CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

MER TenneT ZuidWest Oost Deel A 22-2-2021

Commissievergadering 6 april 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vooroverlegreactie voorontwerp inpassingsplan Zuid-West 380kV Oost21.739 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

ja

Krammer-Volkerak

nee

nee

ja

Hollands Diep

nee

nee

ja

Biesbosch

nee

ja

ja

Langstraat

nee

nee

nee

Loonse en Drunense Duinen

nee

nee

nee

Vervolgens is bezien op welke kwalificerende natuurwaarden zich mogelijk effecten voordoen. Dit heeft geleid tot een overzicht van broedvogels en niet-broedvogels die zich binnen de reikwijdte van een effect bevinden. Tabel 7.2 geeft een overzicht van deze soorten.

Biesbosch

Hollands Diep

Volkerak

Krammer-

Markiezaat

Zoommeer

Brabantse Wal

Tabel 7.2 Vogelsoorten die zich binnen de reikwijdte van een effect bevinden

Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels A034 Lepelaar A072 Wespendief

ja

ja

ja

A081 Bruine Kiekendief

ja

A224 Nachtzwaluw

ja

A236 Zwarte Specht

ja

A246 Boomleeuwerik

ja

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 50

Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels A027 Grote Zilverreiger

ja

A034 Lepelaar

ja

ja

A037 Kleine Zwaan

ja

A041 Kolgans A043 Grauwe Gans

ja

A045 Brandgans A103 Slechtvalk

ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

Naast de hierboven genoemde mogelijke effecten is bij de aanleg van de nieuwe verbinding ook sprake van stikstofemissies en -deposities, waardoor mogelijk extra stikstofbelasting op de hiervoor gevoelige Natura 2000-gebieden ontstaat. Het gaat om tijdelijke effecten. In de gebruiksfase is alleen sprake van incidenteel onderhoud en reparaties waarbij voertuigen ingezet worden. Hierbij is sprake van dusdanig beperkte emissies dat deze niet tot een meetbare depositie leiden. Voor de berekening van de stikstofdepositie is uitgegaan van inzet van materieel zoals in de praktijk wordt gebruikt. De verwachting is dat de aanlegfase circa zes jaar zal duren. De berekeningen voor het bepalen van de mate van stikstofdepositie zijn gemaakt met Aerius, versie 2020PRERELEASE_20200714_287bd25ff2. De berekening is een worst-case benadering, omdat er van uitgegaan is gegaan dat de totale depositie in één kalenderjaar plaatsvindt. Op deze wijze is eveneens inzicht verkregen in het totale planeffect. In werkelijkheid vindt de depositie verspreid over de aanlegperiode plaats. Bij de berekening is gebruik gemaakt van de achtergronddepositie in het jaar 2023 (rekenjaar). De verwachting is dat de komende jaren de hoogte van de achtergronddepositie daalt. De achtergronddepositie in het rekenjaar 2023 is hierdoor ook een worst-case uitgangspunt.

De berekening laat zien dat sprake is van een eenmalige, geringe tot zeer geringe toename van stikstofdepositie in 18 Natura 2000- gebieden. Deze zijn weergegeven in tabel 7.3. Tabel 7.3 Natura 2000 gebieden met een eenmalige stikstofdepositie Brabantse Wal

1,36

Kampina & Oisterwijkse Vennen

0,01

Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen

0,05

Lingegebied & Diefdijk-Zuid

0,01

Langstraat

0,04

Regte Heide & Riels Laag

0,01

Biesbosch

0,03

Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem

0,01

Oosterschelde

0,02

Kempenland-West

0,01

Ulvenhoutse Bos

0,02

Rijntakken

0,01

Westerschelde & Saeftinghe

0,01

Kolland & Overlangbroek

0,01

Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek

0,01

Zouweboezem

0,01

Krammer-Volkerak

0,01

Uiterwaarden lek

0,01

Tabel 7.# Totale stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden in mol Stikstof per hectare Negatieve effecten van stikstofdeposities ontstaan door structurele overbelasting met stikstof, wat leidt tot vermesting en verzuring van bodem, water en vegetaties. Hierdoor kan de soortensamenstelling wijzigen, doordat soorten die beter of meer stikstof kunnen opnemen of sneller gaan groeien, gaan domineren en “gewenste soorten” uit het systeem verdwijnen. In een groot aantal Natura 2000gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen gesteld voor habitattypen die gevoelig zijn voor het verzurende of vermestende effect van stikstof. Eventuele soorten die afhankelijk zijn van deze habitattypen kunnen daarmee eveneens een negatief effect ondervinden. MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 51

7.3

Effecten door toename van verstoring

7.3.1

Brabantse Wal

Als gevolg van de werkzaamheden in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal, en met name door het amoveren van de huidige verbinding, ontstaat een toename van geluid en bewegingen door inzet van materieel. Bij werkzaamheden in het broedseizoen worden mogelijk de aangewezen broedvogelsoorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw verstoord, omdat territoria binnen de reikwijdte van de verstorende effecten liggen. Van directe aantasting is geen sprake binnen aangezien de werklocaties geen primair broedgebied aanwezig is. Daarnaast wordt tijdens de werkzaamheden mogelijk verlichting gebruikt in het projectgebied. Doorat deze verlichting ook naar de omgeving uitstraalt, kunnen bij gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst gedurende het broedseizoen mogelijk nachtzwaluwen verstoord worden.

7.3.2

Biesbosch

Tijdens de bouw is mogelijk voorzien in verlichting van het projectgebied, die tot uitstraling naar de omgeving leidt. Hierdoor worden foeragerende meervleermuizen, of meervleermuizen die tussen foerageergebied in het Natura 2000-gebied de Biesbosch en verblijfplaatsen in de omgeving vliegen mogelijk verstoord. Meervleermuizen zijn gebonden aan vliegroutes over water, waaronder de belangrijke vliegroute de Donge, die het projectgebied meerdere keren kruist. Een negatief effect op deze soort bij gebruik van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst, gedurende het actieve vliegseizoen van meervleermuis, in de aanlegfase kan niet worden uitgesloten.

7.4

Effecten door toename van stikstofdepositie

De aanlegwerkzaamheden voor het project, inclusief aanleg en verwijderen van tijdelijke verbindingen, leiden tot een tijdelijke en lage stikstofdepositie. De hoogste, door Aerius berekende stikstofdepositie op een stikstofgevoelig habitattype bedraagt 1,36 mol stikstof per hectare gedurende de aanlegfase. Dit komt overeen met ongeveer 18 gram stikstof per hectare ofwel 0,0018 gram stikstof per vierkante meter. Als gevolg van de depositie is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof, dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Een afname van deze soorten zou kunnen leiden tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. De volgende berekening geeft een beeld van de vermestende invloed van een eenmalige depositietoename van maximaal 1,36 mol stikstof per hectare. • De jaarlijkse biomassaproductie van natuurlijke habitattypen loopt doorgaans uiteen tussen 1.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar. Schrale graslanden en heiden op de droge zandgronden zijn voorbeelden van vegetaties, waarbij ook een lagere productiviteit voor kan komen.

• Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten. • Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is gemiddeld 15 tot 90 kg N/ha/jaar nodig. Dit komt overeen met ca. 1.065 – 6.400 mol stikstof per hectare per jaar. Dit betreft de totale MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 52

aanvoer van stikstof, dus door atmosferische depositie maar ook vanuit bronnen zoals grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing. Een depositie van 1,36 mol per hectare komt overeen met 0,02 - 0,06% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof van planten in natuurlijke habitats. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, leidt dit niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie. De ecologische effecten hiervan zijn niet meetbaar op zowel habitattype als op individueel plantniveau. Daardoor ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de berekende depositietoenames de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in de betreffende Natura 2000-gebieden niet meetbaar kunnen aantasten. Deze conclusie geldt ook als een habitattype of leefgebied zich nog niet in een gunstige staat van instandhouding bevindt. Het maakt daarom geen verschil of voor dit habitattype/leefgebied een behoud- of verbeterdoelstelling geldt.

De daadwerkelijke depositie van stikstof in een specifiek jaar wordt tevens sterk bepaald door meteorologische fluctuaties in windsnelheden, windrichtingen en neerslaghoeveelheden die in het betreffende jaar optreden. In het achtergrondrapport bij de grootschalige concentratie- en depositiekaarten van Nederland is door het RIVM en Planbureau voor de Leefomgeving aangegeven dat sprake is van natuurlijke fluctuaties van de daadwerkelijke depositie van ongeveer 10% ten opzichte van de gemiddelde achtergronddepositie (RIVM.nl, 2013). De achtergronddeposities in Natura 2000-gebieden variëren tussen circa 700 en circa 3.500 mol stikstof per hectare per jaar. Dit zijn dus fluctuaties in de orde van grootte van 70 - 350 mol stikstof per hectare per jaar meer of minder ten opzichte van de achtergronddepositie. Een eenmalige depositiebijdrage van maximaal 1,36 mol stikstof per hectare, maar vaak van aanzienlijk minder (0,02 mol stikstof per hectare) valt volledig weg tegen de natuurlijke fluctuaties in de feitelijke depositie en is daarmee geen relevant risico voor het optreden van ongewenste effecten. Daarmee staat vast dat significant negatieve effecten bij een depositie van maximaal 1,36 mol stikstof per hectare zijn uitgesloten.

7.5

Effecten door verandering draadslachtoffers

Hoogspanningsverbindingen leiden in de huidige situatie tot draadslachtoffers, doordat vogels de draden niet goed kunnen waarnemen en er tegen aan vliegen. Voor de beoordeling is relevant of dit er meer of minder worden door veranderingen die zijn voorzien langs het tracé. Er zijn twee factoren bepalend voor het aantal draadslachtoffers. • Het betreft enerzijds veranderingen van de lengte van de verbinding. Hoe korter de bovengrondse verbinding wordt, hoe minder draadslachtoffers er naar verwachting optreden. Neemt de lengte van de verbinding toe, dan neemt naar verwachting ook het aantal draadslachtoffers toe. • Anderzijds is de lengte van de bundeling van de verbindingen van belang. Bundeling van verbindingen heeft in principe een positief effect. Wanneer een nieuwe verbinding op minder dan 500 meter afstand staat van een bestaande verbinding is sprake van bundeling. De verbindingen staan in dat geval in elkaars ‘schaduw’.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 53

7.5.1

Brabantse Wal

In het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is mogelijk sprake van een verandering van het aantal draadslachtoffers voor de soorten wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. De huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding, de bovengrondse verbinding wordt geamoveerd. Hierdoor is sprake van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie en neemt het aantal aanvaringen van Vogelrichtlijnsoorten met de hoogspanningsverbinding in het Natura 2000-gebied en het aangrenzende gebied af.

7.5.2

Zoommeer

In het Natura 2000-gebied Zoommeer wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen, waarbij de oude verbinding wordt geamoveerd. De nieuwe hoogspanningsverbinding loopt hier tevens parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58. Overvliegende grauwe ganzen moeten hier ook in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.

7.5.3

Markiezaat

Voor het Natura 2000-gebied Markiezaat is een verandering van het aantal draadslachtoffers van lepelaar relevant. Ten zuidoosten van het Markiezaat wordt de huidige bovengrondse hoogspanningsverbinding vervangen door een kabelverbinding. Daarmee zijn eventuele aanvaringen van de lepelaar met de hoogspanningsverbinding op die locatie niet meer aan de orde. Ten zuiden van het Markiezaat wordt de huidige hoogspanningsverbinding vervangen. De hoogspanningsverbinding loopt hier ook parallel aan de N289, de spoorverbinding en de A58. Overvliegende lepelaars moeten hier in de huidige situatie al hoog vliegen om deze obstakels te kruisen. Er is dan ook geen sprake van een wezenlijke verandering of een toename van het aantal draadslachtoffers.

7.5.4

Krammer-Volkerak

Voor het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak is een verandering van het aantal draadslachtoffers van slechtvalk relevant. Slechtvalk vliegt overdag en jaagt op zicht. Het is geen soort waarvan bekend is dat structureel meer slachtoffers vallen door de aanpassingen van de verbindingen. De nieuwe verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het Natura 2000-gebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. Negatieve effecten worden uitgesloten.

7.5.5

Hollands Diep

Voor het Natura 2000-gebied Hollands Diep zijn veranderingen van het aantal draadslachtoffers van lepelaar, kolgans, grauwe gans en brandgans relevant. Ten zuidoosten van het Hollands Diep neemt de lengte van de nieuwe verbinding af. Dit leidt tot een vermindering van het aantal draadslachtoffers. Negatieve effecten worden uitgesloten.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 54

7.5.6

Biesbosch

Voor het Natura 2000-gebied Biesbosch is een toename van het aantal draadslachtoffers relevant voor de Vogelrichtlijnsoorten bruine kiekendief, grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans en voor de Habitatrichtlijnsoort meervleermuis. Bruine kiekendief vliegt overdag en jaagt op zicht. Het is geen soort waarvan bekend is dat structureel meer slachtoffers vallen als gevolg van de aanpassingen. De verbinding komt niet wezenlijk dichter bij het leefgebied te liggen en de vogel is gezien de leefwijze niet gevoelig voor aanvaringen. Aangezien de lengte van de nieuwe verbinding over een deel van de verbinding toeneemt is het niet uitgesloten dat er meer draadslachtoffers ontstaan onder grote zilverreiger die voorkomt bij Hooge Zwaluwe en Drimmelen, kleine zwaan die voorkomt bij Wagenberg en kolgans, grauwe gans en brandgans op basis van hun vliegbewegingen. Meervleermuis kruist mogelijk de verbinding wanneer zij vliegen van verblijfplaatsen naar de Biesbosch. Meervleermuis vliegt echter relatief laag over de wateroppervlaktes. De kans op aanvaringen is derhalve verwaarloosbaar en een toename van aanvaringsslachtoffers is daarom uitgesloten.

7.6

Toetsing

7.6.1

Brabantse Wal

De werkzaamheden binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal leiden mogelijk tot verstoring van broedgebied wespendief, zwarte specht, boomleeuwerik en nachtzwaluw. Verstoring treedt alleen op gedurende de aanlegfase. Het gaat om een tijdelijk gevolg. Nagegaan is of de instandhoudingsdoelstellingen als gevolg van de verstoring in gevaar komen. Wespendief

Binnen de Brabantse Wal zijn tenminste acht territoria van wespendief aanwezig. De instandhoudingsdoelstelling van 13 broedpaar ligt hoger dan het huidige aantal territoria.

Zwarte specht

Binnen de Brabantse Wal zijn circa 41 (29 - 57) broedparen zwarte specht aanwezig. Het daadwerkelijke aantal ligt naar verwachting dichter bij de ondergrens dan bij de bovengrens. De instandhoudingsdoelstelling voor deze soort ligt op 40 broedparen. De doelstelling wordt waarschijnlijk niet gehaald.

Boomleeuwerik

Binnen de Brabantse Wal zijn uit het plangebied geen broedparen bekend van boomleeuwerik. Wel is bekend dat 26 tot 29 broedparen aanwezig zijn in twee van de belangrijkste broedgebieden van het Natura 2000-gebied. Hoewel het daadwerkelijke aantal broedparen in het gebied hoger zal zijn, is niet bekend of de instandhoudingsdoelstelling, van 100 broedparen, gehaald wordt.

Nachtzwaluw

Binnen de Brabantse Wal zijn ruim 80 territoria van nachtzwaluw aanwezig. Dit is evenveel als de instandhoudingsdoelstelling voor deze soort, namelijk 80 broedparen. Hoewel de soort nabij de hoogspanningsverbinding nauwelijks voorkomt, is mogelijk sprake van verstoring van een enkel broedpaar.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 55

Voor alle soorten geldt dat significant negatieve effecten bij werkzaamheden in het broedseizoen niet zijn uitgesloten. Het is daarom noodzakelijk om mitigerende maatregelen te nemen. Dit betekent dat de werkzaamheden die gepaard gaan met amoveren van de huidige verbinding in het Natura 2000gebied buiten het broedseizoen moeten worden uitgevoerd en dat er geen gebruik gemaakt moet worden van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst. Het resultaat van deze mitigerende maatregelen is dat effecten op kwalificerende broedvogels worden voorkómen. Hiermee zijn significant negatieve effecten uit te sluiten.

7.6.2

Biesbosch

Door de nieuwe verbinding kan het aantal draadslachtoffers voor verschillende soorten mogelijk toenemen. De nieuwe hoogspanningsverbinding kan leiden tot een afname van de omvang van de niet-broedvogelsoorten grote zilverreiger, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans en brandgans. Deinstandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Biesbosch worden grotendeels gehaald, met uitzondering van kolgans. Significant negatieve effecten zijn voor deze soort niet op voorhand uit te sluiten als gevolg van een toename van het aantal draadslachtoffers. Om het aantal slachtoffers te verlagen is het noodzakelijk om in het meest noordelijke deel van het tracé varkenskrullen in de bliksemdraad aan te brengen als mitigerende maatregel. Het Natura 2000-gebied Biesbosch heeft ook een instandhoudingsdoelstelling voor behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van meervleermuis. Het perspectief voor meervleermuis in de Biesbosch is goed, maar dit is wel afhankelijk van de aanwezigheid van trekroutes naar de foerageergebieden. Significant negatieve effecten als gevolg van verstoring zijn niet op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten zijn te voorkomen door ter plaatse van watergangen en in de actieve periode van de meervleermuis van maart tot en met november geen gebruik te maken van verlichting na zonsondergang en voor zonsopkomst.

Door deze mitigerende maatregelen worden significant negatieve effecten voorkomen.

7.7

Cumulatie

Bovenstaande gegevens leiden tot de conclusie dat het project Zuid-west 380 kV Oost niet tot significant negatieve effecten leidt mits mitigerende maatregelen worden genomen. De laatste stap in de Passende Beoordeling is de analyse of sprake is van cumulatie met andere projecten. • Het project van TenneT leidt tijdelijk tot een toename van verstoring. Dit kan cumuleren met andere projecten die ook leiden tot verstoring. Project F135 Vliegbasis Woensdrecht 6 leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de leefgebieden van soorten en heeft geen wezenlijk verstorend effect op soorten waarvoor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is aangewezen. Cumulatie op het gebied van verstoring is daarom niet aan de orde. • Omdat het project Zuid-west 380 kV Oost niet tot negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie leidt, zijn cumulatieve significante effecten als gevolg van stikstofdepositie met andere projecten uitgesloten. • Het project van TenneT leidt tot een toename van draadslachtoffers voor populaties van kwalificerende vogels. Dit kan cumuleren met andere projecten die ook leiden tot een toename van het aantal slachtoffers. Het Windpark A167 is relevant in relatie tot de Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’, ‘Boezems Kinderdijk’, ‘Krammer-Volkerak’, ‘Hollands Diep’ en kan incidenteel leiden MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 56

tot sterfte onder broedvogels en niet-broedvogels. Het totaaleffect van het project op de populaties van de broedvogels en niet-broedvogels langs de A16 is echter dusdanig klein dat het ook in cumulatie met de effecten van andere plannen of projecten in de omgeving niet de oorzaak kan zijn voor het optreden van significant verstorende effecten, inclusief sterfte. Cumulatie met het project Zuid-west 380 kV Oost is daarom niet aan de orde. De conclusie is daarom dat er geen sprake is van cumulatie met andere projecten.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 57

8.

Leemten in kennis en informatie

Ten behoeve van de effectbeschrijving is veel informatie verzameld. Desondanks kunnen bepaalde gegevens niet beschikbaar zijn of kan er een zekere mate van onzekerheid bestaan over het optreden van bepaalde ontwikkelingen in het studiegebied. In dat geval is er sprake van leemten in kennis en informatie.

8.1

Algemeen

Ten behoeve van de effectbeschrijving in het MER is er op hoofdlijnen getraceerd en zijn er geen exacte mastposities bepaald. Hiervoor zijn in het MER aannames gedaan. Bij de uitwerking van het Voorkeursalternatief is hier een verdere uitwerking aan gegeven. Voor elk milieuthema zijn de leemten in kennis en informatie onderzocht.

8.2

Leefomgevingskwaliteit

In het onderzoek is uitgegaan van een op modelmatige berekeningen gebaseerde breedte van de magneetveldzone van de bovengrondse verbinding. Gerekend is met de door het RIVM in de handreiking opgelegde rekenmethode.De methodiek schrijft voor dat er voor elke mast de specifieke geometrische eigenschappen worden gebruikt. Die eigenschappen zijn voor dit MER nog niet beschikbaar. Daarom zijn hier aannames voor gedaan. Er is een voorontwerp gemaakt voor een steunmast en een hoekmast. Deze hebben model gestaan voor alle steun- en hoekmasten in het tracé. Deze modellen zijn gebruikt voor de berekeningen volgens de rekenmethode van de handreiking waarmee de magneetveldzones zijn berekend. Er is geen onderzoek beschikbaar waarin een effect van magneetvelden van ondergrondse hoogspanningsverbindingen, opstijgpunten en hoogspanningsstations op de gezondheid van de mens is aangetoond. Effecten hiervan zijn daarom niet opgenomen in dit MER. De tijdelijke effecten op het gebied van geluid, trillingen en veiligheid die zich voordoen tijdens de aanleg van de nieuwe verbinding zijn niet exact te bepalen, omdat de routes voor het bouwverkeer niet bekend zijn. Wel is het aantal woningen bepaald dat in een zone van 250 meter aan weerszijden van de aan te leggen en in de te slopen verbinding staat.

Aan de hand hiervan is niet exact te bepalen hoeveel mensen hinder ervaren en welke hinder bewoners hiervan daadwerkelijk ervaren. De hinder wordt bovendien mede bepaald door eventuele afschermende bebouwing. Dit aantal geeft echter een goede indicatie van de tijdelijke hinder.

8.3

Landschap en cultuurhistorie en natuur

Er zijn geen specifieke leemten op het gebied van landschap en cultuurhistorie en op het gebied van natuur die een objectieve en volwaardige informatie van de tracé alternatieven en varianten in de weg staan. Er is hiervoor voldoende informatie beschikbaar.

8.4

Bodem en water MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 58

De precieze ligging, omvang en aard van de bodem- en grondwaterverontreinigingen moet ten behoeve van de realisatie van de verbinding nader onderzocht worden. De wijze en duur van de bemaling bij aanleg van de mastvoeten moet nader onderzocht worden ten behoeve van een bemalingsadvies. Hierin wordt ingegaan op de effecten van de bemaling op de omgeving, zoals zetting en mobiele grondwaterverontreinigingen. De effecten op aardkundige waarden zijn bepaald aan de hand van de begrenzing van aardkundig waardevolle gebieden. De exacte ligging van de aardkundige waarde binnen deze begrenzing is niet bekend. Ook buiten de aardkundig waardevolle gebieden kunnen aardkundige waarden als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding worden verstoord. Deze informatie is niet bekend.

8.5

Archeologie

In het MER is uitgegaan van de bekende archeologische verwachtingen en waarden. Mogelijk zijn meer archeologische waardevolle objecten aanwezig. Het is nog onbekend hoe de ondergrondse verbindingen exact worden aangelegd: door een open ontgraving of gestuurde boring. Deze leiden tot verschillende mate van verstoring op archeologische resten. Er is uitgegaan van een open ontgraving voor alle ondergrondse verbinden. Dit geeft dus de meest negatieve effecten weer.

8.6

Conclusie

Er zijn in het MER geen leemten in kennis of informatie naar voren gekomen die een objectieve en volwaardige vergelijking van de tracéalternatieven in de weg staan. Er is voldoende milieu-informatie beschikbaar om het milieu volwaardig mee te laten wegen bij de besluitvorming over het tracé van de nieuwe hoogspanningsverbinding.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 59

9.

Monitoring en evaluatie

In dit MER zijn veel effecten van het Voorkeursalternatief beschreven. Eén van deze effecten betreft het aantal draadslachtoffers. Dit betreft de vogels die tegen de verbinding aan kunnen vliegen waardoor zij overlijden. In het MER is op basis van berekeningen een voorspelling opgenomen van het aantal draadslachtoffers per vogelsoort. Om meer kennis op te doen van de werkwijze waarmee dit aantal wordt voorspeld, wordt op basis van waarnemingen gedurende 5 jaren het feitelijke aantal draadslachtoffers per vogelsoort in beeld gebracht.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 60

10.

Procedure en besluitvorming

10.1

Besluitvormingsprocedure

Een hoogspanningsverbinding kan niet zomaar aangelegd worden, hierover vindt zorgvuldige, stapsgewijze besluitvorming plaats. De ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) bepalen waar de nieuwe verbinding komt te liggen en hoe deze eruit komt te zien. De ministers leggen hun keuze vast in een Rijksinpassingsplan. Dit plan bevat een kaart waarop de ligging van de nieuwe verbinding is aangegeven en de regels en (kwaliteits-) eisen die van toepassing zijn op het project. In het Rijksinpassingsplan is ook een motivatie opgenomen voor het tracé van de verbinding en een toelichting op de uitvoering van het plan. Naast het Rijksinpassingsplan zijn er ook vergunningen nodig voor het realiseren van de hoogspanningsverbinding. Dit zijn o.a. omgevingsvergunningen voor het bouwen van de hoogspanningsmasten, watervergunningen voor het uitvoeren van bouwputbemalingen, vergunningen in het kader van de Wet Beheer Rijkswateren voor het kruisen van rijkswegen en vergunningen op grond van de Wet Natuurbescherming. Deze laatste geeft toestemming voor het verstoren van aanwezige beschermde flora en fauna inclusief draadslachtoffers en voor het verstoren van beschermde natuurgebieden inclusief stikstofdepositie.

Omdat de aanleg van een nieuwe hoogspanningsverbinding een project van nationaal belang is, is de Rijkscoördinatieregeling van toepassing. Deze regeling kent twee modules, een ruimtelijke module en een uitvoeringsmodule. De ruimtelijke module omvat het Rijksinpassingsplan (RIP). De uitvoeringsmodule bevat de benodigde vergunningbesluiten. Op basis van deze regeling worden de termijnen waarbinnen de verschillende besluiten worden genomen op elkaar afgestemd, waardoor de besluitvorming efficiënter en sneller plaats vindt. De minister van Economische Zaken en Klimaat is voor dit project aangewezen als projectminister. Het Rijksinpassingsplan is een besluit over de aanleg van een bovengrondse hoogspanningsverbinding in Nederland met een spanning van meer dan 220kV én een lengte van meer dan 15 km. Daarom is het verplicht een m.e.r.-procedure te doorlopen en een MER op te stellen. Dit volgt uit bijlage C, categorie 24 van het Besluit milieueffectrapportage. Hierdoor kan het milieubelang volwaardig meegewogen worden in de besluitvorming. TenneT heeft onderzoek laten uitvoeren naar de milieueffecten van (alternatieven en varianten voor) de nieuwe verbinding en het MER opgesteld.

10.2

Inspraak en advies

Het Ontwerp-Rijksinpassingsplan, het MER en de Passende Beoordeling liggen van dd-mm 2021 tot en met dd-mm 2021 ter visie. In deze periode kan een ieder een reactie geven op het ontwerpRijksinpassingsplan. Ook kan een ieder reageren op het MER en aan geven of het MER voldoende en juiste milieu-informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in de besluitvorming over ZW380 Oost.

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 61

Zienswijzen kunnen digitaal ingediend worden via www.bureau-energieprojecten.nl onder vermelding van 'Zuid-West 380 kV Oost'. Het is ook mogelijk per post te reageren naar: Rijksdienst voor Ondernemend Nederland O.v.v. Zuid-West 380 kV Oost Postbus 93144 2509 AC Den Haag Daarnaast vraagt de minister van Economische Zaken en Klimaat de Commissie voor de milieueffectrapportage om een toetsingsadvies. De Commissie heeft in 2017 al een tussenadvies gegeven over het concept MER. Nu vraagt de minister aan de Commissie om te beoordelen of het definitieve MER voldoende milieu-informatie bevat om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen in de besluitvorming. De Commissie verwoordt zijn bevindingen in een toetsingsadvies.

10.3

Definitieve besluitvorming

Na de periode van inspraak en advies wordt het Ontwerp-Rijksinpassingsplan definitief vastgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de ontvangen inspraakreacties en adviezen. Het definitieve besluit wordt opnieuw gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze termijn kunnen belanghebbenden eventueel beroep tegen het definitieve besluit instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State doet na het einde van de beroepstermijn uitspraak over de ontvangen beroepen. Mogelijk leidt dit tot aanpassing van het Rijksinpassingsplan. Daarna is het Rijksinpassingsplan onherroepelijk geworden.

10.4

Aan- en uitkoop van gevoelige bestemmingen

Met de publicatie van het ontwerp Inpassingsplan en het MER is het formele besluitvormingsproces over de nieuwe verbinding gestart. Wanneer het plan onherroepelijk is kan gebruik gemaakt worden van de uitkoopregeling. Op basis van ervaringen met de besluitvorming over andere projecten van TenneT is de verwachting dat het 2 tot 3 jaar duurt voordat het Inpassingsplan onherroepelijk is. Om mensen sneller meer handelingsperspectief te geven, biedt TenneT - op basis van het voorzorgbeleid - direct na de publicatie van het ontwerp Inpassingsplan de mogelijkheid particuliere woningen vroegtijdig aan te kopen tegen een courante marktwaarde. Bij deze aankoop wordt niet voorzien in volledige schadeloosstelling zoals bij uitkoop het geval is. Als de betrokkenen wachten tot het inpassingsplan onherroepelijk is, dan komen zij in aanmerking voor de uitkoopregeling inclusief volledige schadeloosstelling. Hierbij worden planschade en verhuiskosten vergoed. Bewoners die er voor kiezen om niet te verhuizen krijgen een volledige vergoeding voor de waardevermindering van hun woning. Voor (agrarische) dienstwoningen zoekt TenneT in overleg met betrokkenen andere oplossingen dan voor particuliere woningen. Er wordt bezien of de woning verplaatst kan worden naar buiten de magneetveldzone, terwijl de bedrijfsactiviteiten op de bestaande locatie worden voortgezet.

Als dit niet mogelijk is, wordt gekeken naar andere oplossingen. Het betreft in alle gevallen maatwerk dat op kosten van TenneT wordt uitgevoerd. MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 62

10.5

Vervolg

Na het ruimtelijke besluit over het project zijn er uitvoeringsvergunningen voor het project nodig. Dit zijn onder andere vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming, omgevingsvergunningen, watervergunningen en vergunningen in het kader van de Wet Beheer Rijkswateren. Deze vergunningen maken deel uit van de uitvoeringsmodule van de Rijkscoördinatieregeling. Naast deze vergunningen zijn voor de realisatie van het project ook nog andere vergunningen, meldingen en toestemmingen vereist. Dit zijn toestemmingen die betrekking hebben op de uitvoeringsmethodiek, b.v. een ontheffing voor het veroorzaken van geluidsoverlast. Deze laatste categorie van toestemmingen wordt buiten de Rijkscoördinatieregeling door de aannemer aangevraagd die de werkzaamheden gaat uitvoeren. Ter voorbereiding op de realisatie van het project en de vervolgbesluiten wordt gewerkt aan het bepalen van de locatie van de masten en opstijgpunten en de werkwegen en werkterreinen. In het kader daarvan vinden hierover gesprekken plaats met de grondeigenaren/rechthebbenden.

10.6

Nadere informatie

In het kader van het project zijn door en voor TenneT veel rapporten opgesteld. Er zijn Projectboeken gepubliceerd en er zijn verslagen gemaakt van ontwerpateliers met betrokkenen. Door de Samenwerkende Overheden zijn adviezen uitgebracht aan de minister van EZK en door de minister van EZK zijn diverse besluiten genomen. Hierover zijn regelmatig nieuwsberichten gepubliceerd. Deze informatie is te vinden op de website van het project Zuid-West 380 kV Oost: https://www.zuidwest380kv.nl/oost/ In het MER is het tracé van de nieuwe verbinding beschreven. De exacte ligging van het tracé kan nog op zeer beperkte mate wijzigen doordat met grondeigenaren afspraken gemaakt worden over de posities van de masten. De actuele ligging van het tracé is te vinden in Projectatlas, die is te vinden via de volgende link: https://tennet.projectatlas.zuid-west-380kv-oost. Over de andere onderdelen van de verbinding tussen Borssele en Tilburg is ook te vinden websites: •

Informatie over de verbinding tussen Borssele en Rilland is te vinden op https://www.zuidwest380kv.nl/west

•

Informatie over het hoogspanningsstation Rilland is te vinden op https://www.zuidwest380kv.nl/west/uitvoering/hoogspanningsstation-rilland

Informatie over het hoogspanningsstation Tilburg is te vinden op https://www.zuidwest380kv.nl/oost/waar/hoogspanningsstation-tilburg Het MER Zuid-West 380 kV Oost beschrijft de effecten van de nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg. Het volledige MER omvat naast voorliggend Deel A ook de delen B en C en een Samenvatting. Ten behoeve hiervan zijn ook diverse achtergronddocumenten opgesteld. De Passende Beoordeling beschrijft de effecten van de nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg op nabij gelegen Natura 2000 gebieden. Het volledige MER, de Achtergronddocumenten, de

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 63

Passende Beoordeling en het Rijksinpassingsplan zijn te vinden op de website van het Bureau Energieprojecten: https://www.rvo.nl/onderwerpen/bureau-energieprojecten

MER Zuid-West 380 kV Oost, Deel A, p 64

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=c3195e93-a681-4425-852e-e2144545167d