CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

(Concept) Kadernota 2026-2029

Informatiebijeenkomst 6 mei 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Stukken kadernota 2026 t.b.v. raadsinformatiebijeenkomst23.555 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

45

(Bedragen x € 1.000) 1) Stelpost Nieuw beleid Ramingen uit vorige jaren t/m 2020: Vitale centra Aanleg losloopgebieden/uitlaatterreinen honden Toegevoegd o.b.v. kadernota 2021-2024: Afschaling N285: Bijdrage aan de provincie t.b.v. rotonde Afschaling N285: Bijdrage t.b.v. rotonde Langeweg Afschaling N285: Uitvoering werkzaamheden gemeente Scholenontwikkeling Willemstad: nieuwbouw school, gymzaal en gemeenschapshuis Willemstad Scholenontwikkeling Zevenb.Hoek: > ophoging investering school > nieuwbouw gemeenschapshuis Scholen Fijnaart: bouwkosten schoolgebouwen Scholen Klundert: bouwkosten schoolgebouwen Toekomstbestendige gymaccomm. Zevenbergen: nieuwbouw gymzaal bij Regenboog Toegevoegd o.b.v. kadernota 2022-2025: Exploitatiekosten nieuwe gymzaal bij Regenboog Vervangende nieuwbouw Niervaert Toegevoegd o.b.v. kadernota 2023-2026: Vervanging gymzaal Droge Mark (alleen bouwkosten) Herinrichting Doelstraat Integrale aanpak arbeidsmigratie: extra inkomsten GF en/of toeristenbelasting Toegevoegd o.b.v. Bestuursakkoord 2023-2026: Mobiliteit Inclusiviteit Toegevoegd o.b.v. kadernota 2024-2027: Verbetering entree Klundert Zevenbergseweg Permanente steiger Fort Sabina Permanente steiger Fort Sabina (dekking huursom ponton) Toegevoegd o.b.v. kadernota 2025-2028: Werkbudget stedelijke regio’s WBW & Breda -Tilburg Kadervoorstel – onderst.

verenigingen en vrijwilligers Kadernota 2026-2029: Nieuwe ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3) Nieuwe ontwikkelingen (zie hoofdstuk 3) Subtotaal stelpost nieuw beleid

Invest. I/S

2026

2027

2028

2029

2030

2031

2032

2033

2.423 70

S S

5

162 5

160 5

157 5

154 5

152 5

149 5

147 5

2.792 14.731

I I S S

434 -

400 434 -

-

187 -

184 766

181 756

178 746

175 736

259 4.475 12.209 12.864 2.675

S S S S S

-

13 257 159

13 254 157

13 250 154

12 246 669 152

12 243 660 150

12 239 635 652 147

12 235 627 643 145

25.560

S S

-

20 -

20 20 - 1.446

20 20 1.425 1.405

20 1.385

20 1.364

3.160 3.500 -

S S S

-

-150

-550

235 -550

188 231 -550

185 227 -550

182 223 -550

180 219 -550

-

S S

500 100

500 100

500 100

500 100

500 100

500 100

500 100

500 100

750 190 -

S S S

-

13 -13

50 13 -13

49 12 -12

49 12 -12

48 12 -12

47 12 -12

46 11 -11

-

S S

196 50

196 50

196 50

196 50

196 50

196 50

196 50

196 50

-

I 810 143 S 1.732 2.079 2.231 2.365 3.827 4.369 3.185 5.177

2.499 2.521 6.897 6.861

2.545 7.462

2.568 7.417

2) Overige ontwikkelingen Scholenontwikkeling Zevenbergen Stationstunnel Zevenbergen (netto) Inrichting stationsomgeving Zevenbergen Transformatiegebied Zevenbergen-Noord Permanente voorziening Roode Vaart-centrum Zvb Subtotaal overige ontwikkelingen

Invest. I/S 8.845 S 15.400 S 20.000 S 5.000 I 2.000 S

2026 -

2027 -

2028 -

2029 134 134

2030 2031 608 603 - 1.340 132 130 740 2.073

2032 460 598 1.318 pm 128 2.504

2033 454 593 1.297 pm 125 2.469

3) Reeds besloten ontwikkeling Zuidrandtunnel (netto-investering) Totaal reeds besloten ontwikkeling

Invest. I/S 21.400 S

2026 0

2027 0

2028 0

2029 0

2030 845 845

2032 831 831

2033 824 824

Totaal

3.827 4.369 3.185 5.311 Waarvan incidenteel 1.244 976 Waarvan structureel 2.583 3.392 3.185 5.311

2031 838 838

8.483 9.772 10.796 10.710 8.483 9.772 10.796 10.710

Tabel 5 Totaaloverzicht stelpost nieuw beleid en overige ontwikkelingen

* de investeringsramingen betreffen een globale inschatting. Voor de meeste investeringen geldt dat hier nog geen uitgewerkte kostenraming voor is opgesteld. De bedragen zijn gebaseerd op normbedragen en ervaringen uit het verleden.

46

De lasten die uit bovenstaande ontwikkelingen voortkomen, zijn t/m 2029 verwerkt in het financieel meerjarenperspectief 2026-2029 zoals dat in hoofdstuk 4 is geschetst. Er zijn echter ook diverse investeringen die pas na 2029 tot kapitaallasten gaan leiden. Op basis van de huidige inzichten, leiden de diverse investeringen ten opzichte van 2029 tot € 3,2 miljoen (2030), € 4,5 miljoen (2031), € 5,5 miljoen (2032) en € 5,4 miljoen (2033) hogere kapitaallasten. Nu is het natuurlijk zo dat besluitvorming over deze ontwikkelingen (m.u.v. de Zuidrandtunnel) nog plaats moet vinden en er altijd de mogelijkheid bestaat dat zaken niet doorgaan of verder worden doorgeschoven waardoor het beeld er anders uit komt te zien. Daar staat tegenover dat er in de komende jaren ook nog zaken naar voren zullen komen waar nu helemaal nog geen rekening mee is gehouden. Het toekomstperspectief is niet meer dan een indicatie waarbij opgemerkt dient te worden dat de ramingen naarmate deze verder in de tijd komen te liggen steeds ‘zachter’ worden. Toekomstige ontwikkelingen kunnen nog een grote invloed hebben op de uiteindelijke hoogte van investeringen. De uiteindelijke hoogte van een investering is afhankelijk van de definitieve invulling van het plan.

Daarnaast betekent een aanpassing van de planning (naar latere jaren) ook een wijziging van de hoogte van de investering, aangezien dan rekening gehouden moet worden met een eventuele kostenstijging. Verder kan ook de renteontwikkeling nog effect hebben op de uiteindelijke hoogte van de kapitaallasten. Tot slot geldt dat investeringen naast de kapitaallasten ook van invloed zijn op de exploitatielasten (o.a. instandhoudingslasten). Deze zijn nog niet bekend en in het overzicht niet weergegeven. De hoogte van deze lasten is mede afhankelijk van de gekozen uitvoering van de investering. In sommige gevallen kunnen zij ook van invloed zijn op de te verstrekken exploitatiebijdrage. Dit betekent dat er al met al (vooral bij investeringen die verder in de tijd liggen) nog veel onzekerheden zijn en er pas bij de aanbieding van het betreffende raadsvoorstel meer duidelijkheid zal zijn. Tot die tijd wordt bovenstaand overzicht periodiek (in de kadernota en begroting) geactualiseerd op basis van de meest actuele inzichten. Wat betekent dit voor het financieel meerjarenperspectief? De in deze paragraaf beschreven ontwikkelingen zullen vanaf 2030 een (aanvullend) effect gaan hebben op het financieel meerjarenperspectief. Hieronder worden (grove) indicaties gegeven van de effecten die de diverse ontwikkelingen kunnen gaan hebben op het toekomstige financieel meerjarenperspectief.

47

Figuur 1 Indicatie structureel begrotingsresultaat incl. ontwikkelingen na 2028

Als gevolg van diverse investeringen loopt het verwachte structurele tekort vanaf 2029 op naar ruim € 7 miljoen vanaf 2032. Zoals gezegd geldt hierbij dat besluitvorming over deze investeringen (m.u.v. de Zuidrandtunnel) nog plaats moet vinden en er altijd de mogelijkheid bestaat dat zaken niet doorgaan of verder worden doorgeschoven waardoor het beeld er anders uit komt te zien. Daar staat tegenover dat er in de komende jaren ook nog zaken naar voren zullen komen waar nu helemaal nog geen rekening mee is gehouden. Het toekomstperspectief is niet meer dan een indicatie.

5.2

Overige ontwikkelingen

Er zijn ontwikkelingen die nog niet in geld of formatie uit te drukken zijn. Ze kunnen naar verwachting in de toekomst echter wel tot een middelenbeslag gaan leiden. In deze paragraaf worden deze ontwikkelingen alvast op hoofdlijnen benoemd. Projecten in de intake/initiatieffase Er zijn diverse projecten die nu al worden opgepakt, maar waarbij het nog niet voor alle projecten duidelijk is of de gemeente hier financieel in moet participeren. Zonder uitputtend te zijn gaat het o.a. om: Stationsgebied Lage Zwaluwe; Groenvliet Standdaarbuiten; Woningbouw kleine kernen; Herontwikkeling IJshof; De Donk Zevenbergen. Integraal huisvestingsplan scholen 2025-2040 In de loop van 2025 wordt het integraal huisvestingsplan scholen (IHP) opgesteld. De scholen die in de afgelopen jaren geen (vervangende) nieuwbouw of renovatie hebben gehad, zullen hierin met een meerjaren investeringsplanning opgenomen worden. Het betreft de volgende scholen waarvoor al projecten zijn gestart: -

Zevenbergschen Hoek: de Hoeksteen (i.c.m. gemeenschapshuis); Klundert: De Molenvliet, De Rietvest en Het Bastion; 48

-

Fijnaart: De Fijne Aarde en De Springplank; Willemstad: Willem de Zwijger en De Singel (i.c.m. de gymzaal en gemeenschapshuis Irene).

Daarnaast zullen de volgende scholen, waarvoor nog geen projecten zijn gestart, opgenomen worden: - Zevenbergen: De Toren en De Boemerang (één van beiden i.c.m. gymzaal ter vervanging huidige gymzaal Droge Mark); - Moerdijk: De Klaverhoek; - Heijningen: Het Kompas. Een aantal hiervan is eerder opgenomen in een kadernota en maakt dus (op termijn) onderdeel uit van de stelpost nieuw beleid. Voor een aantal andere geldt dit echter nog niet. Verduurzaming zwembaden Gekoppeld aan het traject voor de nieuwbouw van de Niervaert in Klundert heeft de gemeenteraad besloten dat er ook een duurzaam toekomstperspectief moet komen voor de drie andere zwembaden binnen de gemeente. Zwembad de Bosselaar is eigendom van de gemeente, om voor dat bad een duurzaam toekomstperspectief te creëren is naar inschatting van het college meer nodig dan alleen verduurzaming. Ons Bad en de Oester zijn geen eigendom van de gemeente. Momenteel wordt onderzocht hoe het college op een goede manier uitvoering kan geven aan de opdracht van de gemeenteraad. In Q1 2026 volgt hierover een voorstel aan de gemeenteraad. Naar verwachting heeft dat voorstel ook financiële consequenties.

Mogelijk omzetten van de pilotfunctie coördinator buitengebied naar vaste formatie In 2023 is de (tijdelijke) functie coördinator landelijk gebied in het leven geroepen om de transitie van het landelijk gebied van een samenhangende aanpak te voorzien. De coördinator fungeert daarnaast als gesprekspartner en in- en extern aanspreekpunt voor zaken die spelen in het buitengebied. Daarbij is bepaald dat het in eerste instantie om een pilotfunctie gaat voor drie jaar. En dat binnen die drie jaar een evaluatie plaatsvindt of het wenselijk is om deze pilotfunctie te veranderen in een functie binnen de vaste formatie. Deze evaluatie staat gepland mei’ 25. De pilot zelf loopt af 1 mei’26. Mocht uit de evaluatie blijken dat het wenselijk is deze functie te continueren en formaliseren zal hiertoe nog budget worden aangevraagd. Organisatieontwikkeling en sturing op resultaat Moerdijk wordt net als alle gemeenten geconfronteerd met een toenemend aantal taken vanuit het Rijk in een steeds complexer wordende samenleving. Dit heeft ook personele gevolgen. Echter Moerdijk heeft daarbovenop, anders dan andere gemeenten, specifiek een ook steeds complexer wordende inhoudelijke opgave rond woningbouw, de zeehaven van nationaal belang, de Powerport opgave en de deelname aan twee regio's, en dat in combinatie met een uitgestrekt landelijk gebied.

Hierop zijn de afgelopen jaren tientallen extra medewerkers aangetrokken, zonder de organisatiestructuur wezenlijk te wijzigen. De rek lijkt nu uit de bestaande organisatiestructuur: zonder ingrijpen ligt verloop, verzuim en verlies aan productie op de loer. Het buiten bouwen aan een vitaal Moerdijk betekent ook intern de organisatie toerusten om dat waar te kunnen maken. De groei van de organisatie is in de afgelopen jaren vaak direct gekoppeld aan nieuwe taken, projecten en ontwikkelingen. Sinds 2017 is de managementlaag van onze organisatie is echter gelijk gebleven, terwijl er circa 70 fte bij zijn gekomen. Waar we bij het opstellen van het organisatiemodel het streven hadden om met teams van 20-30 personen per teammanager te werken, hebben we nu een aantal 49

teams van circa 60 personen, exclusief inhuur. Daarnaast maakt de arbeidsmarkt dat de teammanager steeds meer tijd kwijt is aan het inwerken en werven van nieuwe collega’s. Ook hier ziet het college dat het knelt. Het wordt steeds lastiger om te sturen op de opgaven en we kunnen niet garanderen dat medewerkers voldoende aandacht hebben. De organisatie is bezig met een onderzoek naar benodigde aanpassingen in de organisatiestructuur. De uitkomsten van dit onderzoek kunnen tot gevolg hebben dat een aanvullende aanvraag wordt gedaan bij de begroting. Onderzoek concurrerende arbeidsvoorwaarden De arbeidsmarkt is op dit moment krap. De complexe opgaven maken dat Moerdijk vist in een andere vijver dan voorheen, waar wij moeten concurreren met grote(re) overheidsorganisaties, specialistische bedrijven of adviesbureaus. Daardoor lukt het soms niet om mensen over de streep te trekken op de primaire arbeidsvoorwaarden. Een extern bureau voert momenteel onderzoek uit naar de concurrentiepositie van de gemeente wanneer het arbeidsvoorwaarden betreft. Ook dit onderzoek kan tot gevolg hebben dat er een aanvullende aanvraag wordt gedaan bij de begroting. Indien beide onderzoeken aanleiding geven voor het doen van een aanvullende aanvraag dient rekening gehouden te worden met een bedrag van tussen de € 400.000 - € 600.000.

Accommodatiebeleid Na vaststelling van het beleidskader voor gemeenschapshuizen / MFC's in september 2023, is het overkoepelende accommodatiebeleid eind 2025 gereed. De uitwerking en implementatie volgt in 2026. In de begroting van 2026 is hiermee nog geen rekening gehouden. Daarnaast zal bij het vaststellen van het accommodatiebeleid ook de benodigde structurele formatie voor de uitvoering worden opgenomen. Deze zal mogelijk landen in de kadernota 2027.

5.3

Onzekerheden gemeentefonds

Gemeenten zijn in grote mate afhankelijk van de inkomsten van het Rijk. De belangrijkste inkomstenbron van gemeenten is de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Voor de gemeente Moerdijk gaat het hierbij om ruim € 77 miljoen. Juist op die veruit grootste inkomstenbron hebben gemeenten geen invloed en heerst er momenteel landelijk veel onzekerheid. Terwijl gemeenten de komende jaren met diverse grote landelijke uitdagingen te maken hebben op het gebied van o.a. woningbouw, verduurzaming, energietransitie en stijgende lasten binnen het sociaal domein, is er grote onduidelijkheid over de bijdragen die gemeenten voor deze taken ontvangen vanuit het Rijk. In de landelijke media wordt in dit kader ook wel gesproken over het ‘ravijnjaar 2026’. Gemeenten ontvangen vanaf dat jaar vanuit het Rijk fors minder middelen via het gemeentefonds. Analyses van o.a. BMC, de VNG, en de Raad voor het Openbaar Bestuur tonen een grote disbalans tussen de taken en de middelen van de gemeenten. In februari / maart is de VNG een landelijke campagne gestart waarin (nogmaals) aandacht wordt gevraagd voor het belang dat gemeenten voldoende vergoed moeten worden voor de taken die zij moeten uitvoeren en de gevolgen van de aanstaande korting van het gemeentefonds. Dit met het oog op de overleggen die richting de voorjaarsbesluitvorming van het kabinet gepland staan.

Hierbij was de landelijke oproep dat het Rijk in de Voorjaarsnota duidelijkheid geeft zodat gemeenten hier rekening 50

mee kunnen houden in hun begrotingen 2026-2029. De middelen die gemeenten ontvangen voor de bekostiging van de Jeugdzorg vormen hierbij een belangrijk onderwerp van gesprek. Op vrijdag 28 april 2025 heeft het Rijk de Voorjaarsnota 2025 uitgebracht. In de voorjaarsnota zijn extra middelen voor gemeenten opgenomen. Via de ledenbrief (d.d. 18 april 2025) heeft de VNG gemeenten geïnformeerd over de uitkomsten en gemaakte afspraken. Wat betekent dit voor het financieel meerjarenperspectief? Hoewel benadrukt moet worden dat het om grove inschattingen gaat, is hieronder in beeld gebracht wat de voorjaarsnota naar verwachting betekent voor de gemeente Moerdijk. (bedragen x € 1.000) Scenario 1 (indicatie hoog)

2026 3.500

2027 3.600

2028 2.600

2029 2.800

Scenario 2 (indicatie laag)

2.500

2.600

1.600

1.800

Tabel 6 Indicatieve effecten voorjaarsnota 2025

Vooral voor de jaren vanaf 2028 zijn de ramingen nog erg onzeker. Dit komt door het feit dat het Rijk in de voorjaarsnota vooral t/m 2027 duidelijkheid en extra middelen verstrekt aan gemeenten. Daarbij heeft het Rijk vanaf 2028 diverse maatregelen ingeboekt die op termijn moeten leiden tot lagere lasten binnen de Jeugdzorg. In bovenstaande indicatie is er vanuit gegaan dat deze maatregelen die vanaf 2028 door het Rijk zijn ingeboekt voor de gemeente budgettair neutraal zullen zijn. Dit vanuit de gedachte dat tegenover deze lagere ontvangsten vanuit het Rijk op termijn lastenbesparingen moeten ontstaan voor gemeenten. Vanuit dit oogpunt is het de vraag hoe de provinciaal toezichthouder bij de beoordeling van de gemeentelijke begroting omgaat met het opnemen van dergelijke stelposten. Ten tijde van het opstellen van deze kadernota is hier nog geen duidelijkheid over. Over de aanblijvende onzekerheid vanaf 2028 stelt de VNG: ‘’De VNG heeft in het overleg met het kabinet het belang van een financieel houdbaar stelsel onderschreven en beklemtoont zich daarvoor medeverantwoordelijk te voelen. Tegelijkertijd heeft de VNG serieuze vraagtekens geplaatst bij de haalbaarheid van de reeks zoals die nu vanaf 2028 in de tabel staat. Het doorvoeren van deze reeks vergt ingrijpende wijzigingen binnen het stelsel en bijbehorende wetswijzigingen.

Denk bijvoorbeeld aan de inperking van de reikwijdte van de jeugdzorg. De inwerkingtreding van het desbetreffende wetsvoorstel is voorzien voor midden 2027. Het zal daarna nog de nodige tijd vergen voordat dit werkelijk (financieel) effect sorteert. Voor de overige initiatieven geldt hetzelfde. Bovendien heeft de VNG daar (nog) niet mee ingestemd.’’ ‘’Met de vermelde afspraken is voor de periode 2025 tot en met 2027 met de inzet van kabinet en VNG en de steun van beide Kamers en onze partners de financiële druk bij gemeenten in de komende jaren voor een aanzienlijk deel weggenomen. Dat biedt de ruimte om de inzet op de transformatie van het jeugdstelsel samen met het rijk en de partners te versterken. Gemeenten hebben daarin een cruciale rol en zijn in staat het verschil te maken. Tegelijkertijd zijn we ervan doordrongen dat met de Voorjaarsnota 2025 en de aanvullende afspraken nog niet alle problemen zijn opgelost en er een gat resteert. Samen met het rijk en de partners moeten we anticiperen op de fase daarna. De komende tijd is het zaak om stappen te zetten die gemeenten in staat stellen ook na 2028 hun rol en verantwoordelijkheden ten volle te kunnen waarmaken.’’

51

Bovengenoemde effecten zijn dan ook niet meer dan een indicatie. Wanneer we (ondanks alle onzekerheden) de mogelijke effecten uit tabel 6 toevoegen aan het perspectief zoals dat in figuur 1 is geschetst, levert dit onderstaand beeld op:

Figuur 2 Indicatie structureel begrotingsresultaat incl. ontwikkelingen na 2028 en mogelijke extra middelen Rijk

De maatregelen uit de voorjaarsnota zullen financieel verwerkt worden in de meicirculaire 2025. Doordat wij onze ramingen voor het gemeentefonds baseren op die meicirculaire, zullen de meest actuele inzichten van dat moment dus verwerkt worden in de begroting 2026-2029. Pas op dat moment zal er meer duidelijkheid ontstaan wat de maatregelen uit de voorjaarsnota concreet betekenen voor de gemeente Moerdijk.

52

Hoofdstuk 6. Vervolgaanpak richting het opstellen van de begroting 2026-2029 De aanhoudende landelijke onzekerheid over de veruit grootste inkomstenpost van gemeenten, maakt het voor gemeenten lastig om een nauwkeurig inzicht te krijgen in hun financieel meerjarenperspectief. Daarmee bemoeilijkt dit ook het bepalen van de te kiezen aanpak richting het opstellen van de begroting 2026-2029. De landelijke onduidelijkheid over de middelen die gemeenten vanuit het Rijk ontvangen is niet nieuw en was vorig jaar ten tijde van de kadernota al onderwerp van gesprek. Tijdens de behandeling van de kadernota 2025-2028 (raadsvergadering d.d. 27 juni 2024) en daarop volgend de begroting 2025-2028 (raadsvergadering d.d. 7 november 2024) is geconstateerd dat de financiële uitkomsten van de gemeente Moerdijk op de korte termijn geen (urgente) noodzaak gaven om op dat moment al mogelijkheden te hebben waarmee de structurele begrotingsruimte kon worden vergroot. Echter was het algehele beeld dat het richting komende begrotingsjaren nuttig en noodzakelijk was om nader inzicht te krijgen in de wijze waarop de structurele begrotingsruimte kan worden vergroot. Vanuit dat oogpunt is het rapport structurele begrotingsruimte opgesteld. Het rapport structurele begrotingsruimte is in de informatiebijeenkomst van 10 april 2025 aan de gemeenteraad toegelicht.

De inzichten uit dit onderzoek dragen bij aan het inzicht in onze gemeentelijke begroting en de (on)mogelijkheden tot het vergroten van de structurele begrotingsruimte. Dit zodat deze inzichten betrekkokken kunnen worden bij de behandeling van deze kadernota 2026-2029, als opmaat naar het opstellen van de uiteindelijke begroting 2026-2029. De samenhang tussen het rapport structurele begrotingsruimte, de kadernota 2026-2029 en het vervolgtraject richting het opstellen van de uiteindelijke begroting 2026-2029 ziet er als volgt uit:

Figuur 3 Samenhang rapport structurele begrotingsruimte, kadernota en begroting

53

Op basis van deze kadernota wordt duidelijk dat het gepresenteerde meerjarenperspectief vanaf 2026 negatief is (meer structurele lasten dan baten). Zoals in hoofdstuk 4 is geschetst worden vanaf 2026 structurele tekorten verwacht van € 4 miljoen (2026), € 4,2 miljoen (2027), € 2,1 miljoen (2028) en € 2 miljoen (2029). Daarmee is het meerjarenperspectief ten opzichte van de begroting 2025-2028 verslechterd. Dit is voornamelijk het gevolg van de benodigde budgetbijstellingen binnen het bestaande beleid (hoofdstuk 2) en de nieuwe ontwikkelingen (hoofdstuk 3). Tegelijkertijd geldt dat in deze cijfers nog geen rekening is gehouden met extra middelen die in de voorjaarsnota 2025 door het Rijk zijn aangekondigd (hoofdstuk 5) en de verwachte financiële effecten van de maatregelen zoals die in het rapport structurele begrotingsruimte zijn benoemd. Ondanks (of juist door) de grote onzekerheden is het van belang om expliciet stil te staan bij de vervolgaanpak richting het opstellen van een sluitende begroting 2026-2029. Hieronder worden de voorgestelde stappen toegelicht.

6.1 Benutten mogelijkheden uit het rapport structurele begrotingsruimte Allereerst worden richting het opstellen van de begroting 2026-2029 diverse mogelijkheden benut zoals die in het rapport structurele begrotingsruimte naar voren zijn gekomen. Daarbij worden concreet onderstaande actiepunten genomen. Actiepunt 1 Benut richting het opstellen van de begroting 2026-2029 diverse mogelijkheden waarmee de structurele begrotingsruimte kan worden vergroot zonder dat dit ten koste gaat van de huidige ambities en dienstverlening van de gemeente. Concreet gaat het hierbij om de volgende zaken: -

Actiepunt 1.1 Hanteer richting het opstellen van de begroting 2026-2029 een minder voorzichtige inschatting wat betreft de verwachte afrekening van het btw-compensatiefonds. Zoals in paragraaf 8.7 van het rapport structurele begrotingsruimte is toegelicht houden we op dit moment in de begroting rekening met 75% van ons aandeel in de gemiddelde landelijke afrekening over de afgelopen 7 jaar. Vanuit de provincie als toezichthouder is het toegestaan om 100% van de laatste afrekening als uitgangspunt te hanteren. Dit kan gezien worden als de meest risicovolle variant. De aanbeveling is om in de begroting 2026-2029 uit te gaan van het geformuleerde scenario 2, waarbij wordt uitgegaan van 100% van de gemiddelde afrekening over de afgelopen 4 jaar. De indicatie voor de structurele begrotingsruimte die hiermee wordt gerealiseerd bedraagt ca. € 0,4 miljoen, waarbij de uiteindelijke omvang afhankelijk is van de definitieve afrekening over 2024 (die in de meicirculaire 2025 bekend wordt). -

Actiepunt 1.2 Hanteer richting het opstellen van de begroting 2026-2029 een reële(re) inschatting van het verwachte jaar van afronden van investeringen. De afgelopen jaren is het beeld dat er doorgaans sprake is van lagere kapitaallasten dan vooraf in de begroting was ingeschat. Het betreft voornamelijk voordelen doordat de investeringen pas later worden afgesloten dan vooraf ingeschat. Omdat kapitaallasten structurele lasten zijn, heeft dit een effect op de structurele begrotingsruimte. Een onderuitputting van de kapitaallasten betekent in feite dat er een onnodig beslag op de structurele begrotingsruimte is gelegd. Om ervoor te zorgen dat deze onderuitputting zich minder voordoet is het van belang een reële inschatting te maken van het jaar van afronding van een investering, zodat daar in de prognose van de kapitaallasten rekening mee gehouden kan worden. Dit betekent niet dat investeringen uitgesteld worden. Het doel is om (op basis van een realistische inschatting van het verwachte jaar van afronden) een zo realistisch mogelijke raming van de kapitaallasten op te nemen in de begroting, waardoor dit voorkomt dat er onnodig beslag op de structurele begrotingsruimte wordt gelegd. Dit vraagt wellicht een planning die rekening 54

houdt met tegenvallers en niet uitgaat van het meest optimistische scenario. Voor de investeringen zal nadrukkelijk(er) in beeld gebracht worden wat de reële inschatting is van het jaar van afronding van deze investeringen. Dit zodat dit verwerkt kan worden in de begroting 2026-2029. Het is lastig om aan de voorkant het effect hiervan op het structurele begrotingsresultaat te bepalen. Wel is in paragraaf 10.3 van het rapport structurele begrotingsruimte benoemd dat over de periode 2021-2024 de gemiddelde onderuitputting circa € 0,8 miljoen bedroeg. -

Actiepunt 1.3 Hanteer richting het opstellen van de begroting 2026-2029 een reële(re) inschatting van het verwachte jaar waarin de in de stelpost nieuw beleid opgenomen middelen daadwerkelijk ingezet zullen gaan worden. Net als bij de kapitaallasten is het beeld de afgelopen jaren dat jaarlijks een deel van de stelpost nieuw beleid onbenut blijft omdat een deel van de daarin gereserveerde middelen nog niet beschikbaar is gesteld middels een apart raadsvoorstel. Een onderuitputting van de stelpost nieuw beleid betekent in feite dat er een onnodig beslag op de structurele begrotingsruimte is gelegd. Om ervoor te zorgen dat deze onderuitputting zich minder voordoet is het belangrijk een realistische(re) inschatting te maken van het moment waarop de daadwerkelijke inzet van de middelen uit de stelpost nieuw beleid plaats zal gaan vinden. Dit vraagt per onderdeel wellicht een planning die rekening houdt met tegenvallers en niet uitgaat van het meest optimistische scenario. Het is lastig om aan de voorkant het effect hiervan op het structurele begrotingsresultaat te bepalen. Wel is in paragraaf 10.4 van het rapport structurele begrotingsruimte in beeld gebracht dat over de periode 2020-2024 de gemiddelde onderuitputting circa € 0,9 miljoen bedroeg, waarvan gemiddeld circa € 0,3 miljoen betrekking had op begrote structurele lasten. -

Actiepunt 1.4 Overweeg richting het opstellen van de begroting 2026-2029 de mogelijkheid tot het dekken van afschrijvingslasten uit een bestemmingsreserve. Reserves kunnen in principe alleen ingezet worden ter dekking van incidentele lasten. Een uitzondering hierop vormt het vormen van een bestemmingsreserve van waaruit (structurele) afschrijvingslasten kunnen worden gedekt. Het uiteindelijke effect dat dit heeft op het structurele begrotingsresultaat is afhankelijk van de omvang van de reserve en de levensduur van de investering waarvoor dit wordt ingezet. In paragraaf 10.5 van het rapport structurele begrotingsruimte zijn de indicatieve effecten hiervan in beeld gebracht. Een storting in de reserve van € 1 miljoen en een levensduur van de investering van 80 jaar resulteert in circa € 0,01 miljoen structurele begrotingsruimte, terwijl een storting in de reserve van € 13,9 miljoen (huidige vrije ruimte in de algemene reserve) en een levensduur van de investering van 25 jaar tot circa € 0,6 miljoen structurele begrotingsruimte leidt. Op dit moment wordt hier bewust (nog) geen concreet voorstel voor gedaan. Deze mogelijkheid zal betrokken worden bij de verdere bepaling van het traject om te komen tot een sluitende begroting 2026-2029 (zie ook actiepunt 2).

55

-

Actiepunt 1.5 Hou de mogelijkheid tot het inzetten van de algemene reserve achter de hand als eventuele noodmaatregel om de begroting voor het eerstvolgende jaar sluitend te maken, waarmee eventueel tijd gekocht kan worden. Een tweede uitzondering op het principe dat reserves alleen ingezet mogen worden ter dekking van incidentele lasten, is de mogelijkheid om als gemeente onder voorwaarden een deel van de algemene reserve in te zetten als structurele dekking. Zoals in paragraaf 10.5 van het rapport structurele begrotingsruimte is toegelicht zou dit voor de gemeente Moerdijk uitkomen op maximaal € 1,39 miljoen die vanuit de algemene reserve hiervoor ingezet mag worden. De aanbeveling is om deze mogelijkheid te zien als een uiterst middel om de begroting structureel sluitend te krijgen. Wanneer we de indicatieve effecten van bovenstaande actiepunten verwerken in het meerjarenperspectief zoals dat in figuur 2 is geschetst, ziet dit er als volgt uit:

Figuur 4 Indicatie structureel begrotingsresultaat incl. indicatie ontwikkelingen na 2028 , effecten voorjaarsnota en effecten maatregelen rapport structurele begrotingsruimte.

56

6.2 Welk uitgangspunt hanteren we ten aanzien van het structurele begrotingsresultaat in de begroting 2026-2029? De acties die hierboven zijn geschetst zien vooral toe op het realistisch(er) en minder voorzichtig begroten van diverse begrotingsposten. Tegelijkertijd kan de vraag gesteld worden in hoeverre deze maatregelen alleen voldoende gaan zijn in relatie tot de (landelijke) onzekerheden en de ontwikkelingen die we als gemeente op (middel)lange termijn op ons af zien komen. Het opstellen van een begroting gebeurt op basis van een reële verwachting van de ontwikkelingen van bestaand beleid, aangevuld met nieuwe ontwikkelingen die we als gemeente op ons af zien komen en die bijv. het gevolg kunnen zijn van wijzigende wetgeving of nodig zijn t.b.v. het realiseren van de gemeentelijke ambities. Hierbij is het van belang dat sprake is van een begroting die structureel en reëel in evenwicht is. De provinciaal toezichthouder beoordeelt aan de hand van diverse criteria of hier sprake van is. Een belangrijke voorwaarde is hierbij dat de begroting structureel sluitend is. Hiervan is sprake als de structurele lasten gedekt kunnen worden uit de structurele baten.

Indien hier het eerste begrotingsjaar (2026) geen sprake van is, kan geoordeeld worden dat het voldoende aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht in uiterlijk de laatste jaarschijf van de meerjarenraming (2029) tot stand zal worden gebracht. Vanuit dit oogpunt is het van belang om met elkaar het doel te bepalen waarmee het begrotingstraject wordt ingegaan. Zetten we in op een sluitende begroting voor het jaar 2026?, werken we toe naar een sluitende begroting in de laatste jaarschijf (2029)? In hoeverre streven we naar een positief begrotingsresultaat zodat ruimte overblijft met het oog op de aanstaande verkiezingen in 2026? En hoe gaan we bij deze afweging om met de landelijke onzekerheid die momenteel bestaat over de grootste inkomstenbron van de gemeente (gemeentefonds)? Om de snelheid en intensiteit van de verdere actiepunten te bepalen is het van belang om een gezamenlijk uitgangspunt te hebben wat betreft de inzet en het doel ten aanzien van het structurele begrotingsresultaat in de begroting 2026-2029. Op basis van de financiële uitkomsten van deze kadernota wordt voor het jaar 2026 een structureel tekort voorzien van € 4 miljoen.

De vraag of voor dat jaar al tot een sluitende begroting kan worden gekomen, zal daarbij in grote mate afhankelijk zijn van de uiteindelijke middelen die vanuit het Rijk worden ontvangen en de daadwerkelijke opbrengst van de maatregelen uit het rapport structurele begrotingsruimte. Op basis van de indicaties zoals die in figuur 2 zijn geschetst heeft het college er vertrouwen in dat met de verwachte middelen vanuit het Rijk en de maatregelen uit het rapport structurele begrotingsruimte tot een sluitende begroting voor het jaar 2026 gekomen kan worden. Vanuit dat oogpunt wordt onderstaand uitgangspunt geformuleerd: Uitgangspunt begroting: Richting het opstellen van de begroting wordt ingezet op een sluitende begroting voor het jaar 2026.

57

6.3 Welke verdere acties nemen we richting het opstellen van de begroting 2026-2029? In hoofdstuk 5 zijn diverse ontwikkelingen in beeld gebracht die (op termijn) van invloed gaan zijn op het financieel meerjarenperspectief. Wat betreft de middelen vanuit het Rijk geldt dat de maatregelen uit de voorjaarsnota financieel verwerkt zullen worden in de meicirculaire 2025. Doordat wij onze ramingen voor het gemeentefonds baseren op die meicirculaire, zullen de meest actuele inzichten van dat moment dus verwerkt worden in de begroting 2026-2029. Pas op dat moment zal er meer duidelijkheid ontstaan wat de maatregelen uit de voorjaarsnota daadwerkelijk betekenen voor de gemeente Moerdijk. Naast de onzekerheden over het gemeentefonds zijn in hoofdstuk 5 diverse ontwikkelingen geschetst die na 2029 tot aanvullende (kapitaal)lasten zullen leiden en zijn diverse ontwikkelingen benoemd die op dit moment nog niet in geld of formatie uit te drukken zijn. Met het oog op bovenstaande onzekerheden is het verstandig om richting het opstellen van de begroting 2026-2029 (in aanvulling op actiepunt 1) verdere acties te nemen ter bevordering van het structurele begrotingsresultaat. Vanuit dat oogpunt is onderstaand actiepunt geformuleerd: Actiepunt 2 Zet aanvullende ombuigingsmaatregelen in gang om het structurele begrotingsresultaat te verbeteren.

Betrek bij de bepaling van de snelheid en intensiteit van deze maatregelen de daadwerkelijke middelen die vanuit het Rijk aan gemeenten beschikbaar worden gesteld. Bepaal op basis van de financiële vertaling van de voorjaarsnota in de meicirculaire 2025, in hoeverre een versnelling en intensivering van de ombuigingsmaatregelen nodig is richting het opstellen van de begroting 2026-2029. Hierbij wordt voorgesteld om richting het opstellen van de begroting 2026-2029 het volgende traject te doorlopen: -

-

-

Een prioritering aan te brengen in de nieuwe ontwikkelingen/ambities die in deze kadernota zijn toegelicht (zie hoofdstuk 3); Een prioritering aan te brengen in de ontwikkelingen/ambities waar momenteel al middelen voor gereserveerd zijn in de stelpost nieuw beleid (zie paragraaf 5.1); Hierbij als handvat gebruik te maken van een prioriteringskader zodat duidelijk is hoe de prioritering tot stand is gekomen; Vanuit de inzichten uit het rapport structurele begrotingsruimte kritisch te kijken naar mogelijke ombuigingen binnen het bestaande beleid; Betrek hierbij ook de omvang van de huidige bestemmingsreserves (bijv. reserve nieuwkomers) waarbij in beeld gebracht wordt hoe deze middelen eventueel ingezet zouden kunnen worden ter bevordering van het structurele begrotingsresultaat; De gemeenteraad uit te nodigen om bij de algemene beschouwingen van de kadernota 2026-2029 met suggesties / denkrichtingen te komen. Welke begrotingsposten moeten (mede op basis van de inzichten uit het rapport structurele begrotingsruimte en deze kadernota) bijvoorbeeld buiten beschouwing gelaten worden of juist met voorrang bekeken worden?; De hieruit voortkomende inzichten en voorstellen richting de vaststelling van de begroting 20262029 voor te leggen aan de gemeenteraad.

Actiepunt 3 Sta (los van het traject om tot een sluitende begroting 2026-2029 te komen) de komende jaren bij tussentijdse besluitvorming en de jaarlijks op te stellen kadernota nadrukkelijk(er) stil bij de structurele begrotingsruimte. Ook indien we met de hierboven genoemde maatregelen tot een structureel sluitende begroting 20262029 komen, geldt dat we als gemeente diverse ontwikkelingen en investeringen voorzien die vanaf 58

2030 gaan leiden tot substantiële kapitaallasten (zie paragraaf 5.1). Hoewel diverse investeringen pas over enkele jaren tot kapitaallasten gaan leiden, vindt de besluitvorming over deze investeringen de komende jaren al plaats. Vanuit dit oogpunt is het van belang om de komende jaren in de tussentijdse besluitvorming nadrukkelijk(er) stil te staan bij de structurele begrotingsruimte. Ook in de jaarlijkse kadernota wordt het (nog) belangrijker om op basis van de lokale en landelijke ontwikkelingen een integrale afweging te maken in zowel bestaand beleid, nieuwe ontwikkelingen en de huidige stelpost nieuw beleid.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=ac093576-7864-4af0-ba90-26f5decf6a2d