Getekend bestemmingsplan Schansdijk 3a Zevenbergen - Toelichting
Tekst van het document
4.11. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beperken en beheersen van risico's en effecten van calamiteiten, en over het bevorderen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten (bedrijven en transport) met gevaarlijke stoffen. Dat gebeurt door te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. In deze paragraaf wordt ingegaan op externe veiligheid in relatie tot verschillende risicovolle bronnen en/of objecten in en nabij het plangebied. Wettelijk kader Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt tussen Plaatsgebonden risico en Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
55
Groepsrisico (GR) Dit is een maat voor de kans dat een grotere groep tegelijkertijd dodelijk getroffen kan worden door een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Voor het groepsrisico geldt in bepaalde gevallen een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. Beleid gemeente Moerdijk Het Actieprogramma Integrale Veiligheid 2016-2019 geeft een vervolg aan het veiligheidsbeleid dat de afgelopen jaren is ontwikkeld in de gemeente Moerdijk. Iedere inwoner heeft recht op een veilige leefomgeving en moet zich ook veilig kunnen voelen in de eigen buurt. In de aanpak staat preventie voorop, waarbij wordt doorgepakt daar waar het nodig is. De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid als het gaat om veiligheid, waarbij men ervan uit gaat dat de veiligheidspartners, inwoners en bedrijven dat ook doen. Werken aan veiligheid is immers een gedeelde verantwoordelijkheid. Beoordeling plan Ten behoeve van dit planvoornemen is door Antea Groep een rapportage opgesteld in het kader van externe veiligheid. In het rapport zijn de relevante risicobronnen beschouwd.
De rapportage van dit onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Hierna volgen de conclusies uit het rapport. Risicobeschouwing Provinciale weg N285 • De weg heeft geen 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; • Het groepsrisico van de weg ligt onder 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van de weg neemt in beperkte mate toe ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling; • Het invloedsgebied van de weg reikt tot het plangebied, daarom is verantwoording van het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht. Spoorlijn Moerdijk - Roosendaal • De spoorlijn heeft een 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour van 12 meter, deze contour reikt niet tot het plangebied. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; • Het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn reikt niet tot het plangebied; • Beperkte verantwoording van het groepsrisico is conform artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing. Brabant Water • Deze inrichting valt niet onder de werkingssfeer van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Het is daarmee geen relevante risicobron in relatie tot het plangebied. • Rijksweg A17
56
•
Het invloedsgebied van de weg reikt niet tot het plangebied. Het is daarmee geen relevante risicobron.
57
Risicovolle inrichtingen op Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk • De 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontouren van de verschillende bedrijven reiken niet tot het plangebied. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico; • Gezien de afstand tussen het plangebied en de bedrijven heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico van de verschillende risicobronnen; • Verantwoording van het groepsrisico is conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen van toepassing (zie hierna). Verantwoording groepsrisico Verantwoording van het groepsrisico is zowel ten aanzien van de provinciale weg N285, de spoorlijn Moerdijk – Roosendaal en de verschillende bedrijven op het Zeehaven- en Industrieterrein Moerdijk verplicht. In het als bijlage toegevoegde rapport zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Moerdijk, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van het bestemmingsplan. In het kader van deze ruimtelijke procedure is de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. Dit advies is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.
4.12. Explosieven Er kunnen als gevolg van gevechtshandelingen conventionele explosieven in het plangebied zijn achtergebleven. Aan de hand van uitgebreid vooronderzoek is geïnventariseerd welke locaties mogelijk kans hebben op de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven. Het doel van het vooronderzoek is om aan de hand van een breed scala aan historisch feitenmateriaal een zo genuanceerd mogelijk beeld met betrekking tot het onderzoeksgebied in de Tweede Wereldoorlog te verkrijgen. Aan de hand van deze gegevens wordt een antwoord gegeven op de vraag of en zo ja in welke delen van het onderzoeksgebied er sprake is van een verhoogd risico op het aantreffen van conventionele explosieven. Het vooronderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Conclusie Uit het vooronderzoek is gebleken dat het plangebied geheel niet-verdacht is op explosieven. De kans op het aantreffen van explosieven is niet anders dan op elke andere plaats in Nederland onder gelijke omstandigheden. De voorgenomen werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden zonder extra maatregelen met betrekking tot explosieven. Indien tijdens het uitvoeren van deze werkzaamheden onverhoopt toch een of meerdere explosieven worden aangetroffen, dienen deze direct gemeld te worden bij de lokale politie.
58
4.13. M.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan (of ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning) gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekken in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve van ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht: 1. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; 2. Het project is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; 3. Het project is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Beoordeling plan In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig, zoals blijkt uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening (bijlage 2). Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Het planvoornemen voorziet in de realisatie van twee appartementengebouwen op een parkeerkelder in de bestemming ‘Wonen’. Het gaat om maximaal 36 wooneenheden. In de huidige situatie is er sprake van een restaurant met bedrijfswoning en bijbehorende voorzieningen, zoals een parkeerterrein, opritten en terras.
Voor zover de activiteit al zou zijn aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ (activiteit D 11.2 uit de bijlage van het Besluit m.e.r: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), is een milieueffectrapportage pas verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer, hetgeen hier niet aan de orde is.
59
2. Ligging binnen een gevoelig gebied In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een ‘gevoelig gebied’. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een ‘gevoelig gebied’ zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de voorgaande paragrafen is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden. 3. Belangrijke milieugevolgen In voorgaande paragrafen zijn verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten. Gelet op bovenstaande opsomming is het niet noodzakelijk een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
60
Hoofdstuk 5. 5.1.
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid Exploitatieplan
Algemeen Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente is hiertoe verplicht wanneer er sprake is van een bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien: het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Beoordeling plan Het planvoornemen is een bouwplan in de zin van het Bro. In dit geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Moerdijk en initiatiefnemer. Daarmee is het verhaal van gemeentelijke kosten anderszins verzekerd. Gelet op het voorgaande kan in het kader van het bestemmingsplan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan. Planschade Algemeen Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning kan ertoe leiden dat een belanghebbende zogenaamde planschade ondervindt.
Daarbij kan het gaan om waardevermindering van een onroerende zaak (bijvoorbeeld een woning) of inkomensderving. Een deel van deze schade valt wettelijk gezien echter binnen het normaal maatschappelijk risico en is dus niet te verhalen. Voor de overige schade kan een tegemoetkoming worden aangevraagd bij het college van burgemeesters en wethouders. Indien het bestemmingsplan niet wordt geïnitieerd door de gemeente, dan zal de gemeente de schade verhalen op de initiatiefnemer van het plan. Beoordeling plan In vorige subparagraaf is aangegeven dat gemeente Moerdijk met de initiatiefnemer een overeenkomst is aangegaan. In deze overeenkomst is ook de eventuele planschade afgewenteld op de initiatiefnemer. Daarmee is zeker gesteld dat initiatiefnemer volledig verantwoordelijk is voor de tegemoetkoming in schade, die ontstaan is als gevolg van onderhavig plan.
61
5.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg volgens artikel 3.1.1 Bro In artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg dient te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en diensten van de provincie en het Rijk in zoverre belangen van deze overheden in het geding zijn. Vanwege hun belang bij onderhavig bestemmingsplan is dit plan ter vooroverleg toegestuurd aan de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta, de Nederlandse Gasunie, de Brandweer en de gemeente Drimmelen. De inhoud van de reacties van deze instanties en de gevolgen daarvan voor het bestemmingsplan zijn in onderstaand tabel aangegeven.
Inspraak Omwonenden zijn ten eerste per brief geïnformeerd over de beoogde woningbouwontwikkeling en zijn in gelegenheid gesteld vragen of opmerkingen toe te sturen. Op 7 maart 2022 is een inloopavond georganiseerd. De inloopavond was opgeknipt in drie blokken, zijnde een half uur voor de stadstafel van Zevenbergen en een uur voor een tweetal wijken/gebieden. De eerste reactie van de stadstafel en de omwonenden is positief. Een ontwikkeling met woningbouw op de plek van de voormalige restaurantboerderij zien omwonenden wel zitten. Tijdens de inloopbijeenkomst zijn opmerkingen geïnventariseerd die bij de verdere planuitwerking kunnen worden meegenomen. Het gaat om de volgende punten: 1) Inrichting openbare gebied: wordt er tussen het lab en de appartementenontwikkeling een veilige situatie gecreëerd door bijvoorbeeld een looppad in te tekenen? 2) Verkeersbewegingen Schansdijk: zorg voor een veilige situatie ook met inachtneming van de landbouwvoertuigen.
62
3) 4)
5) 6)
Bomen bij de entree van ons perceel: gaat de ecoloog deze bekijken en wat is de kwaliteit daarvan? Balkons aan de kant van de provinciale weg: de bewoners woonachtig aan de Watermolen zijn bang voor mogelijke inkijk. Hun vraag is of de balustrades niet van glas maar van een andere afwerking kunnen voorzien. Een optie hiervoor zou melkglas kunnen zijn. Informatie over vergunning: de omwonenden zouden graag van ons een brief ontvangen wanneer de omgevingsvergunning wordt ingediend. Groenhaag voor parkeerlaag: de omwonenden zien graag een hogere groenhaag om de parkeerlaag uit het zicht te houden.
De stadstafel Zevenbergen en de omwonenden/belanghebbenden hebben na de inloopbijeenkomst, met behulp van een vragenlijst, de initiatiefnemer van verdere input voorzien. Vanuit de stadstafel, bewoners aan de Watermolen, het Fletcher hotel en de eigenaar van het bloedlaboratorium zijn reacties ontvangen. Op deze wijze is beoogd de omgeving op te hoogte te brengen over dit project. Zienswijzenprocedure Het opgestelde ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage gelegen, na voorafgaande publicatie op gemeentepagina en in de Staatscourant. Gedurende de periode van terinzagelegging is het ontwerpbestemmingsplan digitaal raadpleegbaar via de website www.ruimtelijkeplannen.nl en analoog raadpleegbaar op het gemeentehuis.
Hoofdstuk 6. 6.1.
Juridische planbeschrijving
Onderdelen bestemmingsplan
Het bestemmingsplan ‘Schansdijk 3a Zevenbergen’ is een bestemmingsplan zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. Onderhavig document vormt de toelichting bij het bestemmingsplan ‘Schansdijk 3a Zevenbergen’. Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.1709.BPZB-Schansdijk3a-BP30.
6.2.
Toelichting op de verbeelding
In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een topografische ondergrond getekend. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in het renvooi. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding is juridisch bindend.
63
6.3.
Toelichting op de regels
De systematiek van de regels van bestemmingsplan Woonwijken Zevenbergen en de daaropvolgende veegplannen zijn toegepast bij de totstandkoming van de regels van dit bestemmingsplan. Dit vanwege het feit dat met het planvoornemen invulling wordt gegeven aan een te verstedelijken gebied (“Verstedelijking afweegbaar” conform de Interim omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant) en in aansluiting van het bestaand stedelijk gebied. Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Artikel 1 bevat een uitleg van de begrippen die in de planregels voorkomen. Artikel 2 bepaalt de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemmingen opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Artikel 3 Wonen De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen voor de realisatie van 36 wooneenheden. In de regels en op de verbeelding is geregeld dat er twee appartementengebouwen mogen worden gebouwd op een parkeerkelder.
Op de verbeelding is een bouwvlak ingetekend waarbinnen sprake is meerdere maatvoeringen, zodat de twee gebouwen en de parkeerkelder zijn voorzien van maximale bouwhoogtes. Artikel 4 Leiding - Riool (dubbelbestemming) De voor ‘Leiding - Riool’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een rioolleiding met een diameter van ten hoogste 250 mm. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels. Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.
64