CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend RV- Nieuwe havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Nieuwe havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk10.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

X TqOERDIJK Raadsvoorstel Portefeuillehouder(s) Datum commissiebehandeling Datum raadsbehandeling Zaaknummer

14 december 2023 1005340

Onderwerp

Nieuwe havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk

burgemeester A.J. Moerkerke 29 november 2023

Voorgesteld besluit 1. Nieuwe havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk vast te stellen. Publiekssamenvatting De havenverordening van haven- en industrieterrein Moerdijk legt regels vast voor het veilig en ordelijk gebruik van de haven en de landzijde van het haven- en industr¡eterrein. Deze regels gelden voor alle gebruikers van het haven- en industrieterrein. De huidige "Havenbeheerverordening Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk 2016" is sinds de verzelfstandiging van de haven nog niet inhoudelijk aangepast maar is nu herijkt naar de veranderende en actuele omstandigheden. ln de nieuwe "havenverordening haven- en industrieterre¡n Moerdijk" (hierna "Havenverordening") is tevens een integrale en volledig beschrijving opgenomen van de publieke taken en verantwoordelijkheden op het haven en lndustrieterrein, zoals deze na de verzelfstandiging van het Havenschap naar Havenbedrijf van toepassing zijn. Met deze nieuwe verordening kan het veilig en ordelijk gebruik van het haven- en industrieterrein beter gewaarborgd worden. Bij de herijking is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij (de opbouw en indeting van) de Havenverordening van Rotterdam. Hiermee wordt uniformiteit tussen de havenverordeningen van de zeehavens bevorderd, zoals in het landelijk havenoverleg is afgesproken.

Om de (toenemende) toezichtstaken op de bepalingen ín de Havenverordening structureel en gestructureerd uit te voeren, is in 2020 door zowel Havenbedrijf als gemeente extra capaciteit beschikbaar gesteld. Dít is inmiddels geborgd binnen de bestaande capaciteit en verankerd in een Dienstverleningsovereenkomst.

Inleiding Bij de verzelfstandiging van het Havenbedrijf ís de destijds geldende verordening maar zeer beperkt inhoudelíjk aangepast. We hebben inmiddels meer ervaring opgedaan met de werkwíjze van het Havenbedrijf en zijn ook steeds intensiever gaan samenwerken met het havenbedrijf van Rotterdam. Hierdoor, en vanwege de afspraken in het landelijk havenoverleg, is de noodzaak ontstaan om de geldende verordening meer af te stemmen op de verordening van m.n. Rotterdam. Tevens was het noodzakelijk om de verordening aan te passen aan veranderende veiligheidseisen en (inter)nationale regelgeving. De nieuwe Havenverordening is landelijk afgestemd en kent daardoor een totaal andere opzet en indeling dan de nu in te trekken verordening. Het is dan ook niet mogelijk om een overzicht van gewijzigde artíkelen op te nemen.

Beoogd effect Het doel van de nieuwe verordening ís het zo goed mogelijk kunnen beheersen van de

veiligheidsrisico's op het haven- en industrieterrein.

Argumenten 7.'l Verbeterde waarborging van de veiligheid

Op het haven- en industrieterrein Moerdijk zijn veel bedrijven gevestigd met een verhoogd veiligheidsrisico en worden ook in de haven activiteiten uitgevoerd die risicovol kunnen zijn. Om al deze activiteiten in goede banen te kunnen leiden, is het noodzakelijk om een verordening te hebben die hiervoor de kaders schept. De nieuwe Havenverordening betreft een doorontwikkeling van de bestaande havenbeheerverordening uit 2016 en is mede gebaseerd op de nieuwe havenverordeningen van Rotterdam en Amsterdam. Deze verordeningen zijn tot stand gekomen na een uitvoerig traject met vele deskundigen. Hierdoor biedt de nieuwe verordening een goed kader voor de regulering van scheepvaart in de zeehaven van Moerdijk. 7.2 Het voldoen aan gestelde eisen in van toepassing zijnde (inter)nationale wet-/ regelgeving en veiligheíds-/ mtlieucodes Het geconcretiseerd bundelen van wet-/ regelgeving en (inter)nationale afspraken voor het beheer en gebruik van havens en het toezicht hierop door bevoegd gezag.

Kanttekeningen 7.7 lnzet van personele middelen De verordening bevat veeltoezichthoudende (nautische) taken. Deze taken zijn in eerste aanleg belegd bij de Havenmeester van het Havenbedrijf Moerdijk. Voor toezichthoudende taken aan land is capaciteit geborgd voor in het uitvoer¡ngsprogramma buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) en de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB). Communicatie Na vaststelling wordt de verordening bekendgemaakt in ons digitale Gemeenteblad op overheid.nl. Daarnaast zal vanuit het Havenbedr¡f aandacht worden geschonken aan communicatie via de daarvoor geëigende kanalen, waarbij met name aandacht zal zijn voor vaaruveggebruikers. Verwijs naar het participa tietnject

Het Havenbedrijf is nauw betrokken geweest b'rj het opstellen van deze nieuwe verordening Hierbij is tevens overleg geweest met het havenbedrijf van Rotterdam.

Vervolg Na vaststelling van de verordening moeten de bevoegdheden die in de verordening aan het college zijn toegekend nog door het college gemandateerd worden aan het Havenbedrijf.

Bijlagen

1. Havenverordening haven- en industrieterrein Moerd'rjk

Mocht u vragen hebben over dit voorstel, dan kunt u contact opnemen met de griffier via email qriffie@moerdiik.nl.

Zevenbergen, 7 november 2023 Burgemeester en wethouders van Moerdijk,

de gemeentesecretaris,

I I t

ir. J.C

de burgemeester,

Havenverordening haven- en industrieterrei n Moerd ¡j k De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van l4 december 2023

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 7 november 2023.

geletopdeartikelen 108 lid 1,147 lid l,149en 156,derdelid,vandeGemeentewet; overwegende dat:

- het noodzakelijk is in deze Havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk regels met betrekking tot het goed havenbeheer te herzien in verband met nieuwe ontwikkelingen, zowel op nautisch, milieu hygiënisch als op technisch en ordeningsgebied; - de Havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk dient ter bevordering van een goed havenbeheer, daaronder begrepen de ordening, de veiligheid en het milieu van de haven en de omgeving van de haven, en de kwaliteit van de dienstverlening in de haven; BESLUIT

vast te stellen de HAVENVERORDENINC HAVEN- EN INDUSTRIETERREIN MOERDUK

Paragraaf I

Algemene bepalingen

Artikel I .l Begripsomschrijvingen ln het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt verstaan onder: ADN: Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren; - bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken: een schriftelijke mededeling aan het scheepvaartverkeer waarmee aan dat verkeer wordt gegeven: a. een inlichting over de toestand van een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg, of; b. een inlichting, aanbeveling, gebod of verbod onderscheidenlijk opheffing van een gebod of verbod voor het verkeersgedrag op een bepaalde plaats in of een bepaald gedeelte van een scheepvaartweg; - binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip; - binnentankschip: binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading of gas als bedoeld in het ADN in ladingtanks;

-

boeienspan: ligplaats met het kenmerk dat het schip vanaf het voor- of achterschip op of tussen een of meer daarvoor bestemde boeien of palen kan afmeren, waarbij het schip gemeerd ligt zonder enig contact met overige havenafmeervoorzieningen;

bootliedenorganisatie: een organisatie van bootlieden die act¡v¡teiten verricht ter waarborging van de vakbekwaamheid van bootlieden en zorgdraagt voor het vereiste materieel of een bedrijf waar bootlieden werkzaam zijn; bootman: degene die in de uitoefening van zijn beroep een zeeschip vast- of losmaakt; brandbare vloeistof: vloeistof waarvan brandbaarheid de enige gevaarlijke eigenschap is; bunkeren: het leveren van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen of van elke andere energiebron die wordt gebruikt voor de aandrijving van schepen of voor de algemene of specifieke energievoorziening aan boord van schepen; bunkerschip: schip gebruikt voor het bunkeren; bunkervergunning: vergunning voor het leveren of debunkeren van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen of van elke andere energiebron die wordt gebruikt voor de aandrijving van schepen en voor de algemene of specifieke energievoorziening aan boord van schepen; college: college van burgemeester en wethouders; combinatietankschip: zeeschip, ingericht om afwisselend onverpakte vloeibare lading of droge lading te kunnen vervoeren; controlelijst: lijst die wordt gebruikt ter controle van de overslag van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen, bunkeren, debunkeren of het aan boord brengen van hulpstoffen; communicatievaren: het tegen vergoeding vervoeren van personen van en naar zeeschepen; damp: de atmosfeer die

boven een vloeibare stof aanwezig is als gevolg van een bepaalde

druk van die vloeibare stof; dampretourleiding: dampdrukvereffeningssysteem tussen de br1 de directe overslag betrokken ladingtanks waardoor de overslag emissieloos plaatsvindt; debunkeren: het terugleveren van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen of van elke andere energiebron die wordt gebruikt voor de aandrijving van schepen en voor de algemene en specifieke energievoorziening aan boord van schepen; dienstverlenend schip: elk schip dat betrokken is bU de volgende vormen van dienstverlening aan schepen, die verband houden met: a. het repareren of reinigen; b. het schoonmaken, zowel open, gesloten of anderszins; c. het brengen of halen van voorraden of scheepsonderdelen; d. het inzamelen van scheepsafvalstoffen, of; e.

het inspecteren van de scheepshuid; exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; exploitant van een boeienspan of een palenligplaats: eigenaar, beheerder of ieder ander die zeggenschap heeft over het gebruik van een boeienspan of een palenligplaats; gasdeskundige: deskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid 'Gasdeskundige' als bedoeld in artikel 3.5h, vierde lid, van het Arbeidsomstandig heden bes lu it; gesloten schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met het reinigen, gasvrij of dampvrij maken van ladingtanks of sloptanks van een tankschip zodanig dat tijdens de handeling geen emissie naar de atmosfeer plaatsvindt, waaronder ook het gebruik maken van een ontgasvoorziening; 2

gevaarlUke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie, vergiftiging, bedwelming of stral¡ng (kunnen) opleveren, zoals vermeld in: a. de IBC Code; b. de ICC Code; c. de IMDC Code; d. de IMSBC Code, of; e. het ADN; haven: de in open verbinding met het Hollandsch Diep staande wateren binnen het havengebied, die voor de scheepvaart openstaan, zoals aangegeven op de kaart in bijlage

t; havenmeester: havenmeester als bedoeld in artikel 2.1 ; hulpbedrijf: machines, apparaten of installaties op een schip die de voortstuwing ondersteunen of de energievoorziening verzorgen; hulpstoffen: stoffen, die aan boord van een schip nodig zijn voor de werking van de aandrijving of het hulpbedrijf; IBC Code: lnternational Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van de IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Dangerous Chemicals in Bulk van de IMO; IGC Code: lnternational Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Cases in Bulk van de IMO of Code for the Construction and Equipment of Ships Carrying Liquefied Gases in Bulk van de IMO; IMDG Code: lnternational Maritime Dangerous Coods Code; IMO: lnternationale Marit¡eme Organisatie van de Verenigde Naties; IMSBC Code: lnternational Maritime Solid Bulk Cargoes Code; inerte atmosfeer: een atmosfeer in een ladingtank of sloptank waarin het zuurstofgehalte is verminderd tot ten hoogste 8 volume procent door het toevoegen van een inert gas onder positieve druk; infrastructuur: het geheel van plaatsgebonden, duurzame investeringsgoederen voor het verkeer of vervoer van:

a. personen en vracht, zoals water, wegen, bruggen, tunnels, kades, sluizen en zeehavens;

b. bovengrondse masten en kabels voor elektriciteit en telecommunicatie, of; c. ondergrondse (of onderzeese) pijpleidingen voor water, gas en olie, rioleringen, kabels voor telecommunicatie, e.d.; ISCINTT: lnternational Safety Guide for lnland Navigation Tank-barges and Terminals; ISCOTT: lnternational Safety Cuide for Oiltankers and Terminals; kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip voert; kwetsbare objecten: zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen of locaties als bedoeld in bijlage Vl van het (ontwerp) Besluit kwaliteit leefomgeving; ladingresiduen: de restanten van lading die na het laden en lossen op het dek of in ruimen of tanks achterblijven, met inbegrip van overschotten of restante die het gevolg zijn van morsen bij het laden en lossen, in natte of droge toestand of meegevoerd in waswater, en exclusief ladingstof dat na vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip; ligplaats: een gelegenheid voor schepen om te liggen; loods: degene die bij of krachtens de wet bevoegd is verklaard om als loods op te treden; MARPOL: lnternational Convention for the Prevention of Pollution from Ships oliehaven: gebied ingericht voor de afhandeling van een tankschip met gevaarlijke stoffen; 3

ontgast vaartuig: een vaartuig waarvoor door een gasdeskundíge een certificaat is afgegeven, inhoudende dat het vaartuig veilig is voor mensen en voor vuur; ontgasvoorziening: vaste of mobiele voorziening, anders dan een dampretourleiding, om dampen van lading te ontvangen tijdens het gasvrij of dampvrij maken van lege of geloste tanks en daarop aangesloten laad- en losleidingen of tijdens de overslag van gevaarlijke of schadelijke stoffen; ontsmetten: behandelen met gassen of stoffen die gassen afstaan; ontvangst van scheepsafvalstoffen: de ontvangst van scheepsafvalstoffen door een vaste, drijvende of mobiele voorziening die is ingericht voor de ontvangst van scheepsafvalstoffen als omschreven in Richtlijn 2019/8S3/EC van het Europees Parlement en de Raad, of zoals nadien gewijzigd of herzien; ontvangstvoorziening: voorziening voor de ontvangst van scheepsafvalstoffen; open schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met het reinigen, gasvrij of dampvrij maken van ladingtanks of sloptanks van een tankschip zodanig dat een emissie naar de atmosfeer kan plaatsvinden; open vuur: vuur, vonkvorming en elk oppervlak binnen een afstand van 25 metervan een gevaarlijke stof, dat een temperatuur heeft die gelijk is aan of hoger dan de minimumontstekingstemperatuur van die stof; operationele ruimte: in lengte, breedte, diepte of hoogte begrensd gebied, waarbinnen

schepen ligplaats kunnen nemen om hun activiteiten u¡t te oefenen; overslag: laden of lossen van lading in of uit een schip; palenligplaats: ligplaats waartegen een schip kan afmeren zonder enig contact met overige havenafmeervoorzien i ngen ; passagiersschip: een binnenschip dat is bestemd of wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van meer dan twaalf personen buiten de bemanning ; plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een locatie, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is; plantaardige of dierlijke oliën: oliën of vetten die gewonnen worden uit zaden of vruchten van planten of bomen of oliën en vetten van dierlijke oorsprong; pleziervaartuig: schip dat is bestemd of wordt gebruikt voor sportbeoefening of vrijetijd sbested ing;

schadelijke stoffen: stoffen die als zodanig bU of krachtens de Wet voorkoming verontreiniging door schepen zijn aangewezen of worden genoemd; scheepsafvalstoffen: al het afval van het schip, met inbegrip van ladingresiduen, dat tijdens de exploitatie van een zeeschip of tijdens laad-, los- en schoonmaakactiviteiten ontstaat en binnen het toepassingsgebied van de bijlagen l, ll, lV, V en Vl bij het MARPOLverdrag valt, eveneens passief opgevist afval; schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie, een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een drijvende kraan, een elevator, een ponton, een duwbak, een drijvend werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting; schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip voert; sloptank: tank aan boord van een schip, bestemd voor het houden van al dan niet met water vermengde ladingrestanten van schadelijke, brandbare of andere gevaarlijke vloeistoffen (slops); sleepboot: een schip dat sleepdienst verricht of assistentie verleent en hiertoe is bestemd; 4

spudpaal: voorziening waarmee een schip zichzelf in de onderwaterbodem kan verankeren door middel van verticale meerpalen waarmee het schip zelf is u¡tgerust; STSTCP: Ship to Ship Transfer Guide for Petroleum, Chemicals and Liquefied Gases; tankschip: binnentankschip of zeetankschip; toestem ming: vergu n ning, ontheffi ng, erkennin g of vrijstel li ng; veiligheidscontour: veiligheidscontour als vastgesteld in het besluit tot vaststelling van de Veiligheidscontour Zeehaven- en lndustrieterrein Moerdijk van gedeputeerde staten van Noord-Brabant en het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk van l2 mei 2020. Deze contour ligt rondom het Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk en valt grotendeels samen met het plangebied van het bestemmingsplan Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk dat op l8 januari 20.l8 door de gemeenteraad is vastgesteld. ventileren: het drogen van geopende ladingtanks of sloptanks van een tankschip naar de atmosfeer nadat deze zijn schoongemaakt, waarbij de concentratie gevaarlijke gassen en dampen in het uitgeblazen mengsel op plaats van uittreding: a. niet meer dan 1O% van de onderste explosiegrens bedraagt, of; b.

zich onder de grenswaarde bevindt, als bedoeld in artikel 4.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, voor stoffen als bedoeld in het ADN waarbij in kolom l8 van tabel C een giftigheidsmeter wordt vereist; vissen: het te water brengen, te water hebben, lichten of ophalen van vistuigen ten behoeve van de vissport alsmede het op enigerlei ander wijze pogen om vis, schaal- of schelpdieren uit het water te bemachtigen; vlampunt: de laagste temperatuur van een vloeistof, waarbij de damp daarvan met lucht een ontvlambaar mengsel vormt; vluchtige organische stoffen: organische verbinding van antropogene aard met uitzondering van methaan, die bU 293,15 K een dampspanning heeft van I kPa of meer of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft; werkschip: elk schip dat onderhoudswerkzaamheden uitvoert aan de infrastructuur, uitgezonderd een schip dat baggerwerkzaamheden uitvoert; zeeschip: schip dat volgens zijn constructie uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor de vaart op zee; zeetankschip: zeeschip, gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van onverpakte vloeibare lading of gas als bedoeld in de IGC code in zijn ladingtanks.

Artikel I.2 Waar gelden deze regels?

l Deze verordening is van toepassing in het havengebied (b|lage l). 2. Binnen het havengebied zijn naar rangschikking van toepassing: a. de Havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk. b. de Algemene Plaatselijke Verordening. 3. Daar waar deze Havenverordening niets regelt, is zodoende de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Moerdijk van toepassing.

Artikel I.3 Op wie is deze verordening van toepassing? I

. De kapitein, schipper of chauffeur is in ieder geval verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, tenzU in deze verordening anders is bepaald.

5

2

Als een kapitein, schipper of chauffeur niet op het vaar-l voertuig aanwezig is, is de exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening.

Artikel 1.4 Beslistermijn toestemming 'l

. Het college beslist op een aanvraag voor een toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2. Het college kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen

1. Het college kan aan een toestemming, aanwijzing of maatregel voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen zijn bedoeld ter bescherming van het belang of de belangen van de betreffende toestemming, aanwijzing of maatregel. 2. Degene aan wie een toestemming, aanwijzing of maatregel is gegeven, houdt zich aan de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen.

Artikel 1.6 Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming Het college kan de toestemming weigeren, wijzigen of intrekken als:

a. brj de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b. dit noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid, het efficiënt gebruik van de

haven, het milieu in de haven of de omgeving van de haven, alsmede kwaliteit van de dienstverlen ing; c. de voorschriften en beperkingen die verbonden zijn aan de toestemming niet zijn of worden nagekomen; d. van de toestemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termUn, binnen een redelijke termijn, of; e. de houder van de toestemming dit verzoekt.

Artikel I .7 Geldigheidsduur

. De toestemming geldt voor maximaal 5 jaar. 2. ln afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan door het college: a. een erkenning voor onbepaalde duur worden verleend; I

b. de vergunning als bedoeld in artikel 7.1 of artikel 7.5 voor een afwijkende maximale geldigheidsduur worden verleend.

Artikel I.8 Verplichtingen aan boord houden van toestemmingen I

. De toestemming of een (digitale) kopie daarvan, die op een schip betrekking heeft bevindt

zich aan boord van het schip. 2. Dit artikel is niet van toepassing op een duwbak.

Artikel 1.9 Ontheffing en vrijstelling van geboden en verboden I

. Het college kan op verzoek ontheffing of vrijstelling verlenen van de verboden en geboden zoals die bij of krachtens deze verordening zijn opgenomen. 6

2

Het college gebruikt deze bevoegdheid slechts als:

a' daardoor het efficiënt gebruik van de haven, de veiligheid, het milieu in de haven of de omgeving van de haven niet worden geschaad, en; b. de verzoeker aannemelijk maakt dat alle doelen als bedoeld onder a ten minste even goed worden gediend.

Artikel l.l0 Melding aan de havenmeester Het doorgeven van een op grond van het bepaalde bij of krachtens deze verordening verplicht gestelde melding, vindt plaats op een door de havenmeester aangegeven wijze of tijdstip, waarbij de havenmeester tevens de door te geven gegevens kan bepalen.

7

Paragraaf 2

Havenmeester

Artikel 2.1 Aanwijzing havenmeester Het college wijst de havenmeester aan

8

Paragraaf 3

Ordening en gebruik uan de haven

Artikel 3.1 Verkeerstekens en bekendmakingen met dezelfde strekking als een verkeersteken

l. Het college kan verkeerstekens plaatsen die zijn vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en kan die verkeerstekens voorzien van nadere 2'

aanduidingen. Een verkeersteken en de daarbij behorende nadere aanduidingen moeten worden nageleefd.

3. Wat in het eerste en tweede lid staat, is van overeenkomstige toepassing op een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken.

Artikel 3.2 Aanwijzen gebieden en periodes ligplaatsnemen

l. Het college kan gebieden aanwijzen waar: a. bepaalde categorieën van schepen zich wel of niet mogen bevinden, daaronder begrepen het nemen van een ligplaats, of; b. bepaalde activiteiten wel of niet zijn toegestaan; 2. Het college kan in de aanwijzing periodes aangeven waarbinnen de aanwijzing van toepassing is. 3. De aanwijzing van een ligplaats ontheft de kapitein of schipper van een vaartuig niet van de verplichting zich er van te overtuigen dat die ligplaats voor zijn vaartuig veilig is.

Artikel 3.3 Nemen van een ligplaats Een schip mag alleen ligplaats nemen als dit gebeurt:

a. in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere

aanduidingen die daar zijn aangebracht; b. in overeenstemming met een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken, of; c. op ligplaatsen, gelegen aan een afmeervoorziening met instemming van een huurder, erfpachter of eigenaar, behalve als het college het nemen van een ligplaats niet toestaat uit het oogpunt van het efficiënt gebruik van de haven, veiligheid of milieu.

Artikel 3.4 Deugdelijk afmeren Een schip wordt deugdelijk en veilig afgemeerd.

Artikel 3.5 Onvoldoende bemande vaartuigen

l. Het is verboden een vaartuig dat niet deelneemt aan het economisch verkeer of dat niet is bemand of dat onvoldoende is bemand om het te kunnen verhalen, op een ligplaats te laten liggen. 2. Het in het eerste lid gestelde is niet van toepassing indien het een vaartuig zonder bemanningsverblijf betreft, of indien het college een ontheffing heeft verleend. 3. Het college kan voor bepaalde categorieën vaartuigen ligplaatsen en gedeelten van een haven aanwijzen, waar het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

9

Artikel 3.6 Verhalen van schepen I

. Het college is bevoegd om een schip op kosten van de eigenaar, exploitant of de gebruiker,

te verhalen naar een andere ligplaats indien dat in het belang van de orde en veiligheid noodzakelijk is. 2. Van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid wordt, behoudens in een spoedeisend geval en in het geval van een onbekende eigenaar, beheerder of gebruiker, geen gebruik gemaakt dan nadat het college de eigenaar, beheerder of gebruiker van het vaartuig schriftelijk heeft opgedragen om het vaartuig voor een in de opdracht vermeld tudstip te verhalen naar een andere ligplaats en nadat is gebleken dat geen gevolg is gegeven aan de opdracht.

Artikel 3.7 Omhoog brengen van schepen Een schip mag alleen met hulpmiddelen omhoog worden gebracht, als het schip zich bevindt

in een gebied dat door het college hiervoor is aangewezen.

Artikel 3.8 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven

l.

Een schip mag geen voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven gebruiken, als:

a. het aan de grond zit; b. het gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt; c. de voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven worden gebruikt om het schip

tegen de kade of de oever aan te drukken, anders dan onmiddellijk voor het ontmeren of afmeren, of; d. dit schade kan toebrengen aan de infrastructuur. 2. Wat in het eerste lid, onder b, staat, geldt niet als het schip aan een ander schip gemeerd ligt en moet bij- of afdraaien ter voorkoming van schade. 3. Als de voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven van een schip in werking zijn, is een persoon die met het schip mag varen in de stuurhut aanwezig. 4. Wat in het derde lid staat, geldt niet als het schip: a. afmeert of ontmeert; b. een lengte van maximaal 35 meter heeft; c. op grond van het vereiste geldige certificaat, als bedoeld in de Binnenvaartwet, met één bemanningslid mag varen, en; d. één bemanningslid, zijnde de schipper, heeft, die als enige aan boord is.

Artikel 3.9 Gebruik van ankers en spudpalen

1. Een anker of een spudpaal mag alleen worden gebruikt: a. in door het college aangewezen gebieden, en; b. in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen of met een besluit met dezelfde strekking als een verkeersteken, of

c. als het gebruik geen schade toebrengt of schade kan toebrengen aan infrastructuur, in de onderwaterbodem aangebrachte ondergrondse infrastructuur of oever- of bescherm ingswerken.

2. Als een anker of spudpaal in een situat¡e als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt gebruikt, wordt dit vooraf gemeld aan de havenmeester.

10

3. Wat in het eerste lid staat, geldt niet voor een anker als deze wordt gebruikt door een zeeschip op advies van een loods: a. bij het afmeren, of; b. ter voorkoming van een aanvaring.

Artikel 3.1 0 Rechthebbenden Alleen een eigenaar of huurder dan wel anderszins gemachtigde mogen een schip vasthouden, zich daarop bevinden of een schip losmaken.

Artikel 3.1 I Melding bedrijfsstoring, gebrek, schade of aanvaring Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken voor het schip of de omgeving, dan wel een aanvaring worden direct aan de havenmeester gemeld.

Artikel 3.1 2 Meldplicht zeeschepen

'1. De kapitein, de exploitant of de agent van een zeeschip dat op weg is van of naar een binnen de haven gelegen ligplaats, meldt aan de havenmeester gegevens omtrent: a. de aankomst; b. het vertrek; c. het verhalen; d. de posit¡e van het schip; e. de gegevens met betrekking tot de te gebruiken nautische dienstverleners en de scheepsagent; f. de gegevens met betrekking tot het schip; g. de daarmee vervoerde lading, en; h. de uit te voeren reis. 2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien btj of krachtens het Besluit meldingsformaliteiten en gegevensverwerkingen scheepvaart en het Bi n ne nvaartpol iti ereg ement. I

Artikel 3.13 Operat¡onele ruimte ligplaatsen

l. Het college kan voor een ligplaats de operationele ruimte aanwijzen. 2. Het college kan aanvullende regels stellen met betrekking tot het nautisch gebruik van de operationele ruimte. 3. De huurder, erfpachter of eigenaar van de afmeervoorziening van de ligplaats mag schepen alleen ligplaats laten nemen binnen de operationele ruimte. 4. Bunker- of dienstverlenende schepen mogen voor het uitvoeren van hun werkzaamheden geheel of gedeeltelijk buiten de operationele ruimte ligplaats innemen na een melding aan de havenmeester, tenzij het college in het besluit als bedoeld in het eerste lid anders heeft bepaald.

ll

Artikel 3.I4 Maatregelen onttrekking economisch verkeer Het college kan maatregelen opleggen ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen dan wel het belang van een efficiënt beheer van de haven, aan een schip, als: a. dat schip niet beschikt over de vereiste cert¡ficaten; b. beslag is gelegd op dat schip, de lading of de bunkers; c. dat schip is opgelegd, of; d. dat schip is onttrokken aan het nautische of economisch verkeer.

Artikel 3.15 Voorzieningen in de haven Het is een ieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder of boven water te plaatsen of aan te brengen, tenzij: a. daardoor geen gevaar, schade of hinder kan ontstaan, of; b. het betreft het plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren en voorzieningen, en als zodanig in gebruik zijn, om een schip te laden en te lossen.

Artikel 3.16 Vast- en losmaken van zeeschepen

l. De diensten van Bootman mogen alleen worden verricht door een bootman voor een zeesch ip:

a. met een lengte van meer dan 75 meter; of b. met een lengte van 75 meter of minder dat is gebouwd of wordt gebezigd voor het vervoer van vloeibare gevaarlijke stoffen in bulk, tenzij het schip leeg is en de tanks van die stoffen zijn gereinigd. 2. Het eerste lid geldt niet als: a. terstond als bootman wordt gehandeld door de bemanningsleden die, bij aankomst of vertrek van het schip op de betreffende ligplaats, aan boord zijn en de kapitein dit meldt aan de havenmeester; b. wordt gehandeld door een bootman die aangesloten is bij een door het college erkende bootl iedenorgan isatie;

c. het zeeschip wordt verhaald langs een kade, zonder daarvan volledig los te komen; d. de werkzaamheden worden verricht in het kader van de opleiding Bootman, onder verantwoordelijkheid van een bootman als bedoeld in onderdeel b; of

e. het marine- of visserijschepen betreft en de kapitein aan de havenmeester meldt dat van de dienst van een bootman geen gebruik wordt gemaakt.

Artikel 3.1 7 Erkenning bootliedenorganisatie Het college kan bootliedenorganisaties erkennen.

Artikel 3.ì 8 Eisen erkenning bootliedenorganisatie Het college verleent een erkenning voor een bootliedenorganisatie, als deze

a. voorzien is van een geldig ISO 900.l of daarmee vergelijkbaar certificaat; b. beschikt over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar bootlieden kunnen worden besteld; 12

c. aantoont dat regelmatig overleg plaatsvindt met nautische dienstverleners in de haven omtrent de werkwijze en procedures bij meren en ontmeren; d. aantoont dat, om de continuïteit van de adequate dienstverlening te waarborgen, wordt voldaan aan de mogelijkheid om in volcontinudienst, per uur, ten minste 3 zeeschepen afzonderlijk, in verschillende situat¡es wat afmeting, scheepstype en locatie betreft, te kunnen meren of ontmeren, met behulp van daartoe gekwalificeerd personeel;

e. haar diensten aanbiedt aan alle zeeschepen en op alle afmeerlocaties voor zeeschepen, en;

f. aan de bootlieden een legitimatiebewijs, fysiek of digitaal, wordt verstrekt dat is voorzien van een goedgelijkende pasfoto en dat ten minste vermeldt: l'. de naam, geboorteplaats en geboortedatum van de bootman; 2. de met goed gevolg behaalde opleiding Bootman, bedoeld in artikel 3.1

3'.

9, eerste lid, onder a, met vermelding van de datum van

diplomaverstrekking; en de naam van de bootliedenorganisatie waarbij de bootman is aangesloten.

Artikel 3.19 Beroep en verplichtingen bootman

1. Het beroep van bootman wordt uitsluitend uitgeoefend door degene die: a. de opleiding Bootman, als opgenomen in het door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap vastgesteld dossier, onder toekenning van de betreffende registratiecode CREBO, met goed gevolg heeft afgesloten, of;

b. in een andere lidstaat van de Europese Unie met goed gevolg een opleiding tot bootman heeft afgesloten die gelijkwaardig is aan de opleiding Bootman, mits diegene de Nederlandse taal voldoende machtig is; of c. in de afgelopen zeven aansluitende kalenderjaren ten minste vier jaar ervaring heeft opgedaan als zelfstandig bevoegd bootman in een of meer havens binnen de Europese Unie, en degene:

1'. in een haven die met de Moerdijkse havensituatie te vergelijken is; 2". de Nederlandse taal voldoende machtig is; 3

beschikt over een groot vaarbewijs of een daaraan gelijkwaardig buitenlands bewijs van vaarbekwaamheid als bedoeld in bijlage 7.1, onder l.l, van de Binnenvaartregel¡ng en een basiscertificaat marifonie of een daaraan gelijkwaardig buitenlands bewijs;

4

naar het oordeel van de erkende bootliedenorganisatie waar hij te werk gesteld wordt of werkzaam is, een gelijkwaardig niveau van kennis en vaardigheden zeker is gesteld, en;

5'

is aangesloten bij een erkende bootliedenorganisatie als bedoeld in artikel 3.18. t3

2. De bootman is tijdens de werkzaamheden voorzien van een geldig legitimatiebewijs als bedoeld in artikel 3.18, onder f.

3. De bootman toont het legit¡matiebewijs, bedoeld in artikel 3.18, onder f, op verzoek van personen of bedrijven die van zijn diensten gebruik maken.

14

Paragraaf 4

Veiligheid en milieu in de haven

Artikel 4.1 Verontreiniging en overlast door schepen Het is verboden: a. stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan, of; b. in de haven aan boord van een schip een afvalverbrandingsoven te gebruiken.

Artikel 4.2 Verbod gebruik generator, hoofd- en hulpmotor

l.

Het college kan gebieden aanwijzen waarin het verboden is aan boord van een schip een

generator of een hoofd- of hulpmotor te gebru¡ken.

2. Het is toegestaan om direct voor het vertrek en direct na aankomst van een schip in een aangewezen gebied aan boord van een schip een generator of een hoofd- of hulpmotor in werking te hebben.

Artikel 4.3 Cevaar, schade of hinder opleverende schepen Het college kan als naar zijn oordeel een schip mogelijk gevaar, schade of hinder, of verstoring

van het efficiënt gebruik van de haven in of in de omgeving van de haven veroorzaakt of kan veroorzaken dan wel de veiligheid in gevaar brengt of kan brengen: a. een verbod opleggen om met dat schip de haven binnen te komen, in de haven te verblijven of zich met dat schip op een ligplaats te bevinden, of; b. mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven aan de kapitein, de schipper of de exploitant van het schip dat in de haven verblijft of zich op een ligplaats bevindt.

Artikel 4.4 Veilige toegang

l. Een afgemeerd schip beschikt over een veilige toegang. 2. Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken indien: a. de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge van laad- of loshandelingen, of;

b. het afmeren van korte duur is. Artikel 4.5 Verrichten van werkzaamheden

Een ieder mag aan een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, als: a. het schip ligplaats heeft op een locatie waar deze activiteiten zijn toegestaan, of;

b. de werkzaamheden: I

". plaatsvinden binnen een periode van 7 x 24 uur na aanvang van de eerste werkzaamheden;

2". geen gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken; 3'. ten minste 25 meter verwijderd zijn van gevaarlijke stoffen, laad- en losinstallaties voor gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal; l5

4". worden verricht en tudens de werkzaamheden doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn, direct beschikbaar zijn, en; 5'. geen vonkvorming naar de buitenlucht veroorzaken of kunnen veroorzaken als het schip in een oliehaven ligt. 2. Werkzaamheden op een tankschip of aan of in een brandstoftank van een schip die gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken, mogen alleen plaatsvinden als door een gasdeskundige: a. een veiligheids- en gezondheidsverklaring is afgegeven, of; b. is vastgesteld dat geen veiligheids- en gezondheidsverklaring nodig is.

3. Het is een ieder verboden om werkzaamheden u¡t te voeren aan boord van een schip aan een installatie die door het college aangewezen brandstoffen, energiebronnen of hulpstoffen bevat, tenzij de werkzaamheden plaatsvinden op een locatie waar deze act¡viteiten zijn toegestaan. 4. Sloopwerkzaamheden aan een schip mogen alleen worden verricht, als het schip ligplaats heeft op een locatie waar deze activ¡teiten mogen worden uitgevoerd. 5. Van de werkzaamheden aan een zeeschip bedoeld in het eerste lid, onder b, en tweede lid wordt voorafgaand aan de start van de werkzaamheden een melding gedaan aan de haven meester.

Artikel 4.6 Ontsmetten Het college kan ligplaatsen aanwijzen waar het is toegestaan met een schip ligplaats te nemen

om het schip of de lading te ontsmetten.

Artikel 4.7 Lading die in het buitenland is ontsmet

l. Een schip geladen met bulklading in vaste vorm, waarbij de lading is ontsmet, mag zich op een ligplaats bevinden, als: a. tijdens en na het afmeren geen operationele handelingen worden uitgevoerd; b. de ruimen en ventilatieopeningen van de ruimen gesloten zijn, en; c. de nautische en operationele afwikkeling van het schip plaatsvindt overeenkomstig een door het college vastgesteld plan van aanpak. 2. Een ieder die bt1 het plan betrokken is, is verplicht zich te houden aan het vastgestelde plan van aanpak.

Artikel 4.8 Vergunníng ontvangst afual zeeschepen

Het is voor een ontvangstvoorziening verboden zonder vergunning van het college scheepsafvalstoffen van zeeschepen te ontvangen.

Artikel 4.9 Minimum eisen vergunning ontvangst afual zeeschepen

l. 2.

Het college kan minimumeisen stellen aan de vergunninghouder en de vergunning voor de ontvangst van scheepsafvalstoffen. Deze minimumeisen kunnen betrekking hebben op:

16

a. de beroepskwalificaties van de vergunninghouder, diens personeel of de natuurlíjke personen die de activ¡teiten van de vergunninghouder daadwerkelijk en permanent beheren; b. de financiële draagkracht van de vergunninghouder; c. de uitrusting die nodig is om scheepsafvalstoffen in normale en veilige omstandigheden in ontvangst te nemen en het vermogen om deze uitrusting op het vereiste niveau te houden; d. de beschikbaarheid om scheepsafvalstoffen in ontvangst te nemen voor alle gebruikers, aan alle aanlegplaatsen en zonderonderbrekingen, dag en nacht, het hele jaar door; e. naleving van eisen ten aanzien van maritieme veiligheid of de veiligheid en beveiliging van de haven of de toegang tot de haven, de installaties, uitrusting en werknemers en andere personen; f. naleving van lokale, nationale, Europese en internationale milieueisen, of; g. de betrouwbaarheid van de vergunninghouder, als bepaald overeenkomstig eventueel toepasselijk nationaal recht inzake betrouwbaarheid, rekening houdend met dwingende redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aanbieder van havendiensten.

Artikel 4.1 0 Vergunning mobiele ontgasvoorziening

L Het is verboden voor een mobiele ontgasvoorziening om zonder vergunning van het college dampen van ladingrestanten van een tankschip ontvangen. 2. Direct voorafgaand en direct na afloop van het gesloten schoonmaken van ladingtanks via een mobiele ontgasvoorziening wordt een melding gedaan aan de havenmeester, tenzu het schoonmaken plaatsvindt op een locatie waar deze activiteit is toegestaan.

Artikel 4.1 I Schoonmaken en vent¡leren van ladingtanks of sloptanks van tankschepen

l.

Een tankschip mag haar ladingtanks of sloptanks leeg van de volgende stoffen alleen gesloten schoonmaken: a. een gevaarlijke of schadelijke stof die ingevolge de IBC Code vervoerd moet worden in een tank met een aansluitingsmogelijkheid voor een dampretourleiding; b. een gevaarlljke of schadelijke stof die ingevolge het ADN gesloten vervoerd mot worden; c. een vloeistof als bedoeld in bijlage 2, of; d. een vluchtige organische stof. 2. Ladingtanks of sloptanks van een tankschjp, leeg van andere stoffen als bedoeld in het eerste lid, mogen open worden schoongemaakt op de daartoe door de havenmeester aangewezen locaties. 3. Ladingtanks van een tankschip dat vloeibare gassen als bedoeld in het ADN of de IGCcode vervoert mogen alleen worden schoongemaakt als het schip op de ligplaats ligt: a. op een locatie waar deze schoonmaakactiviteiten zijn toegestaan, en; b. deze locatie de restanten van de vloeibare gassen in ontvangst neemt. 4. Het ventileren van ladingtanks of sloptanks van een tankschip is alleen toegestaan op de

daartoe door de havenmeester aangewezen locaties.

5. Wat in hettweede en vierde lid staat, geldt nietvoorde stoffen die zijn genoemd in bijlage 2.

17

6. Het college kan regels stellen omtrent het beperken of verbieden van schoonmaken of ventileren buiten bedrijven, indien de atmosferische of plaatselijke omstandigheden zodanig zijn dat door het vrijkomen van de betrokken stoffen gevaar, schade, stankhinder of hinder ontstaat of kan ontstaan. 7. Voorafgaand aan het schoonmaken of ventileren wordt een melding gedaan aan de havenmeester.

Artikel 4.12 Langszij liggen tijdens het open schoonmaken en ventileren van ladingtanks of sloptanks van zeetankschepen Langs een zeetankschip waarvan ladingtanks vloeibare gevaarlijke stoffen bevatten

of leeg daarvan zijn en open worden schoongemaakt of geventileerd, mogen aan elke zijde:

a. één zeetankschip, of; b. maximaal twee binnentankschepen, overeenkomstig het ADN gecertificeerd, liggen.

Artikel 4.13 overslag tussen schepen en mobiele voorzieningen op de wal

l. Het is verboden gevaarlijke of schadelijke vloeistoffen tussen een schip en een mobiele voorziening op de wal: a. over te slaan; b. als brandstoffen, energiebronnen of hulpstoffen te bunkeren of te debunkeren in een gebied of op een ligplaats die niet is aangewezen op grond van artikel 7.1, tweede lid, of artikel 7.5, tweede lid, of; c. als scheepsafvalstoffen in te zamelen; tenzij deze activiteit onderdeel uitmaakt van een locatie waar deze activite¡ten zUn toegestaan. 2. ln afwijking van wat in het eerste lid, onder c, staat, kan het college gebieden of ligplaatsen aanwijzen waar het inzamelen door een mobiele voorziening is toegestaan.

t8

Paragraaf 5

Ligplaatsen met oliehavenregime

Artikel 5.1 Oliehavens Het college kan ligplaatsen aanwijzen waar een oliehavenregime geldt.

Artikel 5.2 Toegelaten schepen op een ligplaats met een oliehavenregime

l

Een schip mag zich alleen op een ligplaats in een oliehavenregime bevinden als

a. het een tankschip is; b. het schip van de infrastructuur gebruikt maakt, heeft gemaakt of zal maken tijdens, kort voor of kort na, het lossen, het laden, het schoonmaken van ladingtanks of sloptanks of om te bunkeren; c. het een roei- of motorboot is die niet door een benzinemotor wordt voortbewogen en die tot de uitrusting van een schip als bedoeld in onderdeel a of b behoort, en:

". gebruikt wordt voor het vervoeren van opvarenden naar en van een schip, of; 2". waarvan de werking van de motor, de davit of de vrije val-installatie wordt I

d.

getest; de aanwezigheid van dat schip in de haven in verband met de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als bedoeld in onderdeel a of b, noodzakelijk is;

e. het schip werkzaam is voor een publiekrechtelijk lichaam of het schip van de

2

havenbeheerder is; f. het schip rechtstreeks en zonder onderbreking vaart naar of van infrastructuur buiten de oliehaven; g. het een dienstverlenend schip is; h. het een schip betreft dat baggerwerkzaamheden uitvoert; i. het een werkschip is; j. het een bunkerschip is, of; k. het een schip betreft betrokken bij het communicatievaren. Het is verboden zich met een pleziervaartuig of passagiersschip op een ligplaats te bevinden waar een oliehavenregime geldt.

Artikel 5.3 Verbod open vuur, roken en vonkvorming

l.

Het is een ieder verboden om op een ligplaats waar een oliehavenregime geldt of aan boord van een zich aldaar bevindend schip: a. open vuur te gebruiken; b. in de buitenlucht te roken; c. in het schip te roken, tenzij dit plaatsvindt in een ruimte die niet rechtstreeks van buiten toegankelijk is, gesloten is, dan wel deze ruimte (woning of dienstruimte) voldoet aan nationale of internationale wetgeving, of; d. activiteiten te ondernemen waardoor vonkvorming naar de buitenlucht optreedt of kan optreden. 2. Het is verboden om zich met een schip op een ligplaats waar een oliehavenregime geldt te bevinden met een vonkende uitlaatgassenleiding van een verbrandingsmotor.

Artikel 5.4 Tankschepen met gevaarlijke stoffen

'1. Tankschepen waarvan de lading- of sloptanks gevaarlijke stoffen of residuen daarvan bevatten mogen zich alleen op een ligplaats bevinden waar een oliehavenregime geldt.

r9

2. Tankschepen mogen zich ook op ligplaatsen bevinden die niet onder een oliehavenregime vallen, als de lading- of sloptanks: a. alleen gevaarlijke vloeistoffen met een uitsluitend brandbare eigenschap of residuen daarvan bevatten: I ". met een vlampunt van 5 5 graden Celsius of hoger; 2". een inerte atmosfeer bevatten; 3'. maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare dampen bevat en gesloten blijven; of b. alleen kaliumhydroxide, natriumhydroxide, fosforzuur, schadelijke stoffen die geen gevaarlijke stoffen zijn of residuen daarvan bevatten of leeg zijn.

Artikel 5.5 Binnentankschepen met gevaarlijke stoffen

ln afwijking van artikel 5.4, eerste lid, mag een binnentankschip zich ook op een ligplaats bevinden dat niet onder een oliehavenregime valt: a. als kortstondig ligplaats wordt genomen: 1 '. op een aangewezen autoafzetplaats om een auto onmiddell¡k af te zetten of aan boord te nemen; 2'. op een locatie waar brandstof ingenomen wordt en dit is toegestaan; 3". bU een aangewezen plaats voor het onmiddellijk innemen van drinkwater, of; b. als het schip een ontvangstvoorziening is dat ter plaatse uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de ontvangst van scheepsafvalstoffen.

Artikel 5.6 Zeetankschepen met gevaarlijke stoffen

l.

Als een zeetankschip, als bedoeld in artikel 5.4, tweede lid onderdeel a, subonderdelen 2o en 3o, zich op een ligplaats bevindt waar geen oliehavenregime geldt: a. wordt door een gasdeskundige het door de havenmeester vastgestelde formulier 'verklaring gasdeskundige' afgegeven; b. blijven ladingtanks of sloptanks gesloten, en; c. vinden er geen handelingen met gevaarlijke stoffen plaats. 2. Wanneer dit zeetankschip zich bevindt op een ligplaats waar geen oliehavenregime geldt, wordt dit vooraf gemeld aan de havenmeester.

Artikel 5.7 Combinatietankschepen met gevaarlijke stoffen

L

ln afwijking van artikel 5.4, eerste lid, mag een combinatietankschip zich op een ligplaats bevinden dat n¡et onder een oliehavenregime valt als: a. door een gasdeskundige het door de havenmeester vastgestelde formulier 'verklaring gasdeskundige' is afgegeven; b. het geladen is of wordt met losgestorte bulklading in vaste vorm;

c. alle overige tanks, met uitzondering van bunkertanks, en ruimten vrij zijn van

brandbare vloeistoffen of residuen daarvan met een vlampunt dat lager ligt of gelqk is aan 55 graden Celsius; d. er geen handelingen plaatsvinden met gevaarlijke stoffen, en; e. de tanks die niet direct aan laadruimen grenzen, en brandbare ladingresiduen bevatten een inerte atmosfeer hebben; of een atmosfeer maximaal 2O%van de laagste explosiegrens brandbare dampen bevat. 2. Wanneer een combinatietankschip zich bevindt op een ligplaats waar geen oliehavenregime geldt, wordt dit vooraf gemeld aan de havenmeester. 20

Artikel 5.8 Bouw- en uitrustingsvoorschriften dienstverlenend- of werkschip Een dienstverlenend schip of een werkschip dat zich op een ligplaats bevindt waar een oliehavenregime geldt, heeft: a. een scheepsromp die volledig uit onbrandbaar materiaal bestaat; b. tijdens het verblijf op de ligplaats met een oliehavenregime een in werking zijnde marifooninstallatie, waarop voortdurend op het betreffende VHF havenkanaal wordt uitgeluisterd; c. een elektrische installatie die voldoet aan minimaal de voorschriften overeenkomstig Atex zone 2 van Richtlijn 1999/92lECvan het Europees Parlement en de Raad van l6 december 1999, dan wel zoals nadien gewijzigd; d. indien aanwezig, een verblijfsruimte, stuurhuis, machinekamer of controleruimte die voldoende bescherming biedt tegen het binnendringen van gevaarlijke gassen en dampen; e. indien aanwezig, een verwarming-, kook- of koeltoestel dat werkt op elektriciteit of een brandbare vloeistof met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger dan wel zijn deze toestellen uitgeschakeld, en; f. een afgeschermde motor die niet als ontstekingsbron kan dienen

21

Paragraaf 6

Overslag van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk

Artikel 6.1 Overslag gevaarlijke stoffen op boeienspan of palenligplaats

l. Het is verboden op een boeienspan of een palenligplaats gevaarlijke stoffen over te slaan, intern te verpompen, te verplaatsen of te mengen. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod is niet van toepassing indien voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 6.2.

Artikel 6.2 Exploitatie van een boeienspan of een palenligplaats Het is de exploitant van een boeienspan of een palenligplaats verboden op deze boeienspan of deze palenligplaats gevaarlijke stoffen overte slaan, overte laten slaan, te behandelen of te laten behandelen, tenzij:

a. als gevolg van deze overslag of die behandeling het plaatsgebonden risico op de veiligheidscontour, aantoonbaar, niet komt te liggen boven 10-6; b. door de exploitant aantoonbaar is vastgesteld dat door deze overslag of die behandeling het plaatsgebonden risico op de veiligheidscontour niet komt te liggen boven l0-6, en; c. door de exploitant aan de schipper of kapitein van het schip dat de gevaarlijke stoffen overslaat of behandelt, is aangegeven:

l'. de stof die mag worden overgeslagen of behandeld; 2'. de hoeveelheid van die stof die maximaal mag worden overgeslagen of behandeld.

Artíkel 6.3 Controlelijst bij de overslag van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk

l.

De directe overslag van vloeibare gevaarlijke of schadelijke stoffen tussen tankschepen onderling of de overslag tussen een zeetankschip en een locatie waar de activiteit is toegestaan mag alleen plaatsvinden als voor de betreffende activiteit de controlelijst als bedoeld in de ISCOTT, STSTGP of ISCINTT overeenkomstig het bepaalde in de hiervoor bedoelde controlelUst door de betrokken partüen is ingevuld en ondertekend. 2. De overslag vindt plaats overeenkomstig de controlelijst.

Artikel 6.4 Overige regels voor overslag van vloeibare gevaarlijke stoffen in bulk

l.

Tijdens de overslag tussen tankschepen onderling van de volgende vloeibare gevaarlijke stoffen: a. een gevaarlijke of schadelijke stof die ingevolge de IBC Code vervoerd moet worden in een tank met een aansluitingsmogel¡kheid voor een dampretourleiding; b. een gevaarlijke of schadelijke stof die ingevolge het ADN gesloten vervoerd moet worden; c. een vloeistof als bedoeld in bijlage 2, of; d. een vluchtige organische stof; wordt gebruik gemaakt van een: I ". tussen betrokken ladingtanks aangesloten dampretourleiding, of;

22

2". ontgasvoorziening op zodanige wfize dat er geen dan wel zo min mogelijk emissie naar de atmosfeer plaatsvindt buiten de kaders zoals aangegeven in de vergunning van de ontgasvoorziening.

2. Voor de overslag worden niet meer ladingleidingen gebruikt dan noodzakelijk. De vaste aansluitpunten voor ladingleidingen liggen op zo kort mogelijke afstand van elkaar. 3. Bij de overslag van vloeibare gevaarlijke stoffen wordt de vaste scheepsleiding gebruikt. 4. Bij het lossen van vloeibare gevaarlijke stoffen, met uitzondering van schadelijke stoffen, wordt de vaste scheepspomp gebruikt. 5. Een schip dat vloeibare gevaarlijke stoffen, met uitzondering van schadelijke stoffen, overslaat, mag aan beide zijden één schip afgemeerd hebben. Er mogen meer schepen aan één zijde afgemeerd liggen als het gaat om: a. één enkel dienstverlenend schip, mits deze afgemeerd wordt buiten de ladingzones van het tankschip, of; b. één enkel bunkerschip.

Artikel 6.5 Overslag van gas Overslag van een gas als bedoeld in de ICC Code of het ADN tussen twee tankschepen onderling is verboden.

Artikel 6.6 Langszij afmeren bíj overslag van gas Het is verboden af te meren langszij een schip dat betrokken is bij de overslag van een gas zoals bedoeld in de IGC Code of het ADN.

23

Paragraaf 7

Bunkeren, debunkeren en van ofaan boord brengen van hulpstoffen

Artikel 7.1 Bunkeren

L

Het college kan brandstoffen of energiebronnen aanwijzen die door eenieder, alleen met een vergunning van het college, gebunkerd of gedebunkerd mogen worden. 2. Het college kan gebieden of ligplaatsen aanwijzen waar het: a. verboden is te bunkeren of te debunkeren; b. bunkeren of debunkeren is toegestaan, of; c. bunkeren of debunkeren volgens het bepaalde in het eerste lid slechts voor bepaalde brandstoffen of en erg iebron nen is toegestaan. 3. Het college kan brandstoffen aanwijzen die niet gedebunkerd mogen worden. 4. Een vergunning is niet nodig als het bunkeren of debunkeren plaatsvindt bij een locatie waar die activite¡ten zijn toegestaan. 5. Het college kan brandstoffen of energiebronnen die één of meerdere eigenschappen van een gevaarlijke stof bevatten aanwijzen, waarbij gelijktijdige activ¡teiten met het bunkeren of debunkeren van deze brandstoffen of energiebronnen zijn toegestaan.

Artikel 7.2 Minimumeisen aan een bunkervergunning I

. Het college kan minimumeisen stellen aan de vergunning en de vergunninghouder van de

2.

bunkervergunning. Deze minimumeisen kunnen betrekking hebben op:

a. de beroepskwalificaties van de vergunninghouder, diens personeel of de natuurlijke personen die de activiteiten van de vergunninghouder daadwerkelijk en permanent beheren;

b. de financiële draagkracht van de vergunninghouder; c. de uitrusting die nodig is om het bunkeren in normale en veilige omstandigheden uit te voeren en het vermogen om deze uitrusting op het vereiste niveau te houden;

d. de beschikbaarheid van de vergunninghouder om te bunkeren of te debunkeren, aan alle aanlegplaatsen en zonder onderbrekingen, dag en nacht, het hele jaar door;

e. naleving van eisen ten aanzien van maritieme veiligheid of de veiligheid en beveiliging van de haven of de toegang tot de haven, de installaties, uitrusting en werknemers en andere personen;

f. naleving van lokale, nationale, Europese en internationale milieueisen, en; g. de betrouwbaarheíd van de vergunninghouder, als bepaald overeenkomstig eventueel toepasselijk nationaal recht inzake betrouwbaarheid, rekening houdend met dwingende redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aanbieder van havendiensten.

Artikel 7.3 lnvulling minimum eisen aan bunkervergunning

1. Bij de vergunningaanvraag worden de gegevens overgelegd die zijn vermeld in een door het col lege vastgesteld aanvraagformu I ier. 24

2. Het college kan bepalen dat voor bepaalde brandstoffen of energiebronnen voor de aanvraag voor de vergunning aanvullende gegevens worden overgelegd. Deze aanvullende gegevens staan in verband met de voorschriften en beperkingen als bedoeld in het derde lid en kunnen verband houden met een audit die het college kan houden voor de bunker- of debunkeractiviteiten die het bedrijf uitvoert. 3. Aan de vergunning kunnen onder andere voorschriften en beperkingen worden verbonden, die betrekking hebben op: a. de locatie waar het bunkeren of debunkeren uitgevoerd mag worden en de veiligheidsafstanden die in acht moeten worden genomen tijdens het bunkeren of debun keren; b. de operationele veiligheid en de procedures die zien op de uitvoering van het bunkeren of debunkeren, alsmede het al dan niet toestaan van andere activiteiten die gelUktijdig met het bunkeren of debunkeren plaatsvinden; c. de nautische veiligheid; d. de externe veiligheid; e. het doen van operationele meldingen die betrekking hebben op het bunkeren of debunkeren, en; f. De onderwerpen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid.

Artikel 7.4 Regels schepen langszij bij bunkeren Het college kan brandstoffen en energiebronnen aanwijzen waarbij beperkingen gelden aan het aantal, de locatie en het type schepen dat mag afmeren langszij een schip dat gebunkerd of gedebunkerd wordt met deze brandstoffen of energiebronnen.

Artikel 7.5 Hulpstoffen

l.

Het college kan hulpstoffen aanwijzen die door eenieder, alleen met een vergunning van

het college, van of aan boord van een schip mogen worden gebracht. 2. Het college kan gebieden of ligplaatsen aanwijzen waar : a. hulpstoffen niet van of aan boord van een schip worden gebracht; b. hulpstoffen wel van of aan boord van een schip worden gebracht, of; c. alleen bepaalde hulpstoffen van en aan boord van schepen mogen worden gebracht. 3. Een vergunning is niet nodig als het van of aan boord van schepen brengen van hulpstoffen plaatsvindt op een locatie waar de activ¡teiten zijn toegestaan.

Artikel 7.6 Eisen aan hulpstoffenvergunning

1. Bij de vergunningaanvraag worden de gegevens overlegd die zijn vermeld in een door het col lege vastgesteld aanvraagformu lier.

2. Het college kan bepalen dat voor bepaalde hulpstoffen voor de aanvraag van de vergunning aanvullende gegevens moeten worden overgelegd. Deze aanvullende gegevens staan in verband met de voorschriften en beperkingen als bedoeld in het derde lid en kunnen verband houden met een audit die het college kan houden voor de activiteiten die het bedrijf uitvoert voor het van of aan boord brengen van hulpstoffen.

25

3. Aan de vergunning kunnen onder meer voorschriften en beperkingen worden verbonden, die betrekking hebben op: a. de veiligheidsafstanden die in acht moeten worden genomen tijdens het van of aan boord van schepen brengen van de hulpstoffen; b. de operationele veiligheid en de procedures die zien op de uitvoering van het van of aan boord van schepen brengen van hulpstoffen, alsmede het al dan niet toestaan van andere activ¡te¡ten die gelijktijdig plaatsvinden met het van of aan boord van schepen brengen van hulpstoffen; c. de nautische veiligheid; d. de externe veiligheid, en; e. het doen van operationele meldingen die betrekking hebben op het van of aan boord van schepen brengen van hulpstoffen.

Artikef 7.7 Controlelfst (de)bunkeren en aan boord brengen hulpstoffen

L Het college kan controlelijsten voor het bu n keren of het debu n keren of voor het van of aan boord brengen van hulpstoffen vaststellen.

2. Het college kan brandstoffen, energiebronnen en hulpstoffen alsmede categorieën van schepen aanwijzen waarbij voor het bunkeren of het debunkeren hiervan- een controlelUst geldt.

3. Een controlelijst wordt door de bij het bunkeren of het debunkeren betrokken partijen ingevuld, nageleefd en tot ten minste 24 uur na het beëindigen van het bunkeren of het debunkeren aan boord van de betrokken schepen gehouden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=6a363c89-5eba-4299-8000-cd0e3f137677