inpassingsplan Zuid-West 380 kV Oost concept
Tekst van het document
TenneT heeft Bureau Waardenburg onderzoek laten uitvoeren naar de aanwezige stuifduinen (Ecologische en cultuurhistorische waarden stuifduinen Kraanven d.d. 10 februari 2021, kenmerk: 20336). Er is begin 2021 door TenneT een (oostelijk gelegen) tracé uitgewerkt dat de stuifduinen ontziet en dat daarnaast een zo evenredig mogelijke invulling geeft aan de verschillende belangen aan de oostzijde van de Bosroute. Mede op basis van de rapportage van Bureau Waardenburg, gesprekken met bewoners en overige stakeholders, en een voor alle varianten opgestelde effectbeschrijving (8 februari 2021, kenmerk 0900025) is het tracé dat in september 2019 door de minister van EZK gekozen is, gewijzigd. De minister heeft gekozen voor het begin 2021 uitgewerkte oostelijk gelegen tracé. Dit gewijzigde/geoptimaliseerde tracé is opgenomen in dit Inpassingsplan. 3.11.5 Borchwerf Begin 2020 heeft een aantal bewoners een verzoek gedaan om het tracé nabij bedrijventerrein Borchwerf (in de gemeenten Roosendaal en Halderberge) te heroverwegen. Ter ondersteuning van dit verzoek is een voorstel gedaan om het tracé aan de oostzijde van de A17 te realiseren.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
26
TenneT heeft de effecten van het voorstel onderzocht en vergeleken met de effecten van het Voorkeurstracé 2020. De Samenwerkende Overheden hebben een advies uitgebracht over het ingediende voorstel. De minister heeft op basis van de effectbeschrijving en het advies van de Samenwerkende Overheden geconcludeerd dat er onvoldoende reden is om het in september 2019 gekozen tracé aan te passen. Het Voorkeurstracé 2020 wordt daarmee voor het tracégedeelte bij Borchwerf gehandhaafd. 3.11.6 Natuur en landschap In het kader van het vooroverleg kunnen de vooroverlegpartners reageren op het voorontwerp inpassingsplan voor ZWO 380. Naast een aantal onderzoeken m.b.t. milieu- en omgevingsaspecten vormt het landschapsplan onderdeel van het voorontwerp inpassingsplan. Het betreft nog geen voldragen landschapsplan, maar een formulering van de opgave voor natuur en landschap, inclusief een eerste aanzet tot een inrichtingsvoorstel voor de verschillende gebieden. Dit conceptlandschapsplan is het vertrekpunt voor het proces van een breedgedragen landschappelijke inpassing voor de nieuwe hoogspanningsverbinding. Samen met de verschillende partijen (zoals provincie Noord-Brabant, gemeenten en de terreinbeheerders) wil TenneT komen tot een gedragen landschaps- en natuurcompensatieplan waarin de aspecten natuur (en o.a. natuurcompensatie), water en landschap expliciet worden meegenomen.
Het uiteindelijke landschaps- en natuurcompensatieplan wordt toegevoegd aan het ontwerp inpassingsplan voor ZWO 380 dat in procedure wordt gebracht. 3.11.7 VKA 2020 De hiervoor beschreven van de optimalisaties zijn de aanloop naar een VKA 2020. Het VKA 2020 is een bijgewerkte en geactualiseerde versie van het VVKA 2017. De beschrijving van dit VKA is opgenomen in Hoofdstuk 4.
Figuur 3.4. VKA 2020 (Bron: TenneT)
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
27
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
28
Hoofdstuk 4
4.1
Toelichting op tracé
Inleiding
In dit hoofdstuk is het tracédeel ZW380 Oost beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde: de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding, al dan niet gecombineerd met de bestaande 380 kV en 150 kV-hoogspanningsverbindingen; de aansluiting van de 150 kV-hoogspanningsverbindingen op de 150 kV-stations; de aanpassing van bestaande 150 kV stations; het masttype; tijdelijke verbindingen; het ruimtebeslag van de werkzaamheden en het beheer en onderhoud van de verbinding. In dit hoofdstuk wordt het tracé onderbouwd en beschreven. Een beschrijving van de totstandkoming van het tracé is opgenomen in Hoofdstuk 3. De effecten van het tracé op de omgeving is opgenomen in Hoofdstuk 6. Een gedetailleerde beschrijving van het tracé is opgenomen in de projectatlas van Zuid-West 380 kV oost.
4.2
Traceringsprincipes
Bij de ontwikkeling van een nieuw hoogspanningstracé worden de traceringsprincipes vanuit SEV III en het beleid van TenneT toegepast. Voor dit tracé betekent dit het volgende: 1. De nieuwe verbinding combineert waar mogelijk en zinvol met een bestaande 150 kV-verbinding. Dat wil zeggen dat de nieuwe verbinding samen met de bestaande verbinding in één nieuwe mast wordt gehangen. De bestaande 150 kV-verbinding wordt na realisatie van de nieuwe verbinding verwijderd. Hierbij zijn een tweetal mogelijkheden: a. De nieuwe verbinding volgt het tracé van de verbinding waarmee wordt gecombineerd. In dat geval wordt de nieuwe verbinding gebouwd naast een bestaande verbinding die vervolgens wordt verwijderd. In een enkel geval gaat een alternatief deels uit van het volgende: eerst wordt een bestaande verbinding weggehaald en vervolgens wordt in de vrijgekomen ruimte een nieuwe gecombineerde verbinding gebouwd. b. De nieuwe gecombineerde verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met een bestaande verbinding en/of bovenregionale infrastructuur, zie onder 2 en 3. 2. De nieuwe verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met een bestaande verbinding (een 380 kVverbinding of 150 kV-verbinding). De bestaande verbinding blijft hierbij staan. De nieuwe (gecombineerde) verbinding wordt gebouwd naast een bestaande hoogspanningsverbinding die blijft staan.
In dat geval wordt de nieuwe verbinding naast en parallel aan de bestaande verbinding gebouwd. Waar mogelijk worden de masten van de nieuwe verbinding 'in de pas' geplaatst, dat wil zeggen naast de masten van de bestaande verbinding. De veldlengte van de nieuwe verbinding is dan nagenoeg gelijk aan die van de bestaande verbinding. Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
29
3.
4.3
De nieuwe verbinding bundelt waar mogelijk en zinvol met bovenregionale infrastructuur. De nieuwe (gecombineerde) verbinding wordt hierbij bijvoorbeeld parallel aan een snelweg gebouwd.
Tracébeschrijving
Voor de beschrijving van het tracé van Zuid Oost 380 kV Oost is het tracé opgedeeld in vier tracédelen, net als in de projectatlas. De delen zijn Rilland – Roosendaal, Roosendaal – Moerdijk, Moerdijk – Geertruidenberg en Geertruidenberg – Tilburg. In deze paragraaf wordt het VKA per tracédeel nader toegelicht. Een visualisatie en kaart van het tracé is tevens opgenomen in de projectatlas, in deze projectatlas is via een digitale kaart een gedetailleerde weergave van de verschillende elementen van het tracé terug te vinden: https://ten.projectatlas.app/zuid-west-380 kVoost/visualisatie?map=51.572561,4.649259,9.61,0,0 4.3.1 Rilland – Roosendaal Hier loopt het tracé van 380 kV-hoogspanningsstation Rilland tot Roosendaal. In dit deel van het tracé combineert de nieuwe verbinding zo veel als mogelijk en zinvol met de bestaande 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf - Woensdrecht en het tracé van de bestaande te verwijderen 150 kV-verbinding. Het startpunt van het tracé is het 380 kV-hoogspanningsstation Rilland. Vanaf dit hoogspanningsstation loopt het tracé naar het oosten. Het tracé kruist het Schelde-Rijnkanaal en westelijk Spuikanaal en loopt als solo 380 kV-verbinding bovengronds tot het knooppunt Markiezaat.
Vanaf het knooppunt Markiezaat wordt een gedeelte van het tracé tussen Rilland en Roosendaal ondergronds aangelegd met een kabelverbinding in de buisleidingenstraat en passeert op deze manier het natuurgebied Brabantse Wal. De nieuwe 380 kV-verbinding kruist in de gemeente Reimerswaal twee maal de huidige 150 kVverbinding Riland-Woensdrecht. Om de 150 kV-verbinding in bedrijf te houden, wordt deze eerst als een ondergrondse 150 kV-kabelverbinding tussen 150 kV-station Rilland en 150 kV-station Woensdrecht aangelegd. Na deze verkabeling wordt de bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding tussen Rilland en Woensdrecht afgebroken. Daardoor ontstaat ruimte om de nieuwe 380 kV-verbinding op dit tracégedeelte te bouwen. Ten oosten van Bergen op Zoom komt de verbinding nabij het buurtschap Zoomvliet weer bovengronds te liggen. Vanaf dit punt loopt het tracé bovengronds in noordoostelijke richting als een gecombineerde 380/150 kV-verbinding richting Roosendaal. Tussen het 150 kV-station Woensdrecht en het punt waar de 380 kV-verbinding boven komt, ligt de 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht naast de ondergrondse 380 kV-kabelverbinding in de buisleidingenstraat. Vanaf buurtschap Zoomvliet volgt het tracé volgt de bestaande 150 kV-verbinding en de buisleidingenstraat aan de noordzijde. Ten zuiden van Wouw kruist het tracé de A58 bij de afrit Wouwse Plantage..
Vanaf deze kruising loopt de gecombineerde verbinding aan de westzijde van de buisleidingenstraat tot aan Roosendaal. Nabij 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf takt de 150 kV-verbinding af uit de gecombineerde verbinding om aan te sluiten op dit 150 kV-station. De bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding tussen het 150 kV-station Woensdrecht en het 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf wordt afgebroken.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
30
Figuur 4.1 Tracé Rilland - Roosendaal 4.3.2 Roosendaal – Moerdijk In dit tracédeel combineert het tracé zo veel als mogelijk en zinvol met de bestaande 150 kV-verbinding Roosendaal – Moerdijk en Geertruidenberg - Moerdijk. Tussen Oud Gastel en Geertruidenberg bundelt het tracé met de bestaande 380 kV-verbinding Rilland – Geertruidenberg. Het tracé volgt in dit deelgebied het MER-alternatief Paars deelgebied 2, variant Westzijde A17 en Paars deelgebied 3, variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe – Bosroute. Bij 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf knikt het tracé naar het oosten. Het tracé kruist de buisleidingenstraat en het kanaal Nieuwe Roosendaalsche Vliet. Vanaf de kruising met het kanaal ligt het tracé tot aan Standdaarbuiten gebundeld met A17 (aan de westzijde van de snelweg). Tussen 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf tot Oud Gastel gaat het om een solo 380 kV-verbinding. Bij bedrijventerrein Borchwerf kruist de nieuwe 380 kV-verbinding het noordoostelijk gedeelte van de 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht. Vanwege deze kruising wordt de bestaande 150 kV-verbinding tussen station Roosendaal/Borchwerf en de eerste mast aan de oostzijde van de A17 verkabeld. Nabij de Slotstraat te Oud Gastel wordt een (ondergrondse) verbinding gemaakt met de bestaande 150 kV-verbinding Moerdijk-Roosendaal.
Vanaf de Slotstraat te Oud Gastel naar het noorden toe gaat het tracé verder als gecombineerde 380/150 kV-verbinding. De bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding tussen het 150 kV-station Moerdijk en het 150 kV-station Roosendaal wordt afgebroken tussen het 150 kV-station Roosendaal en de Slotstraat. Tussen Oud Gastel en Standdaarbuiten staat de 380 kV-hoogspanningsverbinding GeertruidenbergRilland gebundeld met de A17. Deze bestaande 380 kV-verbinding wordt tussen de Pietseweg te Oud Gastel en Sluissedijk te Standdaarbuiten verplaatst om ruimte te maken voor de nieuwe 380 kVverbinding. De 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Rilland komt na de verplaatsing aan de westzijde van de buisleidingenstraat. De nieuwe 380 kV-verbinding Rilland-Tilburg komt tussen de Pietseweg en de Sluissedijk op (nagenoeg) dezelfde locatie als de te verplaatsen 380 kV-verbinding. Bij Standdaarbuiten knikt het tracé mee met de bocht van de A17 in noordoostelijke richting naar Moerdijk. Het tracé komt tussen de bestaande 380 kV-
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
31
verbinding Geertruidenberg-Rilland en de A17. Ten westen van Zevenbergen kruist het tracé de A17 en loopt vervolgens ten zuiden van de bestaande 380 kV-verbinding verder in oostelijke richting.
Figuur 4.2 Roosendaal - Moerdijk 4.3.3 Moerdijk – Geertruidenberg In dit tracédeel combineert het tracé zo veel als mogelijk en zinvol met de bestaande 150 kV-verbinding – Geertruidenberg - Moerdijk. Vanaf Oud Gastel bundelt het tracé met de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg - Rilland tussen Roosendaal en Geertruidenberg. Het tracé volgt in dit deelgebied het MER-alternatief Paars deelgebied 3, variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe – Bosroute. Ten westen van Zevenbergen kruist het tracé de A17. Het tracé loopt in dit gebied parallel aan de zuidzijde van de bestaande 380 kV-verbinding. Ter hoogte van 150 kV-station Moerdijk zijn twee opstijgpunten in de nieuwe verbinding voorzien om de 150 kV-verbindingen vanuit Roosendaal en vanuit Geertruidenberg met een ondergrondse kabel te kunnen verbinding met dit 150 kV-station. Tussen de twee opstijgpunten is het tracé een solo 380 kV-verbinding. De bestaande 150 kVverbindingen richting Roosendaal en richting Geertruidenberg worden afgebroken. Na de kruising met de A16/A59, het spoor Breda - Dordrecht en de HSL blijft de verbinding parallel lopen aan de bestaande 380 kV-verbinding. Bij de kruising met de A16/A59 wordt via een ondergrondse 150 kV-kabelverbinding een aansluiting gemaakt op het 150 kV-station Zevenbergschen Hoek.
Ten oosten van de A16/A59 en het spoor Breda – Dordrecht volgt de nieuwe 380 kV-verbinding de knik in de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Rilland in oostelijke richting. Bij Hooge Zwaluwe vindt een verplaatsing van de huidige 380 kV-verbinding plaats, zodat er aan de noordzijde van Hooge Zwaluwe ruimte is om de nieuwe 380 kV-verbinding te realiseren. Ten oosten van Hooge Zwaluwe loopt de nieuwe 380 kV-verbinding parallel verder aan de zuidzijde van de bestaande 380 kV-verbinding tot aan Geertruidenberg. Bij Geertruidenberg kruist de nieuwe 380 kV-verbinding de Amertak en loopt ten zuiden van het 150 kV-station Geertruidenberg en kruist vervolgens de Donge / het Noordergat.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
32
Tussen de Amertak en de Donge is de nieuwe verbinding een solo 380 kV-verbinding. Tussen de westzijde van de Amertak en het 150 kV-station Geertruidenberg wordt via een ondergrondse 150 kVkabelverbinding een aansluiting gemaakt voor de 150 kV-verbinding Geertruidenberg - Moerdijk. Tussen 150 kV-station Geertruidenberg en de zuidzijde van de Donge / het Noordergat wordt via een ondergrondse kabelverbinding een aansluiting gemaakt voor de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west. De bestaande bovengrondse 150 kV-verbindingen Geertruidenberg – Moerdijk en Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west worden afgebroken. Nabij 150 kV-station Geertruidenberg kruist de nieuwe 380 kV-verbinding de bestaande 150 kVverbinding Geertruidenberg – Breda. Om de nieuwe 380 kV-verbinding te kunnen realiseren, moet de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Breda tussen 150 kV-station Geertruidenberg en de eerste mast ten zuidwesten van het station verkabeld worden.
Figuur 4.3 Moerdijk - Geertruidenberg 4.3.4 Geertruidenberg – Tilburg In dit tracédeel combineert het tracé zo veel als mogelijk en zinvol met de bestaande 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-West. Vanaf Geertruidenberg bundelt het tracé aan de westzijde met de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg - Eindhoven tussen Geertruidenberg en Tilburg. Het tracé volgt in dit deelgebied het MER-alternatief Paars deelgebied 3, variant Biesbosch/Hooge Zwaluwe – Bosroute. Tussen Geertruidenberg en Tilburg is voor de gehele lengte van het tracé gekozen voor een bundeling met de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg - Eindhoven. De nieuwe verbinding ligt aan de west- en zuidzijde van deze bestaande verbinding. Vanaf Geertruidenberg loopt het tracé, vanaf de zuidzijde van de Donge / het Noordergat als gecombineerde 380/150 kV-verbinding, in zuidoostelijke richting Oosterhout. Ter plaatse van het Kromgat knikt het tracé oostwaarts, parallel aan de bestaande 380 kV-verbinding tot voorbij de dorpen Oosteind en 's Gravenmoer. Ter hoogte van de Kijldijk te Oosteind zijn twee opstijgpunten in de nieuwe verbinding voorzien om de 150 kV-verbindingen vanuit Geertruidenberg naar Oosteind en vanuit Oosteind naar Tilburg-west met een ondergrondse kabel te kunnen verbinding met 150 kV-station Oosteind. Tussen de twee opstijgpunten is het tracé een solo 380 kV-verbinding.
De bestaande bovengrondse 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west wordt afgebroken.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
33
Vanaf de noordoostzijde van 's-Gravenmoer loopt het tracé naar het zuidoosten richting Dongen en De Moer. Ten noorden van De Moer wordt de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg-Eindhoven over een lengte van ongeveer 7,5 kilometer naar het oosten verplaatst en is de nieuwe verbinding met deze verplaatste verbinding gebundeld. Dit wordt de Bosroute genoemd. De verbinding sluit aan op het nieuw te bouwen 380 kV-station Tilburg, het eindpunt van het tracé. Tussen de voorlaatste mast voor het 380 kV-station Tilburg wordt een aansluiting gemaakt voor de ondergrondse 150 kV-verbinding tussen deze mast en 150 kV-station Tilburg-west. Daarbij wordt bij deze ondergrondse 150 kVverbinding ook een 150 kV-verbinding aangelegd tussen 150 kV-station Tilburg-west en 380 kV-station Tilburg. De bestaande 380 kV-verbinding aan de west- en zuidzijde van De Moer wordt afgebroken.
Figuur 4.4 Tracé Geertruidenberg - Tilburg
4.4
Aansluiting 150 kV-stations
Het tracé loopt van het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland naar het 380 kV-hoogspanningsstation bij Tilburg. Langs het tracé zijn verschillende 150 kV-stations gelegen die ook worden aangesloten op het tracé. Op de meeste stations zijn binnen het hekwerk van deze stations ook aanpassingen nodig voor de aansluiting van de nieuwe verbinding. De bestaande 150 kV-verbindingen komen nu als bovengrondse verbindingen aan bij de 150 kV-stations. Binnen het hekwerk van de stations worden aanpassingen gemaakt om de 150 kV-verbindingen als ondergrondse kabelverbindingen aan te laten komen. Voor het grootste deel passen aanpassingen binnen het hekwerk van de bestaande stations en daarmee ook binnen de geldende bestemmingsplannen. Bij 150 kV station Oosteind en 150 kV station Zevenbergschen Hoek is een aanpassing nodig die niet past binnen de bestaande grenzen van het station. Het gaat hierbij om de volgende aanpassingen: Bij 150 kV-station Zevenbergschen Hoek wordt het station aan de zuidzijde over de breedte van het station circa 20 meter uitgebreid (figuur 4.5). Bij 150 kV-station Oosteind is een uitbreiding / nieuwbouw van het station nodig. Deze nieuwbouw is voorzien aan de zuidwestzijde van het bestaande station. De uitbreiding is ca. 164 meter lang en 90 meter breed (figuur 4.6).
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
34
Figuur 4.5. Uitbreiding Zevenbergschen Hoek
Figuur 4.6 Uitbreiding Oosteind
4.5
150 kV opstijgpunten en ondergrondse 150 kV-verbindingen
Naast de aanpassingen aan de 150 kV station zullen ook nieuwe aansluitingen worden aangelegd naar de nieuwe stations. Bestaande 150 kV-verbindingen tussen Rilland en Tilburg worden zoveel als mogelijk gecombineerd met de nieuwe 380 kV-verbindingen. In zijn algemeenheid geldt dat op een groot gedeelte van het tracé er sprake is van een gecombineerde 380 kV/150 kV-verbinding. Nabij 150 kV-stations zal er een verbinding
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
35
tot stand gebracht moeten worden van de gecombineerde 380 kV/150 kV-verbinding naar deze 150 kVstations. Meer specifiek geldt voor de 150 kV-verbindingen het volgende. 1. Tussen het 150 kV-station Rilland en 150 kV-station Woensdrecht wordt de bestaande 150 kVverbinding Woensdrecht –Rilland volledig verkabeld. Het 150 kV-kabeltracé kruist allereerst het Schelde Rijnkanaal en het Spuikanaal. Ten oosten van het Schelde Rijnkanaal kruist het tracé de A58 in noordelijke richting. Aan de noordzijde van de A58 komt de 150 kV-kabel in de buisleidingenstraat. Vanaf de noordzijde van het knooppunt Markiezaat ligt de 150 kV-kabel naast de 380 kV-kabel in de buisleidingenstraat. Ten westen van 150 kV-station Woensdrecht knikt het 150 kV-kabeltracé uit de buisleidingenstraat om de aansluiting met 150 kV-station Woensdrecht te maken. 2. Tussen 150 kV-station Woensdrecht en het gecombineerde 380/150 kV-opstijgpunt nabij buurtschap Zoomvliet wordt de bestaande 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht verkabeld. Het 150 kV-kabeltracé gaat vanaf de noordzijde van het 150 kV-station Woensdrecht in noordelijke richting naar de buisleidingenstraat. In de buisleidingenstraat ligt de 150 kV-kabel naast de 380 kV-kabel richting het gecombineerde 380/150 kV-opstijgpunt nabij Zoomvliet. 3.
Tussen een 150 kV-opstijgpunt nabij de Noordstraat te Roosendaal en de mast ten westen van 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf wordt de 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. De mast ten westen van het 150 kVstation wordt daarbij omgebouwd tot 150 kV-opstijgpunt. 4. Tussen de mast ten westen van 150 kV-station Roosendaal/Borchwerf en de eerste mast aan de oostzijde van de A17 wordt de 150 kV-verbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. De kabel wordt voornamelijk nabij de nieuwe 380 kV-verbinding aan de westzijde van de A17 aangelegd. De mast ten westen van het 150 kV-station wordt daarbij omgebouwd tot 150 kV-opstijgpunt. 5. Tussen een bestaande 150 kV-mast nabij Kromstraatje te Oud Gastel en een 150 kV-opstijgpunt nabij de Slotstraat te Oud Gastel wordt de 150 kV-verbinding Moerdijk – Roosendaal als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. De bestaande mast nabij Kromstraatje wordt daarbij omgebouwd tot 150 kV-opstijgpunt. 6. Tussen 2 150 kV-opstijgpunten (nabij de Dikkendijk te Zevenbergen) ten zuiden van het 150 kVstation Moerdijk en dit 150 kV-station worden de 150 kV-verbindingen Moerdijk – Roosendaal en Geertruidenberg – Moerdijk als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. 7.
Tussen een 150 kV-opstijgpunt ten westen van de A16 en 150 kV-station Zevenbergschen Hoek wordt dit 150 kV-station met een ondergrondse 150 kV-kabel aangesloten. 8. Tussen een 150 kV-opstijgpunt nabij de Bergsepolder te Drimmelen (ten westen van de Amertak) en het 150 kV-station Geertruidenberg wordt de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Moerdijk als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. 9. Tussen het 150 kV-station Geertruidenberg en de eerste mast ten zuidwesten van dit station wordt de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Breda als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. De bestaande mast wordt daartoe omgebouwd tot 150 kV-opstijgpunt. 10. Tussen het 150 kV-station Geertruidenberg en een 150 kV-opstijgpunt ten noorden van de Kloosterstraat te Geertruidenberg (ten zuiden van de Donge / het Noordergat) wordt de 150 kVverbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. 11. Tussen 2 150 kV-opstijgpunten nabij de Kijldijk te Oosteind en het 150 kV-station Oosteind wordt de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west door 2 ondergrondse 150 kVkabelverbindingen aangelegd. Één kabelverbinding is bedoeld om de 150 kV-verbinding tussen 150 kV-station Geertruidenberg en 150 kV-station Oosteind in stand te houden.
Één kabelverbinding is bedoeld om de 150 kV-kabelverbinding tussen 150 kV-station Oosteind en 150 kV-station Tilburgwest in stand te houden.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
36
12. Tussen het 150 kV-opstijgpunt nabij 380 kV-station Tilburg – ten westen van het Spinderspad en het 150 kV-station Tilburg-west wordt de 150 kV-verbinding Geertruidenberg – Oosteind – Tilburg-west als ondergrondse 150 kV-kabel aangelegd. 13. Tussen het 150 kV-station Tilburg-west en het 380 kV-station Tilburg wordt een ondergrondse 150 kV-kabelverbinding aangelegd.
4.6
Masttype
De verbinding wordt in beginsel bovengronds uitgevoerd met vakwerkmasten. Voor de verbinding tussen Rilland en Tilburg is een specifiek ontwerp voor de masten gemaakt, de zogeheten Moldaumasten. Er zijn zowel trekmasten als steunmasten ontworpen: de trekmasten staan op de knikken van het tracé, de steunmasten staan op de rechte delen van het tracé. Het grootste deel van de verbinding wordt als een gecombineerde verbinding uitgevoerd. Aan deze masten worden aan elke arm drie bundels van 380 kV-geleiders en 150 kV-geleiders gehangen. In de top van de mast wordt een bliksemdraad aangebracht. De masten zijn in principe 57 m hoog. Indien nodig wordt de mast hoger uitgevoerd, zodat bijvoorbeeld waterwegen op grotere hoogte kunnen worden gekruist. In de buurt van een vliegbasis worden juist lagere masten toegepast. De oppervlakte van de steunmasten is circa 144 m2, de oppervlakte van de trekmasten is circa 225 m2.
Positie van de draden in de mast Afgebeeld in figuur 4.5 is de combi steun Moldaumast. Dit is een steunmast waarin de 380 kVverbinding en de 150 kV-verbinding gecombineerd zijn: Een hoogspanningsverbinding wordt standaard als dubbele verbinding uitgevoerd. Een verbinding heeft dan twee circuits. Aan beide zijden van een hoogspanningsmast hangt (normaalgezien) één circuit. Bij de combi steun Moldaumast worden zowel de 380 kV-verbinding als de 150 kV-verbinding gecombineerd in één mast. In dat geval hangt er één circuit van de 380 kV-verbinding en één circuit van de 150 kV-verbinding aan de ene zijde van de mast. Het andere circuit van de 380 kV-verbinding en het andere circuit van de 150 kV-verbinding hangt aan de andere zijde van de mast. De 380 kV circuits hangen aan de buitenzijde en de 150 kV circuits aan de binnenzijde. De bliksemdraden hangen aan de buitenzijden van de bovenste traverse en dienen voor de bescherming van circuits tegen blikseminslag. De traversen zijn de uitstekende 'armen' aan weerszijden van de hoogspanningsmast. Magneetveldzones Bij het onderzoek naar de best passende mast is expliciet aangegeven dat het aantal gevoelige bestemmingen niet mocht toenemen. De breedte van de magneetveldzones hangt af van de positie van de draden in de mast. Voor Zuid-West 380 kV Oost is met Moldau een vakwerkmast met een smalle magneetveldzone ontworpen.
De draden hangen in de Moldaumast in een ton-vorm: de middelste draden hangen verder buiten de mast dan de onderste en bovenste draden. Met deze ton-vorm is een relatief smal magneetveld mogelijk. Met Moldau masten verandert het aantal gevoelige bestemmingen in Zuid-West 380 kV Oost niet ten opzichte van de uitvoering met wintrackmasten. Fundering en ruimtebeslag Een gemiddelde vakwerkmast staat op vier kleine betonnen poeren. Deze poeren staan direct op funderingspalen; dit zijn er standaard vier per mastlocatie. De oppervlakte tussen de poeren kan beperkt worden gebruikt, bijvoorbeeld voor grazend vee.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
37
Figuur 4.5 Moldau-mast
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
38
Bundeling Het tracé bundelt voor een groot deel met twee bestaande verbindingen. De masten zijn verschillend in hoogte en in het aantal armen. Bij het ontwerp van de vakwerkmast voor de Zuid-West 380 kV Oost verbinding is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vormen van de vakwerkmasten van de verbindingen waarmee wordt gebundeld.
Figuur 4.6 Bundeling met bestaande verbinding
4.7
Opstijgpunten
Op de locaties waar bovengrondse en ondergrondse verbindingen op elkaar aansluiten worden opstijgpunten aangelegd. In een opstijgpunt worden de geleiders afgespannen en naar beneden gebracht. Er zijn verschillende typen opstijgpunten: voor gecombineerde verbindingen, met een oppervlakte van circa 3510 m2, weergegeven in figuur 4.7 voor 380 kV-verbindingen, met een oppervlakte van circa 1965 m2, weergegeven in figuur 4.8 voor 150 kV-verbindingen, met een oppervlakte van 1380 m2, weergegeven in figuur 4.9
Figuur 4.7 Opstijgpunt combi
Figuur 4.8 Opstijgpunt 380 kV Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
39
Figuur 4.9 Opstijgpunt 150 kV
4.8
Tijdelijke verbindingen
Op een aantal tracélocaties kruist de nieuwe 380 kV-verbinding Rilland-Tilburg bestaande 150 kVverbindingen. Of staat de nieuwe 380 kV-verbinding zeer dicht op een bestaande 150 kV-verbinding. De bestaande 150 kV-verbindingen moeten in bedrijf blijven tijdens de aanlegwerkzaamheden van de nieuwe 380 kV-verbinding. Om de bestaande 150 kV-verbinding in bedrijf te kunnen houden, wordt het gedeelte van deze verbinding dat in de weg staat tijdelijk verplaatst. Deze tijdelijke verplaatsing noemen we ook wel een tijdelijke verbinding. Op acht locaties moet een bestaande 150 kV-verbinding tijdelijk verplaatst worden. Daarnaast worden tijdelijke 380 kV-verbindingen aangelegd op vier locaties. Op die locaties worden werkzaamheden uitgevoerd aan de bestaande 380 kV-verbinding Geertruidenberg – Rilland. Om deze werkzaamheden goed en veilig uit te kunnen voeren, én omdat de stroomvoorziening tijdens de bouw in stand kan blijven, worden deze tijdelijke 380 kV- en 150 kV-verbindingen aangelegd. Deze tijdelijke verbindingen worden alleen gebouwd tijdens de aanlegfase van de nieuwe 380 kV-verbinding. Na ingebruikname van de nieuwe 380 kV-verbinding zullen de tijdelijke verbindingen weer worden afgebroken. Bij een tijdelijke 380 kV-verbinding wordt gebruik gemaakt van tijdelijke masten.
Voor een tijdelijke 150 kV-verbinding worden tijdelijke opstijgpunten onder de bestaande verbindingen gerealiseerd. De tijdelijke opstijgpunten komen aan weerszijden van de locaties waar de 150 kV-verbinding in de weg staat. Tussen de tijdelijke opstijgpunten wordt een tijdelijke kabelverbinding aangelegd. De tijdelijke kabelverbindingen worden op maaiveld dan wel in overleg met de grondgebruiker (deels) onder maaiveld aangelegd. Op de volgende locaties worden tijdelijke verbindingen voorzien: 1. Tijdelijke 150kV-verbinding Bergen op Zoom-oostzijde (nabij buurtschap Zoomvliet) 2. Tijdelijke 150kV-verbinding nabij de Slotstraat en Kralen te Oud Gastel 3. Tijdelijke 380kV-verbinding nabij de Pietseweg te Oud Gastel 4. Tijdelijke 150kV-verbinding nabij de Pietseweg te Oud Gastel 5. Tijdelijke 150kV-verbinding nabij de Sluissedijk te Standdaarbuiten 6. Tijdelijke 380kV-verbinding nabij de Sluissedijk te Standdaarbuiten 7. Tijdelijke 150kV-verbinding Hooge Zwaluwe-westzijde 8. Tijdelijke 380kV-verbinding Hooge Zwaluwe westzijde 9. Tijdelijke 150kV-verbinding Hooge Zwaluwe – oostzijde 10. Tijdelijke 380kV-verbinding Hooge Zwaluwe – oostzijde. 11. Tijdelijke 150kV-verbinding nabij het Noordergat te Geertruidenberg 12. Tijdelijke 150 kV-verbinding het Kromgat (gemeentegrens Geertruidenberg en Oosterhout)
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
40
Hoofdstuk 5
5.1
Ruimtelijk beleid
Rijksbeleid
5.1.1 Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III) (2009) Het meest directe kader voor de besluitvorming over de verbinding wordt gevormd door het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening (SEV III). In SEV III is door het Rijk bepaald waar nieuwe hoogspanningsverbindingen vanaf 220 kV mogen worden aangelegd. Het doel van SEV III is onder andere het waarborgen van voldoende ruimte in Nederland voor grootschalige productie van elektriciteit en van voldoende capaciteit voor het transport van elektriciteit. In SEV III zijn mogelijke nieuwe hoogspanningsverbindingen opgenomen. De aanduiding van mogelijke nieuwe hoogspanningsverbindingen in SEV III is globaal van karakter. In SEV III wordt het begin en het eindpunt – in dit geval de landelijke ring – van deze nieuwe hoogspanningsverbinding beschreven maar de verdere uitwerking van de hoogspanningsverbindingen moeten op projectniveau plaatsvinden. In de Strategische Milieubeoordeling (SMB) bij SEV III zijn mogelijke tracés voor de hoogspanningsverbindingen globaal onderzocht. 5.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011) In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die de Nota Ruimte vervangt, schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028.
Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig worden. Het Rijk maakt in de SVIR helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijke en mobiliteitsdomein en welke instrumenten hiervoor worden ingezet. De SVIR is op 13 maart 2012 vastgesteld en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Met de SVIR wordt een andere koers ingezet in het nationale ruimtelijk beleid. Er is nu vaak sprake van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving of een sectorale benadering met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van Nederland. Het Rijk brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven en laat dan ook meer over aan provincies en gemeenten. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de SVIR uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Dit betekent dat het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen, waarvoor zij verantwoordelijk is en resultaat wil boeken. Buiten deze dertien belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor hoogspanningsverbindingen zijn met name de volgende 'nationale ruimtelijke belangen' relevant. I. Nationaal ruimtelijk belang 2: ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie.
De ruimtebehoefte en het beleid voor ruimtelijke inpassing voor de nationale elektriciteitsinfrastructuur zijn uitgewerkt in SEV III. II. Nationaal ruimtelijk belang 8: verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
41
In de realisatieparagraaf van de SVIR wordt de overdracht van de rijkstaak op het gebied van landschap aan de provincies benoemd. Behoud, beheer en versterking van de Nationale Landschappen, met uitzondering van internationale verplichtingen zoals Unesco's Stelling van Amsterdam, is niet langer een nationale taak, maar een provinciale taak. Ook het rijksbufferzonebeleid is niet langer als een rijksbelang gedefinieerd. De zorg voor de rijksbufferzones ligt daarmee eveneens bij de provincies. In de SVIR valt de Natuur Netwerk Nederland (NNN) onder nationaal belang 11: ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Dit betreft de herijkte nationale NNN die uiterlijk in 2018 door provincies wordt gerealiseerd. De Natura 2000gebieden en de twintig Nationale Parken maken deel uit van de NNN, evenals de Noordzee en de grote wateren. Voor de NNN (uitgezonderd de grote wateren en de Noordzee en uitgezonderd de Waddenzee middels titel 2.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geldt onverkort het 'nee, tenzij'-regime en de Spelregels NNN. Ook wordt er rekening gehouden met kruisingen met wegen en waterwegen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De nationale belangen die juridisch moeten doorwerken in ruimtelijke plannen van provincies en gemeenten worden vastgelegd in het Barro.
Voor het inpassingsplan van de nieuwe hoogspanningsverbinding is het van belang dat Borssele, Moerdijk en de Amercentrale in Geertruidenberg aangewezen zijn als vestigingsplaatsen voor grootschalige energieopwekking. Buisleidingen In het Barro zijn de buisleidingenstroken vastgelegd. Op basis van de structuurvisie buisleidingen uit 2012 zijn de daar in aangewezen buisleidingenstraten in het Barro beschermd en zijn deze stroken gereserveerd voor transportleidingen voor gevaarlijke stoffen. De voor buisleidingen aangegeven leidingstroken zijn in eerste instantie niet bedoeld voor elektriciteitskabels. Indien de ruimtelijke situatie vereist dat het tracé van een elektriciteitsleiding in of vlak langs een leidingstrook wordt gelegd, zal rekening worden gehouden met de dan geldende richtlijnen voor onderlinge beïnvloeding van buisleidingen en elektriciteitskabels (bijvoorbeeld NEN 3654). Voor het inpassingsplan is dit relevant. De ondergrondse 380 kV-verbinding wordt tussen knooppunt Markiezaat en de oostzijde van Bergen op Zoom (nabij buurtschap Zoomvliet) in de buisleidingenstraat gelegd. Ook de te verkabelen / ondergrondse 150 kV-verbinding Woensdrecht – Rilland wordt tussen het Schelde Rijnkanaal en 150kV-Woensdrecht in de buisleidingenstraat gelegd.
En, de 150 kVverbinding Roosendaal – Roosendaal/Borchwerf – Woensdrecht wordt als ondergrondse kabelverbinding tussen 150 kV-station Woensdrecht en de oostzijde van Bergen op Zoom (nabij Buurtschap Zoomvliet) in de buisleidingenstraat gelegd. Tenslotte wordt een aantal tijdelijke verbinding in de buisleidingenstraat gelegd.. In het kader van beïnvloeding is gekeken naar de effecten van de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op de bestaande buisleidingen en het functioneren van de buisleidingenstraat. Uit het beïnvloedingsonderzoek blijkt dat er geen relevante effecten zijn te verwachten ten aanzien van de aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbindingen. Ten zuiden van Moerdijk kruist de nieuwe 380kV-verbinding diverse keren een gereserveerde leidingenstrook. De masten worden zodanig gepositioneerd dat ze niet in deze gereserveerde leidingenstrook komen te staan.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
42
5.1.3 Beleidsadvies inzake hoogspanningslijnen en het magneetveld (2005) Rond hoogspanningsverbindingen ontstaan magneetvelden. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Er is geen sprake van wettelijke limieten voor blootstelling aan deze magnetische velden, maar er is wel sprake van Europees en nationaal beleid. Op basis van het wetenschappelijk onderzoek zijn in internationaal verband limieten aanbevolen voor de sterkte van het magnetisch veld. Deze houden in dat blootstelling aan meer dan 100 microtesla wordt afgeraden. Deze waarden worden ook in Nederland gehanteerd en in bestaande situaties nergens overschreden. De verzamelde wetenschappelijke gegevens wijzen op het bestaan van een zwakke, maar statistisch significante associatie tussen het voorkomen van leukemie bij kinderen tot 15 jaar en het wonen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling aan magnetische velden van deze hoogspanningsverbindingen en het ontstaan van leukemie bij kinderen. De nota 'Nuchter omgaan met risico's'9 gaat in op het voorzorgsbeginsel.
Het voorzorgsbeginsel houdt in dat, wanneer een activiteit potentieel schadelijke effecten kan hebben, maatregelen ter voorkoming of beperking van die potentiële effecten niet achterwege mogen worden gelaten op de enkele grond, dat wetenschappelijk onzeker is of die effecten daadwerkelijk zullen optreden. De nota is nader ingevuld in de brief10 met betrekking tot hoogspanningsverbindingen van 3 oktober 2005. Deze brief bevat een beleidsadvies aan onder meer gemeenten en beheerders van het hoogspanningsnet. Het advies is gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke informatie en het voorzorgsbeginsel. Het advies is van toepassing bij de vaststelling van structuurvisies en bestemmingsplannen en bij de vaststelling van tracés van bovengrondse hoogspanningsverbindingen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of wijziging van bestaande bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Op basis van het beleidsadvies dat gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel wordt geadviseerd om: 'zo veel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone)'.
Naar aanleiding van concrete vragen van gemeenten, provincies en netbeheerders en enkele rechterlijke uitspraken, heeft het Rijk bij brief11 van 4 november 2008, het advies van 3 oktober 2005 verduidelijkt. Enkele definities van begrippen als 'langdurig verblijf' en 'gevoelige bestemmingen' zijn nader verduidelijkt. Tot een 'langdurig verblijf' wordt gerekend, een verblijf van minimaal 14-18 uur per dag gedurende minimaal een jaar. Tot de 'gevoelige bestemmingen' worden woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met bijbehorende erven en buitenspeelruimten gerekend. Daarnaast wordt dieper ingegaan op de betekenis van het voorzorgsbeginsel als basis voor het beleid. De brief is gebaseerd op een advies van de Gezondheidsraad van 21 februari 200812. Handreiking RIVM Tegelijkertijd met het uitkomen van het beleidsadvies in 2005 is door het RIVM een handreiking ontwikkeld waarin de manier wordt vastgelegd om de zone waar het magnetisch veld gemiddeld over een jaar boven de 0,4 microtesla ligt – aangeduid als de specifieke magneetveldzone – zo eenduidig en transparant mogelijk te berekenen. Deze handreiking is inmiddels een aantal keren geactualiseerd. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft op 10 juni 2013 het rapport 'Berekening magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen in elkaars nabijheid' gepubliceerd.
Het RIVM adviseert om de handreiking voor het berekenen van de magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen te actualiseren. De actualisering ziet op het nauwkeuriger in beeld brengen van magneetvelden in situaties waar hoogspanningsverbindingen zich in elkaars nabijheid bevinden. De berekeningen met de geactualiseerde Handreiking leiden in de beschreven situaties in het algemeen tot
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
43
bredere magneetveldzones dan wanneer de 'oude' Handreiking wordt gebruikt. De staatssecretaris van IenM heeft daarop het RIVM gevraagd de Handreiking te actualiseren. Dit is inmiddels gebeurd13 Inmiddels is versie 4.1 van 26 oktober 2015 van de Handreiking van kracht. Deze laatste wijziging heeft betrekking op het kunnen rekenen met hogere percentages van de ontwerpbelasting in die gevallen dat voorzien wordt dat de werkelijke belasting hoger zal zijn dan waarvan in eerdere versies van de Handreiking moest worden uitgegaan. Deze laatste wijziging heeft geen betrekking op de situatie zoals die voor ZW380 West door TenneT wordt voorzien. De specifieke magneetveldberekeningen behorende bij dit inpassingsplan zijn alle conform versie 4.1 van de Handreiking.
5.2
Provinciaal beleid
5.2.1 Omgevingsplan Zeeland (2018) Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu. Met de aanleg van de hoogspanningsverbinding wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid van verduurzaming in de provincie en het transporteren van de in Zeeland opgewekte energie. 5.2.2 Omgevingsverordening Zeeland (2018) De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. De Omgevingsverordening Zeeland staat de ontwikkeling niet in de weg. 5.2.3 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050.
Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie Werken aan een klimaatproof Brabant Werken aan de slimme netwerkstad Werken aan een concurrerende, duurzame economie Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. 5.2.4 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
44
is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit).
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
45
5.3
Conclusie
Het gekozen tracé is in overeenstemming met het beschreven rijksbeleid. Aan dit beleid geeft het voorkeurstracé invulling door zo veel als redelijkerwijs mogelijk gevoelige bestemmingen te vermijden. Tevens wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met het bundeling/combineerprincipe uit de SEV III. Ook houdt het tracé rekening met uitgangspunten uit de SVIR, zoals het belang van het NNN en de buisleidingen. Als het gaat om het provinciaal en gemeentelijk beleid zijn vooral de landschap gerelateerde elementen van belang. Bij de toetsing van de alternatieven zoals opgenomen in het MER zijn deze beleidsuitgangspunten meegenomen. Bij de bepaling van het tracé is zoveel mogelijk rekening gehouden met provinciaal en gemeentelijk beleid.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
46
Hoofdstuk 6
6.1
Onderzoek
Inleiding
Ten behoeve van de besluitvorming over het nieuwe tracé wordt een m.e.r.-procedure doorlopen. In het kader hiervan is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. In dit MER-rapport zijn verschillende varianten onderzocht. Daarnaast is het uiteindelijke voorkeurstracé ook onderzocht. Het MER dient als basis voor de beschrijving van de sectorale aspecten in het inpassingsplan. In dit hoofdstuk wordt in hoofdlijnen ingegaan op de effectbeschrijving die in het MER is opgenomen. Na het MER zijn voor verschillende onderwerpen nadere onderzoeken uitgevoerd naar de effecten en inpassing van het gekozen tracé. Ook de uitkomsten van deze nadere onderzoeken zijn beschreven in dit hoofdstuk. De effecten van de tijdelijke verbindingen zijn in een afzonderlijke paragraaf beschreven. In dit hoofdstuk is het plangebied opgedeeld in 3 deelgebieden. Deze deelgebieden zijn tot standgekomen in het MER. In figuur 6.1 zijn de deelgebieden weergegeven.
Figuur 6.1. Deelgebieden
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
47
6.2
Leefomgeving: magneetvelden
6.2.1 Toetsingskader De Rijksoverheid, met name het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat ( I&W), is verantwoordelijk voor beleid en regelgeving op het gebied van magneetvelden. Er zijn weliswaar geen wettelijke normen vastgesteld, maar het beleid van de Nederlandse overheid gaat uit van een referentieniveau voor blootstelling van burgers van maximaal 100 microTesla (µT). TenneT zal bij dit project voldoen aan dit referentieniveau. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid (het toenmalige ministerie van VROM) in 2005 een advies uitgebracht over magnetische velden nabij bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit advies maakt voor magnetische velden onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties adviseert de overheid aan gemeenten, provincies en beheerders van hoogspanningsnetten om bij bovengrondse hoogspanningslijnen uit voorzorg zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig verblijven in magnetische veldsterkten hoger dan 0,4 µT. Dit betekent dat de overheid adviseert om geen woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven (de zogenoemde 'gevoelige bestemmingen') te bouwen in de nabijheid van een bestaande hoogspanningslijn en om bij het inpassen van een nieuwe bovengrondse hoogspanningslijn afstand te bewaren tot dergelijke gevoelige bestemmingen.
Het beleidsadvies van de rijksoverheid geldt niet voor ondergrondse hoogspanningskabels , opstijgpunten en –stations. Niettemin heeft TenneT op verzoek van de gemeente de 0,4 microtesla contour (jaargemiddeld) in beeld gebracht van de nieuwe ondergrondse hoogspanningsverbinding. 6.2.2 Effecten voorkeurstracé en conclusie Bij de tracering zijn zoveel als redelijkerwijs mogelijk gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone van de nieuwe verbinding vermeden. Het aantal gevoelige bestemmingen is in deze fase (voorontwerpinpassingsplan) bepaald op basis van de indicatieve magneetveldzone. Bij het ontwerp inpassingsplan zal de specifieke magneetveldzone bekend zijn en zullen de getallen indien nodig nog worden aangepast. De specifieke zone valt altijd binnen de indicatieve zone. In totaal komen binnen de nieuwe verbinding 58 nieuwe objecten binnen de indicatieve magneetveldzone te liggen. Het gaat hierbij in alle gevallen om bestaande woningen. In het kader van het ontwerpinpassingsplan zal de specifieke magneetveldzone worden berekend. Bij het bepalen van de effecten is uitgegaan van de indicatieve magneetveldzone die is berekend op basis van een aantal aannames overeenkomstig de Handreiking van het RIVM voor het berekenen van de specifieke 0,4 microteslazone in de omgeving van bovengrondse hoogspanningslijnen.
Het verschil tussen de indicatieve en de specifieke magneetveldzone bij een bovengrondse verbinding wordt onder meer veroorzaakt door de plaats van en de afstand tussen masten en de hoogte van de geleiders ten opzichte van het maaiveld in het locatiespecifieke geval. Deze nader te berekenen specifieke magneetveldzone (die bepalend is voor het beleidsadvies) geeft uiteindelijk aan of al deze genoemde gevoelige objecten zich wel of niet binnen de magneetveldzone gaan bevinden. Het is redelijkerwijs niet mogelijk om bij het bepalen van het tracé alle gevoelige bestemmingen te ontwijken. Op grond van het voorzorgsbeginsel en het beleidsadvies en het daarin verwoorde redelijkerwijs criterium, is het aanvaardbaar dat bij kleinschalige concentraties van gevoelige bestemmingen, er gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone komen te liggen. Een stapeling van negatieve milieufactoren kan in dat geval, bij afweging van alle belangen, wel aanleiding zijn voor het treffen van extra voorzorgen of maatregelen. Van de gevoelige bestemmingen (zowel papieren als feitelijk bestaande), waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in de magneetveldzone komen te liggen, is daarom beoordeeld of deze kunnen blijven bestaan. Op locaties waar een gevoelige bestemming kan worden gerealiseerd, maar feitelijk nog niet aanwezig is (papieren gevoelige bestemming), kan zonder een onevenredige
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
48
belangenaantasting worden vermeden dat alsnog feitelijk een gevoelige bestemming wordt gerealiseerd door deze papieren gevoelige bestemming weg te bestemmen. Voor de gerealiseerde gevoelige bestemmingen binnen de specifieke magneetveldzone geldt dat TenneT eigenaren een aanbod voor aankoop van het huis en bijbehorende erven of tuin doet. Ook huurders van woningen worden desgewenst in de gelegenheid gesteld om op basis van een volledige schadeloosstelling te verhuizen. Indien de eigenaar niet wenst te verkopen, is het in beginsel mogelijk en aanvaardbaar om het huidige gebruik voort te zetten en dan heeft de eigenaar recht op een schadevergoeding. Er kunnen andere milieufactoren in de omgeving zijn die maken dat het alles overziend niet aanvaardbaar is dat het huidige gebruik toch wordt voortgezet. In dat geval wordt de bestemming via dit inpassingsplan gewijzigd en wordt zo nodig onteigend. Voor gerealiseerde gevoelige bestemmingen die buiten de berekende specifieke magneetveldzone vallen is in de planregels verzekerd dat zij ook na aanleg, dus in de gebruiksfase, bij wijziging van masten of mastposities buiten de specifieke magneetveldzone blijven vallen
6.3
Landschap en cultuurhistorie
6.3.1 Toetsingskader Vanwege het schaalniveau, waarop de ontwikkeling van de hoogspanningsverbinding ZW380 West plaatsvindt, is bij de bepaling van het tracé van de nieuwe verbinding rekening gehouden met de volgende nationale regelgeving en het volgende nationaal en regionaal beleid op het gebied van landschap en cultuurhistorie. 1. Structuurvisie Infrastructuur en ruimte (SVIR): De SVIR zet in op het behoud van cultureel erfgoed 2. Visie erfgoed en ruimte: In de Rijksvisie erfgoed en ruimte wordt ingegaan op hoe het rijk het onroerend cultureel erfgoed borgt in de ruimtelijke ordening. 3. Erfgoedwet: In de erfgoedwet is de aanwijzing van rijksmonumenten vastgelegd. 4. Omgevingsplan Zeeland: In het omgevingsplan wordt ingezet op het versterken van de beeldkwaliteit en landschappelijke aantrekkelijkheid van Zeeland. Daarnaast streeft de provincie naar het behouden en versterken van cultuurhistorische waarden. 5. Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening Brabant: In het zoekgebied bevinden zich diverse gebieden met een concentratie van samenhangende cultuurhistorische waarden. Om de samenhang te benadrukken is het belangrijk deze landschappen verder te ontwikkelen, gericht op behoud en waar nodig op verbetering van de leesbaarheid van het landschap.
Wijze van effect beoordelen landschap Bij het beoordelen van de effecten op landschap worden drie niveaus onderscheiden: tracéniveau, lijnniveau en mastniveau: op het tracéniveau gaat het om het effect van de hoogspanningsverbinding op het landschappelijke hoofdpatroon en om de kwaliteit van de verbinding als bovenregionaal landschapselement; op het lijnniveau gaat het om het effect van de verbinding op het karakter van het landschap (gebiedskarakteristiek en de cultuurhistorische elementen daarin) en op specifieke elementen en hun samenhang op het schaalniveau van de lijn; Op mastniveau gaat het om het effect van de verbinding op specifieke elementen en hun samenhangen op lokaal schaalniveau. Het tracé van een hoogspanningsverbinding moet autonoom zijn, zo veel mogelijk los staan van de kleinschalige verschijnselen in het lokale landschap. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, krijgt het tracé bij voorkeur een samenhang met andere landschapspatronen van een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf zoals snelwegen of grote rivieren.
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
49
6.3.2 Huidige situatie Het landschappelijke hoofdpatroon van het studiegebied ligt in het Zeeuwse zeekleigebied en het Noord-Brabantse zand- en kleigebied. Het Zeeuwse kleigebied bestaat vooral uit oude en jonge zeekleipolders. In het vroeg bewoonde oudland wisselen hogere kreekruggen en poelgebieden elkaar af. De vanaf de 13e eeuw bedijkte nieuwlandpolders kennen een veel uniformere opbouw. Het Brabantse zeekleigebied in westelijk Noord-Brabant is een open agrarisch gebied, dat is opgedeeld in kleinere en grotere polders begrensd door polderdijken. Het overgangsgebied van zand naar klei heeft eveneens een open agrarisch karakter afgewisseld met bosschages. De zandgebieden bestaan uit een half open landschap van bosgebieden afgewisseld met agrarisch gebied. Het zandlandschap bestaat uit kampontginningen met plaatselijk essen, heide- en bosontginningen en het turfwinningslandschap. Grotere bos- en heidegebieden zijn te vinden op de Brabantse Wal, bij Breda en ten noorden van Tilburg. De grote woonkernen Breda, Etten-Leur en Roosendaal zijn gevestigd op de overgang van zand naar klei. Op de overgang van de Brabantse zand- naar de kleigronden liggen verschillende kleinere veenontginningen. Het zandgebied ligt duidelijk hoger dan het kleigebied. In het westelijk deel zijn deze hoogteverschillen duidelijk zichtbaar.
Hier bestaat de overgang tussen zand en klei uit een steilrand, die van Ossendrecht langs Hoogerheide, Woensdrecht, Bergen op Zoom en Halsteren tot Steenbergen slingert. De steilrand bereikt hoogten van ongeveer 20 meter boven NAP. Het gebied ten oosten van de steilrand is de Brabantse wal, een bebost gebied. 6.3.3 Effecten voorkeurstracé en conclusie Landschappelijk hoofdpatroon Het meest voor de hand liggende tracé voor een hoogspanningsverbinding is de rechte lijn; dit is immers de kortste verbinding tussen twee punten. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, moet bij voorkeur een samenhang worden gezocht met het landschappelijk hoofdpatroon. Dit bestaat uit het geheel van regionale en bovenregionale landschapselementen zoals rivieren, bovenregionale infrastructuur, dorpen en steden en gebiedstypen in hun onderlinge samenhang. Het wordt onder andere bepaald door de verhouding tussen bijvoorbeeld massa en ruimte of stedelijke gebieden versus open agrarische gebieden of door de afwisseling tussen land en water. Ook bestaande grote infrastructuur kan deel uitmaken van het landschappelijk hoofdpatroon. Het heeft een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf. De mate waarin de hoogspanningsverbinding structuren op een hoog schaalniveau beïnvloedt bepaalt het effect.
Een hoogspanningsverbinding die de landschappelijke structuren op hoog niveau volgt heeft minder invloed op het landschappelijk hoofdpatroon dan een hoogspanningsverbinding die geen logische samenhang met het landschappelijk hoofdpatroon heeft of dit doorkruist. De effecten op het landschappelijk hoofdpatroon zijn kwalitatief in beeld gebracht en beoordeeld. In deelgebied 1 ligt het Voorkeursalternatief over een langere afstand ondergronds. De bestaande 150 kV-verbinding wordt hier tevens geamoveerd. Hierdoor is er bovengronds over een langere afstand geen hoogspanningsverbinding meer zichtbaar. Dit leidt tot een licht positief effect op het landschappelijk hoofdpatroon. In deelgebied 2 bundelt het Voorkeursalternatief grotendeels met de bestaande 380 kV-verbinding en heeft hierdoor nauwelijks een effect op het landschappelijk hoofdpatroon. In deelgebied 3 bundelt het Voorkeursalternatief eveneens grotendeels met de bestaande 380 kVverbinding. Het landschappelijk hoofdpatroon wordt hierdoor enigszins versterkt, en heeft daardoor een licht positief effect op het landschappelijk hoofdpatroon. Gebiedskarakteristiek De gebiedskarakteristieken zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van landschappelijke subgebieden, dit zijn geografische eenheden met een eigen gebiedskarakteristiek. De mate waarin
Rho adviseurs voor leefruimte
300810.20171598
50
hoogspanningsverbindingen en opstijgpunten aanwezig zijn in het landschapsbeeld en al dan niet contrasteren met het landschappelijke karakter is bepalend voor hun effecten op de gebiedskarakteristiek. Het effect van de verbinding is ook afhankelijk van de openheid van het landschap, afwijkingen in richting en complexe situaties in de lijn of opstijgpunten. Daarnaast speelt de forsheid van de bundel mee in het effect van bovengrondse tracédelen. Het Voorkeursalternatief ligt in deelgebied 1 over een langere afstand ondergronds. Daarom is er bovengronds over een langere afstand geen hoogspanningsverbinding meer zichtbaar. Dit leidt tot een neutraal effect op de gebiedskarakteristiek. In deelgebied 2 bundelt het Voorkeursalternatief over een lange afstand met de bestaande infrastructuurbundel. Dit leidt tot een licht negatief op de gebiedskarakteristiek. In deelgebied 3 bundelt het Voorkeursalternatief met de gereconstrueerde bestaande verbinding en vormt een nieuwe doorsnijding van het landschap. Plaatselijk ontstaan licht positieve effecten door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding, op veel plekken heeft het Voorkeursalternatief echter een licht negatief effect op de gebiedskarakteristiek. De beoordeling van de effecten is licht negatief.