Ecologisch onderzoek beschermde flora en fauna ZW380kV-Oost
Tekst van het document
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST EU-204 Planologie en omgeving Zuid-West 380kV Oost Projectnummer TenneT: 002.678.20 Meridiannummer: 002.678.00 0855155 [VKA 1.0.2] TenneT T.S.O.
1 DECEMBER 2020
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Contactpersoon ARJEN GOUTBEEK Projectleider Natuur & Biodiversiteit
T +31 6 5433 6237 M +31 6 5433 6237 E Arjen.Goutbeek@Arcadis.com
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland
2 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Doel rapportage
6
1.3
Leeswijzer
6
PROJECTOMSCHRIJVING
7
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
7
2.2
Werkzaamheden
8
METHODE
9
3.1
Inleiding
9
3.2
Bureauonderzoek
9
3.3
Oriënterend veldonderzoek
9
3.4
Veldonderzoek
11
3.4.1
Uitgangspunten
11
3.4.2
Soortspecifieke onderzoeken
11
3.4.3
Vleermuizen
15
3.4.4
Das en (kleine) marterachtigen
15
3.4.5
Roofvogelnesten en steenuil
15
3.4.6
Rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander
16
3.4.7
Levendbarende hagedis
16
3.4.8
Beschermde flora en insecten
16
RESULTATEN
17
4.1
Vleermuizen
17
4.1.1
Verblijfplaatsen
17
4.1.2
Soortonderzoek
17
4.1.3
Veldbezoek 26 juni 2020
19
4.2
Das
19
4.3
Roofvogels en steenuil
20
4.3.1
Roofvogels
20
4.3.2
Steenuil
22
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
3 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
5
6
4.3.3
Algemene broedvogels
25
4.4
Amfibieën
25
4.4.1
Rugstreeppad
25
4.4.2
Alpenwater- en vinpootsalamander
25
4.4.3
Amfibieën Huis ter Heide
26
4.5
Reptielen
26
4.6
Beschermde flora en insecten
28
4.7
Samenvatting
29
EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING
31
5.1
Effectbeschrijving
31
5.1.1
Vleermuizen
31
5.1.2
Das
32
5.1.3
Buizerd
32
5.1.4
Overige broedvogels
35
5.1.5
Rugstreeppad
35
5.1.6
Amfibieën Huist ter Heide
36
5.1.7
Levendbarende hagedis
36
5.1.8
Beschermde insecten
37
5.1.9
Rode lijst soorten
38
5.2
Toetsing
40
5.3
Mitigerende en compenserende maatregelen en zorgplicht
41
5.3.1
Vleermuizen
41
5.3.2
Das
42
5.3.3
Buizerd
42
5.3.4
Algemene broedvogels
42
5.3.5
Rugstreeppad
43
5.3.6
Amfibieën Huis ter Heide
43
5.3.7
Levendbarende hagedis
43
5.3.8
Aanvullende zorgplicht maatregelen Rode lijst-soorten
44
5.3.9
Overige maatregelen zorgplicht
44
CONCLUSIE EN VERVOLGSTAPPEN
45
6.1
Effectiviteit maatregelen
45
6.2
Ontheffing
46
6.3
Nader onderzoek
47
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
4 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
BIJLAGEN BIJLAGE A WIJZIGINGEN TRACE
49
BIJLAGE B RESULTAAT ORIËNTEREND VELDBEZOEK
56
BIJLAGE C RESULTAAT VLEERMUISONDERZOEK
63
BIJLAGE D GEGEVENS ONDERZOEKSMETHODIEK
64
COLOFON
66
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
5 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
Om de levering van stroom in de toekomst te kunnen garanderen, is er behoefte aan uitbreiding van het bestaande elektriciteitsnet. Een van de projecten die hier aan bij moet dragen is de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg; Zuid-West 380 kV. Deze verbinding transporteert elektriciteit van productielocaties in Zeeland en op zee naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit. De besluitvorming over het project en realisatie ervan vindt in verschillende onderdelen plaats: • De besluitvorming over het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland is achter de rug; dit station is inmiddels gebouwd. • Over het deel van de verbinding tussen Borssele en Rilland heeft besluitvorming plaatsgevonden; de aanleg van dit gedeelte van de verbinding is momenteel in voorbereiding. • Momenteel vindt besluitvorming plaats over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg; de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid. • De planvorming van de verbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.
Om de hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk te maken wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK). In de aanloop naar dit Rijksinpassingsplan en voor het MER zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt overleg plaats met onder andere gemeenten en andere belanghebbenden. Voorliggende rapportage dient als onderbouwing voor het inpassingsplan. Dit document betreft het onderzoek naar aanwezigheid en effecten op beschermde flora en fauna uit de Wet natuurbescherming.
1.2
Doel rapportage
Onderhavig onderzoek richt zich op de mogelijke negatieve effecten op beschermde soorten als gevolg van de aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding. Het gaat hierbij om de werkzaamheden en ingrepen die nodig zijn voor de realisatie, zoals de aanleg van (tijdelijke) bouwterreinen en -wegen, het bouwvlak van de masten en onderhoudswegen en andere eenmalige ingrepen die nodig zijn voor het oprichten van de nieuwe verbinding. Dit is inclusief de werkzaamheden of ingrepen die hieraan voorafgaand nodig zijn, zoals kap of snoei van opgaande vegetaties en bos en die nodig zijn voor het aanbrengen van de nieuwe lijnen (de draden die tussen de masten hangen). Ook het verdwijnen van nestplaatsen in de te verwijderen masten valt onder de effecten die relevant zijn voor dit onderzoek. Onderhavige rapportage levert tevens de onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag (of het ontbreken van de noodzaak hiervoor) voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding. De effecten van de aanwezigheid van de nieuwe verbinding op vogelpopulaties, als gevolg van aanvaringsslachtoffers met de draden, valt niet onder dit onderzoek. Dit is apart onderzocht in het draadslachtofferonderzoek (Arcadis 2020). Voorafgaand aan dit soortgerichte onderzoek is een bureauonderzoek en oriënterend veldonderzoek uitgevoerd (zie ook paragraaf 3.2 en 3.3): • Arcadis, 2019. Bureauonderzoek Ecologie Zuidwest 380kV Oost.
Ecologische onderzoek 4.3a. • Arcadis, 2019. Resultaat Oriënterend Veldonderzoek.
1.3
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het plangebied en de voorgenomen ingreep gegeven. In hoofdstuk 3 zijn de methoden van onderzoek beschreven en in hoofdstuk 4 volgen resultaten van het onderzoek. Hoofdstuk 5 bevat de effectbeschrijving en toetsing van deze effecten aan de Wet natuurbescherming. Tot slot volgt in hoofdstuk 6 de conclusie. Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
6 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
2
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
TenneT voorziet in een nieuwe 380 kV-verbinding. Het realiseren van de nieuwe verbinding gaat gepaard met het combineren, aanpassen en amoveren van bestaande verbindingen. Hierin is echter niet over de volledige lengte van het tracé eenzelfde aanpassing gemaakt, maar leiden verschillende bestaande situaties tot verschillende inrichtingen. In Figuur 1 is een overzicht van 15 onderscheidende situaties weergegeven. De onderscheidde deelverbindingen zijn gekozen op basis van landschapsmorfologie. Hieronder volgt een samenvatting van deze 15 onderscheidende situaties, in Bijlage A staat de meer uitgebreide beschrijving per deeltracé: 1. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 2. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd; 150 kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed. 3. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 4. Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150 kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd. 5. Huidige hoogspanningsverbindingen blijft gehandhaafd en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. 6. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd.
De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380kV en de oude verbinding wordt geamoveerd. 7. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100 meter vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV-verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 8. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding. 9. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding. 10. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Tijdelijk wordt op een afstand van maximaal 100 meter vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV-verbinding gerealiseerd ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden. 11. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Tijdelijk zal er op een afstand van maximaal 100m vanuit de nieuwe/bestaande verbinding een tijdelijke 380 kV verbinding worden gerealiseerd t.b.v. de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding, er wordt slechts één zijde van de verbinding tijdelijk omgelegd. 12. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. 13. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. 14. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg-West en amoveren verbinding tot aan Tilburg-West.
15. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV-verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
7 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 1: Overzicht nieuwe hoogspanningsverbinding ZuidWest 380kv-Oost tussen Rilland en Tilburg.
2.2
Werkzaamheden
De werkzaamheden vinden niet tegelijkertijd over de gehele lengte van het tracé plaats. Op één of meerdere locaties wordt gewerkt en de werkzaamheden schuiven vervolgens langs het tracé. Niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde, zijn de werkzaamheden als volgt: • Vrijmaken ruimte voor tijdelijke wegen en bouwterrein, sloop en bouw van verbindingen. • Bouw nieuw 150kV hoogspanningsstation; • Aanpassingen aan bestaande 150kV hoogspanningsstation; • Uitvoeren boring: • • • • •
Open ontgravingen voor ondergrondse kabelverbinding; Bouw nieuwe gecombineerde verbinding: • • • • • • • • • •
•
Aanleggen werkwegen en werkterrein (geotextiel/tijdelijke verharding) per mast. Aanbrengen funderingspalen (mogelijk door heien). Ontgraven bouwput per mast. Aanbrengen fundering. Aanvoer mast in delen. Plaatsen van masten met een kraan. Aanbrengen isolatoren. Indien nodig bouwen van jukken. Aanbrengen trekdraad. Intrekken geleiders.
Indien van toepassing: sloop verbinding: • • • • • •
•
Aanleg van intrede- en uittredepunt. Uitleggen buis. Bij het afpompen bij het in- en uittredepunt wordt water meteen teruggebracht in het gebied waardoor de grondwaterstand niet daalt.
Verwijderen geleiders. Demonteren masten. Afvoeren masten. Vrijleggen mastvoeten (graven). Verwijderen bovenste deel fundering (tot 2 m diepte). Aanvullen gaten rond mastvoeten/herstel bouwvoor.
Opruimen: • • •
Verwijderen tijdelijke verharding en geotextiel. Herstel oude maaiveld, watergangen en dergelijke. Eventueel inzaaien.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
8 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
3
METHODE
3.1
Inleiding
Het onderzoek naar beschermde soorten is uitgevoerd in drie fases: 1. In de eerste plaats is een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij een beeld is gevormd op welke locaties beschermde soorten verwacht worden of de kans op beschermde soorten groot is op basis van aanwezig leefgebied. 2. Vervolgens is een algemeen, oriënterend veldonderzoek uitgevoerd over de gehele lengte van het tracé. Op basis van de gegevens uit stap 1 en de situaties ter plaatse, zijn de locaties waar de kans op beschermde soorten groot is, onderscheiden. Hierbij is gelet op de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Dit heeft geleid tot een inventarisatie van mogelijke leefgebiedfuncties voor deze beschermde soorten in delen van het plangebied. 3. Op basis van stap 1 en 2 is in de potentieel geschikte delen van het plangebied gericht onderzoek uitgevoerd naar de soort(groep)en vleermuizen, das, roofvogels, steenuil, rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander en beschermde flora en insecten. Navolgend wordt eerst de methode van de onderzoeken nader toegelicht, waarna de resultaten worden besproken.
3.2
Bureauonderzoek
Bij het bureauonderzoek is gekeken naar bestaande verspreidingsgegevens, potentieel leefgebied op basis van luchtfoto’s en de locatie van de masten. Hiertoe zijn de volgende stappen doorlopen: • De locaties van de nieuwe en te amoveren masten zijn op kaart gezet; • Deze kaarten zijn gecombineerd met gegevens uit de NDFF (Nederlandse Database Flora- en Fauna) uit de periode 2015 – 2020; Op deze manier is een zo compleet mogelijk beeld gegenereerd van de (potentiële) verspreiding van beschermde soorten in en rond het plangebied.
3.3
Oriënterend veldonderzoek
Het oriënterend veldonderzoek is uitgevoerd van 9 tot en met 11 januari 2019. Het onderzoek richt zich vooral op verificatie van het bureauonderzoek, om zo te bepalen of en waar soortgericht onderzoek uitgevoerd moet worden. Het oriënterend onderzoek is over de volledige lengte van de tracés (nieuwe en oude hoogspanningsverbinding) uitgevoerd. Op locaties waar uit het bureauonderzoek volgt dat de kans op beschermde soorten groot is, is specifiek gekeken naar de daadwerkelijke aanwezigheid van potentiele waarden voor beschermde soorten. Dit betreft de volgende locaties: • Mastlocaties die niet in agrarisch gebied liggen. • Locaties waar sprake is van doorsnijding van opgaand groen of niet-agrarische gebieden door de lijnen. De uitkomst van het oriënterend veldbezoek is een overzicht van mastlocaties en tracéonderdelen waar mogelijk beschermde soorten voorkomen of dat leefgebied vormt van deze beschermde soorten (Tabel 1). De complete lijst is opgenomen in Bijlage B. Op basis van het oriënterend veldonderzoek is bepaald waar nader soort specifiek onderzoek uitgevoerd moest worden. Daarbij is ervan uitgegaan dat in gebieden waar aanwezigheid vanuit verspreidingsgegevens bekend is, nader onderzoek niet relevant is. De locaties waar de aanwezigheid van beschermde soorten is uitgesloten zijn niet nader onderzocht.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
9 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Tabel 1: Resultaat oriënterende onderzoek, weergegeven zijn de locaties waar beschermde soorten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. De complete lijst is opgenomen in Bijlage B Deelgebied
Nader te onderzoeken
Deelgebied
Nader te onderzoeken
1-2
Roofvogelnesten en marters
115-117
Roofvogelnesten, steenuil en amfibieën
3
Vliegroute vleermuizen
4-6
Marters
122
Grote modderkruiper
9-10
Roofvogelnesten en marters
125-127
Grote modderkruiper, rugstreeppad, weidevogels
12-15
Roofvogelnesten en marters
144-146
Roofvogelnesten en marters
16
Roofvogelnesten, marters en grote modderkruiper
151-155
Steenuil, marters en vliegroute vleermuizen
Broedvogels, roofvogelnesten, marter, amfibieën, reptielen en grote modderkruiper
164
Vliegroute vleermuizen
17-22
168
Steenuil, marters, grote modderkruiper en vliegroute vleermuizen
178-181
Roofvogelnesten en amfibieën
182
Roofvogelnesten, steenuil en reptielen
183-193
Flora
194-196
Roofvogelnesten, eekhoorn, vleermuizen en vlinders
23
Rugstreeppad en levendbarende hagedis
24-25
Reptielen en amfibieën
26-35
Roofvogelnesten, marters, reptielen en vleermuizen
36
Vliegroute vleermuizen
40
Roofvogelnesten en amfibieën
43
Roofvogelnesten
47
Steenuil en amfibieën
52-56
Steenuil, marters en grote modderkruiper
58-59
Steenuil
70-71
Vliegroute vleermuizen
75
Roofvogelnesten
78
Grote modderkruiper
81 & 83
Roofvogelnest
89-90
Eekhoorn
97-103
Roofvogelnesten, marters, steenuil, reptielen en vleermuizen
104-106
Roofvogelnesten, grote modderkruiper en vleermuizen
111
Steenuil en amfibieën
112-114
Marters, steenuil en grote modderkruiper
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
10 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
3.4
Veldonderzoek
3.4.1
Uitgangspunten
Ten tijde van het oriënterend veldonderzoek waren specifieke gegevens van de werkzaamheden, zoals de exacte mastlocaties, wijze van aanleggen of bijbehorende werkwegen nog niet volledig bekend. De volgende uitgangspunten zijn daarom gehanteerd: • Masten of werkwegen worden niet in waterelementen (agrarische perceelsloten, doorgaande watergangen, poelen et cetera) geplaatst en er worden geen (volledige) watergangen gedempt. Bij de verdere detaillering in de uitwerking (na afronding veldonderzoeken die in deze rapportage beschreven zijn) van het tracé is gebleken dat op diverse plekken wel in waterelementen gewerkt moet worden. Zowel enkele mastposities als werkwegen komen in of kruisen watergangen. Daarmee zijn negatieve effecten op vissoorten niet volledig op voorhand uit te sluiten. Effectief geldt dit alleen voor het gebied ten oosten van Moerdijk, waar het tracé bekend verspreidingsgebied van grote modderkruiper kruist. Het tracé kruist hier echter geen, op het oog voor grote modderkruiper geschikte watergangen. Om zekerheid hierover te krijgen, met name omdat grote modderkruiper binnen beschikbaar areaal af en toe ook in atypisch leefgebied op duikt, wordt voorafgaande aan de uitvoerwerkzaamheden alsnog onderzoek naar aanwezigheid van grote modderkruiper uitgevoerd.
`De meest waarschijnlijke onderzoeksmethode die ingezet wordt is onderzoek middels eDNA, waarbij de watergangen bemonsterd worden en de watermonsters in een laboratorium onderzocht worden op dns-sporen van grote modderkruiper. Dit omdat regulier visonderzoek met schepnetten bij deze soort geen goede methode is (zeer lage trefkans). • De verbinding door het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is gewijzigd van een bovengrondse lijnverbinding naar een ondergrondse kabelverbinding die middels een boring wordt gerealiseerd. Hierdoor zijn effecten over het gehele tracé ter hoogte van de Brabantse Wal op voorhand uit te sluiten (o.a. effecten op roofvogelnesten, reptielen en vleermuizen). • In mei 2020 en augustus 2020 zijn op enkele locaties wijzigingen in het tracé doorgevoerd, waardoor een deel van het tracé buiten het oorspronkelijke onderzoeksgebied is komen te liggen. Deze plekken zijn op 26 juni 2020 en 12 augustus 2020 apart bezocht om te onderzoeken of in die delen beschermde flora en fauna voorkomt of voor kan komen en zo ja, of het plan kan leiden tot negatieve effecten (verstoring). Dit om te bepalen of de tracéaanpassingen nog kunnen leiden tot andere conclusies dan die op basis van het soortgerichte onderzoek. Wanneer beschermde soorten aangetroffen zijn of er aanwijzingen zijn die duiden op aanwezigheid, is dit bij de betreffende soorten benoemd.
Niet alle wijzigingslocaties zijn apart beschreven. Op enkele kaarten wordt wel onderscheid gemaakt in onderzoeksgebied (het gebied dat in 2019 geheel onderzocht is) en plangebied VKA 1.0.2 (dit is het meest actuele tracé met de aanpassingen van mei en augustus 2020).
3.4.2
Soortspecifieke onderzoeken
Op basis van de verdere detaillering van het tracé en de benodigde werkzaamheden voor aanleg van de verbinding, is de onderzoeksinspanning voor het soortgerichtonderzoek bepaald. Dit heeft geresulteerd in nader veldonderzoek naar de onderstaande soorten of soortgroepen: • Vleermuizen: Gericht onderzoek naar potentiële verblijfplaatsen en aanwezige soorten in het natuurgebied Huis ter Heide (zie Figuur 2). • Das: Gericht onderzoek in het bekende leefgebied in natuurgebied Huis ter Heide (zie Figuur 3). • Roofvogelnesten en steenuil: gericht onderzoek in bekend verspreidingsgebied (zie Figuur 4 en Figuur 5). • Amfibieën: Gericht onderzoek naar rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander (zie Figuur 6). Voor rugstreeppad is het uitgangspunt geweest dat Huis ter Heide bekend leefgebied is, waardoor dit deel van het tracé niet nader is onderzocht op deze soort. • Knoflookpad, kamsalamander, heikikker: Soortgericht veldonderzoek is niet uitgevoerd, aanwezigheid en verspreiding in Huis ter Heide, deels door herintroductie, is bekend; • Reptielen: Onderzoek naar het leefgebied van levendbarende hagedis in het natuurgebied Huis ter Heide. Aangezien aanwezigheid bekend is, is soortgericht onderzoek hier niet uitgevoerd, wel is potentieel geschikte leefgebied in kaart gebracht.
Aanwezigheid van zandhagedis, hazelworm, adder en ringslang is op basis van de landelijke verspreiding niet aannemelijk en niet nader onderzocht. • Beschermde flora en insecten: Onderzoek waarbij gericht is gezocht op potentiële groeiplaatsen en geschikt leefgebied in met name Huis ter Heide, gezien de geschiktheid met onder andere extensief begraasde en kruidenrijke graslanden (zie Figuur 7).
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
11 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 2: locaties waar onderzoek naar vleermuizen is uitgevoerd.
Figuur 3: locaties waar onderzoek naar das is uitgevoerd.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
12 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 4: locaties waar onderzoek naar roofvogelnesten is uitgevoerd.
Figuur 5: locaties waar onderzoek naar steenuil is uitgevoerd.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
13 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 6: locaties waar onderzoek naar rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander is uitgevoerd.
Figuur 7: Locaties waar onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde insecten en flora is uitgevoerd.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
14 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
3.4.3
Vleermuizen
Het uitgangspunt in het onderzoek naar vleermuizen is dat lijnelementen (singels, bomenlanen e.d.) die als vliegroute gebruikt kunnen worden, ook na de doorsnijding deze functie blijven behouden. Hierbij is het van belang dat onder de nieuwe lijn opgaande vegetatie behouden blijft of hersteld wordt. De maximale hoogte van vegetatie (bomen en struweel) onder een hoogspanningslijn (enkele meters) is ruim voldoende om voor vleermuizen als geleiding te kunnen (blijven) fungeren. Hierdoor is alleen veldonderzoek uitgevoerd in het oostelijke deel van het tracé (Huis ter Heide). Aanvullend zijn tijdens het veldbezoek op 26 juni 2020 op enkele plekken bomen aangetroffen met potentieel geschikte holtes. Deze gebieden worden apart benoemd in het volgende hoofdstuk. Door de omvang van het plangebied is onderzoek strikt conform het Vleermuisprotocol (versie 2017) onuitvoerbaar. Voor het onderzoek is een alternatieve onderzoeksmethode opgesteld. Hiervoor zijn de volgende onderzoekstappen doorlopen: • Als eerste is binnen het plangebied, en specifiek binnen de te kappen zone (grotendeels gebaseerd op de ZRO-strook), een inventarisatie van boomholtes uitgevoerd. Hierbij is een groot deel van het bos onderzocht. Met name de representatieve en meest potentieel geschikte bospercelen, alle lanen en de bomen langs de bospaden zijn onderzocht op potentieel geschikte holtes.
• Vervolgens zijn voor het hele bosgebied drie representatieve bospercelen (verschillende bostypen) geselecteerd, bestaande uit: • • •
•
Open naaldbos gemengd met enkele loofbomen; Dicht dennenbos; Open loofbos afgewisseld met open plekken.
Op deze drie locaties zijn plots van 50 x 50 meter uitgezet1 waarbinnen alle vegetatie is ingetekend en onderzocht. De bomen zijn volledig onderzocht op potentieel geschikte holtes, scheuren en overige geschikte verblijfplaatsen (zoals loszittende bast). Tot slot is het bosgebied ‘s nachts geïnventariseerd 2 op vleermuissoorten en hoe deze vleermuizen gebruik maken van het bos. De inventarisatie-omstandigheden zijn opgenomen in Bijlage D - Tabel 11. Door het onderzoek naar verblijfplaatsen te combineren met soortgericht onderzoek, is een zo volledig mogelijk beeld over de soorten, de geschiktheid en het gebruik van het bosgebied gecreëerd. Het veldbezoek is door vier waarnemers gelijktijdig uitgevoerd om per keer een zo goed mogelijk dekkend beeld te krijgen in een relatief onoverzichtelijk bos.
3.4.4
Das en (kleine) marterachtigen
Boommarter en steenmarter worden in het gebied niet verwacht, gezien het ontbreken van oud loofbos binnen het tracé. Voor de kleine marterachtigen is het uitgangspunt dat na de werkzaamheden geen permanente afname van leefgebied is, doordat de begroeiing onder de nieuwe hoogspanningsmasten waar mogelijk wordt gehandhaafd, terug kan keren of wordt hersteld. Enkel naar de das is gericht onderzoek uitgevoerd. Middels een bureauonderzoek zijn de recente verspreidingsgegevens geanalyseerd en is een habitatbeoordeling gemaakt. Op basis van deze gegevens is alleen langs het tracé in het bosgebied van Huis ter Heide onderzoek gedaan naar sporen (haren, wissels en burchten).
3.4.5
Roofvogelnesten en steenuil
De geïnventariseerde deelgebieden voor roofvogelnesten zijn in Figuur 4 weergegeven. Op 6, 19 en 28 maart 2019 zijn deze drie deelgebieden gecontroleerd op sporen of individuen die wijzen op een bezet territorium van roofvogelsoorten met jaarronde beschermde nesten zoals buizerd en havik. Op 4 juni is het deelgebied Huis ter Heide aanvullend gecontroleerd op activiteit van roofvogels tijdens een inventarisatie van boomholtes. Aanvullend is tijdens het veldbezoek op 26 juni 2020 gelet op activiteit van roofvogels nabij
1 2
Het veldonderzoek heeft hierbij plaatsgevonden op 5 juni 2019 Met onder andere gebruik van een batdetector
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
15 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
poteniele geschikte broedplekken. Horsten konden niet meer getraceerd worden door de inmiddels dichte kronen van bos en bomen. Deze gebieden worden apart benoemd in het volgende hoofdstuk. Voor steenuil is in de vier deelgebieden onderzoek uitgevoerd conform het Kennisdocument steenuil (BIJ12, 2017). Hierbij zijn drie onderzoekrondes uitgevoerd, tenzij bij de eerste of tweede ronde aanwezigheid al vast is gesteld (zoals een territorium of nestkast). Per deelgebied zijn alle potentieel geschikte broedplaatsen (schuren, boerderijen, knotwilgen, bomenrijen en bomen met holtes) onderzocht. In Tabel 12 tot en met Tabel 15 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen.
3.4.6
Rugstreeppad, Alpenwater- en vinpootsalamander
Voor rugstreeppad zijn twee veldbezoeken uitgevoerd gedurende de voortplantingsperiode. Bij potentieel geschikte poelen nabij Bergen op Zoom en nabij Hoge Zwaluwe is geluisterd en getaped (afspelen van rugstreeppaddengeluid om activiteit op te roepen). Rugstreeppad is vooral ’s nachts actief bij specifieke weersomstandigheden, zoals relatief warme en windstille avonden en nachten. De inventarisatiemomenten zijn zo gekozen dat de weersomstandigheden zo optimaal mogelijk waren. In Tabel 16 en Tabel 17 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen. Voor het onderzoek naar Alpenwater- en vinpootsalamander zijn twee veldbezoeken uitgevoerd gedurende de voortplantingsperiode bij potentieel geschikte poelen nabij Bergen op Zoom middels scheppen en het schijnen met een zaklamp. In Tabel 18 van Bijlage D zijn de data en veldcondities opgenomen.
3.4.7
Levendbarende hagedis
Door middel van een habitatbeoordeling en de bekende verspreidingsgegevens is bekend waar de levendbarende hagedis voorkomt en gespecificeerd waar dit leefgebied ligt (alleen in Huis ter Heide).
3.4.8
Beschermde flora en insecten
Het onderzoek is gericht op vlinder- en libellensoorten en eventuele waardplanten van vlinders, waarbij voor libellen het onderzoek vooral gericht is op extensief begraasde vegetaties met vennetjes. Bij de inventarisatie is al zigzaggend tussen en onder de mastposities 1192 t/m 1205 en 47N t/m 59N en de te amoveren masten GT-EHV380 053 t/m 058 tot ca. 100 meter aan beide kanten van de trajecten (waar mogelijk) geïnventariseerd. Voor insecten is ook nabij het traject bij geschikte vlieglocaties geïnventariseerd. De inventarisaties voor flora en insecten zijn gecombineerd en in Tabel 19 van Bijlage D zijn de datum en veldcondities opgenomen.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
16 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4
RESULTATEN
4.1
Vleermuizen
4.1.1
Verblijfplaatsen
Het bos van Huis ter Heide bestaat hoofdzakelijk uit grove den en fijnspar met verspreid enkele loofbomen (met name zomereik). Naaldbomen zijn over het algemeen minder geschikt voor vleermuizen door de aanwezigheid van hars. Uit de boomholten/verblijfplaatsen-inventarisatie (stappen 1 en 2) blijkt dat er slechts een zeer beperkt aantal mogelijk geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. De zomereiken zijn nagenoeg allemaal vitaal en hebben geen tot nauwelijks holtes of scheuren. De scheuren die waargenomen zijn, zijn als ongeschikt beoordeeld voor een vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld omdat ze niet diep of hol genoeg zijn waardoor er invloed van weersomstandigheden is). Door de uniforme leeftijd opbouw van het bos is het aandeel in de aftakelingsfase zeer beperkt. Een relatief groot aantal grove dennen en sparren is in het verleden geringd om dood hout en daarmee variatie te creëren in het bos. De aftakeling van deze bomen was echter al dusdanig dat toppen uitgebroken waren, het hout vermolmd was en schors nauwelijks meer aanwezig was. Door deze verregaande staat van aftakeling is de geschiktheid hiervan voor vleermuizen laag, doordat de weersomstandigheden te veel invloed hebben in de holtes en scheuren (wind, neerslag etc.). Een incidentele aanwezigheid van individuen achter loshangende schors is niet uitgesloten.
Op enkele plaatsen langs wandelpaden en de langs de Middelstraat/Bergstraat staan enkele loofbomen (met name beuk) met geschikte holtes.
Typisch beeld van het bos bij Huis ter Heide, naaldbomen met een ondergroei van dun loofhout. De beschikbaarheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is zeer laag.
4.1.2
Soortonderzoek
Het soortgerichte onderzoek laat zien dat het bos van Huis ter Heide voornamelijk wordt gebruikt als foerageergebied en vliegroute door gewone dwergvleermuis en enkele laatvliegers, verder is slechts één ruige dwergvleermuis waargenomen (Figuur 8 en Figuur 9). Bij vrijwel alle veldbezoeken ging het om enkele individuen (maximaal acht) die foerageerden of voorbijvlogen. Alleen op 17 juni 2019 is een hoger aantal (30 tot 40) individuen gewone dwergvleermuis waargenomen. Op de enkele ruige dwergvleermuis na zijn in het hele onderzochte gebied op alle avonden geen boombewonende vleermuizen aangetroffen. Dit sluit aan bij de afwezigheid van voor deze soorten geschikte verblijfplaatsen. Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
17 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 8 Verspreiding van vleermuiswaarnemingen Huis ter Heide (cumulatieve weergave alle rondes).
Figuur 9: Verspreiding van vleermuiswaarnemingen Huis ter Heide (cumulatieve weergave alle rondes).
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
18 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.1.3
Veldbezoek 26 juni 2020
In een bosje ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, tussen de Rijksweg A17 en de Tradeboulevard hangen ten westen van het westelijke deeltracé enkele vleermuiskasten aan de bomen. Of de kasten in gebruik zijn, is niet bekend omdat geen duidelijke gebruikssporen aangetroffen zijn en geen nachtelijk, soortgericht onderzoek uitgevoerd is. De kasten hangen overigens buiten het plangebied. In het bosje nabij Geertruidenberg, ten noorden van de N623, waar de aftakking van de verbinding gepland is en al enkele buisleidingen liggen, staan diverse wilgen met holtes waarvan gebruik door vleermuizen niet uitgesloten kan worden.
4.2
Das
Aanwezigheid van dassen is bekend in het gebied in en rondom Huis ter Heide (Figuur 10). Binnen het plangebied is ten zuiden van de Middelstraat/Bergstraat een oude burcht, een in gebruik zijnde burcht en sporen van das aangetroffen (Figuur 10 en Figuur 11). In de directe omgeving hiervan zijn diverse sporen (haren, snuitputjes en eetsporen) waargenomen. De omliggende bosranden, gras- en maisakkers vormen naar verwachting ook foerageergebied.
Figuur 10: Waargenomen sporen van das nabij Huis ter Heide en waarnemingen van das uit de NDFF.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
19 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Ingang dassenburcht aan de rand van een open plek
Figuur 11: Luchtfoto met de waargenomen sporen van dassen en ingemeten burcht ten zuiden van Huis ter Heide.
4.3
Roofvogels en steenuil
4.3.1
Roofvogels
Bij het onderzoek zijn in totaal vier territoria van buizerd in het onderzoeksgebied vastgesteld (zie Figuur 12). Op 28 maart 2019 en 4 juni 2019 is territorium-indicerend gedrag van buizerds waargenomen. Op 28 maart Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
20 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
werden bij de in Figuur 12 in rood weergegeven territoria bruidsvluchten uitgevoerd, waarbij in het meest noordelijke territorium ook parende buizerds zijn waargenomen. Van deze twee territoria kon door het dichte naaldbos en begroeiing de nestplaats niet worden gelokaliseerd. Gezien de verspreiding van de waargenomen parende buizerds en bruidsvluchten, wordt aangenomen dat deze nestplaatsen zich in het onderzoeksgebied bevinden. Van de twee meest noordelijke territoria kan wel de exacte nestplaats vastgesteld worden (weergegeven als blauwe stip in Figuur 12). Ten oosten van het onderzoeksgebied is nog een vijfde buizerdpaar met territorium-indicerend gedrag waargenomen. Gezien de verspreiding van deze waarnemingen en de locatie ten opzichte van de andere territoria, wordt verwacht dat de nestplaats van dit territorium zich ten oosten van het onderzoeksgebied bevindt.
Figuur 12: locaties van de twee vastgestelde buizerdhorsten en de twee territoria van buizerd in het onderzoeksgebied en het territorium buiten het onderzoeksgebied.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
21 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Naaldbos, geschikt broedgebied voor buizerd, voor vleermuizen niet geschikt.
In een bosje ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, direct ten zuiden van de Rijksweg A17 is bij het veldbezoek op 26 juni 2020 diverse malen een invallende buizerd waargenomen. Dit gedrag duidt op een nestlocatie in het betreffende bosje. Door het dichte kronendak is niet vast kunnen stellen of ook daadwerkelijk een horst aanwezig is. Hoewel de invallocatie tussen de meest westelijke en de middelste deeltracés ligt, is niet bekend of het horst zich eveneens buiten deze zone ligt.
4.3.2
Steenuil
Op vier plaatsen langs het tracé is steenuil waargenomen (Figuur 13). Geen van de territoria ligt echter binnen het plangebied. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde territoriumomvang van een cirkel met een straal van 250 meter. Het kennisdocument Steenuil (BIJ12) stelt dat het activiteitgebied rond de nestplaats slechts enkele honderden meters is en tijdens het broedseizoen zelfs nog minder. In Nederland zijn territoria tussen de 5 en 30 hectare groot, afhankelijk van de kwaliteit van het leefgebied. De kwaliteit van het leefgebied van de vastgestelde territoria is door de openheid van het gebied niet ideaal, maar er zijn voldoende dekkingsmogelijkheden op de erven en aanliggende houtsingels in de directe omgeving van de nestplaatsen. Het uitgangspunt van een territorium met een straal van 250 meter of circa 20 hectare is daarmee aannemelijk. Nabij Oosterhout is op twee locaties op basis van territoriale roep een territorium vastgesteld (zie Figuur 14). De twee territoria liggen circa 300 meter ten het zuiden van het onderzoeksgebied. Eén territoria bevindt zich aan de Paalstraat 6 en Paalstraat 9. Hier is afwisselend tussen de bebouwing een territoriaal roepende steenuil waargenomen. Het tweede territorium is aangetroffen bij de Paalstraat 16, eveneens op basis van een territoriaal roepende steenuil.
Op basis van zowel de afstand tot het plangebied als het landschap tussen de erven en het plangebied (open landbouwgrond), is het aannemelijk dat beide territoria zich buiten de invloedsfeer van het plan bevinden. De overige twee waarnemingen van steenuil bevonden zich respectievelijk bij de bebouwing aan de Hildernisse 1, ruim 100 meter ten westen van het onderzoeksgebied (zie Figuur 15) en bij de bebouwing van de Plantagebaan 75, circa 140 meter ten westen van het onderzoeksgebied (zie Figuur 16). Op beide locaties is slechts bij één veldbezoek een waarneming gedaan. Bij de andere bezoeken zijn geen steenuilen aangetroffen, ook niet na het afspelen van een territorium roep. Het ging in beide gevallen naar waarschijnlijkheid om een zwervend individu. Een verblijfplaats is hier uitgesloten. Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
22 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 13: Topografische weergave van de resultaten van het steenuil onderzoek langs gehele traject.
Figuur 14. Vastgestelde territoria nabij Oosterhout.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
23 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 15. Losse waarneming van steenuil aan de Hildernisse 1 (tracé bevindt zich aan de oostzijde).
Figuur 16. Losse waarneming van steenuil aan de Plantagebaan 75.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
24 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.3.3
Algemene broedvogels
Overal in het plangebied kunnen in het broedseizoen algemeen en schaarse broedvogels aangetroffen worden. Met name op plekken met voldoende dekking en voedsel, zoals in de bomenrijen en bosschages die het plangebied doorkruizen of in het plangebied liggen. Ook de oevers van watergangen kunnen geschikte nestgelegenheden bieden voor soorten als wilde eend, waterhoen en meerkoet. Met name de landbouwsloten die zijn dichtgegroeid en de brede watergangen met oevervegetatie bieden daarbij geschikte nestgelegenheden voor watervogels.
4.4
Amfibieën
4.4.1
Rugstreeppad
Rugstreeppad is alleen vastgesteld in het al bekende leefgebied ten zuiden van Huis ter Heide (zie Figuur 17). Ten tijde van het onderzoek waren, met name in het westelijke deel (Brabantse Wal en omgeving), veel poelen en plassen drooggevallen. Uit een verificatie elders, zijn de onderzoeken wel op gunstige avonden uitgevoerd omdat op die locaties (niet gelegen in het onderzoeksgebied van ZW380 Oost) wel activiteit is gehoord. Dat geheel geen activiteit is waargenomen, terwijl de roep over grote afstanden vastgesteld kan worden, geeft aan dat de soort in de onderzochte gebieden ontbreekt.
Figuur 17 Verspreiding van rugstreeppad en het reeds bekende leefgebied ten zuiden van Huis ter Heide
4.4.2
Alpenwater- en vinpootsalamander
Alpenwater- en vinpootsalamander zijn in het westelijke deel van het tracé alleen bekend ten oosten van de A4, op enkele honderden meters van het onderzoeksgebied (NDFF, 2020). Bij het veldonderzoek zijn beide soorten ook niet vastgesteld in of nabij het plangebied. Op de plekken die bemonsterd zijn (zie Figuur 6) zijn ook geen kleine watersalamanders waargenomen. Net als bij het onderzoek naar rugstreeppad waren veel poelen opgedroogd. Aanwezigheid van Alpenwater- en vinpootsalamander wordt uitgesloten.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
25 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.4.3
Amfibieën Huis ter Heide
In het natuurgebied Huis ter Heide komen diverse soorten amfibieën voor, waaronder de minder algemene soorten kamsalamander, vinpootsalamander, heikikker en knoflookpad. Van deze soorten is de aanwezigheid bekend, waarbij de verspreiding zich vooral concerteert in het westelijke en centrale deel van het natuurgebied (rondom het Leikeven), de nieuwe verbinding komt geheel aan de oostrand. Het gebied bestaat hier grotendeels uit open grasland en ruigte dat geen (primair) leefgebeid vormt voor deze soorten. Knoflookpad is hier onlangs geherintroduceerd, waarbij in diverse poelen larven zijn uitgezet met als doel dat zich weer een levensvatbare populatie kan herstellen of vestigen. Het gaat specifiek om enkele poelen langs de Baan achter de Plakken. Uit monitoring3 naar de ontwikkeling van de uitgezette populatie knoflookpad is gebleken dat kamsalamander inmiddels ook in dit deel van het natuurgebied voorkomt.
Figuur 18 Poelen waar knoflookpad is uitgezet en afgelopen jaren is aangetroffen (bron NDFF, 2020).
4.5
Reptielen
Uit verspreidingsgegevens van de afgelopen tien jaar is levendbarende hagedis bekend in het natuurgebied Huis ter Heide. Geschikt leefgebied bevindt zich hier verspreid door het gebied, in de bosranden en verruigde graslanden (zie Figuur 19).
3 Bron: natuurmonumenten 2020 (gegevens van na de uitvoering van dit ecologisch veldonderzoek)
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
26 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 19. Verspreiding van waarnemingen van levendbarende hagedis in Huis ter Heide.
Figuur 20: Verspreiding van waarnemingen van levendbarende hagedis in Huis ter Heide nabij station Tilburg.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
27 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
4.6
Beschermde flora en insecten
Gedurende het onderzoek naar beschermde flora en insecten zijn geen wettelijk beschermde insectensoorten waargenomen of groeiplaatsen van beschermde flora aangetroffen. Wel zijn twee groeiplaatsen van oeverkruid (Rode lijst) en een groeiplaats van moerashertshooi (Rode lijst) aangetroffen (zie Figuur 21). Eén groeiplaats van oeverkruid bevindt daarbij zich binnen het onderzoeksgebied. Ten zuiden van Huis ter Heide zijn in het onderzoeksgebied wel enkele recente waarnemingen bekend van de beschermde insectensoorten (NDFF, 2020; zie Figuur 22): • Gevlekte witsnuitlibel; • Grote vos; • Kleine ijsvogelvlinder. Ten zuidoosten van het onderzoeksgebied zijn ook waarnemingen bekend van de beschermde grote weerschijnvlinder en bruine eikenpage. Deze soorten kunnen zich, gezien het vergelijkbare habitat en aangesloten leefgebied, ook in het onderzoeksgebied bevinden. Bij het soortgericht onderzoek zijn alle bovengenoemde soorten niet waargenomen. Aanwezigheid is echter wel bekend. Deze soorten kunnen in het plangebied met name langs bos- en waterranden voorkomen. Tot slot zijn in het bosgebied van Huis ter Heide langs beide zijden van het wandelpad tussen de wegen Kraanven en Middelstraat drie nestenhopen van rode bosmier (Formica spec) aangetroffen (zie Figuur 23). Geen van de vier rode bosmier is (meer) wettelijke beschermd.
Alleen de stronkmier is een bedreigde soort met een negatieve trend. De overige drie soorten hebben een algemene verspreiding en laten geen duidelijke negatieve trend zien (EIS, 2019)4. Gezien de kwetsbaarheid van de nesten en het belang van de rode bosmier voor andere (beschermde) soorten als groene specht (meerdere waarnemingen in het gebied; NDFF 2020), zijn de drie nesten wel opgenomen in deze toetsing.
Figuur 21. Groeiplaatsen moerashersthooi en oeverkruid (rode lijst) ten zuiden van Huis ter Heide.
4
EIS, 2019. http://www.bosmieren.nl/bescherming/bedreigingen
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
28 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 22. Verspreiding van waarnemingen van beschermde flora en insecten in en rondom Huis ter Heide (NDFF).
Figuur 23. Luchtfoto met de locatie van de drie nesten van rode bosmier.
4.7
Samenvatting
In Tabel 2 is samengevat welke beschermde (en Rode lijst) soorten voorkomen binnen het plangebied. Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
29 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Rode lijst
Andere soorten
Habitatrichtlijn
Soort(groep)
Vogelrichtlijn
Tabel 2. Samenvatting voorkomen (beschermde) soorten
Vleermuizen
Foerageergebied en vliegroute
Das
Mogelijk effect op
Verblijfplaatsen en leefgebied
Buizerd
Verblijfplaatsen en territoria
Overige broedvogels
Verblijfplaatsen en territoria
Levendbarende hagedis
Verblijfplaatsen en leefgebied
Rugstreeppad
Verblijfplaatsen en leefgebied
Knoflookpad
Verblijfplaatsen en leefgebied
Gevlekte witsnuitlibel
Leefgebied
Grote vos, grote weerschijnvlinder, bruine eikenpage en kleine ijsvogelvlinder
Leefgebied
Oeverkruid
Groeiplaats
Rode bosmier (onbepaald)
Verblijfplaatsen
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
30 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
5
EFFECTBESCHRIJVING EN TOETSING
5.1
Effectbeschrijving
5.1.1
Vleermuizen
In het bosgebied rondom Huis ter Heide zijn waarnemingen gedaan van foeragerende en voorbijvliegende individuen van voornamelijk gewone dwergvleermuis, enkele laatvliegers en een ruige dwergvleermuis (zie Figuur 24). Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn typische gebouwbewonende soorten, het is aannemelijk dat de waargenomen exemplaren alleen foerageren in het bosgebied. Typische boombewonende soorten zijn niet waargenomen, wat past bij het beeld van het boomholtenonderzoek, waarbij niet tot nauwelijks geschikte holtes zijn aangetroffen. Het bosgebied blijkt alleen een functie te hebben als foerageergebied, verblijfplaatsen zijn niet aanwezig. Als gevolg van de kap- en grondwerkzaamheden aan de ZRO-stroken, de werkterreinen en de werkwegen neemt tijdelijk een deel van het foerageergebied en delen van mogelijke vliegroutes in kwaliteit af. Tijdelijke negatieve effecten zijn niet uitgesloten. In de nieuwe situatie zal het leefgebied zich echter weer kunnen herstellen doordat er nieuwe bosranden en ander beschut foerageergebied ontstaat, dat als vergelijkbaar habitat gezien kan worden. Permanent negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten.
Figuur 24: Luchtfoto met waargenomen vleermuizen rondom Huis ter Heide ten opzichte van de geplande werkzaamheden.
Ten aanzien van de bomen met vleermuiskasten ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, tussen de Rijksweg A17 en de Tradeboulevard hangen, de bomen staan buiten het plangebied, waardoor van aantasting geen sprake is. Wanneer het opgaande bos, in combinatie met struweel onder de nieuwe lijnen, gehandhaafd blijft worden hier geen negatieve effecten verwacht. In het bosje nabij Geertruidenberg, ten noorden van de N623, waar de aftakking van de verbinding gepland is en al enkele buisleidingen liggen, staan diverse wilgen met holtes waarvan gebruik door vleermuizen niet uitgesloten kan worden. Een groot deel van het bosje is onlangs gekapt, waardoor het niet duidelijk is of voor Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
31 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
de nieuwe verbinding nog meer bomen gekapt moeten worden. Wanneer de bomen wel gekapt worden, zijn negatieve effecten op individuen of populaties niet op voorhand uit te sluiten.
5.1.2
Das
Direct ten zuiden van de Middelstraat-Bergstraat zijn diverse sporen (haren, snuitputjes en eetsporen) en één actief gebruikte dassenburcht aangetroffen (Figuur 25). Bij de werkzaamheden voor de nieuwe verbinding, zoals kap en grondwerkzaamheden, wordt nabij (op circa 10 tot 15 meter) deze burcht gewerkt. Als gevolg kan niet uitgesloten worden dat individuen worden gedood of verwond, bijvoorbeeld wanneer een burcht instort door zwaar transport of materieel. Tevens kunnen kap- en heiwerkzaamheden, maar ook betreding van het plangebied leiden tot verstoring van dassen.
Figuur 25 Luchtfoto van de aangetroffen dassenburcht ten zuiden van Huis ter Heide ten opzichte van de hier geplande werkzaamheden.
5.1.3
Buizerd
Het onderzoeksgebied rondom Huis ter Heide maakt onderdeel uit van vier territoria met horsten van buizerd (zie Figuur 26). Van de twee noordelijke territoria is de exacte locatie van het horst worden vastgesteld. Van de twee zuidelijke territoria is dit door de dichte begroeiing niet achterhaald. Gezien de waarnemingen van nestindicerend, paar en territoriaal gedrag kan er echter van worden uitgegaan dat de horsten zich in het plangebied bevinden. Een deel van het bos wordt gekapt om een veilige ZRO-strook te creëren voor de nieuwe hoogspanningsverbinding. Door deze kapwerkzaamheden gaan de horsten van deze vier territoria verloren. Nabij alle horstend verdwijnt door de kapwerkzaamheden leefgebied van buizerd. In de omgeving is echter voldoende alternatief leefgebied (bos en (half)open gebied) met potentiële broedlocaties aanwezig (zie Figuur 27). Het kappen van het bos leidt niet tot negatieve effecten op leefgebied van de buizerd. Tot slot bevindt zich ten oosten van het plangebied nog een vijfde territorium (oranje cirkel in Figuur 26). Het horst van dit territorium bevindt zich buiten het plangebied. Aangezien de vegetatie en bomen hier behouden Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
32 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
blijven, blijft dit horst behouden. Wel geldt voor een buizerdnest een verstoringsafstand van 75 meter gedurende het broedseizoen (Kennisdocument buizerd, BIJ12, 2017; zie ook paragraaf 5.3.3). Werkzaamheden, zoals het plaatsen van de mast, het trekken van de geleiders, heiwerkzaamheden en betreding, binnen een straal van 75 meter kunnen leiden tot verstoring van het buizerdnest en daarmee tot tijdelijk negatieve effecten.
Figuur 26 Luchtfoto met de aanwezige buizerdterritoria en vastgestelde horsten nabij Huis ter Heide.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
33 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 27. Luchtfoto met de aanwezige buizerdterritoria nabij Huis ter Heide en de geschikte alternatieve bosgebieden in de omgeving.
Ten aanzien van het bosje ten zuiden van het industrieterrein Moerdijk, zijn sterke aanwijzingen op de aanwezigheid van een horst. Hoewel de invallocatie tussen de meest westelijke en de middelste deeltracés ligt, is niet bekend of het horst zich eveneens buiten deze zone ligt. Een deel van het bosje wordt gekapt om een veilige ZRO-strook te creëren voor de nieuwe hoogspanningsverbinding. Door deze kapwerkzaamheden gaat mogelijk het horst verloren of wordt een deel van het leefgebied aangetast. In de omgeving is echter voldoende alternatief leefgebied (bos en (half)open gebied) met potentiële broedlocaties aanwezig. Het kappen van het bos leidt ook hier niet tot negatieve effecten op leefgebied van de buizerd.
Figuur 28. Buizerdterritoria nabij Moerdijk op basis van eenmalig veldbezoek 26 juni 2020. Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
34 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
5.1.4
Overige broedvogels
Binnen en langs het gehele plangebied kunnen algemene en schaarse broedvogels verwacht worden. Met name het verwijderen van vegetatie en bos of werkzaamheden in watergangen tijdens het broedseizoen (van half maart tot half juli) kunnen leiden tot verstoring bij het broeden. Ook kan het afgraven voor het aanleggen van werkwegen en -terreinen en eventuele heiwerkzaamheden leiden tot schade aan nesten. Hierbij kunnen nesten van broedende vogels in vegetatie, nesten van watervogels in oevers worden aangetast, jongen worden verwond of gedood en eieren worden beschadigd. Tijdelijke negatieve effecten zijn niet uitgesloten. In de nieuwe situatie kan het leef- en broedgebied zich weer herstellen (in het geval van begroeiing onder de masten) of beschikbaar zijn (in het geval van watergangen). Permanent negatieve effecten zijn uitgesloten.
5.1.5
Rugstreeppad
In het plangebied is ten zuiden van Huis ter Heide bekend leefgebied van rugstreeppad aanwezig. De soort is hier voornamelijk bekend in en rondom de poelen en wateren direct ten westen van het plangebied (zie Figuur 29). Bij het veldonderzoek is op de overige locaties geen rugstreeppad vastgesteld. Het aanleggen van werkterreinen en werkwegen in het leefgebied bij Huis ter Heide kan leiden tot het verstoren, verwonden of doden van individuen en het verstoren en beschadigen van leefgebied. De werkzaamheden vinden hierbij plaats op land en mogelijk ook in of grenzend aan het open water. Tijdelijke negatieve effecten zijn niet uitgesloten. In de nieuwe situatie zal het leefgebied zich weer kunnen herstellen. Permanent negatieve effecten zijn uitgesloten.
Figuur 29: Leefgebied en bekende verspreiding van rugstreeppad ten opzichte van de werkzaamheden ten zuiden van Huis ter Heide.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
35 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
5.1.6
Amfibieën Huist ter Heide
Nabij het plangebied is in het gebied Huis ter Heide bekend leefgebied van knoflookpad, kamsalamander, heikikker en vinpootsalamander aanwezig. Kamsalamander, heikikker en vinpootsalamander hebben de kernverspreiding verder naar het westen, knoflookpad is echter voornamelijk bekend in en rondom de poelen en wateren direct ten westen van het plangebied. De soort is hier afgelopen jaren door herintroductie terecht gekomen. Hoewel niet in het leefgebied zelf gewerkt wordt van deze soorten (masten komen in de graslanden en ruigtes), is gezien de kwetsbaarheid van deze soorten en dan met name de populatie knoflookpad zorgvuldigheid bij de uitvoering van de werkzaamheden wel nodig. Met de juiste maatregelen vooraf, is schade of verstoring van leefgebied te voorkomen. Bij zorgvuldige uitvoering van de werkzaamheden zijn negatieve effecten uit te sluiten.
5.1.7
Levendbarende hagedis
Ten zuiden van de Middelstraat/Bergstraat, zijn bij Huis ter Heide in het onderzoeksgebied verschillende locaties geschikt als habitat voor levendbarende hagedis. De soort is in delen hiervan ook al bekend (NDFF, 2020). Het gaat vooral om die plekken waar bos en bosranden afgewisseld worden met open plekken met grasland die (zie Figuur 30 en Figuur 31). Door de werkzaamheden, zoals kap- en heiwerkzaamheden, kunnen individuen worden verstoord, gedood of gewond raken. Daarnaast kan het leefgebied door de werkzaamheden tijdelijk worden verstoord en beschadigen. Tijdelijke negatieve effecten zijn niet uitgesloten. In de nieuwe situatie zal dit leefgebied zich weer herstellen en is zowel in kwaliteit als in kwantiteit vergelijkbaar leefgebied weer beschikbaar. Het gaat daarbij om structuurrijke bosranden afgewisseld met open plekken. Permanent negatieve effecten zijn uitgesloten.
Figuur 30: Leefgebied en bekende verspreiding van levendbarende hagedis ten opzichte van de werkzaamheden ten zuiden van Huis ter Heide.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
36 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 31: Leefgebied en bekende verspreiding van levendbarende hagedis ten opzichte van de werkzaamheden rond station Tilburg.
5.1.8
Beschermde insecten
Bij het onderzoek zijn geen wettelijk beschermde insectensoorten aangetroffen. Uit verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren blijkt wel dat binnen het onderzoeksgebied, ten zuiden van Huis ter Heide, beschermde soorten verwacht kunnen worden. Hier zijn waarnemingen bekend van gevlekte witsnuitlibel, grote vos, grote weerschijnvlinder, bruine eikenpage en kleine ijsvogelvlinder. Door de werkzaamheden kan het leefgebied van deze soorten tijdelijk worden verstoord. In de omgeving is echter voldoende alternatief leefgebied beschikbaar (structuurrijke bos- en waterranden). Ook is in de nieuwe situatie het leefgebied in kwaliteit en kwantiteit vergelijkbaar. Hierbij is wel het uitgangspunt dat het Plakkeven (zoals weergegeven in Figuur 32), niet gedempt of aangetast wordt, omdat dit leefgebied is van gevlekte witsnuitlibel (NDFF, 2020). Negatieve effecten op beschermde insecten zijn in dat geval uitgesloten.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
37 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 32. Geschikt leefgebied van Plakkeven van de gevlekte witsnuitlibel ten opzichte van de werkterreinen en werkwegen en ZRO strook.
5.1.9
Rode lijst soorten
Oeverkruid Beschermde flora is niet aangetroffen, maar wel is in de ZRO-strook ten zuiden van Huis ter Heide een groeiplaats van de Rode lijst soort Oeverkruid aanwezig (zie Figuur 33). Door de werkzaamheden en betreding kan deze groeiplaats beschadigen. Hoewel de soort en de groeiplaatsen van oeverkruid niet beschermd zijn, geldt voor deze zeldzame soort wel de zorgplicht. Omdat de soort niet beschermd is, komt deze in de toetsing niet terug, maar wordt oeverkruid in het kader van de zorgplicht wel behandeld in paragraaf 5.3.8.1 over mitigerende maatregelen.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
38 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 33: Bekende groeiplaatsen oeverkruid ten opzichte van werkzaamheden.
Rode bosmier Naast de hiervoor beschreven beschermde insectensoorten, zijn in het gebied Huis ter Heide drie nesthopen van rode bosmier (Formica spec.) aangetroffen. Tijdens de werkzaamheden kunnen deze nesten fysiek worden beschadigd en in de nieuwe situatie kan, door de kap van het bos, het leefgebied in kwaliteit afnemen. Rode bosmieren zijn voor voedselvoorziening en beschutting van weersinvloeden afhankelijk van voldoende opgaande begroeiing, waarbij met name nesten in open (naald)bossen of bosranden worden gemaakt. Vooral de bomen rondom de nesten zijn hierbij van belang als voedsel- en materiaalvoorziening en kunnen een grote rol spelen in het vormen van een geschikt microklimaat bij het nest. De rode bosmier is niet beschermd, maar ook voor deze soort geldt wel de zorgplicht. De soort is daarom in de onderstaande paragraaf 5.2, waarin de effecten worden getoetst aan de Wnb, niet vermeld maar wordt in het kader van de zorgplicht in paragraaf 5.3.8.2 wel behandeld.
Onze referentie: D10010049:66 - Datum: 1 december 2020
39 van 66
ECOLOGISCH ONDERZOEK BESCHERMDE FLORA EN FAUNA ZUIDWEST 380KV-OOST
Figuur 34: Nestlocaties van rode bosmier ten opzichte van de werkzaamheden.
5.2
Toetsing
In de onderstaande tabellen is per soort of soortgroep, waar sprake is van negatieve effecten op basis van de effectbeschrijving in de vorige paragraaf, aangegeven welke verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden overtreden als gevolg van de werkzaamheden. Daarbij is nog geen rekening gehouden met eventueel mogelijke mitigerende maatregelen. Op basis van deze toetsing is bepaald of en zo ja, welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Deze zijn beschreven in de volgende paragraaf. Tabel 3: Mogelijke overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn (art. 3.1)