Molendijk 2 Standdaarbuiten_TOELICHTING_Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte
Plangebied: Molendijk2, Standdaarbuiten Opsteller(s): K. van Veen
Quickscan In het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte Ondertitel
Plangebied: Molendijk 2, Standdaarbuiten
Opsteller(s)
K. van Veen
Datum
05-04-2019
Versienummer
01
Rapportkenmerk
ER20190307v01
Aantal pagina's
44
Opdrachtgever
Kubiek Ruimtelijke Plannen
Contactpersoon
P. Keizer
Collegiale toets
L. Boon
Wijze van citeren
Veen, van. K., 2019. Quickscan. In het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening ruimte. Plangebied: Kwaalburg 23, Alphen Rapportkenmerk ER20190307v01. Ecoresult B.V., Dordrecht.
Ecoresult B.V. Van Ravesteyn-erf 156 3315 DK Dordrecht 078 75 184 12 info@ecoresult.nl www.ecoresult.nl
© copyright Ecoresult B.V. 2019 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteursrechthebbende. Ecoresult B.V. kan door opdrachtgever niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortvloeit uit gebruik van data of gegevens of door toepassing van aanbevelingen en conclusies, die zijn opgenomen in deze rapportage.
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding.................................................................................................................................................................................................................................5 1.1 Aanleiding....................................................................................................................................................................................................................5 1.2 Doel..................................................................................................................................................................................................................................5 1.3 Leeswijzer.....................................................................................................................................................................................................................5 2 Toelichting onderzoekskader...................................................................................................................................................................................7 2.1 Wet natuurbescherming....................................................................................................................................................................................7 2.2 Verordening
ruimte................................................................................................................................................................................................8 3 Omschrijving plangebied........................................................................................................................................................................................11 3.1 Algemeen..................................................................................................................................................................................................................11 3.2 Beschrijving..............................................................................................................................................................................................................11 3.3 Voorgenomen ontwikkelingen...................................................................................................................................................................12 3.4 Planning.....................................................................................................................................................................................................................12 4 Onderzoeksresultaten beschermde
gebieden..........................................................................................................................................15 4.1 Wet natuurbescherming..................................................................................................................................................................................15 4.2 Verordening ruimte.............................................................................................................................................................................................16 5 Onderzoeksresultaten beschermde soorten..............................................................................................................................................27 5.1 Algemeen..................................................................................................................................................................................................................27 5.2 Soorten Vogelrichtlijn........................................................................................................................................................................................28 5.3 Soorten
Habitatrichtlijn....................................................................................................................................................................................31 5.4 Nationaal beschermde soorten..................................................................................................................................................................33 6 Conclusies en aanbevelingen...............................................................................................................................................................................37 6.1 Beschermde gebieden.....................................................................................................................................................................................37 6.2 Beschermde soorten..........................................................................................................................................................................................37 7 Geraadpleegde bronnen.........................................................................................................................................................................................41 7.1
Internet.......................................................................................................................................................................................................................41 Bijlage 1 Foto-impressie plangebied....................................................................................................................................................................43
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Ecoresult B.V. een quickscan uitgevoerd voor het plangebied genaamd: Molendijk 2, Standdaarbuiten. De aanleiding betreft uitbreiding van de naastgelegen camping (zie verder hoofdstuk 3.2). Deze werkzaamheden kunnen schadelijke effecten hebben op beschermde soorten en natuurgebieden. Wet- en regelgeving voor flora, fauna en natuurgebieden kan hierdoor worden overtreden. Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) effecten door de activiteiten en op welke wijze gehandeld dient te worden.
1.2
Doel
Door middel van een oriënterend bronnen- en veldonderzoek zal worden onderzocht of de geplande werkzaamheden kunnen leiden tot: •
Overtreding van verbodsbepalingen voor (potentieel) aanwezige soorten flora en fauna. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
•
Een (significant) negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb).
•
Een (significant) negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Of een negatief effect op anderzijds beschermde natuurgebieden op provinciaal niveau (o.a. bijzondere provinciale natuurgebieden, bijzondere provinciale landschappen, belangrijke weidevogel gebieden). In het kader van de Verordening ruimte.
1.3
Leeswijzer
In deze rapportage wordt allereerst het kader beschreven waar aan getoetst wordt. Vervolgens wordt het plangebied en de geplande activiteiten beschreven. Hierna worden per beschermingsregime de voor het plangebied relevante beschermde gebieden en beschermde soorten beschreven en beoordeeld. In de conclusie worden de resultaten van dit oriënterend onderzoek samengevat en wordt 5
(indien van toepassing) geadviseerd welk aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Afgesloten wordt met een bronvermelding en een fotobijlage van het plangebied ten tijde van het oriënterend veldbezoek.
6
2
Toelichting onderzoekskader
2.1
Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging en samenbundeling van drie voorgaande wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet1. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen:
2.1.1
Bescherming van gebieden
De Wnb richt met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde dier- en plantsoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Invloeden (ook van buitenaf ) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen.
2.1.2
Bescherming van soorten
De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Als bevoegd gezag heeft iedere afzonderlijke provincie (een aantal) algemene soorten uit deze derde categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht. Wel geldt altijd voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen2. 1 2
www.rvo.nl Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen
7
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.1 lid 2 Art 3.5 lid 4 Het is verboden opzettelijk nesten, Het is verboden de rustplaatsen en eieren van vogels te voortplantingsplaatsen of vernielen of te beschadigen, of rustplaatsen van dieren te nesten van vogels weg te nemen. beschadigen of te vernielen.
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
Beschermingsregime Nationaal beschermde soorten (andere soorten) § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Art 3.5 lid 3 Niet van toepassing Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Niet van toepassing Het is verboden vogels opzettelijk te Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van verstoren. wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Niet van toepassing
Art 3.5 lid 5 Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. ontwortelen of te vernielen.
Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb
2.1.3
Bescherming van houtopstanden
De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van de Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. In deze quickscan blijft de bescherming van houtopstanden buiten beschouwing.
2.2
Verordening ruimte
In de verordening ruimte is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) vastgelegd. Het Natuurnetwerk 8
Nederland (NNN) is een netwerk van groene gebieden, voorheen bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het NNN wordt beschermd via het planologisch kader. Het NNN is verankerd in de bestemmingsplannen waarin de regels uit de provinciale Verordening ruimte zijn verwerkt. Het ruimtelijke beleid voor het NNN kent het “nee, tenzij” principe en is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke waarden en kenmerken’ van het NNN. Naast het NNN kan de provincie planologische bescherming aan gebieden toekennen door hen aan te wijzen als “bijzondere provinciale natuurgebieden” of “bijzondere provinciale landschappen”. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden. Het NNN kent geen uniform beschermingsregime. Iedere provincie kan een eigen invulling geven aan bijvoorbeeld compensatie. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies.
9
3
Omschrijving plangebied
3.1
Algemeen
Het plangebied is gelegen aan de Molendijk 2, te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk ,provincie Noord- Brabant (Afbeelding 1). Het plangebied betreft een agrarisch perceel waarop mais is geteeld en een deel van de oever van de rivier de Mark.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied (rood omlijnd), voor de regionale ligging, zie kaartinzet rechtsboven Bron: PDOK
3.2
Beschrijving •
Het plangebied bestaat uit een braakliggende kleiakker en aangrenzende oever van de rivier de Mark. De oever van de Mark bestaat uit een rietkraag van circa 2,5- 3 meter breed en ligt circa een meter lager dan de akker. Langs de noord- en westgrens ligt een ondiepe perceelsloot met maximaal 30 centimeter water.
•
Bebouwing is in het plangebied afwezig. Dichtstbijzijnde bebouwing betreft chalets en stacaravans, behorende tot de naastgelegen camping. De chalets bestaan rondom uit metalen of kunststof. De daken betreffen kunststofplaten of golfplaten waaronder in enkele gevallen ruimten aanwezig zijn. 11
•
Groen is aanwezig in het plangebied in de vorm van gazon en een rietkraag van circa 2,5- 3 meter breed. Bomen zijn in het plangebied afwezig maar wel aan de noordrand buiten het plangebied aanwezig. Hier staan fruitbomen tot circa 4 meter hoog en twee iepen.
•
Open water is in het plangebied aanwezig in de vorm van perceelsloten met een waterdiepte tot circa 30 centimeter. De perceelsloten zijn geen onderdeel van een doorlopend watersysteem dat direct aansluit op groter water.
•
Verlichting is in en grenzend aan het plangebied afwezig.
Zie Bijlage 1 voor een foto-impressie van het plangebied.
3.3
Voorgenomen ontwikkelingen
De camping zal worden uitgebreid op het agrarisch perceel. Er worden vrijstaande chalets en/of stacaravans geplaatst. Deze worden geplaatst op een afstand van circa 20 meter tot de huidige rietoever. In het midden van het perceel wordt een vijver gerealiseerd met een open doorgang naar de rivier de Mark (zie Afbeelding 2). Met name de oostoever zal worden ontwikkeld als ecologische oever met een aangrenzende ondiepe moeraszone. De open doorgang naar de Mark is in totaal circa 10 meter breed. Op beide oevers zal een flauw aflopende ecologisch oever van circa 2,5 meter breed aanwezig zijn waarop een rietoever tot ontwikkeling kan komen. De inrichting en dieptes zijn weergegeven in Afbeelding 3. Verlichting zal in de nieuwe situatie aanwezig zijn in de vorm van lage armaturen (1 meter hoogte) met gedimd licht. Bosschages en bomen zullen worden aangeplant op de locaties zoals aangegeven in Afbeelding 2. Dit zal bestaan uit inheemse beplantingen (soorten nader te specificeren) met een hoogte van 0,50 – 2,00 meter. De beplantingen worden gerealiseerd conform de richtlijnen uit de “Handreiking Ontwikkeling Waterlopen Brabantse Delta”. De perseelsloten rondom het plangebied blijven in de nieuwe situatie behouden.
3.4
Planning
De exacte planning van de voorgenomen ontwikkelingen is op dit moment nog niet bekend. Voorgenomen is start werkzaamheden 1e kwartaal 2020.
12
Afbeelding 2: Ruimte waarbinnen de ontwikkelingen vallen
13
Afbeelding 3: Dieptematen van de voorgenomen doorgang en waterpartij binnen de uitbreiding van de camping. Kaartbron: S. Rutte
14
4
Onderzoeksresultaten beschermde gebieden
4.1
Wet natuurbescherming
4.1.1
Natura 2000
4.1.1.1
Algemeen
Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Hollands Diep op 7,75 km afstand ten noorden van het plangebied (zie Afbeelding 4). Invloeden (ook van buitenaf ) mogen de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen. Een negatief effect door emissie, geluid, trilling of verlichting valt uit te sluiten op basis van de afstand van deze gebieden tot het plangebied en de aard van de activiteiten die hier zullen plaatsvinden. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Er hoeft op dit onderdeel geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb te worden aangevraagd.
15
Afbeelding 4: Dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden nabij het plangebied (rood omcirkeld). Bron: AERIUS calculator
4.2 4.2.1
Verordening ruimte Natuurnetwerk Brabant
Het plangebied grenst direct aan Natuurnetwerk Brabant (in de vervolgtekst aangeduid als NNB). Het NNB betreft de rivier de Mark en heeft het beheertype N03.01: “Beek en Bron” (zie Afbeelding 5). Het NNB bestaat uit het open water van de Mark. De aangrenzende rietoever is tevens meegenomen in de beschrijving als onderdeel van het habitat, deze valt officieel buiten de begrenzing van het NNB. De aangrenzende oever heeft een rietkraag van circa 2,5 - 3 meter breed. Deze rietoever is langs het hele plangebied aanwezig en loopt in oostelijke richting door waar deze wordt onderbroken door de opening van het haventje van de Molendijk 2. De rietkraag loopt in westelijke richting door tot aan het viaduct van de Markweg. Ten zuiden van de brug Markweg wordt deze onderbroken door een industrieterrein. 16
Afbeelding 5: Het plangebied (globaal rood omkaderd) en het NNN met de natuurbeheertypen (bruin, blauw, geel en groen) Blauw: N03.01 Beek en Bron Groen: N14.03 Haagbeuken- en essenbos Lichtgroen: N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland Bruin: N17.02 Park- of stinzenbos Bron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan hanteert onderstaande beschrijving voor het beheertype N03.01: Algemene informatie “De meeste beken behoren tot de zogenaamde laaglandbeken daarnaast komen heuvellandbeken voor. De ecologische verschillen tussen beide type beken is groot door de variatie in bodem en de verschillen tussen rustig en turbulent water. Beken in de duinen, duinrellen, hebben vaak kenmerken van beide typen. Laaglandbeken zijn langzaam stromende, vaak vrij brede beken, met een regelmatige waterafvoer. Ze komen voor in vrij vlakke zandgebieden; het Drents plateau, de Achterhoek, de grote glaciale bekkens in midden Nederland en in grote delen van Noord-Brabant. Laaglandbeken ontsprongen vaak in hoogveen, heide of laagveen. Duidelijk herkenbare bronnen ontbreken vaak.
In de laaglandbeken komen zeer rustige stukken voor, waar slib en zand afgezet wordt, plaatselijk komt wat grover zand of fijn grind voor.”“Beken en bronnen zijn van groot belang voor waterranonkels, fonteinkruiden en sterrekroossoorten, platwormen, waterkevers, libellen, waterjuffers en kokerjuffers, rivierkreeft en een 17
groot aantal vissen: beekforel, beekprik, elrits, serpeling. kwabaal (benedenloop), rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, gestippelde alver en vlagzalm. De laaglandbeken met beekprik, zeeprik, gaffellibel, begroeiingen met drijvende waterweegbree, waterranonkels of teer vederkruid zijn in internationaal opzicht belangrijk. Vrijwel alle beken zijn door de mens vergraven. Beken zijn verlengd, verbreed, verdiept, gekanaliseerd en met elkaar verbonden om water versneld af te voeren. De meeste beken zijn in de benedenloop gestuwd en lozen op kanalen en vaarten met vaste peilen. De waterkwaliteit van het beekwater is meestal niet goed door vermesting of vervuiling. Voor vissen is het ongehinderd kunnen trekken van zee naar de paaiplaatsen in beken is van groot belang. Door afdamming en opstuwing is dit vaak niet goed mogelijk. Het recht trekken van beken en opstuwen verminderd ook de overlevingskansen voor libellen, haften, kokerjuffers en platwormen. Herstel van de waterkwaliteit is echter mogelijk en is bij de heuvellandbeken ook al succesvol. Voor de laaglandbeken is de situatie echter beduidend minder rooskleurig. Door kanalisatie en vervuiling zijn de condities van dit type beken vrijwel nergens op orde. Vooral de kleinere, zwakgebufferde en voedselarme bovenlopen en duinrellen zijn vrijwel verdwenen” 3. Afbakening •
Het beheertype Beek en bron omvat bronnen en stromend water (gemiddeld meer dan 10 cm/sec) met bronmos, bronkruid, beekstaartjesmos, waterranonkels, sterrekroossoorten, vederkruiden, waterviolier en enkele fonteinkruiden. De vegetaties zijn erg variabel in bedekking, ook binnen één seizoen. Omringend water en zandbanken zonder deze soorten wordt ook tot het beheertype gerekend.
•
Langzaam stromende riviertjes in het laagveen en kleigebied behoren tot de beheertypen Zoete plas.
Natuur- en landschapsdoelstellingen In de Bijlage 4 van het Natuurbeheerplan zijn de volgende doelstellingen gesteld voor het NNB gebied en omgeving: Concrete doelstellingen voor de Mark zijn niet geformuleerd. Voor Ecologische verbindingszones is de volgende beschrijving opgenomen in het Natuurgebiedplan West- Brabant: “Ecologische verbindingszones zijn gebieden of structuren die verbreiding, migratie en uitwisseling van soorten tussen verschillende natuurgebieden mogelijk moet maken. Doorgaans betreft het diersoorten of – groepen zoals amfibieën, dagvlinders, zoogdieren (onder meer vleermuizen, de Das, Bunzing), 3
18
https://atlas.brabant.nl/documenten/natuur/natuurbeheerplan/info_beheertype/N03.01%20Beek%20en %20Bron.htm
bosvogels en vissen. Binnen ‘West-Brabant’ zijn diverse ecologische verbindingszones voorgesteld tussen meestal bestaande natuurgebieden. Voorbeelden zijn de Mark, Steenbergsche Vliet, Wilhelminakanaal, Markkanaal, Haiinkbeekje, Smalle Beek, Donge en diverse kreken ”4. Vanuit het Waterschap wordt “Model-Moeraszone Mark-Dintel” als algemene richtlijn voor deze EVZ toegepast. De betreffende doelsoortgroepen zijn; moerasvogels, kleine (watergebonden) zoogdieren, vleermuizen en libellen.
4.2.2
Waarden en kenmerken
Wezenlijke actuele en potentiële waarden van een gebied in het Natuurnetwerk Nederland zijn bijvoorbeeld: natuurdoelen en kwaliteit, geomorfologische en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid en de landschapsstructuur. In de volgende paragrafen wordt in gegaan op deze waarden en kenmerken.
4.2.2.1.1
Natuurwaarden
Het NNB bestaat uit het open water van de Mark. De aangrenzende rietoever is tevens meegenomen in de beschrijving als onderdeel van het habitat, deze valt officieel buiten de begrenzing van het NNB. Op de oeverzone is een riet-moerasoever van circa 3 meter breed aanwezig (zie Afbeelding 6). Dit deel van het NNB is met name van belang voor kleine grondgebonden zoogdieren, insecten, amfibieën, vogels en als vliegroute en foerageergebied voor vleermuizen.
4.2.2.2
Beheer en gebruik
Uit de actuele situatie in het NNB blijkt dat er geen sprake is van structureel gebruik. In het terrein direct grenzend aan het plangebied zijn geen wandelpaden aanwezig, het grenst deels aan de bestaande camping en deels aan een akker. Beheer van de oever vindt plaats door het waterschap waarbij extensief maaibeheer plaats vindt. De oever is voorzien van overjarig riet en overblijvende beplanting.
4
Natuurgebiedsplan “West- Brabant”, 2007
19
Afbeelding 6: Het NNB terrein grenzend aan het plangebied. Foto: K. van Veen | Ecoresult BV
4.2.2.3
Rust, stilte en duisternis
Het NNB gebied grenst deels direct aan een bestaande camping. Deze camping is enkel in gebruik gedurende het kampeerseizoen (grofweg april - oktober). In de winter is de camping niet in gebruik. Verlichting is in het NNB niet aanwezig. Enige verlichting is aanwezig op de camping maar geeft geen uitstraling naar het NNB. Er lopen door het gebied geen wandelpaden.
4.2.2.4
Verbindingen
Het NNB grenzend aan het plangebied is onderdeel van de oostgrens van een langgerekte groenverbinding. Deze rietoever is langs het hele plangebied aanwezig en loopt in oostelijke richting door waar deze enkel wordt onderbroken door de opening van het haventje van de Molendijk 2 (circa 6 meter breed). De rietkraag loopt in westelijke richting door tot aan het viaduct van de Markweg. Ten zuiden van de Markweg wordt deze onderbroken door een industrieterrein. De begroeide oever langs het plangebied heeft een aaneengesloten lengte van (circa) 325 meter (zie Afbeelding 7).
20
Afbeelding 7: Lengte van de aaneengesloten begroeiing langs het plangebied. Kaartbron: https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan 4.2.2.5
Bodem en waterhuishouding
Het plangebied en de directe omgeving liggen nagenoeg op gelijke hoogte, tussen de 0,80 en 1,30 meter boven NAP (Afbeelding 8). De bodem betreft Lichte klei met homogeen profiel en heeft als beschrijving “Mn15A Kalkrijke poldervaaggronden; lichte zavel; profielverloop 5”.
21
Afbeelding 8: Hoogte en reliëf rondom het plangebied (globaal rood omkaderd). Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/
4.2.2.6
Potenties
De volgende beschrijving wordt gegeven als aanduiding voor de kwaliteit en potenties van het beheertype N03.015: “Beken en bronnen zijn van groot belang voor waterranonkels, fonteinkruiden en sterrekroossoorten, platwormen, waterkevers, libellen, waterjuffers en kokerjuffers, rivierkreeft en een groot aantal vissen: beekforel, beekprik, elrits, serpeling. kwabaal (benedenloop), rivierdonderpad, zeeprik, rivierprik, gestippelde alver en vlagzalm. De laaglandbeken met beekprik, zeeprik, gaffellibel, begroeiingen met drijvende waterweegbree, waterranonkels of teer vederkruid zijn in internationaal opzicht belangrijk. ” Kwalificerende soorten zijn benoemd in de soortgroepen planten, libellen en vissen. Gelet op de huidige situatie heeft het direct rondom het plangebied gelegen NNB-gebied voor de soortgroepen vissen een grote waarde als migratieroute. Voor de kwalificerende soortgroepen libellen en planten heeft het gebied een matige waarde. Het NNB ligt aan de monding van de beek en mist het typische habitat voor voor onder andere kwalificerende fonteinkruiden, kroossoorten en soorten waterweegbree. Het gebied heeft waarde voor algemeen voorkomende broedvogels (broedplaats en functionele 5
22
https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/de-index-natuur-enlandschap/natuurtypen/n16-bossen-met-productiefunctie/n16-03-droog-bos-productie-nieuw-per-01-012018/
omgeving), amfibieën (voortplantingsplaats en functionele omgeving) en algemene kleine grondgebonden zoogdieren (voortplantingsplaats en functionele omgeving). Gedurende het veldbezoek is het naastgelegen NNB tot >50 meter tot aan het plangebied onderzocht op potenties voor uilen en roofvogels met nesten in bomen of andere sterk verstoringsgevoelige vogels. Rondom het plangebied zijn geen boomnesten aangetroffen die door deze verstoringsgevoelige soorten gebruikt kunnen worden. Het plangebied heeft in de huidige situatie een lage potentie voor de kwalificerende vogelsoorten. Het NNB zal met voortzetting van de huidige situatie de kwalificerende natuurwaarden niet bereiken.
4.2.3
Effectbeoordeling en toetsing
Voor wijzigingen in het NNB geldt de regel: Nee, tenzij. Nieuwe plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Eventueel aanwezige negatieve effecten dienen gemitigeerd te worden.
4.2.3.1
Natuurwaarden
Het NNB rondom het plangebied heeft met name potenties voor (kleine) grondgebonden zoogdieren, amfibieën en broedvogels. De plannen voorzien een landschappelijke inrichting met open water en een flauwe riet- moerasoever. In de nieuwe situatie kunnen grondgebonden zoogdieren, amfibieën en broedvogels blijvend gebruik maken van het gebied. De doorgang die wordt gemaakt naar de Mark vormt hierin geen belemmering. Kwalificerende plantensoorten en libellen komen niet in het gebied voor, voor deze soorten ontbreekt geschikt habitat. De Mark is wel geschikt als migratieroute voor kwalificerende vissen. Deze functie wordt door de werkzaamheden niet aangetast. Significante verstoring van de aanwezige natuurwaarden is op voorhand uitgesloten.
4.2.3.2
Ruimtebeslag, beheer en gebruik
Het beheer en gebruik van het NNB-gebied blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Grenzend aan het NNB wordt de huidige akker omgevormd naar campingterrein. De grens van het campingterrein ligt op een afstand van circa 10 meter tot de oever van het NNB (zie Afbeelding 2). Het gebruik van het NNB gebied zal ten opzichte van de huidige situatie niet veranderen, enkel de omgeving. Ruimtebeslag in het NNB vindt plaats door het maken van een open waterverbinding naar de Mark. Hierdoor wordt de huidige rietoever over een lengte van circa 10 meter en breedte van circa 3 meter onderbroken. In de nieuwe situatie zal echter op beide oevers van de doorgang een flauw aflopende 23
ecologisch oever van circa 2,5 meter breed aanwezig zijn waarop een rietoever tot ontwikkeling kan komen. Tevens wordt een moeraszone ontwikkeld die volledig begroeid wordt met rietoevervegetatie. De inrichting en dieptes zijn weergegeven in Afbeelding 3. Op basis van voorgaande en de landschappelijke inpassing zijn negatieve effecten op ruimtebeslag, beheer en gebruik uitgesloten.
4.2.3.3
Verstoring door geluid en licht en optische verstoring
Verlichting zal op het campingterrein enkel aanwezig zijn in de vorm van lage armaturen (maximaal 1 meter hoogte) met gedimd licht. Er vindt geen uitstraling van licht naar het NNB terrein plaats. Extra geluid en optische verstoring zal door de uitbreiding van de camping niet uitgesloten zijn door een verhoogd aantal campinggasten. Optische verstoring wordt zo veel mogelijk beperkt door de afstand van de grens van het campingterrein (circa 10 meter tot het NNB), het naar binnen richten van de chalets/stacaravans en de aanleg van riet- moeras langs de oevers van de watergang als visuele afscheiding.
4.2.3.4
Verbindingen
Door de ontwikkelingen wordt de aaneengesloten oeverzone van het NNB onderbroken door een open water verbinding. In de huidige situatie wordt de oeverzone en de daarop aanwezige beplanting onderbroken door de opening van het haventje van de Molendijk 2 (circa 6 meter breed), het viaduct van de Markweg en een industrieterrein op circa 340 meter afstand tot het plangebied. In de nieuwe situatie worden de oevers van de doorgang begroeid met riet en is de open waterverbinding circa 5 meter breed. Wegens de beperkte onderbreking, de inpassing van de nieuwe situatie en de reeds aanwezige onderbrekingen van dezelfde grootte of groter zijn negatieve effecten op de functie van het NNB als verbindingszone uitgesloten.
4.2.3.5
Bodem en waterhuishouding
Verschil in waterstromen zal aanwezig zijn door het maken van een open verbinding van de Mark. Dit heeft geen negatief effect op de waterhuishouding van de omgeving of de bodem. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De werkzaamheden hebben niet tot gevolg dat de bodemstructuur, bodemsoort of de (grondwater)huishouding van het plangebied of omringende gebieden sterk veranderd. Door het aanbrengen van een doorgang naar de Mark zal deze een beperkte extra ruimte krijgen voor waterberging. Negatieve effecten op bodem en waterhuishouding zijn uitgesloten.
24
4.2.3.6
Conclusie Natuurnetwerk Nederland
Het NNB-gebied grenzend aan het plangebied betreft het beheertype N03.01: “ Beek en bron” en bestaat in de huidige situatie uit het open water van de Mark. Het terrein is met name van belang voor kleine grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vissen, amfibieën en broedvogels. Rondom het plangebied zijn geen nesten aangetroffen die door verstoringsgevoelige vogelsoorten zoals roofvogels en uilen gebruik kunnen worden. Gelet op de huidige situatie heeft het direct rondom het plangebied gelegen NNB-gebied voor de soortgroepen vissen een grote waarde als migratieroute. Voor de kwalificerende soortgroepen libellen en planten heeft het gebied een matige waarde. Het NNB ligt aan de monding van de beek en mist het typische habitat voor voor onder andere kwalificerende fonteinkruiden, kroossoorten en soorten waterweegbree. Het NNB zal met voortzetting van de huidige situatie de kwalificerende natuurwaarden niet bereiken. Met inbegrip van bovenstaande, lettende op de huidige situatie, de aanwezige natuurwaarden en de ecologische potenties voor het gebied afgezet tegenover de geplande ontwikkelingen en toekomstig gebruik, treden er geen significante negatieve effecten op de wezenlijke waarden, kenmerken en natuurwaarden van het omringende NNB op.
Getoetst is aan de voorgenomen ontwikkelingen zoals die gesteld zijn in de ontwerptekeningen (zie Afbeelding 2 en Afbeelding 3) en aanvullende info gegeven door de initatiefnemers K. Smit en S. Smit, die niet in deze tekeningen beschreven staan (o.a. op het aspect verlichting en begroeiing; zie Paragraaf 3.3). Indien deze plannen wijzigen dient opnieuw getoetst te worden.
25
5
Onderzoeksresultaten beschermde soorten
5.1
Algemeen
Het verkennend veldonderzoek is uitgevoerd op 06-03-2019 door ecologisch deskundige 6 K. van Veen Het complete plangebied is – daar waar nodig – met hulp van een verrekijker onderzocht. De Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)7 is geraadpleegd om een indruk te krijgen over de aanwezigheid van beschermde soorten rondom het plangebied. Op Afbeelding 5 is het zoekgebied weergegeven. De tabellen in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op waarnemingen uit de NDFF database van de afgelopen 5 jaar. Voor zover bekend zijn andere bronnen met relevante informatie afwezig. Op basis van het bronnenonderzoek en de aanwezige habitats was een goede inschatting van de potenties en aan- of afwezigheid van de beschermde soorten te maken. De resultaten uit voorliggend rapport hebben een geldigheid van 3 jaar.
6 7
Voor een definitie van ecologisch deskundige wordt verwezen naar https://mijn.rvo.nl/ecologischdeskundige?inheritRedirect=true http://app.quickscanhulp.nl/
27
Afbeelding 5: 5 kilometer Grid waarbinnen is gekeken naar waarnemingen van beschermde soorten in de NDFF. Het plangebied is rood omlijnd. Bron: NDFF – https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal.
5.2
Soorten Vogelrichtlijn
5.2.1
Bronnenonderzoek
Buizerd Gierzwaluw Huismus Roek Sperwer Steenuil
Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten
Tabel 2: Waargenomen vogels met jaarrond beschermde nesten binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF – https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-032019.
28
5.2.2
Verkennend veldonderzoek
5.2.2.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vogels met jaarrond beschermde nesten. Bebouwing is in het plangebied afwezig. Grenzend aan het plangebied, op circa 10 meter afstand, staan chalets met golfplaten daken die potentieel geschikt zijn voor huismus. Huismus is gedurende het veldbezoek niet waargenomen. Het plangebied is ongeschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vogels met jaarrond beschermde nesten. Bomen zijn in het plangebied afwezig. Grenzend aan het plangebied zijn bomen aanwezig in de vorm van solitaire bomen en een boomgroep langs de Markweg, op een afstand van minimaal 55 meter tot het plangebied. In deze bomen zijn geen boomnesten van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. In geen van de bomen zijn holten aanwezig die door een soort als steenuil gebruikt kunnen worden. Het plangebied is geschikt als functioneel leefgebied voor soorten als buizerd en kerkuil. Dit is echter op voorhand niet essentieel. In de directe omgeving zijn voldoende kwalitatief goede alternatieven aanwezig waar deze vogels blijvend van gebruik kunnen maken
5.2.2.2
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten
Voortplantingsplaatsen van vogels met niet jaarrond beschermde nesten zijn in het plangebied uitgesloten. In het plangebied zijn bebouwing en bomen afwezig. Waardoor aanwezigheid is uitgesloten.
5.2.2.3
Algemene vogels
Het plangebied is geschikt voor algemene vogelsoorten (grond- en rietbroeders) zoals kievit, scholekster, rietzanger en kleine karekiet.
5.2.3
Effectbeoordeling en toetsing
5.2.3.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten
Het plangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Grenzend aan het plangebied zijn op circa 10 meter afstand chalets aanwezig waar potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig kunnen zijn. Negatieve effecten zijn op basis van de werkzaamheden op voorhand uitgesloten. De werkzaamheden betreffen uitbreiding van de bestaande 29
camping in westelijke richting. Eventueel aanwezige vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus of functioneel leefgebied wordt niet aangetast of verstoord. Negatieve effecten zijn uitgesloten, aanvullend onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
5.2.3.2
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in of in de directe omgeving van het plangebied. Aanvullend onderzoek is niet nodig.
5.2.3.3
Algemene vogels
Het plangebied en directe omgeving is potentieel geschikt als voortplantingsplaats voor algemene vogels. Nesten van algemene vogels vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van de wet. Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn onder andere te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door onder andere buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien het plangebied regelmatig wordt gecontroleerd op bezette nesten van vogels en deze afwezig zijn. De werkzaamheden dienen dan uitgevoerd te worden op aanwijzing van een ecologisch deskundige.
30
5.3
Soorten Habitatrichtlijn
5.3.1
Bronnenonderzoek
Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Vale vleermuis Watervleermuis Drijvende waterweegbree Platte schijfhoren
Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Vaatplanten Weekdieren
Tabel 3: Waargenomen habitatrichtlijnsoorten binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF – https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-03-2019.
5.3.2
Verkennend veldonderzoek
5.3.2.1
Vleermuizen
Het plangebied is ongeschikt voor voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende of boombewonende vleermuizen. Bebouwing en bomen zijn in het plangebied afwezig. De bebouwing grenzend aan het plangebied is ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. De chalets en stacaravans bestaan rondom uit kunststof platen/panelen en het dak bestaat uit gladde golfplaten. Geschikte holten voor vleermuizen zijn afwezig, langs de zijgevels en dakranden zijn geen openingen. In de bomen grenzend aan het plangebied zijn geen holten aanwezig die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Het plangebied is geschikt als onderdeel van een essentiële vliegroute voor vleermuizen, met name watervleermuis en meervleermuis. De Mark vormt een onafgebroken lijnvormige structuur met open water die verschillende gebieden met elkaar verbindt. Het plangebied is ongeschikt als essentieel foerageergebied wegens het ontbreken van opgaande beplanting en bomen. De rietkraag kan worden 31
gebruikt als foerageergebied echter zijn in de omgeving talrijke alternatieven aanwezig die blijvend gebruikt kunnen worden.
5.3.2.2
Overige soorten
Voor andere Habitatrichtlijn soorten (drijvende waterweegbree, platte schijfhoren en Noordse woelmuis) is het plangebied ongeschikt door het ontbreken van geschikt habitat en/of geografische ligging. De Mark en de ondiepe perceelsloten langs het plangebied, gelegen in kleigronden zijn te voedselrijk en te troebel om te fungeren als habitat voor deze soorten. Aanwezigheid van Noordse woelmuis is uitgesloten wegens het zeer beperkte habitat in de vorm van een rietoever van circa 3 meter breed. In dit deel van Noord- Brabant zijn tevens geen historische data bekend over aanwezigheid. Relict-populaties zijn hier niet aanwezig (geweest). In het verleden zijn onderzoeken uitgevoerd in geschikt habitat langs het Hollandsch diep waarbij de soort niet is aangetroffen.
5.3.3
Effectbeoordeling en toetsing
De aangrenzende rivier de Mark is geschikt als essentiële vliegroute voor met name watervleermuis en meervleermuis. De directe opening van circa 10 meter breed die in de oever wordt gemaakt heeft geen effect op een eventueel aanwezige vliegroute. Het overig deel van de oever aan het plangebied blijft onaangetast. De plaatsing van chalets staat gepland op een minimale afstand van 20 meter tot de oever. Verlichting zal enkel aanwezig zijn in de vorm van lage verlichting (maximaal 1 meter hoogte) met gedimd licht. Directe beschijning op de oever of het water van de Mark zal niet aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn uitgesloten, aanvullend onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
32
5.4
Nationaal beschermde soorten
5.4.1
Bronnenonderzoek NDFF
Soort Bunzing Das Eekhoorn Steenmarter Alpenwatersalamander Grote modderkruiper Naakte lathyrus
Soortgroep Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Zoogdieren Amfibieën Vissen Vaatplanten
Tabel 4: Waargenomen Nationaal beschermde soorten Andere soorten § 3.3 Wnb) welke niet zijn vrijgesteld in Noord-Holland binnen een afstand van 5 km van het plangebied in de afgelopen vijf jaar. Bron: NDFF – https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal, geraadpleegd op 08-03-2019.
5.4.2
Verkennend veldonderzoek
5.4.2.1
Vaatplanten
Binnen de het plangebied is geen sprake van ecologisch beheerde terreinen en zijn natuurvriendelijke slootkanten, voedselarme bodems en akkerreservaten afwezig. Op basis hiervan is op voorhand de aanwezigheid van veel beschermde soorten vaatplanten (waaronder de volgens het bronnenonderzoek in de omgeving aanwezige naakte lathyrus) uit te sluiten. Naakte lathyrus is een soort van zandarme leemgronden, droge bermen en spoorbermen. Dit type habitat is niet in het plangebied aanwezig.
5.4.2.2
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van de gegevens van de NDFF komen das, bunzing, eekhoorn en steenmarter binnen een straal van 5 kilometer van het plangebied voor. Voor eekhoorn ontbreekt aaneengesloten bos of boomgroepen. Structuurrijke vegetaties, bosschages, steenhopen of takkenrillen ontbreken voor steenmarter en das. Geschikt functioneel leefgebied voor bunzing, wezel, steenmarter en hermelijn is aanwezig in de vorm van de aaneengesloten rietoever van de Mark. Vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing en hermelijn zijn uitgesloten wegens het ontbreken van grondholen of structuren als takkenrillen en steenhopen in of langs de rietoever. Vaste rust- en verblijfplaatsen van wezel zijn 33
uitgesloten wegens de afwezigheid van dekking en de hoge waterstand op de oever van de Mark. Aanwezigheid van das is uitgesloten wegens de geisoleerde ligging van het plangebied temidden van landbouwgebied, afwezigheid van dichte bosschages en bos en de marginale dekking die de rietoever langs de Mark biedt. Aanwezigheid van waterspitsmuis in het plangebied is uitgesloten wegens de ligging van het plangebied en het aanwezige habitat. De rietoever van de Mark betreft een smalle strook van maximaal 3 meter en wordt afgebroken door het viaduct van de Markweg aan de westzijde en de opening van het haventje aan de oostzijde. Het tussenliggende gedeelte ligt grotendeels grenzend aan bebouwing. Geschikt functioneel leefgebied voor soorten als egel en verschillende soorten (spits)muizen waarvoor in Noord-Brabant een provinciale vrijstelling is aanwezig.
5.4.2.3
Overige soortgroepen
Aanwezigheid van volgens het bronnenonderzoek in de omgeving aanwezige alpenwatersalamander is uitgesloten op basis van het aanwezige habitat. Kleinschalig landschap met poelen, weidegebieden, bos of heideterreinen zijn afwezig. Aanwezigheid van grote modderkruiper is uitgesloten wegens het ontbreken van watergangen met een goed ontwikkelde oevervegetatie in een stadium van verlanding. Overige soort(groep)en zijn naast het ontbreken van geschikt habitat ook op basis van landelijke verspreiding niet te verwachten. Incidenteel passerende exemplaren van in Noord-Brabant vrijgestelde amfibieën als gewone pad en bruine kikker zijn niet uitgesloten.
5.4.3
Effectbeoordeling en toetsing
Het plangebied is potentieel geschikt als functioneel leefgebied voor bunzing, wezel, steenmarter en hermelijn. De werkzaamheden hebben geen effect op de functionaliteit van het gebied voor deze soorten. Het maken van de open doorgang naar de Mark zorgt niet voor het onderbreken van een migratieroute of foerageerroute, beide soorten kunnen dit makkelijk over steken. Daarnaast betreft de toekomstige inrichting een watergang met sterk begroeide oevers waardoor geen sprake is van een barrière door niet natuurlijke elementen. De inrichting van het campingterrein met voorzieningen in de vorm van chalets of stacaravans vindt plaats op een minimale afstand van 20 meter tot de rietoever. In de huidige situatie zijn op de huidige camping op kleinere afstand voorzieningen aanwezig waardoor van significante verstoring geen sprake is. Het plangebied is ongeschikt voor andere soorten waarvoor in Noord-Brabant geen vrijstelling geldt, geschikt habitat ontbreekt. Incidenteel passerende exemplaren van Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstelling geldt als egel, (spits)muizen en gewone pad zijn niet uitgesloten. Aanvullend onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle 34
tijde de zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij onverhoopt toch aangetroffen worden tijdens de werkzaamheden.
35
6
Conclusies en aanbevelingen
6.1
Beschermde gebieden
6.1.1
Wet natuurbescherming
Op basis van de afstand tot het plangebied en de aard van de werkzaamheden valt op voorhand uit te sluiten dat de activiteiten de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden zullen aantasten. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Het aanvragen van een ontheffing of vergunning is niet nodig.
6.1.2
Verordening ruimte
Met inbegrip van de huidige situatie, de aanwezige natuurwaarden en kenmerken en de ecologische potenties voor het gebied afgezet tegenover de geplande ontwikkelingen en toekomstig gebruik, treden er geen negatieve effecten op de wezenlijke waarden, kenmerken en natuurwaarden van het omringende NNB op.
6.2
Beschermde soorten
6.2.1
Soorten Vogelrichtlijn
6.2.1.1
Huismus
Het plangebied is ongeschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten. Grenzend aan het plangebied zijn chalets aanwezig waar potentieel vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus aanwezig kunnen zijn. Negatieve effecten zijn op basis van de werkzaamheden op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten zijn uitgesloten, aanvullend onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
37
6.2.1.2
Categorie 5 soorten
Vogels met niet jaarrond beschermde nesten zijn vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan en die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Vogels met niet jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in of in de directe omgeving van het plangebied. Aanvullend onderzoek is niet nodig.
6.2.1.3
Algemene vogels
Tijdelijke schadelijke effecten door uitvoering van de werkzaamheden op bezette nesten van algemene vogels zijn te voorkomen (in gebruik zijnde vogelnesten mogen in principe nooit worden verstoord) door buiten het broedseizoen te werken (buiten grofweg de periode 15 maart – 15 augustus). Werken binnen het broedseizoen is enkel mogelijk indien er geen bezette nesten worden verstoord. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt is voorafgaand aan de werkzaamheden een controle door een deskundig ecoloog noodzakelijk.
6.2.2
Soorten Habitatrichtlijn
De aangrenzende rivier de Mark is geschikt als essentiële vliegroute voor met name watervleermuis en meervleermuis. Verlichting zal enkel aanwezig zijn in de vorm van lage verlichting (maximaal 1 meter hoogte) met gedimd licht. Directe beschijning op de oever of het water van de Mark zal niet aanwezig zijn. Negatieve effecten zijn uitgesloten, aanvullend onderzoek is niet nodig. Het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming is niet nodig.
6.2.3
Nationaal beschermde soorten
Het plangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen of als essentieel functioneel leefgebied van niet van ontheffing vrijgestelde Nationaal beschermde soorten. Het plangebied is enkel geschikt voor Nationaal beschermde soorten flora en fauna waarvoor in de provincie Noord-Brabant een vrijstellingsbesluit van kracht is. Voor deze soorten is er geen ontheffing vereist en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat indien mogelijk schadelijk effect op soorten zoals gewone pad, bruine kikker, egel en (spits)muizen zoveel mogelijk dient te worden voorkomen. Te denken valt aan het verplaatsen van dieren naar veilige locaties buiten het werkgebied indien zij aangetroffen worden 38
tijdens de werkzaamheden.
39
7
Geraadpleegde bronnen
7.1
Internet
Beschermde gebieden http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan https://calculator.aerius.nl/calculator/ Nationale Databank Flora en Fauna https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/secure/index.zul Natuurwetgeving en Kennisdocumenten http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-01-01#Hoofdstuk2 www.rvo.nl https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingenwet-natuurbescherming/ https://mijn.rvo.nl/overzicht-gedragscodes PDOK – Publieke Dienstverlening op de Kaart http://pdokviewer.pdok.nl
41
Bijlage 1 Foto-impressie plangebied
Plangebied gezien vanuit het zuiden, rechts de EVZ Foto: K. van Veen | Ecoresult B.V.
Overzicht van het plangebied. Foto: K. van Veen | Ecoresult B.V.
43
Perceelsloot langs de noordrand van het plangebiedFoto: K. van Veen | Ecoresult B.V.
EVZ langs het haventje. Op de achtergrond de opening van het haventje en het vervolg van de EVZ langs de bebouwing Foto: K. van Veen | Ecoresult B.V.
44