(Concept) Kadernota 2026-2029
Tekst van het document
(concept) Kadernota 2026-2029
Gemeente Moerdijk
1
Inhoud Inleiding .................................................................................................................................. 3 Leeswijzer ............................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 1 – Uitgangspunten meerjarenramingen 2026-2029 ................................................... 6 Hoofdstuk 2 – Budgetaanpassingen bestaand beleid en actualisatie eerdere nieuwe ontwikkelingen .......................................................................................................................12 Hoofdstuk 3 – Nieuwe ontwikkelingen......................................................................................13 Programma 1. Samen aan de slag voor het klimaat in Moerdijk ..................................................... 15 Programma 2. Prettig en veilig wonen en leven in Moerdijk ........................................................... 17 Programma 3. Economie als versneller voor een vitaal Moerdijk ................................................... 19 Programma 4. Ondersteuning voor mensen die het nodig hebben ................................................ 25 Programma 5. Partnerschap in een veranderende samenleving ....................................................
31 Hoofdstuk 4 – Financieel meerjarenperspectief 2026-2029 .......................................................43 4.1 Verwacht begrotingsresultaat 2026-2029 .............................................................................. 43 4.2 Omvang algemene reserve ................................................................................................... 44 Hoofdstuk 5 – Welke ontwikkelingen kunnen (op termijn) van invloed gaan zijn op het financieel meerjarenperspectief? ...........................................................................................................45 5.1 Ontwikkelingen na 2029 ....................................................................................................... 45 5.2 Overige ontwikkelingen ........................................................................................................ 48 5.3 Onzekerheden gemeentefonds ............................................................................................. 50 Hoofdstuk 6. Vervolgaanpak richting het opstellen van de begroting 2026-2029 .........................53 6.1 Benutten mogelijkheden uit het rapport structurele begrotingsruimte .....................................
54 6.2 Welk uitgangspunt hanteren we ten aanzien van het structurele begrotingsresultaat in de begroting 2026-2029? ................................................................................................................ 57 6.3 Welke verdere acties nemen we richting het opstellen van de begroting 2026-2029? ................ 58
2
Inleiding Voor u ligt de kadernota 2026-2029, het startpunt van de planning- en control (P&C) cyclus 2026. In deze kadernota wordt ingegaan op diverse (financiële) uitgangspunten, nieuwe ontwikkelingen die we als gemeente op ons af zien komen en wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in wat dit betekent voor de (toekomstige) financiële positie van de gemeente Moerdijk. Met deze kadernota geeft de gemeenteraad de kaders mee die het vertrekpunt vormen voor de op te stellen begroting 2026-2029, die in het najaar 2025 aan de gemeenteraad zal worden aangeboden. Bij de totstandkoming van deze kadernota is (in lijn met voorgaande jaren) de gemeenteraad tussentijds in het proces betrokken. In de raadsinformatiebijeenkomst van 6 mei 2025 is de concept kadernota toegelicht, waarna de gemeenteraad ook eigen kadervoorstellen in kon dienen. Dit zodat in de commissie van 4 juni 2025 en de raadsvergadering van 3 juli 2025 een integrale afweging gemaakt kan worden in de door het college en de raadsfracties aangedragen nieuwe ontwikkelingen en kadervoorstellen. Het zal u niet ontgaan zijn dat de financiële positie van gemeenten landelijk onder druk is komen te staan. Terwijl gemeenten de komende jaren met diverse grote landelijke uitdagingen te maken hebben op het gebied van o.a.
woningbouw, verduurzaming, energietransitie en stijgende lasten binnen het sociaal domein, is er grote onduidelijkheid over de bijdragen die gemeenten voor deze taken ontvangen vanuit het Rijk. In de landelijke media wordt in dit kader ook wel gesproken over het ‘ravijnjaar 2026’. Gemeenten ontvangen vanaf dat jaar vanuit het Rijk fors minder middelen via het gemeentefonds. Analyses van o.a. BMC, de VNG, en de Raad voor het Openbaar Bestuur tonen een grote disbalans tussen de taken die gemeenten (moeten) uitvoeren en de middelen die zij daarvoor vanuit het Rijk ontvangen. De afgelopen periode is de VNG gestart met een landelijke campagne waarin (nogmaals) aandacht wordt gevraagd voor de gevolgen van de aanstaande korting van het gemeentefonds. Dit met het oog op de overleggen die richting de voorjaarsbesluitvorming van het kabinet gepland staan. Hierbij was de landelijke oproep dat het Rijk in de Voorjaarsnota duidelijkheid geeft zodat gemeenten hier rekening mee kunnen houden in hun begrotingen 2026-2029. In deze kadernota staan we nadrukkelijk stil bij de diverse ontwikkelingen en onzekerheden die ten tijde van deze kadernota 2026-2029 spelen. Zowel de onzekerheden rondom de algemene uitkering uit het gemeentefonds als de lange termijneffecten van voorgenomen investeringen na 2029 hebben een effect op de realiseerbaarheid van de ambities van onze gemeente.
Vanuit dat oogpunt wordt ook nadrukkelijk stil gestaan bij het vervolgproces richting het opstellen van de uiteindelijke begroting 2026-2029. Hierbij betrekken we ook de inzichten uit het rapport structurele begrotingsruimte zoals dat in de informatiebijeenkomst van 10 april 2025 is toegelicht. Financieel zijn de uitkomsten van deze kadernota negatief. Op basis van de huidige inzichten wordt voor de komende jaren een structureel tekort verwacht van € 4 miljoen (2026), € 4,2 miljoen (2027), € 2,1 miljoen (2028) en € 2 miljoen (2029). Hierbij moet worden opgemerkt dat in deze cijfers nog geen rekening is gehouden met de maatregelen die het Rijk in de voorjaarsnota heeft benoemd en waarvan de financiële effecten verwerkt zullen worden in de meicirculaire 2025. Daarnaast is hierin ook nog geen rekening gehouden met de potentiële effecten van de maatregelen zoals die in het rapport structurele begrotingsruimte zijn benoemd. 3
Zoals gezegd vormt deze kadernota 2026 het vertrekpunt op basis waarvan wij de komende periode de begroting 2026 – 2029 zullen gaan opstellen. In hoofdstuk 5 van deze kadernota worden indicaties gegeven van de verwachte financiële effecten uit de voorjaarsnota van het Rijk. In combinatie met het (in hoofdstuk 6) voorgestelde vervolgproces richting de begroting, heeft het college er vertrouwen in dat we (ondanks alle onzekerheden) tot een sluitende begroting kunnen komen. Zevenbergen, 29 april 2025 Het college van burgemeester en wethouders, Aart-Jan Moerkerke Bennie Blom Danny Dingemans Pauline Joosten Eef Schoneveld Sjoerd Elseman
4
Leeswijzer In hoofdstuk 1 worden allereerst de uitgangspunten toegelicht die zijn gehanteerd bij het opstellen van deze kadernota en die uiteindelijk ook gehanteerd zullen worden in het verdere verloop naar de op te stellen meerjarenbegroting 2026-2029. Vervolgens wordt ingegaan op bijstellingen die in reeds bestaande budgetten worden voorzien (hoofdstuk 2) en worden de nieuwe ontwikkelingen per programma toegelicht (hoofdstuk 3). Dit kan gaan om nieuwe wetgeving of nieuwe plannen en ambities die via de kadernota aan de gemeenteraad worden voorgelegd zodat op basis daarvan een integrale afweging gemaakt kan worden. In hoofdstuk 4 wordt een schets gegeven van de uitkomsten van het financieel meerjarenperspectief voor de jaren 2026-2029 en wordt inzicht gegeven in de reservepositie van de gemeente. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op diverse ontwikkelingen en onzekerheden die ten tijde van het opstellen van deze kadernota spelen. Dit zijn ontwikkelingen die (de komende jaren) nog invloed kunnen gaan hebben op het financieel meerjarenperspectief van de gemeente, maar die gezien de onzekerheden of termijn waarop die zich gaan voordien, niet zijn verwerkt in de cijfers van deze kadernota. Hierbij wordt een indicatie gegeven van wat dit (mogelijk) gaat betekenen voor het gepresenteerde meerjarenperspectief vanaf 2029.
Tot slot wordt in hoofdstuk 6 stilgestaan bij het verdere proces richting het opstellen van de begroting 2026-2029.
5
Hoofdstuk 1 – Uitgangspunten meerjarenramingen 2026-2029 Het is belangrijk om de uitgangspunten (kaders) met elkaar vast te leggen die gehanteerd zullen worden in het verdere verloop naar de op te stellen meerjarenbegroting 2026-2029. Onderstaande uitgangspunten zijn vanuit dit perspectief geformuleerd: 1. Voor de verwachte ontwikkeling van het aantal inwoners en woningen gaan we uit van de actuele woningbouwprognose. In deze kadernota is rekening gehouden met onderstaande ontwikkeling van het aantal woningen. Dit op basis van de woningbouwprognose ten tijde van het opstellen van deze kadernota (maart 2025). Bij het opstellen van de uiteindelijke begroting worden de aantallen eventueel geactualiseerd aan de hand van de op dat moment meest recente woningbouwprognose. Voor de stijging van het aantal inwoners wordt ervan uitgegaan dat dit aantal toeneemt met 1 persoon voor elke nieuwe woning. Jaar (per 1-1) Aantal inwoners 2025 38.277 2026 38.383 2027 38.686 2028 38.985 2029 39.475 Tabel 1 Aantal inwoners en woningen
Aantal woningen 17.118 17.224 17.527 17.826 18.316
Deze aantallen zijn o.a. van belang voor de inschatting van de baten die we als gemeente uit het gemeentefonds ontvangen. Het aantal inwoners en woningen zijn maatstaven op basis waarvan (een deel van) de algemene uitkering onder gemeenten wordt verdeeld (zie ook uitgangspunt 2). Daarnaast wordt het aantal woningen gebruikt voor de inschatting van hieruit voortkomende ozb opbrengsten (zie ook uitgangspunt 8). In bovenstaande tabel is te zien dat over de periode 2025-2029 naar verwachting gemiddeld circa 300 woningen per jaar worden gerealiseerd. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in bovenstaande aantallen geen rekening is gehouden met de mogelijke effecten i.r.t. de diverse initiatieven op het gebied van de huisvesting van arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland werken moeten zich inschrijven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar deze woont. Met de BRP-registratie wordt de arbeidsmigrant ingezetene waardoor hij/zij formeel meetelt in het aantal inwoners. Per informatiebrief d.d. 20 maart 2025 is de gemeenteraad geïnformeerd over de stand van zaken m.b.t. de diverse initiatieven voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Gezien de onzekerheden rondom de uiteindelijke realisatie van de diverse initiatieven, is het op dit moment nog te vroeg om dit in de verwachte inwoneraantallen te verwerken.
In de begroting is in de stelpost nieuw beleid (zie hoofdstuk 5, tabel 5) wel rekening gehouden met de potentiële financiële effecten die hieruit voortkomen. Deze effecten bestaan uit een hogere algemene uitkering uit het gemeentefonds (in het geval dat een arbeidsmigrant zich inschrijft in de BRP en formeel meetelt in het aantal inwoners) of hogere toeristenbelasting (als er sprake is van een kortdurend verblijf).
6
2. De opbrengst m.b.t. de algemene uitkering uit het gemeentefonds wordt in de begroting 2026-2029 gebaseerd op de meicirculaire 2025. De raming van de uitkering die we als gemeente uit het gemeentefonds ontvangen baseren we in de begroting 2026 - 2029 (overeenkomstig voorgaande jaren) op de meicirculaire 2025. Hiermee voldoen we aan de begrotingsrichtlijnen van de provincie als financieel toezichthouder. Op het moment dat deze kadernota wordt opgesteld zijn de uitkomsten van de meicirculaire 2025 nog niet bekend. De septembercirculaire 2024 is de laatste circulaire waarin vanuit het Rijk een structureel beeld is afgegeven. Deze structurele effecten zijn in deze kadernota verwerkt. Daarnaast is rekening gehouden met de indexering (verleggen basisjaar) en is met actuele cijfers gerekend, zoals het aantal verwachte inwoners en woningen (zie uitgangspunt 1). Met name voor de jaren vanaf 2026 zijn er onzekerheden over de omvang van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 5. 3. Ontwikkelingen bijdrage aan Werkplein en BUIG-gelden vanuit Rijk zijn aan elkaar gelijk en hebben geen effect op het begrotingsresultaat van de gemeente. De kosten voor het werkplein hebben deels betrekking op de verstrekking van uitkeringen. Gemeenten ontvangen hiervoor middelen vanuit het Rijk, de zogenaamde BUIG-gelden.
In de begroting 2026-2029 wordt ervan uitgegaan dat beide ontwikkelingen aan elkaar gelijk zijn en dus geen mutatie opleveren voor de jaren 2026-2029. De apparaatskosten van het Werkplein vallen daar niet onder. Aan de hand van de definitieve vaststelling van de BUIG middelen en tussentijdse begrotingswijzigingen van het Werkplein wordt deze inschatting indien nodig bijgesteld en verwerkt in de gemeentelijke bestuursrapportages. In de jaarrekening wordt het definitieve overschot of tekort gepresenteerd. 4. Prijsontwikkeling 2026 (algemeen) Het toepassen van een algemene prijsontwikkeling op alle budgetten in de begroting werd in de afgelopen jaren niet toegepast. Voor 2026 wordt deze werkwijze gecontinueerd. Dit om te voorkomen dat alle budgetten standaard worden geïndexeerd met een bepaald percentage en daarmee het risico op ’lucht in de begroting’ toeneemt. Wel wordt bij het opstellen van de begroting rekening gehouden met bijstellingen die vastliggen in afgesloten contracten. Enkele budgetten waarvan nu al duidelijk is dat een bijstelling nodig is zijn wel verwerkt in de cijfers van deze kadernota (zie hoofdstuk 2). Verder zijn in deze kadernota de verwachte effecten m.b.t. de loonkostenontwikkeling (zie uitgangspunt 5) en de beheerplannen (zie uitgangspunt 6) verwerkt.
7
5. Loonkostenontwikkeling De huidige cao loopt tot en met 31 maart 2025. De onderhandelingen over de nieuwe cao liepen half februari vast, omdat de bonden het loonbod van de werkgevers te mager vinden. Ten tijde van het opstellen van deze kadernota is er vanaf april 2025 nog niets bekend. Op basis van de laatste prognose van het Centraal Planbureau (maart 2025) wordt op basis van de index ‘prijs overheidsconsumptie, beloning werknemers’ een indexering verwacht van 6,2% in 2025 en 1,8% in 2026. In deze kadernota is daarom (bovenop de effecten conform de huidige cao) voor de periode april t/m december 2025 rekening gehouden met een toe te passen indexering van 4,7% (6,2% * 9/12). Voor 2026 is rekening gehouden met een indexering van 1,8%. 6. Prijsontwikkeling beheerplannen Sinds 2012 wordt voor de prijsontwikkeling met betrekking tot beheerplannen (o.a. wegbeheer en groenbeheer) de zogenaamde CROW-index gehanteerd over het laatste volledige jaar. Dit betekent voor 2026 een benodigde verhoging van de budgetten voor de uitvoering van beheerplannen van 5,67%. 7. Bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen De gemeenschappelijke regelingen waaraan de gemeente deelneemt passen in hun meerjarenbegroting steeds vaker een meerjarige (cumulatieve) indexering van lonen en prijzen toe, waardoor de gemeentelijke bijdrage per jaar steeds verder oploopt.
De gemeente past deze werkwijze in de eigen begroting niet toe, met name niet bij de raming van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Uitgangspunt voor de gemeentelijke begroting is om de bijdrage aan een gemeenschappelijke regeling die voor 2026 is berekend in de daaropvolgende jaren gelijk te houden. 8. Indexering gemeentelijke tarieven (algemeen) In het verleden heeft de gemeenteraad als beleidslijn vastgesteld dat de gemeentelijke heffingen jaarlijks in ieder geval worden verhoogd met de (verwachte) inflatie. Als dat niet gebeurt, dan gaan de inkomsten van de gemeente achterlopen op de uitgaven. Want als gemeente krijgen we bij onze uitgaven ook te maken met prijsstijgingen/inflatie. Als maatstaf voor die verwachte inflatie gebruiken we als gemeente al geruime tijd de ‘geharmoniseerde consumentenprijsindex’ (hicp). Omdat de gemeenteraad voorafgaand aan een jaar (in december) de gemeentelijke tarieven moet vaststellen en de werkelijke inflatiecijfers pas na afloop van het jaar bekend worden, kijken we in de kadernota jaarlijks terug naar de werkelijke indexcijfers. Bij de tariefberekening 2025 (in 2024 berekend) werd nog uitgegaan van onderstaande prognoses van het Centraal Planbureau zoals die in het Centraal Economisch plan (CEP) 2024 waren gepubliceerd: Consumentenprijsindex (hicp) CEP 2024 (maart 2024)
2024 2,7% (prognose)
8
2025 2,5% (prognose)
2026 (nnb)
In februari 2025 is het Centraal Economisch Plan (CEP) 2025 gepubliceerd. Daarin zijn onderstaande inflatiecijfers opgenomen: Consumentenprijsindex (hicp) CEP 2025 (maart 2025)
2024 3,2% (werkelijk)
2025 3,0% (prognose)
2026 2,4% (prognose)
Voor 2026 wordt een prijsontwikkeling verwacht van 2,4%. Verder blijkt de werkelijke prijsontwikkeling over 2024 0,5% hoger te liggen dan eerder werd verwacht en is ook de prognose voor 2025 door het Centraal Planbureau met ca. 0,5% verhoogd. Om aan te blijven sluiten bij de geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp) nemen we die verschillen mee in het toe te passen indexcijfer voor 2026. Dit resulteert in onderstaande berekening, waarbij het toe te passen indexcijfer voor 2026 uitkomt op 3,4%. Consumentenprijsindex (hicp) CEP 2024 (maart 2024) CEP 2025 (maart 2025) Verschil
2024 2,7% 3,2% 0,5%
2025 2,5% 3,0% 0,5%
2026 2,4% 2,4%
Totaal
3,4% (indexcijfer 2026)
Tabel 2 Berekening indexcijfer 2026
Voor meer informatie over deze werkwijze wordt ook verwezen naar de presentatie zoals die is gegeven tijdens de raadsinformatiebijeenkomst d.d. 7 maart 2024. 9. Indexering ozb en toeristenbelasting Bij de berekening van de opbrengsten voor de ozb en toeristenbelasting wordt rekening gehouden met een toename conform de verwachte prijsontwikkeling. Op basis daarvan wordt voor de ozb en toeristenbelasting voor 2026 een indexcijfer toegepast van 3,4% (zie berekening bij uitgangspunt 8). Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat dit niet automatisch betekent dat de uiteindelijke ozb tarieven voor 2026 ook 3,4% hoger zullen uitvallen dan in 2025. Bij de berekening van de uiteindelijke tarieven (die de gemeenteraad in december 2025 vaststelt) wordt namelijk rekening gehouden met de waardestijging (of daling) van objecten. Ter indicatie: indien op basis van de informatie die tegen die tijd vanuit de Belastingsamenwerking West- Brabant (BWB) wordt verkregen bijvoorbeeld blijkt dat de gemiddelde woningwaarde met 4% is toegenomen, dan zal het ozb tarief voor 2026 met 0,6% verlaagd worden. Dit zodat de gemiddelde ozb aanslag 3,4% hoger zal komen te liggen dan in 2025. Verder geldt dat de verwachte nieuwbouw van woningen en niet – woningen tot aanvullende ozb opbrengsten zal leiden.
In deze kadernota is daar als volgt rekening mee gehouden: - Voor de woningen zijn de extra ozb opbrengsten gebaseerd op de verwachte toename van het aantal woningen (zie ook uitgangspunt 1). - Voor de niet – woningen is rekening gehouden met nieuwbouw van jaarlijks € 50 miljoen. Aanvullend daarop is in de periode 2026 t/m 2028 met jaarlijks € 100 miljoen aan nieuwbouw rekening gehouden als gevolg van de realisatie van gebouwen op het LPM-terrein. Naar verwachting zal 2028 het laatste jaar zijn waarbij er sprake is van extra nieuwbouw m.b.t. het LPM-terrein. 9
Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij de verdeling van de algemene uitkering uit het gemeentefonds onder andere rekening wordt gehouden met verschillen in de mate waarin gemeenten zelf belasting kunnen heffen. Hierbij geldt dat gemeenten minder middelen uit het gemeentefonds ontvangen als ze veel vermogen (belastingcapaciteit) hebben om belastingen te heffen. Dit vanuit de gedachte dat iedere gemeente in staat moet zijn om een vergelijkbaar voorzieningenniveau te kunnen realiseren tegen een gelijke belastingdruk. Concreet wordt de belastingcapaciteit voor de woningen vastgesteld op 80% van de totale WOZ-waarden en voor niet-woningen op 70% van de totale WOZ-waarden, waarbij de belastingcapaciteit voor de nietwoningen wordt afgetopt op een bedrag van € 35.000 per inwoner. Met deze effecten is rekening gehouden in de actualisatie van de verwachte inkomsten uit de algemene uitkering van het gemeentefonds (zie uitgangspunt 2). 10. Tariefontwikkeling rioolrechten In het Gemeentelijk waterprogramma 2024-2027 (GWP) (raadsvergadering d.d. 2 november 2023) is uitgegaan van een jaarlijkse stijging van het tarief met het percentage van de prijsontwikkeling voor het betreffende jaar. Voor 2026 komt dit uit op 3,4% (zie berekening bij uitgangspunt 8). Veel riolering in de Gemeente Moerdijk is aangelegd in de jaren 1960-1990.
Op basis van een verwachtte levensduur van circa 70 jaar wordt een vervangingspiek verwacht voor de periode 2037-2064. Om de kosten voor deze vervangingen op te vangen en gevolgen voor de rioolheffing te monitoren is het nodig om het kostendekkingsplan van het Gemeentelijk Waterplan (GWP) doorlopend te actualiseren indien nodig. Nader inzicht laat zien dat het kostendekkingsplan bij het vastgestelde GWP 2024-2027 niet meer aansluit bij de actuele ontwikkelingen voor de vervangingen in de riolering. Onder andere door de geplande projecten m.b.t. de Wieken (Standdaarbuiten) en in Willemstad, waarmee geen rekening was gehouden in het huidige kostendekkingsplan. Vanwege deze ontwikkelingen zal er later dit jaar een nieuw kostendekkingsplan aan de gemeenteraad voorgelegd worden waarbij rekening is gehouden met de actuele ontwikkelingen. Hierin wordt verwerkt wat de gevolgen van deze ontwikkelingen zijn voor de rioolheffing in de komende jaren en zal voorgesteld worden op welke manier de vervangingspiek het beste opgevangen kan worden, rekening houdend met de huidige voorzieningen van de riolering. De actualisatie betreft enkel het kostendekkingsplan, het huidige GWP 2024-2027 behoeft geen actualisatie omdat de hierin opgenomen uitgangspunten niet wijzigen. 11.
Tarieven afvalstoffenheffing Voor het tarief van de afvalstoffenheffing wordt zoals voorgaande jaren uitgegaan van een 100% kostendekkend tarief. De verwachting is dat het tarief van de afvalstoffenheffing voor 2025 met circa 5% zal stijgen. De belangrijkste oorzaken van deze stijging zijn cao-ontwikkelingen waardoor de kosten voor het inzamelen van het afval omhoog gaan. Tevens neemt het onderhoud aan de ondergrondse containers toe waardoor dit extra kosten met zich meebrengt. Tot slot als belangrijkste factor de toename van de kosten voor het verwerken van het restafval. Deze toename komt doordat (ondanks diverse campagnes) het totaal kilogram restafval per jaar per inwoner toeneemt. Deze hogere hoeveelheden worden meegenomen in de totale kosteninschatting. Restafval wordt 10
steeds duurder om te verwerken. Vanaf 2026 verwachten we een verdere stijging van de kosten op restafval door de invoering van de CO2-heffing. Dat zal in eerste instantie om kleine bedragen per ton restafval gaan, maar vanaf 2028 gaat dit meetellen en de jaren erna gaat dit een grote impact hebben op het tarief van de afvalstoffenheffing. Indien de hoeveelheden restafval niet zullen dalen komende jaren, is een stijging van de afvalstoffenheffing onvermijdelijk. 12. Tarieven lijkbezorgingsrechten (40% kostendekkend) Op basis van de in 2020 gemaakte afspraken met de gemeenteraad over hoogte van de lijkbezorgingsrechten worden de tarieven gebaseerd op een kostendekkingspercentage van 40%. Dit uitgangspunt is ook voor de komende jaren gehanteerd.
11
Hoofdstuk 2 – Budgetaanpassingen bestaand beleid en actualisatie eerdere nieuwe ontwikkelingen Voordat in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de nieuwe ontwikkelingen die worden voorzien, wordt in dit hoofdstuk eerst ingegaan op de ontwikkelingen die zich binnen het bestaand beleid voordoen. In bijlage 1 is een specificatie opgenomen van de budgetaanpassingen bestaand beleid. Dit betreft bijstellingen van reeds bestaande budgetten waar bijvoorbeeld als gevolg van kostenontwikkelingen duidelijk is dat daar voor de jaren 2026-2029 een bijstelling in nodig is. In bijlage 2 is een specificatie opgenomen m.b.t. de actualisatie van de middelen die op basis van eerdere besluitvorming al in de stelpost nieuw beleid waren opgenomen. Nadere toelichting m.b.t. kostenontwikkelingen sociaal domein De uitgaven voor jeugdhulpbudgetten en WMO laten een sterke stijging zien voor de komende jaren. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. Het aantal jeugdigen met een jeugdhulpvraag is gestegen. Ook is er een verzwaring binnen de hulpvragen zichtbaar en moeten we steeds hogere tarieven betalen om continuïteit van zorg te garanderen. Voor WMO stijgt het aantal indicaties en speelt de indexering van tarieven een rol. De wachtlijsten in de zorg en ook de complexiteit van de casuïstiek zijn de belangrijkste achterliggende oorzaken.
Voor huishoudelijke hulp en beschermd wonen zit de oorzaak in respectievelijk de tariefwijzigingen en een andere verdeelsleutel in het samenwerkingsverband.
12
Hoofdstuk 3 – Nieuwe ontwikkelingen De kadernota is jaarlijks het moment waarop nieuwe ontwikkelingen aan de gemeenteraad voorgelegd worden zodat op basis daarvan een integrale afweging gemaakt kan worden. Dit kan gaan om nieuwe wetgeving of nieuwe plannen en ambities van de gemeente zelf. Voordat in dit hoofdstuk per programma de nieuwe ontwikkelingen worden toegelicht, worden hieronder enkele globale ontwikkelingen toegelicht. Aanvraag formatie Als algemene opmerking bij de nieuwe ontwikkelingen geldt dat bij diverse ontwikkelingen sprake is van benodigde personele capaciteit. De formatievraag bestaat voornamelijk uit formatie voor de realisatie van bestaande ambities en formatie om werk dat voortkomt uit autonome ontwikkelingen (WOO, stijging WMO aanvragen) het hoofd te bieden. Daarnaast betreft het in een aantal gevallen het anders organiseren van werk. In deze kadernota vraagt het college in totaal 19,6 fte. Dit betreft 2,2 fte incidentele capaciteit en 17,4 fte structurele capaciteit. Voor 2,7 fte is dekking gevonden binnen de bestaande begroting. Het college heeft kritisch gekeken naar formatieclaims maar komt tot de conclusie dat ze nodig zijn om de ambities van de raad, zoals vastgelegd in het bestuursakkoord, te kunnen realiseren.
Vaste medewerkers in plaats van inhuur Voor een aantal van deze claims geldt dat ze worden ingezet om functies die eerst op inhuurbasis (en op basis van incidenteel budget) werden ingezet op te nemen in de vaste formatie. Het college heeft kritisch bekeken of hier functies tussen zitten die eigenlijk een incidenteel karakter hebben of waarvan gesteld kan worden dat slimme combinaties tussen functies ervoor zorgen dat zij ook met vaste formatie ingevuld kunnen worden. Deze aanvraag doet het college vooruitlopend op de uitkomsten van het rekenkameronderzoek naar inhuur. Het college en de gemeenteraad hebben met elkaar afgesproken dat structurele uitbreiding van formatie wordt voorgelegd aan de raad. Het grote aantal personele claims levert daarmee wellicht een vertekend beeld op. Groei ondersteunende functies nodig voor adequate dienstverlening aan inwoners Het zal u bij het lezen van de claims niet ontgaan dat een deel van de formatieve claims gericht zijn op interne ondersteuning. In de afgelopen jaren is de organisatie flink gegroeid. Die groei heeft zich met name afgespeeld op basis van nieuwe ambities en autonome ontwikkelingen. Er zijn daardoor voornamelijk medewerkers bijgekomen binnen het sociale- en fysieke domein. Nu die groei zich heeft afgetekend en veel projecten in de besluitvormings- of uitvoeringsfase zitten, zien we dat dit knelt.
Concreet betekent dit dat de kwaliteit en snelheid van de advisering en uitvoering op het gebied van financiën, communicatie, juridische zaken, en informatievoorziening onder druk staat. De afdelingen die in direct contact staan met onze inwoners en ondernemers, en ook adviezen leveren aan het college en de gemeenteraad, moeten daardoor soms langer dan gewenst wachten op reactie. Ook neemt het risico op (rechtmatigheids)fouten hierdoor toe. Het college realiseert zich dat het investeren in ondersteunende formatie zich moeilijk laat uitdrukken in direct maatschappelijk rendement. Een goed georganiseerde en efficiënte bedrijfsvoering is echter wel de ruggengraat van onze dienstverlening aan inwoners en randvoorwaardelijk om adequaat in te spelen op maatschappelijke veranderingen. 13
De ingediende claims op het gebied van interne dienstverlening zijn individueel inhoudelijk onderbouwd. Soms ligt hier een wettelijke taak aan ten grondslag en soms de wens om efficiënter, beter en sneller te kunnen werken. In het strategisch personeelsbeleid wordt afgewogen hoe we ervoor kunnen zorgen dat de ondersteuning voortaan meegroeit met het primaire proces. In 2024 is een start gemaakt met de strategische personeelsplanning. Doel is het gesteld staan voor de opgaven van vandaag en de toekomst. In de praktijk ervaren we op dit moment de krapte op de arbeidsmarkt. Niet alleen is het moeilijk om mensen te vinden. Ook merken we vaker dat mensen uit een andere sector komen. Dit vraagt meer ondersteuning en begeleiding. De opgaven in de toekomst worden daarnaast complexer. Niet alleen doordat vraagstukken integraler worden, maar ook de digitalisering vraagt veel scholing van onze mensen. Veel van de oplossingen voor deze vraagstukken brengen met zich mee dat Interne Dienstverlening verstrekt moet worden mensen te vinden, mensen te begeleiden en mensen in te werken.
14
Programma 1. Samen aan de slag voor het klimaat in Moerdijk Er ligt een grote opgave om tot een duurzaam Moerdijk te komen. Het tegengaan van klimaatverandering, aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering en een transitie naar een circulaire economie zijn randvoorwaarden voor het behoud van onze leefbaarheid. Energietransitie en klimaatadaptatie hebben ook impact op hoe we onze openbare ruimte inrichten en beheren. De klimaatadaptatie en energietransitie gaan ons landschap veranderen. Het vraagt om een ontwikkelend perspectief op onze ruimtelijke ordening, waarbij we opgaven slim combineren en de kwaliteit van het landschap bewaren. 1.1 Basis op orde voor ontwikkelend beheer van de fysieke leefomgeving Aanleiding: De gemeente Moerdijk staat voor urgente en steeds zichtbaardere uitdagingen in de fysieke leefomgeving. Klimaatverandering, verlies van biodiversiteit, toenemende hittestress en wateroverlast laten zich ook binnen onze gemeente steeds nadrukkelijker voelen. De Klimaateffect atlas laat zien dat vooral de verstedelijkte gebieden vaker te maken krijgen met extreem weer en opwarming. Tegelijkertijd neemt de biodiversiteit merkbaar af, onder andere in bermen en groenzones. In de Klimaatstrategie zijn hiervoor 3 strategische lijnen door de gemeenteraad vastgesteld als uitgangspunt.
Deze strategische lijnen hebben ook een doorvertaling gekregen in de bestuurlijke ambities in de omgevingsvisie. Daar komt bij dat veel van onze bestaande infrastructuur verouderd is, en dat veranderende wet- en regelgeving — zoals de invoering van de Omgevingswet — vraagt om een meer integrale, gebiedsgerichte aanpak. Dit vraagt om een nieuwe manier van werken: van traditioneel beheer naar ‘ontwikkelend beheer’. Niet alleen onderhouden wat er is, maar ook anticiperen op toekomstige opgaven en deze gericht meenemen in ontwikkelen waar nodig. Hoewel er in de afgelopen jaren diverse beleidsambities zijn vastgesteld, is daar (en of op de doorwerking) niet altijd een evenredige investering in capaciteit en middelen tegenovergesteld. Deze claim heeft als doel om dat te herstellen en de basis op orde te brengen. Toelichting: Deze claim bundelt vier samenhangende onderdelen die als randvoorwaarden gelden voor het programma Fysieke Leefomgeving. Door deze integrale benadering kunnen we de uitdagingen van vandaag én morgen beter het hoofd bieden en bouwen we aan een toekomstbestendige leefomgeving voor alle inwoners van Moerdijk. Het zijn structurele en incidentele middelen om de fysieke leefomgeving van Moerdijk duurzaam, uitvoerbaar en toekomstbestendig te beheren. 1.
Programmamanager Fysieke Leefomgeving – strategische sturing en integrale coördinatie. Hiervoor is 1 fte op schaal 11 (€117.000 p/j) noodzakelijk om regie te voeren, voortgang te bewaken en samenhang te borgen.
2.
Vervangingsbudget Bomen – structureel fonds (€ 495.000 p/j) voor gefaseerde vervanging van het bestaande bomenareaal (26.612 bomen). De raming is gebaseerd op de landelijke norm (€18,59 per boom per jaar, bron: Antea Group). In 2026 starten we met €150.000, oplopend tot het volledige bedrag in 2029. Deze opbouw zorgt ervoor dat we de vervanging ook daadwerkelijk kunnen uitvoeren binnen de huidig beschikbare capaciteit. De investering voor het boombeheerplan dat in 2017 is toegekend door de gemeenteraad is inmiddels benut.
3.
Openbaar Groen & Faunavoorzieningen – jaarlijks extra budget van € 90.000 voor onvoorziene of incidentele beheertaken die niet zijn opgenomen in reguliere onderhoudscontracten (zoals Groen+). Denk aan het opruimen van braakliggende terreinen, herstel van beschadigde groenstroken, faunapassages of het inspelen op plotselinge calamiteiten in de openbare ruimte. Dit bedrag is gebaseerd op meerjarige praktijkervaring.
15
1.1 Basis op orde voor ontwikkelend beheer van de fysieke leefomgeving 4.
Vergroeningsplannen voor alle kernen – Deze claim is op basis van het raadsbesluit klimaatadaptatie, waarin de gemeenteraad de ambitie heeft uitgesproken,10% extra bomen en 4% vergroening per kern. De raming van €7,5 miljoen is gebaseerd op concrete berekeningen: het aantal m² extra groen, extra bomen, grondaankoop en klimaatbestendige inrichting zoals wateropvang. Dit bedrag geeft het maximale scenario weer. Er is ruimte om met scenariokeuzes te werken. Door te faseren of kernspecifieke keuzes te maken, kunnen de jaarlijkse kosten worden verlaagd, terwijl de doelen op termijn haalbaar blijven. Zonder aanvullend budget blijft de ambitie voor een gezond woon-, werk- en leefklimaat van de kernen blijvend. De uitvoering duurt dan langer en wordt indien mogelijk gekoppeld aan andere projecten of vervangingsinvesteringen. De ambitie voor meer bomen/groen is niet haalbaar zonder deze budgetten. De focus komt dan te liggen op het in standhouden van het huidig areaal.
Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 € 207.000
2027 € 434.500
2028 € 646.400
2029 € 730.600
Onderbouwing (p*q):
De hierboven toegelichte bedragen zijn als volgt opgebouwd.
Personele gevolgen:
-
I/S S
Toevoeging van 1 fte programmamanager vanaf 2026 Overige onderdelen worden uitgevoerd binnen bestaande capaciteit of via externe partners.
16
Programma 2. Prettig en veilig wonen en leven in Moerdijk Wonen in een fijne omgeving die prettig en veilig voelt is een belangrijke pijler van het dagelijks welzijn. Met elf woonkernen is daar binnen de gemeente dan ook dagelijks aandacht voor. Met de juiste woningen, beschikbare voorzieningen, een goede bereikbaarheid, een gevoel van veiligheid en gezondheid en een aangename sociale en fysieke omgeving. 2.1 Capaciteit adviseur verkeer (1 fte) Aanleiding: In 2023 is als pilot een extra functie Verkeersadviseur toegevoegd. Daarvoor is gebruik gemaakt van tijdelijke gelden, met de insteek om na een jaar het effect te evalueren. De gezamenlijke conclusie is dat deze functie nodig is om het verkeer- en mobiliteitsbeleid en de uitvoering daarvan op het gewenste niveau te brengen (is afgelopen jaar gebeurd) en te houden (daarvoor is deze capaciteit ook voor de toekomst nodig). Toelichting: Als adviseur verkeer opereert deze functie op het snijvlak tussen de teams REO (Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling) en Openbare Ruimte. Nauw samenwerkend met de adviseur Mobiliteit (team REO) en de medewerkers Verkeer van het team Openbare Ruimte. Gezamenlijk zijn ze verantwoordelijk voor o.a. het opstellen van het strategisch beleid op bijvoorbeeld het gebied van openbaar vervoer en (internationaal) transport.
Deze persoon slaat daarbij mede de brug tussen strategische mobiliteitsvraagstukken en een praktische vertaling in verkeersoplossingen. En een andere belangrijke rol is de verkeersplanologisch advisering in meer omvangrijke plannen. Met name deelname in ontwikkelprojecten. Waarbij deze persoon trekker is van het opstellen en actueel houden van het verkeersveiligheidsplan. Op basis van het bestuursakkoord zijn t.b.v. mobiliteit € 500.000 structurele middelen begroot in de stelpost nieuw beleid. Het voorstel is om van de middelen mobiliteit € 103.000 in te zetten ter dekking van deze capaciteitsvraag. Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 € 0*
2027 € 0*
Onderbouwing (p*q):
Het gaat om structureel de toevoeging van 1 fte schaal 10 (beleids) Adviseur Verkeer aan het P-budget team REO, waarvan de kosten ongeveer € 103.000 per jaar bedragen. *Het voorstel is om dit te dekken uit de in de stelpost nieuw beleid gereserveerde middelen. Met uitzondering van toevoeging van deze capaciteit zijn er verder geen personele gevolgen. Dit is m.n. het continueren van de huidige werkwijze
Personele gevolgen:
2028 € 0*
17
2029 € 0*
I/S structureel
2.2 Waarschuwings en Alarmering Systeem (WAS). Aanleiding: Ontbreken van 2x zendmasten in het dekkingsplan van het Waarschuwing en Alarmering Systeem (WAS) van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Toelichting: Het WAS systeem van de veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een systeem dat helpt om te zorgen voor veiligheid bij ongelukken, branden of andere noodgevallen. Het wordt gebruikt om de omgeving te waarschuwen, bijvoorbeeld bij een brand of een groot ongeluk. Dit systeem wordt elke eerste maandag van de maand getest. Het WASsysteem zou worden uitgefaseerd, maar door een veranderd wereldbeeld wil het ministerie het systeem voorlopig behouden en onderhouden. In het huidige WAS-systeem is er geen dekking op het nieuwe Logistiek Park Moerdijk (LPM) en op het Industrieel Park van industrieterrein Moerdijk. Industrieel park van industrieterrein Moerdijk betreft omgeving Shell / nog in te richten gebied ten zuiden van Shell. Het systeem wordt beheerd en aangestuurd door de veiligheidsregio MWB. Bijplaatsen van zendmasten is voor rekening van de gemeente Moerdijk Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 €0
2027 € 4.600
2028 € 4.500
Onderbouwing (p*q):
Per zendmast zijn de kosten € 30.000. Er dienen twee zendmasten te worden bijgeplaatst in het WAS-systeem. De afschrijvingstermijn voor de WAS palen is 20 jaar. Omdat het systeem meer kost dan €25.000 moeten de kosten geactiveerd worden via een investering en meerjarig worden afgeschreven. Dit resulteert in bovenstaande kapitaallasten.
Personele gevolgen:
Het heeft voor de gemeente Moerdijk geen consequenties voor wat betreft aantal FTE/uren.
18
2029 € 4.500
I/S S
Programma 3. Economie als versneller voor een vitaal Moerdijk Onze gemeente heeft een sterke economische functie van regionale en nationale betekenis. Hierdoor ontstaat zowel werkgelegenheid voor onze eigen inwoners als voor de regio. De economische doorontwikkeling biedt kansen voor een inclusieve arbeidsmarkt en het aantrekken van nieuwe inwoners om de leefbaarheid te versterken en onze voorzieningen op peil te houden. De economische positie van de gemeente wordt verder uitgebouwd door economische kansen te benutten. Daarbij streven we naar een beter evenwicht tussen economie en de (milieu)druk op mens en omgeving. We kijken naar wat economische ontwikkelingen kunnen bijdragen aan het realiseren van doelstellingen ten aanzien van duurzaamheid, klimaat, leefbaarheid en bereikbaarheid. We kunnen de economische kracht van het haven- en industrieterrein waar mogelijk koppelen aan andere lokale en regionale opgaven. Er liggen kansen om de spin-off vanuit de industrie richting lokale bedrijvigheid te vergroten. De aanwezigheid van de zeehaven van Moerdijk en ons uitgestrekte buitengebied met agrarische bedrijven en recreatieterreinen hebben helaas een aantrekkingskracht op de georganiseerde criminaliteit. Dit kan ondermijnende effecten hebben op onze samenleving. 3.1 Bastion Groningen Aanleiding: In 2018 is door de gemeenteraad de Visie op de verdedigingswerken aangenomen.
De gemeente ambieert om de verdedigingswerken verder te ontwikkelen en te versterken. Op dit moment biedt het gebied te weinig beleving voor bezoekers. Daarom is, in overleg met de bewoners van Willemstad, Bastion Groningen aangewezen als de locatie waar ontwikkeling nodig is om bezoekers langer vast te houden. In 2019 heeft DAF/Redscape-architecten een plan opgesteld voor de inrichting van Bastion Groningen met tot doel de verblijfskwaliteit, belevenis en begaanbaarheid van het Bastion als onderdeel van de vesting van Willemstad, tot stand te brengen in een veranderend landschap van lokale ontwikkelingen. Het college heeft op 8 maart 2022 het Uitvoeringsprogramma vitaal centrum Willemstad vastgesteld. Er is toen besloten om Bastion Groningen als project op te pakken. Tijdens de raadsvergadering in februari 2024 is het startdocument vastgesteld. Toelichting: Bastion Groningen is één van de vestingwerken in Willemstad. In totaal zijn er zeven vestingwerken. In de huidige situatie biedt de locatie te weinig beleving voor bezoekers. In de Visie op de verdedigingswerken is Bastion Groningen aangewezen als locatie waar ontwikkeling nodig is om bezoekers langer aan te trekken. Het doel is om het toegankelijk en beleefbaar te maken. Daarnaast worden de mogelijkheden onderzocht voor een fiets- en voetverbinding richting de Oostbeer. Er wordt nu gewerkt aan een schetsontwerp.
Vervolgens wordt dit uitgewerkt richting een voorlopig ontwerp. Eind 2025 wordt de kredietaanvraag voorgelegd aan de gemeenteraad. In 2026 doorlopen we dan de planologische procedure. In 2027 wordt dan gestart met de realisatie. Het Waterschap heeft een dijksverbeteringsopgave aan de Oostdijk. De haalbaarheid en uitvoering van de fiets- en voetverbinding langs de Oostbeer wordt in afstemming opgepakt met het Waterschap.
19
3.1 Bastion Groningen Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 €0
2027 €0
2028 €0
2029 €120.700
I/S S
Onderbouwing (p*q):
Op dit moment zit het project nog in de schetsontwerpfase. De kosten zijn opgedeeld in de kosten voor de Oostbeer en Bastion Groningen. De kosten komen op €1.783.484 (zie specificatie hieronder). Dit wordt afgerond naar € 1.800.000 exclusief BTW. Hier bovenop komen de ambtelijke kosten, de verwachting is dat de kosten hiervoor € 300.000,- zijn. De totale kosten komen hiermee op €2.1 miljoen. Er is al een voorbereidingskrediet van € 55.000 exclusief btw. Daarnaast wordt als gevolg van een collegebesluit in 2025 via de eerste bestuursrapportage 2025 gevraagd om dit voorbereidingskrediet met €57.000 op te hogen naar €112.000 waar inmiddels een raadsinformatiebrief voor is verstrekt. De totale benodigde investeringskosten voor zowel het benodigde verhoogde voorbereidingskrediet van €112.000 en de benodigde nieuwe investering van €2.100.000 zijn dus in totaal €2.212.000 exclusief btw. Over dit bedrag dienen de kapitaallasten berekend te worden. De kapitaallasten worden berekend via verschillende afschrijvingstermijnen van 20, 25 en 40 jaar afhankelijk van de afschrijvingsperiode van de verschillende onderdelen. Dit resulteert vanaf 2029 in bovenstaande kapitaallasten. Bastion Groningen
Oostbeer Kosten voor de fiets- en voetverbinding van de Oostbeer worden geschat op € 850.000 exclusief BTW. Dit is als volgt opgedeeld: Fiets- en voetbrug (lengte 47m) € 617.500 Toeslag complexe aanlanding ivm waterkering en € 61.750 rijksmonument (10%) Engineering-SO Engineering kosten VO
€ 20.380 € 7.665
20
3.1 Bastion Groningen
Personele gevolgen:
Engineering DO-bestek-bouwbegeleiding Leges waterschap Leges gemeente
€ 25.000 € 2.000 € 4.700
15% onvoorzien Totaal stichtingskosten brug
€ 110.849 € 849.844
De planologische procedure staat gepland voor 2026 en de uitvoering in 2027 en 2028. Er wordt voor €300.000 benodigde ambtelijke uren ingeschat. Dit is verwerkt in bovenstaande cijfers.
3.2 Powerport Moerdijk Aanleiding: Gemeente Moerdijk werkt samen met de gemeenten Drimmelen, Geertruidenberg, de provincie en de ministeries KGG, VRO en I&W aan de ontwerptafel Powerport. In juni 2025 wordt besloten over de scope van de opgave die in Moerdijk een plek moet vinden. Na dit scopebesluit wordt een integraal ontwikkelperspectief opgesteld waaruit moet blijken hoe de rijks energie-infrastructuur en de andere nationale, provinciale en lokale opgaven in het gebied kunnen worden ingepast met behoud van brede welvaart en leefbaarheid. Dit traject loopt door tot en met 2026 en moet leiden tot afspraken met rijk en provincie over wat, waar, onder welke voorwaarden kan landen inclusief een uitvoeringsagenda en een financieringsstrategie. Voor onze inzet met betrekking tot de ontwerptafel maken we apparaatskosten en proceskosten. De omvang van de kosten is afhankelijk van de aard en inhoud van de besluiten, plannen en afspraken die in het kader van de ontwerptafel worden gemaakt. Toelichting: Apparaatskosten Ambtelijk opdrachtgever voor de opgave Powerport is de directeur gebiedsontwikkeling. De ambtelijk opdrachtnemer is als trekker van Powerport met de vaststelling van de meerjarenbegroting 2025 e.v. reeds volledig vrijgemaakt en gefinancierd. De complexe opgave vraagt echter tijdelijk om bredere ambtelijke inzet.
Deze inzet wordt geborgd door tijdelijk externe inhuur van een projectsecretaris en een omgevingsmanager en door het tijdelijk vrijmaken van interne collega’s om expertise in te kunnen brengen. Het gaat hierbij om capaciteit op gebied van energie, RO, milieu, grondzaken en communicatie. Tegelijkertijd is het moeilijk om op dit moment in te schatten wat straks exact nodig is. Voor 2026 is de capaciteitsraming gedetailleerd uitgewerkt. Kosten bedragen € 266.000. Pas in 2026 kunnen we beoordelen of en welke structurele inzet benodigd is. Proceskosten Voor de inhoudelijke uitwerking op de Ontwerptafel is een consortium samengesteld dat wordt ingehuurd door de partners van de ontwerptafel gezamenlijk. Rijk, provincie en gemeenten dragen ieder 1/3 bij. Voor Moerdijk wordt een bijdrage van € 50.000 per jaar verwacht. In de begroting is in 2026 hiervoor reeds € 17.000 opgenomen in 2027 en 2028 niets. Om aan verplichtingen te kunnen voldoen is het nodig om dit budget in 2026 met €33.000 te verhogen. Na 2026 zal in een consortium verder samen worden gewerkt aan realisatie van de gemaakte plannen en afspraken. Pas in 2026 kunnen we inschatten of dit voor de daar op volgende jaren nog aanvullende middelen vraagt.
Ervaring leert dat het uit strategisch belang nodig is om naast de collectieve inzet op de ontwerptafel ook budget te hebben om vanuit gemeentelijk belang extern advies te kunnen inhuren. Hiervoor staat reeds € 50.000 in de begroting opgenomen in 2026. Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 € 300.000
2027 €0
2028 €0
21
2029 €0
I/S I
3.2 Powerport Moerdijk Onderbouwing (p*q): 2026
Personele gevolgen:
Projectsecretaris Extern) Capaciteit RO, 1,5 dag
Reeds gedekt
Grondzaken, 1,5 dag
€ 57.000
Communicatie, 1,5 dag
€ 57.000
Omgevingsmanager, extern 2-3 dagen p/w
€ 96.000
Bijdrage consortium Powerport Eigen plankosten
€ 33.000 Rest reeds gedekt Reeds gedekt
Totaal kadernota claim
€ 300.000 (afgerond)
€ 57.000
De ingezette interne capaciteit wordt ingekocht bij de betreffende teamleiders. Zij ontvangen hier een kostendekkende vergoeding voor, zodat zij met deze middelen het capaciteitsverlies kunnen opvangen middels externe inhuur. Voordeel van deze constructie is dat de interne expertise tijdelijk ingezet kan worden t.b.v. het Powerporttraject en dat extern capaciteit tijdelijk ingehuurd kan worden voor minder strategische werkzaamheden.
3.3 Stedelijke regio’s Breda-Tilburg, West-Brabant en Baronie samenwerking Aanleiding: Steeds vaker worden op regionaal, provinciaal en nationaal niveau besluiten genomen waarbij het stedelijke systeem, economisch ecosysteem daarvan of het zogenaamde Daily Urban System leidend is. Dit heeft direct of indirect van grote invloed is op onze inwoners en bedrijven. Denk bijvoorbeeld aan onze opgaven op wonen, energie, mobiliteit, landelijke transitie of economie. Moerdijk is vanwege haar bovenregionaal economisch profiel en de ligging onderdeel van en cruciaal voor de werking van meerdere stedelijke systemen. Moerdijk is gebaat bij de goede werking van deze systemen. Het belang van Moerdijk - en dan vooral een goede afweging tussen groei en leefbaarheid - is in de (grote) regio helaas niet vanzelfsprekend en daarom is Moerdijk actief aan de slag om ons belang en opgaves bij de partners goed op de agenda te krijgen of te houden. Midden-west Brabant bestaat uit twee stedelijke systemen waarvoor in 2025 samenwerkingsverbanden op- en ingericht worden. Dit betreffen de stedelijke regio West-Brabant met o.a. Bergen op Zoom en Roosendaal (SRWB) en stedelijke regio Breda-Tilburg (SRBT) met daaraan verbonden de Baronie samenwerking (gemeenten rondom Breda). Moerdijk maakt onderdeel uit van beide stedelijke systemen en dat vraagt extra capaciteit en middelen.
Het is de verwachting dat in de loop van 2025 een voorstel aan de raad wordt voorgelegd over de werkorganisatie, deelname aan, bekostiging en uitvoeringsprogramma’s van de twee stedelijke regio’s en de Baronie. Voor beide regio’s liggen er inmiddels concepten voor de organisatie en kosten daarvan en beide organisaties worden zo licht als mogelijk ingericht. Deze regio’s bevatten op zichzelf geen of alleen noodzakelijke uitvoeringscapaciteit maar de organisaties worden ingericht om de benodigde (uitvoerings)capaciteit voor de opgaven te organiseren vanuit de gemeentelijke organisaties. Het meest recente concept kostenplaatje en de inschatting van de benodigde extra capaciteit in Moerdijk is verwerkt in deze kadernota claim.
22
3.3 Stedelijke regio’s Breda-Tilburg, West-Brabant en Baronie samenwerking Toelichting: Zowel de SRBT, Baronie als de SRWB zijn momenteel bezig met het opstellen van een governance structuur, een uitvoeringsprogramma en een voorstel voor een werkorganisatie. Naar verwachting worden voorstellen hierover in de loop van 2025 voorgelegd aan de raad. Op basis daarvan blijkt welke apparaatskosten, werkbudgetten en capaciteit bij gemeenten benodigd zijn om de afgesproken resultaten te behalen. Met de uitvoeringsprogramma’s kunnen de deelnemende gemeenten tijdig de benodigde (uitvoerings)capaciteit borgen en is het voor de regio mogelijk deze capaciteit te organiseren rondom de opgaven of resultaten en deze eventueel bij te stellen wanneer er niet voldoende capaciteit beschikbaar is. Inzet van Moerdijk blijft om budgetten van de RWB die betrekking hadden op taken die opgepakt gaan worden door de stedelijke regio ook over te dragen aan de stedelijke regio. Hier is echter nog geen overeenstemming over. Met de nieuwe actieagenda RWB is de inzet van de RWB om de betreffende budgetten in te zetten voor nieuwe taken in plaats van om deze over te hevelen naar de stedelijke regio’s. Wel is de RWB inmiddels gestart met een onderzoek naar de benodigde governance van de verschillende taken van de RWB en eventuele relaties met EBWB, REWIN en stedelijke regio’s.
Het is de verwachting dat Moerdijk op basis van het belang op het thema, opgave of resultaat kan kiezen voor (actieve) deelname bij maar één of beide regio’s. Op dit moment is het nog niet duidelijk of dit ook geldt voor een deel van de jaarlijkse financiële bijdrages of bijvoorbeeld alleen door het wel of niet leveren van uitvoeringscapaciteit (of werkbudgetten) op basis van belang in de uitvoeringsprogramma's. Voor deze kadernota claim gaan we uit van de laatste bekende conceptbegrotingen en kosten daarin voor Moerdijk. Aanvullend vragen we een extra werkbudget voor de investering in capaciteit op basis van de laatste informatie rondom de uitvoeringsprogramma’s 2026. Dit is een inschatting van zowel de benodigde extra inzet in het algemeen over de gehele organisatie vanwege de deelname aan de twee regio’s als ook de investering op de thema’s waarop Moerdijk een (boven) regionale positie heeft zoals mobiliteit en economie en deze positie ook wil borgen binnen de samenwerking. Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 € 367.500
2027 € 0*
2028 € 0*
2029 € 0*
I/S I
Onderbouwing (p*q):
Werkbudget 2026 stedelijke regio’s: 2940 uur x 125 euro/uur = € 367.500 exclusief BTW. Werkbudget voor de 2940 uur aan extra capaciteit zoals onder personele gevolgen nader toegelicht. De werkzaamheden zijn gemiddeld gezien vergelijkbaar met de werkzaamheden van een senior beleidsmedewerker in schaal 11. Het huidige marktconforme uurtarief voor de inhuur van dergelijke medewerker in op de thema’s mobiliteit of economie is ca. 115 tot 130 euro exclusief BTW. Uitgaande van een inwoneraantal van 38.091 inwoners voor de gemeente Moerdijk worden de bijdragen: SRWB: €3,05 per inwoner = €116.178 per jaar. Baronie: €2,09 per inwoner = €79.667 per jaar. SRBT: bijdrage (ca. €300.000 in totaal) loopt via de bijdrage van gemeenten aan Baronie en Hart van Brabant. Totale bijdrage aan stedelijke regio’s = €195.845 per jaar. * NB: In de begroting is in de stelpost nieuw beleid € 152.000 opgenomen voor de komende jaren. Voor de structurele bijdragen is dit een verschil van € 43.845 per jaar. Dit effect is verwerkt in de aanpassing van de bestaande stelpost nieuw beleid (zie hoofdstuk 2).
23
3.3 Stedelijke regio’s Breda-Tilburg, West-Brabant en Baronie samenwerking Personele gevolgen:
Op basis van de huidige inzichten verwachten we een extra inzet van 2940 uur benodigd te hebben voor de deelname aan de stedelijke regio’s en uitvoeringsprogramma’s voor 2026. Voor deze claim voor de kadernota is de benodigde capaciteit omgezet naar werkbudget om op basis van de definitieve uitvoeringsprogramma’s de juiste inzet te bepalen. Dit budget is verwerkt in het totale budget eerder in dit formulier. De benodigde capaciteit is opgedeeld in 3 onderdelen zoals hieronder nader toegelicht. De eerste inschatting is dat de te leveren vakinhoudelijke capaciteit voor een gemiddelde deelname in 2026 aan 1 stedelijke regio ca. 300 uur per thema (wonen, mobiliteit, energie/netwerken, landschap/voorzieningen/leisure en economie) per gemeente vraagt. De inzet op deze thema’s is naar verwachting deels al onderdeel van de huidige capaciteit of werkzaamheden in de organisatie doordat er altijd al wel regionaal samengewerkt wordt en met de inzet behalen we door samenwerking de resultaten sneller, efficiënter of beter dan bij enkel lokale inzet van deze capaciteit. Voor de deelname aan twee stedelijke regio’s is de inschatting dat dit meer capaciteit vraagt echter de verwachting is niet dat het twee keer deze inzet vraagt doordat we niet even actief deelnemen aan beide regio’s op alle thema’s, dezelfde projecten, afspraken, etc. Een eerste inschatting is dat er per thema gemiddeld ca.
150uur, in totaal 900 uur, extra inzet benodigd is ten opzichte van nu en waarvan er niet de verwachting is dat het ook naar rato direct resultaat oplevert. Voor de thema’s economie en mobiliteit waarbij Moerdijk bovenlokale en zelfs bovenregionale opgaven heeft is het de verwachting en gewenst dat er meer inzet komt dan de gemiddelde deelname zoals benoemd hierboven. Op basis van de huidige doorkijk is de inschatting dat een actieve inzet op deze twee thema’s ca. 600 uur per regio extra vraagt. Doordat Moerdijk minder actief of anders actief wordt in de RWB verwachten we dat er voor 2026 ca. 600 uur aan extra inzet op deze thema’s benodigd is voor een actieve deelname in en aan de uitvoeringsprogramma’s van beide stedelijke regio’s. Als laatste is er de verwachting dat er ca. 720 uur per regio benodigd is voor inzet op strategisch vlak in het fysiek of ruimtelijk-economisch domein voor deelname aan de stedelijke regio zoals bijvoorbeeld voor deelname aan de programma-, kern- of strategieteams, update van de ontwikkelstrategie, uitvoeringsprogramma’s, integrale afweging van ontwikkelingen, P&C cyclus en advisering van bestuur. Dit is capaciteit die bij deelname aan twee stedelijke regio’s ook twee keer en in totaal 1440 uur inzet vraagt.
Daarnaast is deze rol in grotere mate dan bij in de RWB belegd bij de individuele gemeenten in de (lichtere) organisatie van de stedelijke regio’s en dat een groot deel van de al aanwezige capaciteit daarvoor in 2026 nog zeker benodigd is voor de deelname aan de RWB.
24
Programma 4. Ondersteuning voor mensen die het nodig hebben Gemeente Moerdijk staat voor goede, betaalbare en beschikbare zorg en ondersteuning voor de kinderen, jongeren, volwassenen en senioren die het écht nodig hebben. Soms is dat een duwtje in de rug, soms intensieve hulp. Wij bieden onze inwoners hulp op de leefgebieden opvoeden en opgroeien, onderwijs, gezondheid, werk, veiligheid, dagelijks leven, financiën, wonen, mobiliteit en sociale participatie. Gemeente Moerdijk wil een inclusieve gemeente zijn waar iedereen meedoet, ongeacht culturele achtergrond, gender, leeftijd of beperkingen. Het vertrekpunt bij onze ondersteuning is altijd ‘licht waar mogelijk, zwaar waar nodig'. Lichte hulp is niet zo ingrijpend voor mensen, het normale leven gaat zoveel mogelijk gewoon door en de kosten voor deze ondersteuning zijn geringer. De gespecialiseerde ondersteuning voor mensen die dat echt nodig hebben, moeten we kunnen blijven leveren en kunnen blijven betalen. 4.1 Capaciteit Schuldhulpverlening (1 fte) Aanleiding: Het aantal aanvragen en de problematiek rondom schuldhulpverlening wordt steeds complexer. Ook nieuwe ontwikkelingen en een actieve benadering van inwoners vergt meer capaciteit. De wettelijke taak om meer preventief te werken vraagt om een andere aanpak.
Toelichting: Ons doel binnen schuldhulpverlening de komende jaren is het inzetten van de juiste mix van ondersteuning, begeleiding en producten waarmee we maximale preventie bereiken op het juiste moment en bij de juiste personen. Fte trajectbegeleiders Binnen het cluster SHV werken 4 trajectbegeleiders, gezamenlijk goed voor 3,45 fte. Verwachting Door de hoge inflatie en met name de stijgende (energie)prijzen is de (landelijke) verwachting dat het aantal inwoners dat zich meldt bij schuldhulpverlening nog verder stijgt. Daarnaast moet er meer ingezet worden op preventie. Caseload Op dit moment hebben wij een actief bestand van 160 cliënten. Naast de reguliere hulpvragen gaan onze trajectbegeleiders wekelijks op pad voor Vroeg eropaf (= preventie). Bij navraag bij buurgemeenten blijkt dat een caseload van 40 cliënten per fte een gangbaar aantal is. Op dit moment hebben wij 3,45 fte beschikbaar. Dit zou betekenen dat onze trajectbegeleiders gezamenlijk een caseload van 139 cliënten zouden kunnen draaien. Dit zonder inzet voor Vroeg eropaf (= min. 5 uur per week) en niet ingestoken op een integrale werkwijze. De 160 actieve cliënten plus de werkzaamheden van Vroeg eropaf overstijgt een reële caseload ruim. Daarnaast zien wij ook dat de casuïstiek in complexiteit toeneemt. Dit vergt meer tijd en kennis van de trajectbegeleiders.
Dit jaar (2024-2025) hebben wij al ruim 1500 meldingen van Vroeg eropaf binnengekregen. Dit is een aanzienlijke stijging in vergelijking met voorgaande jaren (+800 meldingen). Dit laat zien dat alle betrokken (keten)partners beter en meer inzetten op preventie. Schuldhulpverlening, als belangrijkste schakel, heeft nu onvoldoende capaciteit om mee te gaan in deze trend. Noodzakelijke uitbreiding Om de dienstverlening van onze inwoners op een kwalitatief voldoende niveau te kunnen aanbieden is uitbreiding noodzakelijk. De aanvraag bestaat uit 1 fte trajectbegeleider SHV Preventieve inzet had al gerealiseerd moeten worden, maar dit is niet mogelijk met de huidige bezetting. Door deze uitbreiding kunnen wij hierin de eerste stappen zetten. Welke (aanvullende) bedragen zijn hiervoor nodig? 2026 € 93.000