bij aan de kern Noordhoek als woon- en verblijfslocatie. De herbestemming van de te behouden loodsen naar lichte bedrijvigheid draagt bij aan de economische positie van de kern Noordhoek.

Afdelingen 3.2 tot en met 3.4: bescherming van gebiedskenmerken Ter plaatse van het plangebied geldt geen gebiedskenmerk waarvoor nadere toetsing plaats hoeft te vinden.

Afdeling 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies

21

Het plangebied is onderdeel van het stedelijke gebied. In beginsel zijn daar conform artikel 3.42 IOV woningen toegestaan, mits: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; onderhavig planvoornemen past binnen de gemeentelijke woningbouwafspraken b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is, waarbij: i. een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt bevorderd; de ontwikkeling voldoet aan alle uitvoeringsaspecten. Deze worden in deze toelichting later toegelicht. ii.

zorgvuldig ruimtegebruik wordt bevorderd, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; Het plan wordt gerealiseerd als vorm van inbreiding waarbij de agrarische functie wordt beëindigd; verouderde, leegstaande loodsen worden gesloopt en woningen worden ingepast binnen bestaand stedelijk gebied.

iii.

optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie wordt gegeven; de te realiseren woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen.

iv.

rekening met klimaatverandering wordt gehouden, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; Onderhavig planvoornemen voldoet aan de in hoofdstuk 5 benoemde eisen voor de opvang en afvoer van hemelwater. Hiermee wordt voldaan aan dit sublid.

v.

optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit wordt gegeven; Het plan is klein van omvang en heeft op zichzelf geen invloed op het mobiliteitsnetwerk. Het plan ligt op korte afstand van het centrum van Noordhoek en de aanwezige voorzieningen. De locatie wordt goed ontsloten via de Groeneweg.

vi.

wordt bijgedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Onderhavig planvoornemen zorgt voor een stedelijke inbreiding. Hierbij draagt dit planvoornemen bij aan de continuïteit van de kern Noordhoek als woon- en verblijfslocatie.

Conclusie Het plan voldoet aan het beleid van de Interim Omgevingsverordening. Er is geen tot nauwelijks sprake van enige negatieve invloed vanuit de ontwikkeling op deze omgeving en/of ten aanzien van bodem, waterhuishoudkundige, archeologische, cultuurhistorische of ecologische aspecten. De functieverandering vindt plaats binnen de bestaande bebouwing en geeft minder verstoring en overlast dan de voorheen aanwezige agrarische activiteiten.

22

Gemeentelijk beleid Structuurvisie Moerdijk 2030 De gemeenteraad heeft op 9 juni 2011 de 'Structuurvisie Moerdijk 2030' vastgesteld. De structuurvisie is van toepassing op het gehele grondgebied van de gemeente Moerdijk. De visie (het wensbeeld) loopt tot 2030. Bij de structuurvisie is een uitvoeringsparagraaf gevoegd. Deze uitvoeringsparagraaf heeft een looptijd tot 2020 en kan iedere twee jaar worden herzien.

Figuur 9 Uitsnede kaart Structuurvisie Moerdijk 2030 Voor de kern Noordhoek zijn de bestaande karakteristieken als volgt geformuleerd: Een kern met dijklinten als landschappelijke dragers; Er is veel oude bedrijfsbebouwing (met contouren) aanwezig in de kern (vlas- en champignonteelt). De opgaven en ontwikkelingen zijn op hoofdlijnen: Het aantal ingeplande woningen tot 2025 voor de kern Noordhoek zijn Noordhoeksedijk 12-14: 11 woningen; Uitbreiding van woningbouw naar behoefte is mogelijk in westelijk richting; Er wordt voorrang gegeven aan transformatie van bedrijfsbebouwing (voormalige champignonbedrijven) naar woningen; Eventueel kan aanvullend kleinschalig worden ingebreid en uitgebreid (eerst aan de Noordhoeksedijk), waarbij een koppeling wordt gemaakt met herstructurering. De realisatie van de woningen en de functieverandering van het agrarisch bedrijf past daarmee binnen het beleid zoals gesteld in de Structuurvisie.

Diverse Paraplunota’s Paraplunota Economisch Klimaat 2012-2030 (2012)

23

Ruimte om te ondernemen, een gezonde arbeidsmarkt, levendige kernen, Moerdijk als toeristische bestemming en Moerdijk als knooppunt van industrie en transport. In de Paraplunota Economisch Klimaat zijn de ambities voor economie en bedrijvigheid uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030. Ook in 2030 is het goed ondernemen in Moerdijk. Een gezonde economie maakt het aantrekkelijk voor ondernemers om in Moerdijk te blijven of zich te vestigen. Een goed ondernemingsklimaat én prettig wonen dragen daar aan bij. Ondernemingsklimaat door de vestigingsmogelijkheden voor de bedrijven en prettig wonen voor de werknemers. Prettig wonen is wonen in een omgeving met voorzieningen zoals winkels en recreatiemogelijkheden. Het bedrijfsleven staat aan de lat om te zorgen voor economische groei (denk aan werkgelegenheid) en de overheid zorgt voor de randvoorwaarden. In het voorliggende bestemmingsplan wordt met functieverandering bijgedragen aan het behoud van lokale bedrijvigheid en werkgelegenheid. Paraplunota Leefomgeving 2012 - 2030 (2012) Een schone bodem, helder water, gezonde lucht, zuinig omgaan met grondstoffen en een stevige plaats voor onze natuur. In de paraplunota Leefomgeving worden de hoofdthema’s en –doelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving uitgewerkt, met een doorkijk naar 2030.

De paraplunota formuleert een aantal kernwaarden: ‘schoon’, ‘veilig’, ‘natuurrijk’, ‘gezond’, ‘vrij van hinder’ en ‘toekomstbestendig’. Ook voor bedrijven is het belangrijk in een omgeving gevestigd te zijn die deze kernwaarden bezit. De doelen uit de Paraplunota Leefomgeving dragen bij aan een duurzame samenleving. De duurzame samenleving: • voorziet in de behoeften van nu, • doet niet tekort aan de mogelijkheden om toekomstige generaties in hun behoeften te voorzien, en • biedt aan elk individu de mogelijkheid om zich in vrijheid te ontwikkelen, binnen een stabiele maatschappij, in harmonie met zijn omgeving. Voorliggend bestemmingsplan heeft niet specifiek de doelstelling om invulling te geven aan de paraplunota. Anderzijds belemmert het bestemmingsplan deze doelstelling niet. Paraplunota Maatschappij 2014-2030 (2014) In de Paraplunota Maatschappij 2014-2030 zijn de ambities uitgewerkt om te bouwen aan een duurzame samenleving. Deze Paraplunota is de laatste in de rij, eerder zijn de Paraplunota’s Leefomgeving en Economisch Klimaat vastgesteld. De gezamenlijke ambitie van de drie Paraplunota’s is een duurzame woon-, werk en leefomgeving. De Paraplunota Maatschappij gaat over mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De Paraplunota Maatschappij kent vijf thema’s, te weten wonen, gezondheid, woonomgeving, sociale structuur en ondersteuning.

Elke thema heeft een eigen ambitie, die is uitgewerkt in doelen en een uitvoeringsstrategie. Bij wonen streeft de gemeente naar een passende woningvoorraad. De gemeente streeft ernaar dat meer inwoners kiezen voor een gezonde leefstijl en zet in op een goede en veilige woonomgeving gebaseerd op behoefte en draagvlak. Daarnaast is een goede sociale structuur een basis voor levendig kernen en ondersteuning dichtbij. Van belang is dan dat ondersteuning op elkaar is afgestemd en dat de ondersteuning zo dichtbij mogelijk wordt aangeboden, bij voorkeur in iemands directe leefomgeving. Het voorliggende bestemmingsplan biedt ruimte voor de lokale woningbehoefte. Paraplunota Maatschappij thema Wonen (2014) Wonen is een basisbehoefte. Huishoudens met een middeninkomen dreigen tussen de wal en het schip te vallen vanwege de nieuwe toewijzingsregels vanuit Europa en het kabinetsbeleid dat bepaald 24

dat corporaties geen middeldure huurwoningen meer mogen bouwen. Deze groep behoeft dan ook aandacht in het woonbeleid en wordt een nieuwe doelgroep van beleid. Voorliggend bestemmingsplan gaat niet over de bestaande woningvoorraad. Wel wordt ingezet op de realisering van met name woningen in het middensegment (voor huishoudens met een middeninkomen). Dit sluit aan bij het gebiedsplan Noordhoek waarin de doorstroommogelijkheden staan vermeld in de tabel: ‘met prioriteit’.

Parkeerbeleid Moerdijk Voor het gemeentelijk grondgebied van Moerdijk is in 2015 nieuw parkeerbeleid opgesteld, dat aansluit bij de ambities en doelstellingen van de strategische visie Moerdijk 2030. Dit parkeerbeleid maakt onderdeel uit van de paraplunota ‘Maatschappij’. Doel van dit beleidsplan is een beleidsplan op hoofdlijnen, inclusief een globaal maatregelenpakket en acties voor de komende jaren (2015-2018). Onderdeel van het gemeentelijk parkeerbeleid is de Nota Parkeernormen. Deze is opgesteld als uitwerking van het geactualiseerde parkeerbeleid van de gemeente. De nota beoogt het vastleggen van de Moerdijkse parkeernormen en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Bij het formuleren van de parkeernormen is het belangrijk dat deze recht doen aan de plaatselijke situatie. Dit betekent dat binnen de gemeente Moerdijk verschillende parkeernormen voor dezelfde functie kunnen gelden, afhankelijk van de locatie van de functie. Als basis voor de parkeernormen gelden de in 2010 vastgestelde parkeernormen. In de praktijk werken deze goed en sluiten ze aan bij de praktijk. Daarbij is het beleidsuitgangspunt dat zoveel mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein (binnen plangrenzen) worden gerealiseerd.

Om dubbelgebruik te stimuleren dienen parkeerplaatsen bij maatschappelijke en commerciële voorzieningen zoveel mogelijk openbaar toegankelijk te zijn voor openbaar gebruik. In paragraaf 5.3 van deze toelichting wordt ingegaan op het te realiseren aantal parkeerplaatsen, daaruit blijkt dat aan de uitgangspunten van het Parkeerbeleid Moerdijk wordt voldaan.

25

5

RUIMTELIJKE ASPECTEN Flora en fauna

Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Hiermee zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet. De wet heeft tot doel om de biodiversiteit in Nederland te beschermen. In de Wet natuurbescherming worden gebiedsbescherming, soortenbescherming en bosbescherming in aparte delen behandeld, voortbouwend op de drie vervangen wetten. Gebiedsbescherming: Natura 2000 Het plangebied vormt geen onderdeel van en is niet gelegen nabij een natuur- of groengebied met een beschermde status zoals een Natura 2000-gebied. De locatie ligt op circa 4,5 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ‘Het Hollands Diep’. Dit Natura 2000 gebied is echter niet aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen (slikkige rivieroevers; ruigten en zomen; vochtige alluviale bossen). Eventuele stikstofdepositie heeft daarom geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000 gebied. Natura 2000 gebieden die wel zijn aangewezen voor stikstofgevoelige habitattypen zijn gelegen op meer dan 10 kilometer afstand van de planlocatie. Gelet op deze afstand en op de geringe omvang van de ontwikkeling, zijn er geen negatieve effecten te verwachten, noch in de bouwfase als in de gebruiksfase.

Aerius berekening Desalniettemin is een Aerius berekening uitgevoerd (bijlage 6) met onderstaande gegevens voor de gebruiksfase. Hierbij is het bedrijf en de 14 nieuwe woningen van elkaar gesplitst zodat duidelijk is welk deel van de extra verkeersbewegingen bij elk onderdeel hoort.

Gebouw Woningen Bedrijf Totaal aantal Verkeersbewegingen

Soort verkeer Licht (Per woning) Licht Middel-zwaar Licht+middel zwaar

weekdaggemiddelde Kg NOx/jaar 171 12,2 16 16 203

29,4 2,7 20,6 52,7

Voor de bouwfase verwijst initiatiefnemer naar de ‘Handreiking woningbouw en Aerius’ van de Rijksoverheid uit januari 2020. Het uitgangspunt daarin is dat bij maximaal 50 laagbouwwoningen, gebouwd op zandgrond op minimaal 7 km afstand van een Natura 2000 gebied, de stikstofdepositie onder gemiddelde omstandigheden 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Nu in onderhavig project het gaat om maximaal 14 woningen en het dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied dat voor stikstof is aangewezen op meer dan 10 km afstand gelegen is, is voldoende aannemelijk dat er geen effect zal zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Een berekening voor de aanlegfase zal worden gemaakt in het kader van de bouwvergunningaanvraag, op dat moment zijn daarvoor ook de benodigde gegevens beschikbaar.

26

Conclusie: Er is geen effect gevonden dat hoger is dan 0.00 mol/ha/jaar op Natura2000 gebieden in de gebruiksfase. Gelet op het aantal woningen en de afstand tot stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden is voldoende aannemelijk dat geen effect wordt gevonden in de aanlegfase. Een berekening zal worden gedaan in het kader van de vergunningaanvraag.

Gebiedsbescherming: Natuur Netwerk Brabant Het Natuur Netwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten. Het Natuur Netwerk Brabant hangt samen met het Natuur Netwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000. Het NNB bestaat uit:  bestaande natuur- en bosgebieden;  gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen;  nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig;  ecologische verbindingszones. In de omgeving van het plangebied maakt de Verlamde Vaart deel uit van het NNB als ecologische verbindingszone.

Dit gebiedt ligt op circa 1,25 kilometer van het plangebied. Rondom deze gebieden liggen buffer- beschermingszones (Groenblauwe mantel, Attentiegebied NNB). Gezien de aard van het plan (functieverandering van agrarisch naar wonen en lichte bedrijvigheid) en de afstand, zijn er voor de beschermde gebieden geen significante negatieve effecten te verwachten.

27

Figuur 10 Uitsnede kaart Verordening Ruimte, natuur en landschap

Soortenbescherming Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot verstoring, aantasting van broedplaatsen en vernietiging van verblijfplaatsen van beschermde soorten. Dit kan er toe leiden dat het voortbestaan van de soort op termijn in gevaar komt. Om dit te voorkomen beschermt de Wet natuurbescherming in het wild levende planten- en diersoorten. De mate van bescherming hangt af van de zeldzaamheid en kwetsbaarheid van de soort. De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: Vogels in de zin van de Vogelrichtlijn Dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en in de Europese verdragen van Bonn en Bern 28

-

Overige (nationaal beschermde) soorten, als bedoeld in bijlagen A en B bij de Wet natuurbescherming

De wet hanteert het ‘nee, tenzij’- principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Wel is het mogelijk om een vrijstelling of ontheffing aan te vragen. In hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming is per categorie bepaald welke verboden gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend. Onderzoek In het kader van de ruimtelijke procedure dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot negatieve consequenties voor de natuurwaarden in het gebied. Verwezen wordt naar de quick scan flora en fauna uitgevoerd in de vorm van een veldonderzoek en literatuuronderzoek (zie bijlage). Het plangebied bestaat uit een agrarisch bedrijfsperceel met opstallen in agrarisch gebruik. Beplanting is aanwezig in de vorm van bomen en struiken op het voorterrein en op de perceelsgrenzen. De aangrenzende gronden worden intensief agrarisch gebruikt als weide en bouwland. De onderzoekslocatie is grotendeels onverhard, alleen rondom de bestaande akkerbouwschuren is verharding aanwezig. Een gedeelte van de schuren zal worden gesloopt.

Het natuurwaardenonderzoek beschrijft of het voornemen van de sloop van de schuren en de nieuwbouw van de woningen consequenties kunnen hebben voor de in het gebied aanwezige beschermde flora en fauna en met name voor huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Uit het literatuuronderzoek van de inventarisatie blijkt dat het mogelijk is dat in het gebied beschermde flora of fauna (voornamelijk vleermuizen, broed- en wintervogels) voor kunnen komen. In de nabijheid van het perceel zijn tijdens de veldbezoeken in april 2018 echter geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. Ook rondom het perceel zijn bij de inventarisaties geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten (waaronder Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuissoorten). De veldonderzoeken, uitgevoerd in de dag- en avondperiode op 5 april en 9 april 2018, zijn binnen het broedvogelseizoen uitgevoerd. Desondanks is er speciale aandacht besteed aan andere kenmerken van broedende vogelsoorten. Onder andere uitwerpselen van broedvogelsoorten en hun kuikens, achtergebleven nestmaterialen, vraatsporen en uitwerpselen zijn kenmerken waarop speciaal is gelet. Bij de inventarisatie is ook aandacht besteed aan verblijfplaatsen van vleermuizen en nestkasten en mogelijkheden in het gebied. Ook in de bomen in de omgeving van de locatie is degelijk onderzoek uitgevoerd op o.a.

toegangsmogelijkheden en verblijfplaatsen van vleermuizen. Bij de inventarisatie van de vleermuizen is extra aandacht besteed aan mestsporen, keutels en vraatsporen. Ook is gebruik gemaakt van een inspectiecamera (Novascope) om sporen te onderzoeken in spleten en kieren van de constructie. Er is geen enkele aanwezigheid van vleermuizen waargenomen. Volgens het Natuurnetwerk Nederland zijn er geen ecologische verbindingszones in de directe nabijheid van het perceel gesitueerd. Ook is het perceel niet gesitueerd in een waardevol gebied qua natuurwaarden. Door de sloop van de twee landbouwschuren en de nieuwbouw van de woningen, wordt het karakter van het gebied niet beïnvloed. Er verdwijnen geen verblijfs- of broedmogelijkheden. Het is onwaarschijnlijk dat broedende soorten in de omgeving door de werkzaamheden worden verstoord.

29

Bij de werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden. Algemene zorgplicht In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is een algemene zorgplicht opgenomen voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, voor bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Om eventueel broedende vogels in en rondom het plangebied niet te verstoren dienen verstorende activiteiten plaats te vinden buiten het broedseizoen (15 maart tot en met 15 juli), tenzij wordt aangetoond dat er tijdens deze periode geen vogels aanwezig zijn. Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de sloop- en bouwwerkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten.

Cultuurhistorie en archeologie Wet op de archeologische monumentenzorg De Wet op de archeologische monumentenzorg (een wijzigingswet van de Monumentenwet 1988) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse Wetgeving. De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten: 1. het streven naar behoud in situ van archeologische waarden; 2. het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen; 3. de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Besluit ruimtelijke ordening Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant heeft de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) opgesteld. De CHW maakt informatie over ruim 30.000 erfgoedwaarden toegankelijk voor alle Brabanders. Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit.

Het provinciaal cultuurhistorisch belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen ‘cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening Ruimte. Gemeentelijk beleid De gemeente Moerdijk heeft op 18 december 2014 een cultuurhistoriekaart en verschillende archeologische kaarten vastgesteld met de bijbehorende beleidsnota 'Tussen water en land'. Met deze kaarten is het erfgoed in de gemeente Moerdijk in beeld gebracht. Om het erfgoed te kunnen beschermen en in stand te houden voor toekomstige generaties, is bovendien de Erfgoedverordening aangepast.

30

Op de kaarten is te zien wat er aan cultuurhistorische- en archeologische waarden aanwezig is. De cultuurhistoriekaart geeft een overzicht van het bovengronds cultuurhistorisch erfgoed, bouwkundige objecten en landschappelijke gebieden met cultuurhistorische waarde. De archeologische waardenen verwachtingenkaart geeft een gedetailleerd overzicht van archeologische waarden en de archeologische verwachtingen. Deze kaart vormt de basis voor de beleidsadvieskaart. Deze beleidsadvieskaart geeft een vertaling van de archeologische waarden- en verwachtingen naar beleidsmaatregelen. Op de archeologische beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied verwachtingswaarde 5 en 6 heeft. Dit houdt in dat er archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische restanten in de ondergrond wanneer de grond geroerd (bouwen, werkzaamheden) wordt op een oppervlakte van meer dan 100 of 250 m2 en dieper gaat dan 0,5 m.

Figuur 11 Uitsnede Archeologische verwachtingenkaart

Uitkomsten archeologisch onderzoek 31

Voor het plan is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Op basis van het bureauonderzoek en booronderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit blijkt dat de diepe ondergrond, vanaf 430 cm –mv (circa 3,7 à 3,8 m –NAP) uit dekzand (Laagpakket van Wierden binnen de Formatie van Boxtel) bestaat. Dit wordt afgedekt door een 70 tot 100 cm dik veenpakket (Formatie van Nieuwkoop), dat erosief overgaat in kleiige dekafzettingen gevolgd door zandige geulafzettingen (Laagpakket van Walcheren binnen de Formatie van Naaldwijk). De bovengrond heeft een dikte van 35 tot 85 cm en bestaat uit baksteen- en puinhoudende, humeuze klei. De humeuze top van het dekzand duidt op bodemvorming en betekent dat het potentieel archeologisch niveau voor het Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum nog intact aanwezig is. In de bovenliggende pakketten zijn geen potentieel archeologische niveaus aangetroffen. De bovenste 35 tot 85 cm van het bodemprofiel is verstoord en vormt de huidige bouwvoor. Enkel in de boringen rond de oude loodsen en rond de woning is een laag aangeboord, die mogelijk verband houdt met de voormalige bebouwing op het erf. Een booronderzoek kan hierover geen uitsluitsel geven. Het is evenwel aannemelijk dat genoemde resten door recentere grondroerende activiteiten gedeeltelijk verstoord zullen zijn.

Het is niet volledig uit te sluiten dat in een zone rondom deze boringen resten uit de Nieuwe tijd voorkomen. Om de op het bureauonderzoek gebaseerde gespecificeerde verwachting voldoende te kunnen aanvullen en toetsen, adviseert ADC ArcheoProjecten om in de sloop van de ondergrondse delen van de fundering van de opstallen in een archeologische begeleiding te voorzien. De archeologische begeleiding dient hetzelfde doel als een inventariserend veldonderzoek door middel van het aanleggen van proefsleuven (AB/IVO-P). Dit betekent dat indien bij de civiele werkzaamheden toch vondsten of archeologische sporen worden aangetroffen, deze worden geregistreerd en, in zover de werkzaamheden dat toelaten, worden gedocumenteerd. De exacte invulling van de werkzaamheden dient te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). ADC ArcheoProjecten adviseert verder om het overige deel van het plangebied, indien geen grondwerkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 400 cm –mv of 3,5 m –NAP (top van het pleistocene dekzand met inbegrip van een veiligheidsmarge van 20 à 30 cm), vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter nooit volledig uit te sluiten dat toch nog archeologische resten voorkomen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Onderzoek cultuurhistorie De naam Noordhoek wordt voor het eerst omstreeks 1680 in archiefstukken vermeld. Noordhoek was eeuwenlang van belang voor de vlasbewerking. In 1937 werd er een vlasfabriek (roterij) opgericht. Op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (zie figuur hieronder) is te zien dat in Noordhoek enkele waardevolle gebouwen en erven aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=951ab6e1-4d06-40dc-a6ee-8b02f51853e2