Getekende Bijlage 2 - Definitieve ‘Onteigeningsbeschikking Randweg Klundert’
Tekst van het document
-
13.074
6
Versiedatum: Juni 2024
9.411
588
Te onteigenen grootte (m²) 5.879
5
4-1 / 4-2
1
Grondplan nr.
13.074
9.411
113.505
Kadastrale grootte (m²) 27.990
G 659
G 656
G 560
A 1918
Sectie en nr.
De Staat
1
-Gravenhage.
-Gravenhage;
Eigendom belast met Opstalrecht Nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Pieter Ary den Engelse, Klundert; Opstalrecht Nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Enexis Netbeheer B.V., sHertogenbosch.
Lambertus Elisabeth Maria Jongmans, Klundert.
Ten name van
Kadastraal bekend als gemeente Klundert
LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN ONTEIGENINGSPLAN: Randweg Klundert VERZOEKENDE INSTANTIE: Gemeente Moerdijk
ZAKELIJKE BESCHRIJVING BEHOREND BIJ DE ONTEIGENINGSBESCHIKKING INZAKE RANDWEG KLUNDERT
1.
Onteigeningsbelang 1.1.
Inleiding De onteigening is nodig voor de realisering van de Randweg Klundert ter op 3 november 2022 en thans deel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Moerdijk.
1.2.
Planning en urgentie Voor wat betreft de planning is relevant dat de gemeente Moerdijk pas kan beginnen met de feitelijke werkzaamheden op het moment dat zij alle benodigde gronden in eigendom heeft. Er moet in dit kader rekening worden gehouden met een worstcasescenario waarin er een onteigeningsprocedure moet worden doorlopen en er ook hoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de bekrachtiging. Ervan uitgaande dat er begin 2025 een onteigeningsbeschikking wordt genomen, zal deze rekening houdend met de lastig in te schatten doorlooptijd bij de rechtbank en de Afdeling - uiterlijk medio 2027 onherroepelijk zijn. Op dat moment zal ook zijn voldaan aan de overige vereisten voor het inschrijven van de onteigeningsakte. Medio 2027 zullen als alle gronden in eigendom zijn eerst voorbereidende werkzaamheden worden verricht (zoals archeologisch onderzoek) en vervolgens zal er uiterlijk begin 2028 worden gestart met de aanleg van de rondweg. Daarmee is voldaan aan het urgentievereiste inhoudende dat er binnen drie jaar na de inschrijving van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is.
Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat er hangende de onteigeningsprocedure ook door de gemeente via een inkoopprocedure een partij wordt geselecteerd die de voorbereidende onderzoeken/enginering gaat uitvoeren en een partij die de rondweg gaat aanleggen. Die inkoopprocedures duren respectievelijk 3 en 6 maanden en zullen vóór medio 2027 al zijn afgerond.
In de planning is voor de voorbereidende werkzaamheden gerekend met 8 maanden, voor de feitelijke werkzaamheden 5 maanden en de afrondende werkzaamheden 1 maand. Bij de uitvoering van de werkzaamheden zal rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de propyleenleiding die een werkdruk heeft van maximaal 100 bar. De afronding van de werkzaamheden en de oplevering van de randweg wordt verwacht in 2029. Voor de realisatie van de weg is een kostenraming opgesteld en is een reservering gemaakt waarmee krediet apart is gezet voor de aanleg van de weg. De meest recente kostenraming laat zien dat het gereserveerde krediet voldoende is voor aanleg van de weg en de aanvullende maatregelen. Daarnaast is door de gemeenteraad een werkbudget beschikbaar gesteld van - In het bestemmingsplan is geen volledig gespecificeerde kostenraming opgenomen, omdat dit de positie van de gemeente in het aanbestedingsproces benadeeld.
1.3.
Noodzaak tot onteigening De gronden zijn noodzakelijk om de Randweg Klundert te realiseren ter uitvoering van het bestemmingsplan. Daartoe is het van belang dat de gemeente als opdrachtgever tot aanleg van de weg de gronden in eigendom verkrijgt. Het merendeel van de gronden in het gebied ten behoeve van de ontwikkeling is al in eigendom van de gemeente. Om zekerheid over de verwerving en dus de uitvoering te verkrijgen, wordt de aanwijzing ter onteigening van de gedeelten die nog niet (geheel) minnelijk verworven zijn, noodzakelijk geacht om tijdig tot de realisering van het bestemmingsplan te kunnen overgaan. Door en/of namens de gemeente is overleg gevoerd met alle eigenaren en er is aan elke eigenaar ten minste een schriftelijk bod uitgebracht dat betrekking heeft op de benodigde onroerende zaken. Er is echter nog niet met alle eigenaren/rechthebbenden overeenstemming bereikt, waardoor onteigening noodzakelijk is. Een parallel traject wordt gevolgd dat wil zeggen dat de gemeente parallel aan de onderhandelingen parallel een onteigeningsprocedure doorloopt. De onteigeningsakte kan alleen worden ingeschreven in het Kadaster onder voorbehoud van een onherroepelijk ruimtelijk plan (in dit geval bestemmingsplan). De verwachting is dat door een uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State het bestemmingsplan in het jaar 2025 de onherroepelijke status verkrijgt.
2.
Planologische grondslag 2.1.
Bestemmingsplan Randweg Klundert
, dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Moerdijk.
raad van de gemeente Moerdijk vastgesteld. Het vastgestelde plan heeft van 21 december 2022 tot en met 31 januari 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Tegen het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is nog geen uitspraak gedaan op dat beroep. 2.2.
Functies Op de te onteigenen gronden rusten de volgende bestemmingen overeenkomstig de navolgende artikelen uit het bestemmingsplan. -
Artikel 3 Enkelbestemming Groen artikel 4 Enkelbestemming Verkeer artikel 5 Enkelbestemming Water artikel 7 Dubbelbestemming Waarde - archeologie
Ten aanzien van de te onteigenen grondplannummers gelden de volgende functies, maatregelen en bijbehorende planologische grondslag.
Grondplan nr
Kadastraal Perceel
Inrichtingsmaatregelen
Planologische grondslag (artikel)
1
KDT00 A 1918 (deel)
Het betreft een agrarisch perceel in gebruik als akkerland. Het betreffende perceelsgedeelte wordt ingericht als weg met aan weerszijden water (sloot).
4, 5, (7)
4-1 / 4-2
KDT00 G 560 (deel)
Het betreft een agrarisch perceel in gebruik als akkerland. Het betreffende perceelsgedeelte wordt ingericht als weg met aan weerszijden water (sloot).
4, 5, (7)
5
KDT00 G 656 (deel)
Het betreft een agrarisch perceel in gebruik als grasland. Het betreffende perceelsgedeelte wordt ingericht als weg met aan weerszijden water (sloot).
4, 5, (7)
6
KDT00 G 659 (deel)
Het betreft een agrarisch perceel in gebruik als grasland. Het betreffende perceelsgedeelte wordt ingericht als weg met aan weerszijden water (sloot) en deels groenvoorziening.
3, 4, 5, (7)
In het onderhavige geval wordt er onteigend op basis van een bestemmingsplan dat automatisch onderdeel is geworden van het omgevingsplan. In die situatie geldt niet de eis dat het voorheen bestaande gebruik in de planologische grondslag moet zijn uitgesloten (zie artikel 4.4a van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet). Overigens wordt er wel aan die voorwaarde voldaan. In het bestemmingsplan is het voorheen bestaande agrarische gebruik namelijk niet langer toegestaan.
2.3.
Plangebied Het plangebied betreft het nieuwe tracé van de randweg ten zuiden van Klundert. De nieuwe randweg loopt van de Zevenbergseweg naar de Stoofdijk. De randweg wordt gerealiseerd door de polder die wordt begrensd door de Zevenbergseweg, Stoofdijk en de Klundertsedijk.
3.
Toelichting ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgevinvg 3.1.
Bestaande situatie De verkeerssituatie in de kern Klundert leidt al lange tijd tot problemen. De verkeersdruk in de smalle straten van de kern is hoog. Naar aanleiding van klachten en vragen van bewoners over verkeersoverlast zijn diverse onderzoeken uitgevoerd naar de mogelijkheden voor de aanleg van een randweg. Daarbij zijn verschillende tracévarianten bekeken. De onderzoeken hebben geresulteerd in een keuze voor de realisering van de tracévariant A3 zoals thans in het bestemmingsplan opgenomen. Een latere
heeft niet geleid tot de noodzaak van aanpassing van de variant. Het gebied waarin de randweg wordt gerealiseerd is agrarisch met gronden die in gebruik zijn als grasland of akkerland. 3.2.
Wijze van planuitvoering De randweg wordt gerealiseerd conform de volgende uitgangspunten: -
Erftoegangsweg type 1 zoals vastgesteld in het verkeersveiligheidsplan Moerdijk 2018-2030 Maximumsnelheid 60 km/u Verhardingsbreedte 5,50 meter Breedte rijloper 4,50 meter
De weg wordt door middel van een y-splitsing aangesloten op de Zevenbergseweg. Daarbij zal een deel van de bestaande Zevenbergseweg worden omgebogen en aansluiting op de Stoofdijk vindt plaats door middel van een kruispunt waarbij
De weg zal niet toegankelijk zijn voor fietsers en voetgangers. Langzaam verkeer als tractoren zijn echter wel toegestaan. Ongeveer halverwege het traject (coördinaten 95800,407931) zal de weg de bestaande Zevenbergseweg (een plaatselijke ontsluitingsweg kruisen. Deze kruising wordt gerealiseerd door middel van een gelijkvloerse kruising. Aan weerszijden van de weg komen sloten ten behoeve van de afwatering van de weg en het omliggende gebied. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem worden milieuvriendelijke bouwmaterialen gebruikt gedurende de bouwfase. Hiermee heeft de beoogde ontwikkeling derhalve geen negatieve effecten voor de waterhuishoudkundige situatie. Gekozen is om onderdelen van het werk te laten inrichten als gevolg van een Design & Construct -proces. De definitieve inrichting van de brug kan bijvoorbeeld nog wijzigen. De vorm van uitvoering is weergegeven met een beschrijving en een inrichtingstekening. Deze inrichtingstekening betreft een referentie en niet uit te sluiten is dat de inrichting mogelijk nog wijzigt. De begrenzing van het werk staat echter vast. De oppervlakte die is vermeld in dit onteigeningsplan zal daarom volledig benodigd blijven.
4.
Tenaamstelling onteigening De onteigening zal geschieden ten name van de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Moerdijk. De gronden worden te naam gesteld van de gemeente Moerdijk.
1488.64-N1c1
Blad 1.
1488.64-N1c1
NOTITIE Datum
18 november 2024
Betreft
weerlegging zienswijzen
Opgesteld door
mr. S. Berns
1.
ALGEMEEN
De ontwerp-onteigeningsbeschikking en de ingevolge artikel 7.6 van het Omgevingsbesluit vereiste stukken behorende bij de onteigening voor de realisatie van Randweg Klundert hebben vanaf 17 juli 2024 tot en met 28 augustus 2024 ter inzage gelegen. In die periode zijn 3 zienswijzen ingediend. In onderhavige zienwijzen wordt een enkele keer verwezen naar artikel 7.215c van de Omgevingsregeling. Dit wetsartikel is van toepassing indien de onteigenaar een ander is dan de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. In een dergelijk geval moet die onteigenaar bij dat bestuursorgaan een onteigeningsbeschikking aanvragen! Artikel 7.215c Omgevingsregeling gaat dus enkel om bescheiden en gegevens die een aanvrager bij de aanvraag zou moeten verstrekken. Ter verduidelijking het gaat niet gaat om een aanvraag door een andere partij dan het bestuursorgaan c.q. de gemeente om een onteigeningsbeschikking af te geven. Het is immers de gemeente Moerdijk die zelf de onteigenaar is, waardoor het een ambtshalve genomen onteigeningsbeschikking betreft. Deze zienswijzen krijgen hieronder uitwerking waarbij wij de zienwijzen hebben overgenomen en hebben voorzien van een kwalificatie per onderdeel.
1.1.
Reclamant 1:
Prematuur Ten eerste vinden we het zeer prematuur om reeds een onteigeningsprocedure op te starten terwijl het bestemmingsplan nog niet onherroepelijk is vastgesteld. De procedure bij de Raad van State loopt nog en die zal onder meer nut en noodzaak van de Randweg Klundert moeten beoordelen, alsmede het voorgestelde tracé. De zittingsdatum voor het behandelen van de diverse ingestelde beroepen bij de Raad van State is nog niet eens bekend Onvoldoende onderhandeld Ten tweede vinden we dat de Gemeente Moerdijk c.q. het door de gemeente ingeschakelde rentmeesterskantoor Gloudemans zich volstrekt onvoldoende heeft ingespannen om ons vervangende grond aan te bieden. Er is aangegeven dat er overleg is geweest met de Dullertstichting om tot een ruiling te komen, maar dat heeft blijkbaar niet tot resultaat geleid. Ook het Rijksvastgoedbedrijf heeft gronden in de omgeving liggen, onder meer een perceel in de nabijheid, dat in 2026 vrij van pacht komt, en waarvan we hebben voorgesteld om dat perceel bij wijze van compensatiegrond te verwerven. Rentmeesterskantoor Gloudemans geeft echter aan dat het Rijksvastgoedbedrijf geen gronden zou willen verkopen. Tevens hebben we voorgesteld om het aan ons perceel grenzende perceel nummer 1919 als compensatiegrond over te dragen.
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 2.
Door de aanleg van de rondweg resteert voor ons een zodanig klein perceelsgedeelte, dat dit voor de akkerbouw niet echt rendabel is. Wanneer dit perceel verenigd kan worden met het perceel 1919, zou een groter aaneengesloten geheel ontstaan. Dit perceel is eigendom van de Gemeente Moerdijk en nog slechts gedeeltelijk in gebruik ten behoeve van de volkstuinvereniging. De Gemeente zou die grond zó in eigendom kunnen overdragen maar heeft aangegeven dit niet te willen doen. Ook de voorgestelde schadevergoeding voldoet naar onze mening niet aan de wettelijke vereisten om bij onteigening tot een volledige schadeloosstelling te komen. Wij blijven van mening dat de Gemeente Moerdijk zich onvoldoende heeft ingespannen om vervangende grond aan te bieden dan wel een acceptabel bod tot schadeloosstelling te doen. Daarom stellen we voor om eerst de uitspraak van de Raad van State af te wachten en een nieuw, maar redelijk bod om tot minnelijke overeenstemming te komen, te doen alvorens de onteigeningsprocedure op te starten.
1.2.
Reactie gemeente Moerdijk
Prematuur Voor het geven van de onteigeningsbeschikking moet eerst de planologische onderlegger zijn vastgesteld of zijn verleend (zie artikel 11.6 Omgevingswet). Onherroepelijkheid van de planologische onderlegger is daarvoor geen vereiste. Hieruit blijkt dat, net zoals onder de Onteigeningswet het geval was, de onteigeningsprocedure parallel kan lopen naast de ruimtelijke procedure. Onder de Onteigeningswet werd aan het Koninklijk Besluit veelal een opschortende en ontbindende voorwaarde gekoppeld. Dit hield in dat het Koninklijk Besluit niet bruikbaar was in gemaakt met het verlijden van de onteigeningsakte. De voorwaarden hiervoor zijn volgens art. 11.16 Ow als volgt: besluit ter uitvoering waarvan de onteigening nodig is onherroepelijk is, en c. de voorlopige schadeloosstelling, bedoeld in art. 15.43 of de overeengekomen schadeloosstelling die is opgenomen in een proces-verbaal, is betaald. Onder b is de garantie opgenomen dat onteigening alleen mogelijk is als aan de voorwaarde van een onherroepelijk bestemmingsplan is voldaan. Onvoldoende onderhandeld Vooropgesteld zal de gemeente de minnelijke onderhandelingen laten doorlopen. Het heeft de voorkeur om niet daadwerkelijk tot onteigening te hoeven overgaan. Om tijdige uitvoering van het bestemmingsplan veilig te stellen heeft de gemeente de noodzaak gevoeld om de onteigeningsprocedure in te zetten.
Het doel van de gemeente is om deze onteigeningsprocedure parallel te laten verlopen met de verdergaande minnelijke onderhandelingen. Deze onderhandelingen worden dus nadrukkelijk niet stop gezet. Het is de gemeente op dit moment gebleken dat genoegzaam kan worden vastgesteld dat de minnelijke onderhandelingen stagneren en dat niet blijkt dat op (korte) termijn overeenstemming wordt verkregen. Dit wordt bevestigd door de ingebrachte zienswijze. Aangegeven wordt door reclamant om de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de ruimtelijke procedure af te (willen) wachten. Ook wordt aangegeven dat onvoldoende zou zijn onderhandeld. Ten aanzien van de hoogte van de schadeloosstelling en de mogelijkheden tot ruilen overweegt de gemeente het navolgende. Ingevolge artikel 15.28 van de Omgevingswet vindt onteigening plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De gemeente stelt primair dat de hoogte van de schadeloosstelling niet in het kader van onderhavige administratieve onteigeningsprocedure ter beoordeling dient te staan. De hoogte van de schadeloosstelling komt in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde.
Onder de Omgevingswet kan deze fase ook de schadeloosstellingsprocedure worden genoemd, omdat de civiele rechter de onteigening niet meer uitspreekt en de beschikking louter toeziet op de schadeloosstelling. Bij de toetsing van het minnelijk overleg is relevant dat de gemeente Moerdijk haar aanbiedingen heeft gebaseerd op het uitgangspunt van een volledige schadeloosstelling en de bedragen zijn begroot door een onafhankelijke taxateur. Tegen die achtergrond is er geen sprake van een situatie waarin er een aanbod is gedaan dat op voorhand onwerkelijk was. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis bij de Omgevingswet dat de beoogd onteigenaar
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 3.
net zoals onder de onteigeningswet alleen een aanbod in geld hoeft te doen. Er bestaat met andere woorden geen verplichting om compensatiegrond aan te bieden (zie TK 2018-2019, 35133, nr. 3, p. 110). Dit neemt niet weg dat de gemeente in het onderhavige geval ook onderzoek heeft gedaan naar alternatieve oplossingen. Zo is de mogelijkheid tot ruilen onderzocht en zijn er meerdere opties verkend in dit minnelijke onderhandelingstraject. De zienswijze van reclamant 1 bevestigt dit. De gemeente zal blijven verkennen en mogelijkheden zoeken maar zonder ruilgronden die voorhanden zijn, nopen de onderhandelingen zich tot biedingen in de vorm van een geldbedrag.
1.3.
Reclamant 2:
De zienswijze van reclamant 2 is gericht op onderstaande 5 onderdelen. 1. 2. 3. 4. 5.
Publicatie en toezending Gegevens en bescheiden ontbreken Gebrek aan noodzaak en zorgvuldigheidsbeginsel Formulering voorwaarde Urgentie
Volgens reclamant is de procedure onzorgvuldig gevoerd en derhalve strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel en strijdig aan artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. De kennisgeving was niet meegezonden hetgeen wel was aangekondigd. Ook was voor reclamant onduidelijk naar wie de zienswijzen moest worden gericht. Reclamant geeft aan dat op grond van artikel 7.215c van de omgevingsregeling gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval een chronologisch overzicht van het minnelijk overleg en de door de onteigening aan de belanghebbende of belanghebbenden gedane aanbieding of aanbiedingen tot schadeloosstelling. Er is volgens reclamant 2 ook strijdigheid met artikel 7.215c sub i Omgevingsregeling waarin staat vermeld dat de tijdsplanning van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling , gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is, waaronder ten minste de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de verwezenlijking. In de zakelijke beschrijving is volgens reclamant niet inzichtelijk gemaakt wanneer men naar verwachting zal beginnen met de verwezenlijking, derhalve met de voorbereidende werkzaamheden.
Reclamant geeft voorts aan dat artikel 7.215c omgevingsregeling voorschrijft dat diverse tekeningen moeten worden verstrekt waaronder een detailtekening aangaande de realisatie. Als gevolg daarvan stelt reclamant 2 dat het ontwerp van de onteigeningsbeschikking gebreken kent en niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Verzocht wordt om niet over te gaan tot het nemen van een definitief besluit.
1.4.
Reactie gemeente Moerdijk
Procedurele onderdelen De gemeente gaat hieronder in op de 5 onderdelen waarbij onderdeel 1, 2 en 4 worden samengevoegd. Deze onderdelen zien op de procedure die is gevoerd, Bij toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het volgens de jurisprudentie het uitgangspunt dat het niet is geoorloofd om na de terinzagelegging van het ontwerp te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerp ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is dan wel aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld. In het onderhavige geval is er sinds 1 januari 2024 sprake geweest van een wetswijziging waardoor de onteigeningsprocedure is gewijzigd van dan onder de Onteigeningswet is het aan de gemeente zelf om toepassing te geven aan de hiervoor genoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De gemeente heeft hiervoor gebruik gemaakt van de Praktijkgids Onteigening voor overheden. Deze praktijkgids biedt een praktische uitwerking van de stappen die moeten worden doorlopen in een onteigeningsprocedure volgens de Omgevingswet. De Praktijkgids Onteigening voor
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 4.
Overheden is begin 2024 geactualiseerd omdat de rechtbanken instructies hebben gegeven voor de inhoud van het dossier dat bij een verzoek tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking moet worden aangeleverd. Deze instructies zijn vastgelegd in het aangepaste Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Staatscourant 2023, nr. 32442, 29 december 2023). Ten aanzien van de procedure die tot dusver is gevoerd, overweegt de gemeente dat inderdaad ten onrechte is verwezen naar een mee te sturen kennisgeving en dat de postcode niet correct was weergegeven. Ook was er sprake van een kennelijke schrijffout in het ontwerp van de onteigeningsbeschikking onder punt V is aangegeven
Uit het feit dat reclamant een zienswijze heeft ingediend ziet de gemeente een bevestiging dat de belangen niet zijn geschaad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de opmerkingen over de zakelijke beschrijving en de detailtekening aangaande de realisatie. De gemeente is van mening dat in de ontwerp stukken voldoende duidelijkheid is verschaft over de planning en de wijze van inrichting maar ziet in de zienswijze van reclamant wel aanleiding om de stukken om deze onderdelen aan te scherpen en te verduidelijken richting de ten aanzien van de door de gemeenteraad te nemen onteigeningsbeschikking. De zakelijke beschrijving is aangevuld en een extra ontwerp tekening is bijgevoegd zodat de vorm van uitvoering in relatie tot de kadastrale percelen inzichtelijk wordt. Artikel 7.215c van de Omgevingsregeling verwijst naar de aanvraagprocedure om een onteigeningsbeschikking. Van een aanvraag om een onteigeningsbeschikking is geen sprake. De gemeente Moerdijk voert zelf de procedure. Daarbij is ook van belang: het Omgevingsbesluit en het stadium dat thans aan de orde is geweest namelijk de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In dit stadium zijn enkele ontwerponteigeningsstukken door het College van Burgemeester en wethouders ter inzage gelegd waarna de gemeenteraad al dan niet of gewijzigd tot het nemen van de onteigeningsbeschikking overgaat.
In eerder genoemde Praktijkgids Onteigening voor overheden staat beschreven dat bij het ontwerp van de onteigeningsbeschikking volgens art. 7.6 van het Omgevingsbesluit de volgende documenten ter inzage worden gelegd: a. een grondtekening; b. planologische grondslag met daarop een projectie van de grondtekening. De Praktijkgids geeft aan dat de grondtekening geen verplicht onderdeel uitmaakt van de beschikking. Het staat het bevoegd gezag echter vrij om de grondtekening of een overzichtstekening onderdeel te maken van de beschikking. De praktijkgids beschrijft verder dat dezelfde stukken die bij de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage hebben gelegen ook bij de onteigeningsbeschikking ter inzage moeten worden gelegd. Het kan zijn dat in deze stukken ook wijzigingen zijn doorgevoerd of dat deze zijn aangevuld na de terinzagelegging van de ontwerponteigeningsbeschikking. Aangezien afdeling 3.4 van de Awb volgens art. 16.33b Ow van toepassing is op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking moet een ontwerp-onteigeningsbeschikking worden opgesteld. De eisen die aan dat ontwerp en aan de onteigeningsbeschikking worden gesteld staan vermeld in art. 7.5 Omgevingsbeslui in ieder geval: a. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen; b.
de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen; c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte; d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster; e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is; en f. de naam van de onteigenaar. In hoofdstuk 3 van de Praktijkgids staat beschreven dat Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een onteigeningsbeschikking. Zo is bepaald in art. 16.33b Omgevingswet. Dit betekent in ieder geval het volgende voor de terinzagelegging: het ontwerp moet ter inzage worden gelegd, inclusief de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp (zie art. 3:11 Awb). In paragraaf 3.2 van de praktijkgids staat beschreven dat tezamen met de ontwerp-onteigeningsbeschikking volgens art. 7.6 Ob nog een aantal stukken ter inzage moeten worden gelegd (zoals in deze notitie kort samengevat: a. een grondtekening en b. een projectietekening).
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 5.
Volgens art. 3:11 Awb moeten, naast het ontwerp, ook de stukken ter inzage worden gelegd die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp. Afhankelijk van de situatie kan het zijn dat daartoe de in art. 7.6 Ob vermelde stukken aanvulling behoeven. In ieder geval moeten belanghebbenden uit de stukken kunnen afleiden waarvoor hun grond nodig is en kunnen nagaan of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is. De definitieve inrichting zoals bij de brug kan nog kan wijzigen als gevolg van een Design&Construct-proces. Dit is gebruikelijk bij infrastructurele projecten (zie bijvoorbeeld: KB 21 januari 2019, nr. 2019000064, Stcrt. 2019, nr. 5352). In de zakelijke beschrijving is alsnog opgenomen dat de inrichting op onderdelen een referentie betreft waarvan de inrichting mogelijk nog wijzigt. De begrenzing van het werk staat echter vast en de oppervlakte zoals vermeld in de (ontwerp)onteigeningsbeschikking blijven daarom volledig benodigd. Volgens artikel 7.2, eerste lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Staatscourant 2023, nr. 32442, 29 december 2023) overlegt de verzoeker bij het verzoek tot bekrachtiging alle op het verzoek betrekking hebbende stukken, waaronder de in artikel 16.93 Ow en de daarop gebaseerde regelgeving genoemde stukken.
Daaronder worden volgens het Procesreglement in ieder geval begrepen: het onteigeningsdossier dat met toepassing van artikel 3:44, onder a, van de Awb ter inzage heeft gelegen; logboeken van het gevoerde minnelijke overleg; het besluit dat ten grondslag ligt aan de onteigening (het onteigeningsbelang); bewijsstukken van wie zijn aangeschreven, waaronder een lijst van belanghebbenden; bewijsstukken van publicaties; recente kadastrale uittreksels (eigendomsinformatie kadaster); de ingediende zienswijzen. De verzoeker moet volgens artikel 7.2, tweede lid van het Procesreglement vermelden welke op de zaak betrekking hebbende stukken voor eenieder ter inzage hebben gelegen en welke niet, met de redenen waarom die stukken niet ter inzage zijn gelegd en indien van toepassing voor wie die stukken wel ter inzage hebben gelegen. Een voorbeeld van stukken die niet (of niet voor een ieder) ter inzage zullen hebben gelegen zijn de logboeken en de bewijsstukken van het minnelijk overleg zoals de door onteigenaar aan belanghebbenden gedane aanbiedingen tot schadeloosstelling of gespreksverslagen. Gezien het bovenstaande heeft de gemeente de logboeken en de minnelijke onderhandelingen niet voor een ieder ter inzage gelegd. Ook onder de Onteigeningswet was dat gangbare praktijk (zie: KB 23 januari 2020, nr. 2020000142, Stcrt. 2020, 7693).
In de logboeken, de bewijsstukken en de adressenlijst van de belanghebbenden zijn gegevens opgenomen die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer. Deze stukken werden om die reden onder verwijzing naar de Wet open overheid niet voor een ieder ter inzage. Gebrek aan noodzaak en zorgvuldigheidsbeginsel Reclamant geeft aan dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt zoals verankerd in artikel 11.5 sub b en artikel 11.7 Omgevingswet omdat geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving. Geen duidelijkheid is gegeven over de kruising. Vooropgesteld zal de gemeente de minnelijke onderhandelingen laten doorlopen. Het heeft de voorkeur om niet daadwerkelijk tot onteigening te hoeven overgaan. Om tijdige uitvoering van het bestemmingsplan veilig te stellen heeft de gemeente de noodzaak gevoeld om de onteigeningsprocedure in te zetten. Het doel van de gemeente is om deze onteigeningsprocedure parallel te laten verlopen met de verdergaande minnelijke onderhandelingen. Deze onderhandelingen worden dus nadrukkelijk niet stop gezet. Het is de gemeente op dit moment gebleken dat genoegzaam kan worden vastgesteld dat de minnelijke onderhandelingen stagneren en dat niet blijkt dat op (korte) termijn overeenstemming wordt verkregen. Dit wordt bevestigd door de ingebrachte zienswijze. Aangegeven wordt dat onvoldoende zou zijn onderhandeld.
Geen overeenstemming is er over de hoogte van de schadeloosstelling en geen overeenstemming is er over een aan te leggen kruising. Ingevolge artikel 15.28 van de Omgevingswet vindt onteigening plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De gemeente stelt primair dat de hoogte van de schadeloosstelling niet in het kader van onderhavige administratieve onteigeningsprocedure ter beoordeling dient te staan. De hoogte van de
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 6.
schadeloosstelling komt in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Los daarvan is relevant dat de gemeente Moerdijk haar aanbiedingen heeft gebaseerd op het uitgangspunt van een volledige schadeloosstelling en de bedragen zijn begroot door een onafhankelijke taxateur. Tegen die achtergrond is er geen sprake van een situatie waarin er een aanbod is gedaan dat op voorhand onwerkelijk was. Bij de toetsing van het minnelijk overleg speelt ook het gedrag van de grondeigenaar een rol. In het KB van 14 juni 2017 overwoog de Kroon daarover het navolgende (Stcrt. 2017, 35496)
hebben overwogen, mag in een proces gericht op de minnelijke verwerving van gronden vooreerst van een onteigenende partij worden verwacht dat deze een aanbod tot schadeloosstelling doet gericht op deze verwerving. Van de te onteigenen partij mag echter ook worden verwacht dat deze daartegenover zijn eis wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling kenbaar maakt. Op basis van wederzijdse taxaties, die in het verdere overleg kunnen worden ingebracht en uitgewisseld, kan vervolgens verder worden onderhandeld, in welk kader beide partijen eventueel tot wijziging van hun standpunten
Verder volgt uit de wetsgeschiedenis bij de Omgevingswet dat de beoogd onteigenaar net zoals onder de onteigeningswet alleen een aanbod in geld hoeft te doen. Er bestaat met andere woorden geen verplichting om compensatiegrond aan te bieden of te praten over andere alternatieve oplossingen (zie TK 2018-2019, 35133, nr. 3, p. 110). De gemeente Moerdijk heeft desalniettemin het aspect van de kruising besproken. Dit aspect is overigens in hoofdzaak planologisch van aard en kan daarom niet aan de orde komen in de administratieve onteigening (KB 9 november 2024, nr. 2024002465, Stcrt. 2024, 39359). Het gaat te ver om in deze zienswijze uitgebreid in te gaan op de kruising die wordt voorgestaan en uitgebreid in te gaan op de hoogte en omvang van de schadeloosstelling. De zienswijze van reclamant 2 bevestigt dat de kruising en de schadeloosstelling uitvoerig zijn besproken. Dat er nog geen overeenstemming is en partijen niet op eenzelfde lijn liggen, mag duidelijk zijn en is ook de reden geweest om de onteigeningsprocedure in te zetten. Urgentie Reclamant geeft aan dat niet voldaan is aan artikel 11.11 Omgevingswet. Een Onteigeningsbeschikking kan enkel worden gegeven als de onteigening urgent is.
De urgentie ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is. Volgens reclamant niet inzichtelijk gemaakt wanneer met welke werkzaamheden wordt gestart en daardoor is volgens reclamant niet aannemelijk gemaakt dat zal worden voldaan aan het vereiste van urgentie. De gemeente is van mening dat in de ontwerp stukken voldoende duidelijkheid is verschaft over de planning en de wijze van inrichting maar ziet in de zienswijze van reclamant wel aanleiding om de stukken om deze onderdelen aan te scherpen en de verduidelijken richting de ten aanzien van de door de gemeenteraad te nemen onteigeningsbeschikking.
1.5.
Reclamant 3:
Cliënt is pachter van het perceel kadastraal bekend gemeente Klundert, sectie G, nummer 659, alsook van de percelen kadastraal bekend gemeente Klundert, sectie G, nummer 658 en 660. Voornoemde percelen zijn in gebruik als één geheel. Het perceel G 659 is in het ontwerp opgenomen als te onteigenen onroerende zaak. Cliënt is derhalve belanghebbende. De zienswijze van reclamant 3 is gericht op onderstaande 5 onderdelen. 1. Publicatie en toezending 2. Gegevens en bescheiden ontbreken #61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 7.
3. Gebrek aan noodzaak en zorgvuldigheidsbeginsel 4. Formulering voorwaarde 5. Urgentie Volgens reclamant is de procedure onzorgvuldig gevoerd en derhalve strijdig met het zorgvuldigheidsbeginsel en strijdig aan artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht. De kennisgeving was niet meegezonden hetgeen wel was aangekondigd. Ook was voor reclamant onduidelijk naar wie de zienswijzen moest worden gericht. Reclamant geeft aan dat op grond van artikel 7.215c van de omgevingsregeling gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt die betrekking hebben op het minnelijk overleg, waaronder in ieder geval een chronologisch overzicht van het minnelijk overleg en de door de onteigening aan de belanghebbende of belanghebbenden gedane aanbieding of aanbiedingen tot schadeloosstelling. Er is volgens reclamant 2 ook strijdigheid met artikel 7.215c sub i Omgevingsregeling waarin staat vermeld dat de tijdsplanning van de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling , gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is, waaronder ten minste de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de verwezenlijking. In de zakelijke beschrijving is volgens reclamant niet inzichtelijk gemaakt wanneer men naar verwachting zal beginnen met de verwezenlijking, derhalve met de voorbereidende werkzaamheden.
Reclamant geeft voorts aan dat artikel 7.215c omgevingsregeling voorschrijft dat diverse tekeningen moeten worden verstrekt waaronder een detailtekening aangaande de realisatie. Als gevolg daarvan stelt reclamant 3 dat het ontwerp van de onteigeningsbeschikking gebreken kent en niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Verzocht wordt om niet over te gaan tot het nemen van een definitief besluit.
1.6.
Reactie gemeente Moerdijk
Procedurele onderdelen De gemeente gaat hieronder in op de 5 onderdelen waarbij onderdeel 1, 2 en 4 worden samengevoegd. Deze onderdelen zien op de procedure die is gevoerd, Bij toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het volgens de jurisprudentie het uitgangspunt dat het niet is geoorloofd om na de terinzagelegging van het ontwerp te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerp ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is dan wel aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld. In het onderhavige geval is er sinds 1 januari 2024 sprake geweest van een wetswijziging waardoor de onteigeningsprocedure is gewijzigd van dan onder de Onteigeningswet is het aan de gemeente zelf om toepassing te geven aan de hiervoor genoemde uniforme openbare voorbereidingsprocedure. De gemeente heeft hiervoor gebruik gemaakt van de Praktijkgids Onteigening voor overheden. Deze praktijkgids biedt een praktische uitwerking van de stappen die moeten worden doorlopen in een onteigeningsprocedure volgens de Omgevingswet. De Praktijkgids Onteigening voor Overheden is begin 2024 geactualiseerd omdat de rechtbanken instructies hebben gegeven voor de inhoud van het dossier dat bij een verzoek tot bekrachtiging van een onteigeningsbeschikking moet worden aangeleverd.
Deze instructies zijn vastgelegd in het aangepaste Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Staatscourant 2023, nr. 32442, 29 december 2023). Ten aanzien van de procedure die tot dusver is gevoerd, overweegt de gemeente dat inderdaad ten onrechte is verwezen naar een mee te sturen kennisgeving en dat de postcode niet correct was weergegeven. Ook was er sprake van een kennelijke schrijffout in het ontwerp van de onteigeningsbeschikking onder punt V is aangegeven Uit het feit dat reclamant een zienswijze heeft ingediend ziet de gemeente een bevestiging dat de belangen niet zijn geschaad. Hetzelfde geldt ten aanzien van de opmerkingen over de zakelijke beschrijving en de detailtekening aangaande de realisatie. De gemeente is van mening dat in de ontwerp stukken voldoende duidelijkheid is verschaft over de planning en de wijze van inrichting maar ziet in de zienswijze van reclamant wel aanleiding om de stukken om deze onderdelen aan te scherpen en de verduidelijken richting de ten aanzien van de door de gemeenteraad te nemen onteigeningsbeschikking. #61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 8.
Artikel 7.215c van de Omgevingsregeling verwijst naar de aanvraag om een onteigeningsbeschikking. Van een aanvraag om een onteigeningsbeschikking is geen sprake. De gemeente Moerdijk voert zelf de procedure. Daarbij is ook van belang: het Omgevingsbesluit en het stadium dat thans aan de orde is geweest namelijk de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In dit stadium zijn enkele ontwerp-onteigeningsstukken door het College van Burgemeester en wethouders ter inzage gelegd waarna de gemeenteraad al dan niet of gewijzigd tot het nemen van de onteigeningsbeschikking overgaat. Volgens art. 3:11 Awb moeten, naast het ontwerp, ook de stukken ter inzage worden gelegd die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp. Afhankelijk van de situatie kan het zijn dat daartoe de in art. 7.6 Ob vermelde stukken aanvulling behoeven. In ieder geval moeten belanghebbenden uit de stukken kunnen afleiden waarvoor hun grond nodig is en kunnen nagaan of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is. De definitieve inrichting zoals bij de brug kan nog kan wijzigen als gevolg van een Design&Construct-proces. In de zakelijke beschrijving is alsnog opgenomen dat de inrichting op onderdelen een referentie betreft waarvan de inrichting mogelijk nog wijzigt.
Dit is gebruikelijk bij infrastructurele projecten (zie bijvoorbeeld: KB 21 januari 2019, nr. 2019000064, Stcrt. 2019, nr. 5352). De begrenzing van het werk staat echter vast en de oppervlakte zoals vermeld in de (ontwerp)onteigeningsbeschikking blijven daarom volledig benodigd. In eerder genoemde Praktijkgids Onteigening voor overheden staat beschreven dat bij het ontwerp van de onteigeningsbeschikking volgens art. 7.6 van het Omgevingsbesluit de volgende documenten ter inzage worden gelegd: a. een grondtekening; b. planologische grondslag met daarop een projectie van de grondtekening. De Praktijkgids geeft aan dat de grondtekening geen verplicht onderdeel uitmaakt van de beschikking. Het staat het bevoegd gezag echter vrij om de grondtekening of een overzichtstekening onderdeel te maken van de beschikking. De praktijkgids beschrijft verder dat dezelfde stukken die bij de ontwerp-onteigeningsbeschikking ter inzage hebben gelegen ook bij de onteigeningsbeschikking ter inzage moeten worden gelegd. Het kan zijn dat in deze stukken ook wijzigingen zijn doorgevoerd of dat deze zijn aangevuld na de terinzagelegging van de ontwerponteigeningsbeschikking. Aangezien afdeling 3.4 van de Awb volgens art. 16.33b Ow van toepassing is op de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking moet een ontwerp-onteigeningsbeschikking worden opgesteld.
De eisen die aan dat ontwerp en aan de onteigeningsbeschikking worden gesteld staan vermeld in art. 7.5 in ieder geval: a. de kadastrale aanduidingen van de te onteigenen onroerende zaak of zaken en de naam van de gemeente of gemeenten waar die onroerende zaak of zaken zijn gelegen; b. de kadastrale grootte van elk van de in de beschikking opgenomen percelen; c. als een gedeelte van een perceel in de beschikking wordt opgenomen: de grootte van dat gedeelte; d. de namen van de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de te onteigenen onroerende zaak of zaken volgens de basisregistratie kadaster; e. een beschrijving van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor de onteigening nodig is; en f. de naam van de onteigenaar. In hoofdstuk 3 van de Praktijkgids staat beschreven dat Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op de voorbereiding van een onteigeningsbeschikking. Zo is bepaald in art. 16.33b Omgevingswet. Dit betekent in ieder geval het volgende voor de terinzagelegging: het ontwerp moet ter inzage worden gelegd, inclusief de stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp (zie art. 3:11 Awb). In paragraaf 3.2 van de praktijkgids staat beschreven dat tezamen met de ontwerp-onteigeningsbeschikking volgens art.
7.6 Ob nog een aantal stukken ter inzage moeten worden gelegd (zoals in deze notitie kort samengevat: a. een grondtekening en b. een projectietekening). Volgens art. 3:11 Awb moeten, naast het ontwerp, ook de stukken ter inzage worden gelegd die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp. Afhankelijk van de situatie kan het zijn dat daartoe de in art. 7.6 Ob vermelde stukken aanvulling behoeven. In ieder geval moeten belanghebbenden uit de stukken kunnen afleiden waarvoor hun grond nodig is en kunnen nagaan of niet meer grond onteigend zal worden dan strikt voor de uitvoering van het werk nodig is. De definitieve inrichting zoals bij de brug kan nog kan wijzigen als gevolg van een Design&Construct-proces. In de zakelijke beschrijving is alsnog opgenomen dat de inrichting op onderdelen een referentie betreft waarvan de inrichting mogelijk nog wijzigt. De begrenzing van het werk staat echter vast en de oppervlakte zoals vermeld in de (ontwerp)onteigeningsbeschikking blijven daarom volledig benodigd.
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 9.
Volgens artikel 7.2, eerste lid van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021 (Staatscourant 2023, nr. 32442, 29 december 2023) overlegt de verzoeker bij het verzoek tot bekrachtiging alle op het verzoek betrekking hebbende stukken, waaronder de in artikel 16.93 Ow en de daarop gebaseerde regelgeving genoemde stukken. Daaronder worden volgens het Procesreglement in ieder geval begrepen: het onteigeningsdossier dat met toepassing van artikel 3:44, onder a, van de Awb ter inzage heeft gelegen; logboeken van het gevoerde minnelijke overleg; het besluit dat ten grondslag ligt aan de onteigening (het onteigeningsbelang); bewijsstukken van wie zijn aangeschreven, waaronder een lijst van belanghebbenden; bewijsstukken van publicaties; recente kadastrale uittreksels (eigendomsinformatie kadaster); de ingediende zienswijzen. De verzoeker moet volgens artikel 7.2, tweede lid van het Procesreglement vermelden welke op de zaak betrekking hebbende stukken voor eenieder ter inzage hebben gelegen en welke niet, met de redenen waarom die stukken niet ter inzage zijn gelegd en indien van toepassing voor wie die stukken wel ter inzage hebben gelegen.
Een voorbeeld van stukken die niet (of niet voor een ieder) ter inzage zullen hebben gelegen zijn de logboeken en de bewijsstukken van het minnelijk overleg zoals de door onteigenaar aan belanghebbenden gedane aanbiedingen tot schadeloosstelling of gespreksverslagen. Gezien het bovenstaande heeft de gemeente de logboeken en de minnelijke onderhandelingen niet voor een ieder ter inzage gelegd. Ook onder de Onteigeningswet was dat gangbare praktijk. In de logboeken, de bewijsstukken en de adressenlijst van de belanghebbenden zijn gegevens opgenomen die betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer. Deze stukken werden om die reden onder verwijzing naar de Wet open overheid niet voor een ieder ter inzage. Gebrek aan noodzaak en zorgvuldigheidsbeginsel Reclamant geeft aan dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt zoals verankerd in artikel 11.5 sub b en artikel 11.7 Omgevingswet omdat geen redelijke poging is gedaan tot minnelijke verwerving. Er zou geen duidelijkheid zijn verkregen over de nieuw te realiseren zaksloot en er zou evenmin duidelijkheid zijn over de dam. Vooropgesteld zal de gemeente de minnelijke onderhandelingen laten doorlopen. Het heeft de voorkeur om niet daadwerkelijk tot onteigening te hoeven overgaan. Om tijdige uitvoering van het bestemmingsplan veilig te stellen heeft de gemeente de noodzaak gevoeld om de onteigeningsprocedure in te zetten.
Het doel van de gemeente is om deze onteigeningsprocedure parallel te laten verlopen met de verdergaande minnelijke onderhandelingen. Deze onderhandelingen worden dus nadrukkelijk niet stop gezet. Het is de gemeente op dit moment gebleken dat genoegzaam kan worden vastgesteld dat de minnelijke onderhandelingen stagneren en dat niet blijkt dat op (korte) termijn overeenstemming wordt verkregen. Dit wordt bevestigd door de ingebrachte zienswijze. Aangegeven wordt dat onvoldoende zou zijn onderhandeld. Geen overeenstemming is er over de hoogte van de schadeloosstelling en geen overeenstemming is er over een aan te leggen kruising. Ingevolge artikel 15.28 van de Omgevingswet vindt onteigening plaats op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De gemeente stelt primair dat de hoogte van de schadeloosstelling niet in het kader van onderhavige administratieve onteigeningsprocedure ter beoordeling dient te staan. De hoogte van de schadeloosstelling komt in de procedure bij de rechtbank over de schadeloosstelling aan de orde. Los daarvan is relevant dat de gemeente Moerdijk haar aanbiedingen heeft gebaseerd op het uitgangspunt van een volledige schadeloosstelling en de bedragen zijn begroot door een onafhankelijke taxateur.
Tegen die achtergrond is er geen sprake van een situatie waarin er een aanbod is gedaan dat op voorhand onwerkelijk was. Bij de toetsing van het minnelijk overleg speelt ook het gedrag van de grondeigenaar een rol. In het KB van 14 juni 2017 overwoog de Kroon gehoord hebbende de Raad van State - daarover het navolgende (Stcrt. 2017, 35496)
hebben overwogen, mag in een proces gericht op de minnelijke verwerving van gronden vooreerst van een onteigenende
#61497522v1
1488.64-N1c1
Blad 10.
partij worden verwacht dat deze een aanbod tot schadeloosstelling doet gericht op deze verwerving. Van de te onteigenen partij mag echter ook worden verwacht dat deze daartegenover zijn eis wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling kenbaar maakt. Op basis van wederzijdse taxaties, die in het verdere overleg kunnen worden ingebracht en uitgewisseld, kan vervolgens verder worden onderhandeld, in welk kader beide partijen eventueel tot wijziging van hun standpunten met betrekking tot de schadeloosstellin Verder volgt uit de wetsgeschiedenis bij de Omgevingswet dat de beoogd onteigenaar net zoals onder de onteigeningswet alleen een aanbod in geld hoeft te doen. Er bestaat met andere woorden geen verplichting om compensatiegrond aan te bieden of te praten over andere alternatieve oplossingen (zie TK 2018-2019, 35133, nr. 3, p. 110). Desalniettemin is er wel gesproken over de nieuw te realiseren zaksloot. Indien reclamant sub 3 meent dat deze sloot onvoldoende functioneert en dat gevolgen heeft voor de schadeloosstelling, kan een en ander worden aangevoerd bij de civiele rechter. De gemeente Moerdijk heeft in ieder geval geen reden om te twijfelen aan het watervoerend vermogen van de bewuste sloot. Verder is ook het aspect van een dam besproken. Of deze alternatieve oplossing kan worden geboden, moet nog nader worden onderzocht.
Dat er nog geen overeenstemming is en partijen niet op eenzelfde lijn liggen, mag duidelijk zijn en is ook de reden geweest om de onteigeningsprocedure in te zetten. Urgentie Reclamant geeft aan dat niet voldaan is aan artikel 11.11 Omgevingswet. Een Onteigeningsbeschikking kan enkel worden gegeven als de onteigening urgent is. De urgentie ontbreekt in ieder geval als niet aannemelijk is dat binnen drie jaar na het inschrijven van de onteigeningsakte een begin wordt gemaakt met de verwezenlijking van de beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor onteigening nodig is. Volgens reclamant niet inzichtelijk gemaakt wanneer met welke werkzaamheden wordt gestart en daardoor is volgens reclamant niet aannemelijk gemaakt dat zal worden voldaan aan het vereiste van urgentie. De gemeente is van mening dat in de ontwerp stukken voldoende duidelijkheid is verschaft over de planning en de wijze van inrichting maar ziet in de zienswijze van reclamant wel aanleiding om de stukken om deze onderdelen aan te scherpen en de verduidelijken richting de ten aanzien van de door de gemeenteraad te nemen onteigeningsbeschikking.
2.
CONCLUSIE
Gezien de inhoud van de genoemde zienswijzen en de reactie van het bevoegd gezag hierop is er wel aanleiding de ontwerponteigeningsbeschikking aan te passen. De gemeente heeft de ontwerp onteigeningsstukken als volgt aangepast: -
Er is een extra inrichtingstekening opgesteld geprojecteerd op een kadastrale ondergrond; De planning in de zakelijke beschrijving is aangevuld en er heeft een aanvulling plaatsgevonden op de zakelijke beschrijving met de onderbouwing dat op onderdelen de weg wordt aangelegd met een Design&Construct-proces zodat de inrichting mogelijk nog wijzig maar dat duidelijk is dat de begrenzing van het werk vaststaat zodat de oppervlakte vermeld in de ontwerponteigeningsbeschikking daarom volledig benodigd zal blijven.
#61497522v1