Bijlage bij reactiebrf voorontwerp-IP 380 kV
Tekst van het document
Bijlage bij brief gemeentebestuur Moerdijk aan minister Van Economische Zaken en Klimaat: Reactie in detail op voorontwerp-Rijksinpassingsplan (IP) met bijlagen Voorontwerp-Rijksinpassingsplan Pagina 9, paragraaf 1.4: het inpassingsplan geeft nog geen volledig inzicht in alle gekoppelde uitvoeringsbesluiten. Dit maakt het lastig om de volledige impact van deze ontwikkeling en alle tijdelijke maatregelen goed in te schatten. Pagina 13, paragraaf 2.4, laatste alinea: ‘Internationale afspraken staan niet toe dat het knelpunt op het buitenland mag worden afgewend. Er ontstaat ook ernstige overbelasting in geval er sprake is van import vanuit België. ‘– Deze zinnen lijken elkaar tegen te spreken, want hoe kan er ernstige overbelasting ontstaan bij import uit België als internationale afspraken niet toestaan dat een knelpunt op het buurland wordt afgewikkeld? Wat wordt hier bedoeld? Pagina 16, paragraaf 3.3: als ontwerpprincipe bij trajectkeuze (vierde bullit) geldt dat in principe voorkomen moet worden dat woningen in de magneetveldzone komen te liggen (voorzorgsbeginsel van het (voormalig) ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu).
Naar onze mening rechtvaardigt de aanwezigheid van 20 gevoelige bestemmingen op het grondgebied van de gemeente Moerdijk de keuze voor een gedeeltelijk afwijkend tracékeuze aldaar en had met dit ontwerpprincipe in het IP rekening gehouden moeten worden. Zie ook het vermelde in de reactie bij pagina 42 van het VO-IP en bij pagina 10 van de Mer. Pagina 22, paragraaf 3.9 bovenaan: bij de beschrijving van het advies van de Samenwerkende Overheden (SO) uit 2017 ontbreken de voorwaarden zoals die door de SO zijn benoemd. Het advies met betrekking tot de meest gedragen variant was een integraal en samenhangend pakket en behoort als zodanig in de toelichting van het IP benoemd te worden. Pagina 22, paragraaf 3.9 laatste alinea: goed om ook hier te vermelden dat dit voorbereidingsbesluit slechts een jaar geldig is en sindsdien meerdere keren opnieuw is genomen. Pagina 22, paragraaf 3.10: hier ontbreekt informatie over waarom voor Zevenbergschen Hoek een planstudie is uitgevoerd. Deze planstudie had een andere insteek dan de wel genoemde optimalisatieverzoeken. Pagina 24 paragraaf 3.11 bovenaan: de indruk wordt gewekt dat conform het advies van de SO is besloten. Dat is niet het geval. Beter zou zijn hier duidelijk te benoemen dat conform advies is besloten, met uitzondering van twee locaties.
Daarnaast ontbreekt hier een onderbouwing waarom bij Zevenbergschen Hoek afgeweken is, terwijl voor de andere afwijkingslocatie wel een onderbouwing is opgenomen. Tot slot ontbreekt hier de opdracht van de Minister voor aanvullende maatregelen in landschap en leefbaarheid in de omgeving van Zevenbergschen Hoek. Pagina 24, paragraaf 3.11.2: de onderbouwing van het besluit van de minister achten wij nog steeds onvoldoende. De opdracht /toezegging van de Minister voor extra maatregelen in het kader van landschap en leefbaarheid voor deze omgeving staat hier wel heel zacht omschreven. Zie de omschrijving in de brief van de minister. Pagina 25, paragraaf 3.11.3: deze paragraaf lijkt te impliceren dat de wijziging van het masttype alleen is gedaan op verzoek van de samenwerkende overheden en niet gebaseerd is op eigen onderzoek. Het vermelde wekt dus een verkeerde indruk en is dus niet correct. Tennet was al bezig met een ander masttype, onder andere door verzoeken die vanuit gesprekken met bedrijven en bewoners zijn gekomen.
1
Pagina 26, paragraaf 3.11.6: het landschappelijk inpassingsplan is nog geen uitgewerkt en voldragen plan. Daarom is het voor de gemeente Moerdijk niet mogelijk hier nu al inhoudelijk op te reageren. Wij houden ons daarom het recht voor ten tijde van het ontwerp-inpassingsplan opmerkingen te maken, indien nodig. Pagina 30, paragraaf 4.3.2: De informatie ontbreekt over het ondergronds brengen van de bestaande 150kv aftakking naar Industrieterrein Moerdijk en het opstijgpunt dat hiervoor nodig is. Pagina 31, paragraaf 4.3.3 : Van de grondeigenaar en het Havenbedrijf begrijpen wij dat er nog nauwelijks overleg is geweest over het ondergronds brengen van de 150kV verbinding naar Industrieterrein Moerdijk, terwijl een deel van het ondergrondse tracé over eigendom van een bedrijf loopt. Dit buitenterrein wordt door het bedrijf intensief gebruikt. Waarom is tot op heden niet met betrokken bedrijven overlegd? Wat is het grondbeslag van de opstijgpunten, hoe wordt dit landschappelijk ingepast? Welke extra maatregelen zijn nodig in de bouwperiode? Pagina 31, paragraaf 4.3.3.: de bestaande 150 kV wordt via een ondergrondse kabel aangelegd naar het bestaande 150 kV-station Zevenbergschen Hoek. Dat betekent dan ook één (of meer?) opstijgpunten? Waar komen die te liggen en hoe worden die landschappelijk ingepast? Het 150kV station Zevenbergschenhoek wordt uitgebreid.
Maar de toelichting geeft geen onderbouwing waarom dat nodig is, hoe groot de uitbreiding wordt, hoe landschappelijk ingepast etc. Iin de volgende paragraaf staat hierover weliswaar iets vermeld, echter met slechts minimale info/onderbouwing. Pagina 39, paragraaf 4.8: Informatie ontbreekt over wat het betekent als een tijdelijke verbinding op maaiveld wordt gelegd. Betekent dit beperkingen in gebruik? Wordt met die tijdelijke oplossing openbaar gebied (fietspaden, voetpaden) gekruist en zo ja hoe gaat dat dan? Daarnaast ontbreekt in deze paragraaf een toelichting over de periode die bedoeld wordt met tijdelijk. De behoefte bestaat aan een duidelijke omschrijving, zodat belanghebbenden weten waar het over gaat en waar ze rekening mee moeten houden. Een periode van 10 jaar of meer voelt voor een bewoner niet meer als tijdelijk. Pagina 42, 4e alinea: het beleidsadvies inzake het voorzorgsbeginsel is onduidelijk: zo veel “als redelijkerwijs mogelijk” voorkomen dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied van de magneetzone. In de conclusie (pagina 45) wordt de term “als redelijkerwijs mogelijk” herhaald als zijnde toegepast. Zie onze opmerking bij pagina 16 (inzake ontwerp-principes). Deze ontwerp-principes (gebaseerd op eerder vastgestelde richtlijnen) zijn stelliger: “in principe moet voorkomen worden”.
Naar onze mening is de vertaling van “in principe” naar “als redelijkerwijs mogelijk” niet zorgvuldig en eerder door de minister (bij de afwijzing van het alternatieve tracé) onvoldoende onderbouwd. Met name het daarbij genoemde kostenaspect (overigens niet gespecificeerd) zal naar onze inschatting niet zo dusdanig kunnen zijn dat het permanent verlies aan leefbaarheid/woongenot hiervoor moet wijken. Pagina 43, bovenaan: een deel van de derde zin is weggevallen. Pagina 45, paragraaf 5.3: deze paragraaf trekt een conclusie over passendheid binnen rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid, maar het IP bevat geen toets van het gemeentelijk beleid. Onduidelijk is daarom waar de conclusies in paragraaf 5.3 op gebaseerd zijn en of de ontwikkeling daadwerkelijk past in het gemeentelijk beleid op bijvoorbeeld het gebied van gezondheid, landschap en archeologie. Pagina 47, paragraaf 6.2.1 laatste zin: op verzoek van de gemeente, van welke gemeente? Pagina 47, paragraaf 6.2.2.: In het eerste deel van deze paragraaf wordt aangegeven dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk, gevoelige bestemmingen zijn vrijgespeeld, Wat bedoelt u precies met ‘redelijkerwijs mogelijk’? Voor de omgeving Zevenbergschen Hoek is een goed uitvoerbaar alternatief beschikbaar, waarmee 7 tot 8 extra gevoelige bestemmingen worden vrijgespeeld.
De grote infrastructurele druk in deze omgeving, ook van plannen die hier in de toekomst nog zullen spelen (verbreding A16?) is naar onze mening voldoende aanleiding om een extra (financiële) inspanning als redelijk te beschouwen. U geeft in uw onderbouwing in deze paragraaf (4e alinea) zelf aan dat een stapeling van negatieve milieufactoren aanleiding kan zijn voor het treffen van extra maatregelen bij kleinschalige
2
concentraties van gevoelige bestemmingen. Zeker gelet de laatste ontwikkelingen zoals ook benoemd in de begeleidende reactiebrief zou naar onze mening tot een andere afweging van belangen moeten leiden. Pagina 47 onderaan: De vermelde zin “Op locaties waar een gevoelige bestemming kan worden gerealiseerd, maar feitelijk nog niet aanwezig is (papieren gevoelige bestemming), kan zonder een onevenredige belangenaantasting worden vermeden dat alsnog feitelijk een gevoelige bestemming wordt gerealiseerd door deze papieren gevoelige bestemming weg te bestemmen.” verdient nadere toelichting. Grondbezit is een van de meest fundamentele rechten in Nederland. Het zodanig ingrijpen dat op grond, waar direct gebouwd mag worden, de mogelijkheid voor feitelijke bebouwing weg wordt gestreept, is voor de grondeigenaar zeker een onevenredige belangenaantasting. Het is daarbij zelfs de vraag of in de onderhavige situatie ook een evenredige belangenaantasting tot aantasting van het eigendomsrecht mag leiden. De wijze van compensatie vraagt toelichting. Hoe wordt deze grondeigenaar gecompenseerd? Ook door taxatie van de waarde van het perceel inclusief bouwrechten? Of moet deze eigenaar het doen met planschade/waardevermindering? Pagina 48, paragraaf 6.3.1: Gesteld wordt dat ook rekening is gehouden met regionaal beleid.
De opsomming van getoetste beleidsdocumenten laat zien dat deze stelling onvolledig is. Het gemeentelijk beleid wordt niet genoemd. De gemeente Moerdijk heeft voor het buitengebied een Landschapsplan, een visie buitengebied en erfgoedbeleid. Ook dat is geldend beleid waaraan het plan getoetst moet worden. Vermeld wordt “Het tracé van een hoogspanningsverbinding moet autonoom zijn, zo veel mogelijk los staan van de kleinschalige verschijnselen in het lokale landschap. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, krijgt het tracé bij voorkeur een samenhang met andere landschapspatronen van een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf zoals snelwegen of grote rivieren.” -> Een samenhang met een snelweg (kunstmatig object, dat het cultuurlandschap doorsnijdt) is een logische manier om de impact op het landschap zo klein mogelijk te houden. Dit geldt echter niet voor een samenhang met een natuurlijk element als een rivier.
Pagina 49, paragraaf 6.3.2 en 6.3.3.: De beschreven situatie is min of meer het oude cultuurlandschap: in hoeverre zijn in het beoogde tracé al elementen aanwezig die het landschap doorsnijden, zoals snelwegen en bestaande hoogspanningsleidingen? ”De effecten op het landschappelijk hoofdpatroon zijn kwalitatief in beeld gebracht en beoordeeld”: bestaat hier een rapport van en in hoeverre worden wij hierbij betrokken? “In deelgebied 2 bundelt het Voorkeursalternatief grotendeels met de bestaande 380 kV-verbinding en heeft hierdoor nauwelijks een effect op het landschappelijk hoofdpatroon”: grotendeels, impliceert dus niet helemaal. Een onderbouwing met een cultuur-historische effectrapportage (CHER) ontbreekt. Terecht wordt verder in de tekst opgemerkt dat het effect op het landschap negatief is. Er ontbreekt een onderbouwing. Ook hierbij rijst dus de vraag of een cultuurhistorisch rapport is opgesteld. Zo ja, dan moet deze ter toetsing aan de bevoegde overheden worden aangeboden. Hierin zou naar voren moeten komen wat de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn, welke ‘verstorende’ elementen al aanwezig zijn en wat het effect van de plannen op de cultuurhistorische waarden zijn. Nu staan in deze tekst alleen maar zeer beperkt onderbouwde aannames, die naar onze mening onvoldoende grondslag bieden voor planologische besluiten.
Pagina 49, paragraaf 6.3.3: De zinsnede “Een hoogspanningsverbinding die de landschappelijke structuren op hoog niveau volgt heeft minder invloed op het landschappelijk hoofdpatroon dan een hoogspanningsverbinding die geen logische samenhang met het landschappelijk hoofdpatroon heeft of dit doorkruist.” is naar onze mening niet van toepassing op het grondgebied Moerdijk, waar de nieuwe hoogspanningslijn aangezien de verbinding tweemaal een grote infrastructurele ingreep (snelweg) kruist, alsmede het open landschap. Kort daarna staat: “In deelgebied 3 bundelt het Voorkeursalternatief eveneens grotendeels met de bestaande 380 kV-verbinding. Het landschappelijk hoofdpatroon wordt hierdoor enigszins versterkt, en heeft daardoor een licht positief effect op het landschappelijk hoofdpatroon.” Deze stelling komt vreemd over: hoe kan de verbinding qua landschap in deelgebied 3 een verbetering zijn, maar bij gebiedskarakteristiek juist een negatieve invloed hebben?
3
In het IP wordt ingegaan op de invloed op natuur vanwege de aanleg van de verbinding. Informatie ontbreekt echter nog over waar precies bomen/struiken gekapt worden. Pagina 55, paragraaf 6.6.1: met het archeologische rapport kan niet worden ingestemd. Het schaalniveau is dermate groot dat er geen inhoudelijke afweging mogelijk is. Ook is op voorhand de lage archeologische verwachting niet meegenomen in het onderzoek terwijl dit juist van groot belang is bij grootschalige plannen. Ook blijkt er al een archeologische afweging gemaakt te zijn in een ons onbekend archeologisch rapport in het kader van de MER. Dit onbekende rapport heeft een rol gespeeld in de constructie van het bureauonderzoek. Er ligt nu een zeer grofmazig bureauonderzoek waarbij op voorhand verwachtingszones zijn uitgesloten. Daardoor kan het rapport niet als basis dienen voor het inpassingsplan. Naar onze mening moet het inpassingsplan worden voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ voor het gehele inpassingsplan tot er voor elke gemeente een separaat bureauonderzoek is uitgevoerd met goed onderbouwde advieskaarten. Op basis daarvan vindt vervolgonderzoek plaats. Het gemeentelijk beleid volgt overigens niet uit het provinciaal en rijksbeleid. Het rijksbeleid vormde de aanleiding, de gemeente heeft lokaal toegepast archeologiebeleid opgesteld.
Pagina 55, paragraaf 6.6.2: de toets aan het gemeentelijk archeologiebeleid ontbreekt in het IP. Omdat precieze mastlocaties nog net bekend zijn, is een definitieve toets niet mogelijk, maar verschillende locaties lijken te liggen in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde volgens het gemeentelijk beleid. In deze gebieden geldt een plicht voor het doen van archeologisch onderzoek. Aan het eind van paragraaf 6.6 wordt wel gesproken over archeologische verwachtingswaarde, maar wordt gesteld dat voor uitvoering werkzaamheden onderzoek uitgevoerd zal worden. Het gemeentelijk beleid gaat echter uit van onderzoek vóóraf ten tijde van de planologische maatregel. Indien dit niet mogelijk is, dan moet hier verwoord worden dat voor het gehele gebied voorzien wordt in een dubbelbestemming ‘WaardeArcheologie’. Pagina 57, paragraaf 6.6.3: nogmaals moge duidelijk zijn dat we niet kunnen instemmen met de conceptadvieskaart. Deze paragraaf behoort aangepast te worden op basis van het aan te passen rapport / de nog op te stellen bureauonderzoeken per gemeente. Er wordt verder gesproken over adviezen. Deze moeten nog omgezet worden in eisen per gemeente, dus is een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ op dit moment voorshands noodzakelijk. Een advies heeft geen waarde binnen een inpassingsplan.
Met de genoemde adviezen kan niet worden ingestemd omdat ze niet allemaal aansluiten bij het gemeentelijke archeologiebeleid. Zo wordt er niet geboord in ‘bekende waarden’, “zeer hoge en hoge verwachtingszones” en is er bij dit soort grootschalige onderzoeken wel degelijk onderzoek nodig in de categorie “lage verwachting”. Onder ‘nieuwe bodemingrepen’ vallen ook die delen waar wordt gesloopt en groter en/of dieper wordt teruggebouwd enzovoort. Zie daarom paragraaf ‘2.2 Werkzaamheden’ van het bureauonderzoek voor een veel uitgebreidere opsomming van de bodemverstorende ingrepen. Slopen in historische kernen en binnen vindplaatsen zijn ook onderzoeksplichtig doorgaans. Met de volgende passage kan daarom niet ingestemd worden: “Deze adviezen gelden alleen voor nieuwe bodemingrepen, dus bij de aanleg van de nieuwe 150 kV verbinding, de nieuwe 380 kV verbinding en de stationslocaties. Voor het amoveren van bestaande kabels en masten is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De bodem is hier immers al verstoord.” Pagina 57, paragraaf 6.7.1: naar onze mening moet vooraf aangetoond worden dat aan de geluidsnormen voldaan kan worden. Bij het IP is niet getoetst of voldaan wordt, er wordt alleen gesteld wat de normen zijn. Dit biedt voor omwonenden geen garanties en toont niet aan dat deze ontwikkeling past in een gezonde leefomgeving en een goede ruimtelijke ordening.
Pagina 59, paragraaf 6.8.2: vermeld staat dat: “in het kader van de ligging van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op een nabije afstand van de buisleidingenstraat wordt een beïnvloedingsonderzoek uitgevoerd. De ondergrondse hoogspanningsverbinding levert geen significante beperkingen op ten aanzien van het gebruik van de bestaande buisleidingenstraat.” Uit deze tekst blijkt dat het beïnvloedingsonderzoek nog moet worden uitgevoerd. Hoe kan zonder het plaatsvinden van het onderzoek al tot deze conclusie gekomen worden? In het rapport wordt nu alleen gesproken over een verband tussen ondergrondse trajecten en leidingen met gevaarlijke stoffen. Dit is o.i. dus te kort door de bocht. Ook bovengrondse leidingen kunnen de faalkans van een leiding met gevaarlijke stoffen beïnvloeden en hiervoor is dus geen onderbouwing gegeven. Er kan een
4
verhoogde faalkans voor de buisleiding zijn als de bovengrondse hoogspanningsverbinding binnen een bepaalde afstand staat. Als hij omvalt kan hij de leiding doorprikken. Wij hechten eraan van de resultaten van dit onderzoek kennis te nemen. Pagina 60, paragraaf 6.9.1: deze paragraaf doet het lijken of de tijdelijke maatregelen misschien korter dan een jaar in gebruik zullen zijn. Dat klopt niet met de informatie die wij als gemeente van Tennet ontvangen, waarin wordt aangegeven dat de tijdelijke maatregelen als eerste worden gerealiseerd in de bouwfase en pas als laatste weer gesloopt worden en wellicht tot 10 jaar of meer ter plekke gebruikt zouden kunnen worden. Bij de hele onderbouwing van de tijdelijke masten, wordt niet ingegaan op de periode van deze tijdelijkheid en of de lengte van die periode effect heeft op de gevolgen voor de leefomgeving, bodem en natuur. De onderbouwing lijkt volledig gericht op plaatsen van de tijdelijke masten, terwijl het ook gaat om tijdelijke opstijgpunten, het tijdelijk ingraven of op maaiveld neerleggen van verbindingen, ingrepen in de wegstructuur etc. Al deze ingrepen gelden gedurende de volledige bouwperiode en hebben daarmee een aanzienlijke invloed op de leefomgeving. Naar onze mening is dit aspect onvoldoende in het plan opgenomen.
Bij voorbeeld in de omgeving van de Oudendijk en Sluissedijk bij Standdaarbuiten heeft de grote hoeveelheid van ingrepen een aanzienlijk effect op de leefomgeving. Wij missen een onderbouwing of de wegen in dit gebied wel geschikt zijn voor de hoeveelheid verkeersbewegingen met groot materieel gedurende de lange bouwperiode, zeker aangezien wij op verzoek van bewoners na meldingen van overlast, hebben besloten maatregelen te treffen voor het gebruik van wegen voor zwaar verkeer in deze omgeving. Pagina 60, paragraaf 6.9.2 : Het is voorbarig om nu reeds te constateren dat de tijdelijke verbindingen geen blijvende impact op de omgeving zullen hebben, zonder dat in beeld is wat waar gekapt of verwijderd moet worden. Voor de tijdelijke maatregelen zijn soms ook ingrepen aan bijvoorbeeld wegen nodig, die ook van invloed kunnen zijn op natuur en landschap. Pagina 60, paragraaf 6.9.4: in de paragraaf wordt aangegeven dat na verwijdering van de tijdelijke masten de bodem weer cultuurtechnisch wordt verbeterd, zodat weer beplanting kan plaatsvinden. Wij gaan er vanuit dat deze afspraken ook schriftelijk vastgelegd worden met de grondeigenaren. Pagina 61, paragraaf 6.9.5: in deze paragraaf wordt aangegeven dat op sommige locaties de klapankers voor de tuien voor de tijdelijke voorzieningen in de grond achter zullen blijven.
Wij gaan er van uit dat u en/of Tennet dit duidelijk communiceert met de grondeigenaren en daarover afspraken met hen maakt om schade in de toekomst te voorkomen. Waar het in paragraaf 6.6 nog terecht ging over archeologie in algemene zin, worden hier uitspraken gedaan die meer in detail zijn en feitelijk over de uitvoering gaan. Het Inpassingsplan is naar onze mening daarvoor niet de juiste plaats. Wij doelen daarbij op de volgende passage: “De plaatsing van de masten leidt tot enige verdichting van de bodem onder de betonplaten. Een deel van de tijdelijke kabels wordt op de grond gelegd. Dit brengt echter geen schade aan eventueel aanwezige archeologische bodemarchief. De verankering van de tuien vindt plaats door middel van betonblokken of door klapankers. Een deel van de tijdelijke kabels wordt in de grond gelegd. Dit kan wel enige schade aan het archeologische bodemarchief teweeg brengen. Bij verwijdering van de tuien blijven de klapankers over het algemeen in de bodem achter. Het betreft echter een dusdanig beperkt aantal tijdelijke masten, dat dit effect als neutraal is beoordeeld.” Wij beschikken momenteel niet over detailinformatie en kunnen hier dus niet op voorhand mee instemmen. Daarnaast kent archeologie geen “tijdelijke effecten”. Eenmaal verstoord is kapot en verloren. Er zijn veel meer (tijdelijke) bodemingrepen voorzien dan uit het RIP blijkt.
De verschillende bodemverstorende werkzaamheden zijn in het archeologische rapport benoemd onder “2.2 werkzaamheden”. Nu wordt de plaatsing van de (tijdelijke masten 6.9) masten als “neutraal” gezien, maar aangenomen wordt dat hiervoor worden naast de verankering e.d. ook bouwputten uitgegraven moeten worden. Slopen kan niet bij voorbaat als niet-onderzoeksplichtig gezien worden, bijvoorbeeld als er een andere mast voor in de plaats komt en hiervoor wordt dieper en groter uitgegraven, dan is ook dit een nieuwe en mogelijk onderzoeksplichtige bodemverstoring. Pagina 62, paragraaf 7.2 laatste alinea: uit de tekst blijkt niet duidelijk in hoeverre de coördinatieregelen van toepassing is op de tijdelijke bouw- en aanlegmaatregelen die nodig zijn gedurende de bouw- en sloopperiode.
5
Pagina 63, paragraaf 7.3: alleen de aanlegvergunningstelsels uit de gemeentelijke bestemmingsplannen worden terzijde geschoven, maar de bepalingen ten aanzien van de archeologische verwachtingswaarden dus niet. Dat betekent dus dat die daarmee blijven gelden. Hoe werkt de toetsing op dit punt? Pagina 64, derde alinea: bij de beschrijving van de bestemmingen wordt opeens gesproken over het hoogspanningsstation Borssele. Die is geen onderdeel van het project Zuidwest 380 kV Oost. Welk hoogspanningsstation wordt bedoeld? Daarnaast wordt in deze alinea gesproken over een vervangende enkelbestemming bij de 150kv opstijgpunten. Wij gaan er vanuit dat hier gedoeld wordt op de definitieve opstijgpunten, niet de tijdelijke? Pagina 64, paragraaf 7.5: aangegeven wordt dat niet gerealiseerde gevoelige bestemmingen worden weg bestemd. Het is niet duidelijk om welke locaties het gaat. Gezien het belang van de grondeigenaar en omwonenden, verzoeken wij u te specificeren voor welke locaties dit geldt.
Pagina 66: voor tijdelijke werkgebieden wordt bij de gemeente een vergunning aangevraagd? Dan gaat het om een tijdelijke omgevingsvergunning? Wordt de procedure en de verlening van die tijdelijke vergunning ook gecoördineerd? Pagina 65, paragraaf 7.6 : in het plan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college van Burgemeester en Wethouders de specifieke bestemming voor de tijdelijke bestemming kan weghalen. Dezelfde opmerking geldt bij het onderdeel Leiding – hoogspanning – tijdelijk. Hierbij een aantal vragen: - Een wijzigingsbevoegdheid kan, zoals de minister bekend, niet meer gebruikt worden na invoering van de Omgevingswet. Waarom is gekozen voor een instrument dat bij invoering van de Omgevingswet komt te vervallen. Krijgen gemeenten hiermee niet een onuitvoerbare opdracht? - Door het weghalen van deze bestemming bij de gemeenten neer te leggen, worden de gemeenten geconfronteerd met extra werkzaamheden en extra kosten. Hoe worden deze vergoed? In een tussenzin bij onderdeel “Toelichting op de bestemmingen” wordt vermeld dat de strook breder is dan nodig omdat onder andere ook extra sloten aangelegd moeten worden. Het IP biedt geen inzicht in waar deze extra sloten nodig zijn, zodat wij niet kunnen toetsen hoe deze passen in het gemeentelijk beleid.
Pagina 66, paragraaf 7.7 In deze paragraaf wordt omschreven hoe men juridisch omgaat met het aspect archeologie. Graag dus op de plankaart voorzien in de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ voor het hele plangebied. Onderstreept enkele aanvullingen op de bestaande passage in de tekst. ‘Ter bescherming van de archeologische waarden, monumenten en verwachtingszones in de ondergrond, geldt voor de realisatie van bouwwerken de voorwaardelijke verplichting dat moet worden voldaan aan het stappenplan van het de KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie), het archeologiebeleid van de verschillende gemeenten en de provinciale Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2014; dit voor zover de locaties nog niet voldoende zijn onderzocht naar oordeel van de bevoegde gezagen. Pagina 71, paragraaf 8.5: geldt de procedure die hier beschreven wordt ook voor de tijdelijke vergunningen die nodig zijn voor het bouwproces? Pagina 71, paragraaf 8.6: Aansluitend op de conclusie (in de brief gaan we hier nader op in) de opmerking vanuit de gemeente Moerdijk dat de gemeente deze nieuwe hoogspanningsverbinding faciliteert, hoewel wij daar zeker niet blij mee zijn vanwege de impact op de leefomgeving en het landschap.
Dan is het extra zuur dat de gemeente niet kan mee profiteren van deze nieuwe aansluitcapaciteit en te maken krijgt met grote problemen in de bestaande netwerkcapaciteit. Voor een onderbouwing van dit punt verwijzen wij u naar onze hoofdbrief.
6
Regels behorend bij het voorontwerp-Rijksinpassingsplan Artikel 1: definitie van erf is niet toegespitst op de 380 kV-verbinding. Er ontbreken definities voor “diepwortelende beplanting”, “diepploegen”, “permanent opslaan van goederen en stoffen” en “veldlengte”. Deze definities zijn wel noodzakelijk. Bij 1.22 wordt gesproken over handleidingen, die verder niet benoemd/ongespecificeerd blijven Artikel 2: (2.2) de definitie is niet correct. Er is bij vakwerkmasten geen sprake van gevelvlakken of scheidingsmuren. Het is beter is om hier de plattegrond van de vakwerkmast te benoemen. (2.3) De wijze van meten veldlengte verdient verduidelijking Artikel 4: (4.2.2) twijfels of de vermelde bouwhoogte zal volstaan. Wellicht te overwegen om hogere maatvoering op te nemen. Artikel 5: (5.2) Op deze manier wordt elke vorm van uitbreiding van gebouwen tegengegaan. Vanuit bewonersoptiek is dit niet wenselijk. Zijn belanghebbende hiervan op de hoogte? Er zou meer aangesloten moeten worden op de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen. Lid 2 van dit artikel luidt als volgt: “Bebouwing wordt alleen toegestaan als de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering”. In de praktijk is dit niet mogelijk. De bestaande funderingen voldoen niet aan de eisen en zijn in 99% van de gevallen niet toereikend voor een nieuwe gebouw.
Bij 5.4.1.a vragen de begrippen “diepwortelende beplanting” en bij 5.4.1.b “voorwerpen” om nadere specificatie. Deze nadere specificatie ontbreekt ook bij 6.4 en 7.6. Bij artikel 6 en 7 wordt op meerdere plaatsen gesproken over een periode van 5 jaar zonder aanduiding wanneer deze periode aanvangt. Artikel 7: het artikel raakt in de omgeving ten westen van Standdaarbuiten veel vigerende bestemmingen en betekent voor bewoners en bedrijven een aanzienlijke beperking. Wij gaan er vanuit dat u met alle betrokken grondeigenaren en gebruikers duidelijk heeft gecommuniceerd wat deze beperking voor hun situatie betekent. Klopt deze aanname? Artikel 7.4: hoe moet bepaald worden wat onder “vanaf eerste aanvang” verstaan moet worden? Om discussie te voorkomen, verzoeken wij u duidelijk vast te leggen of het dan gaat om eerste aanvang van de bouwwerkzaamheden voor aanleg van de tijdelijke voorzieningen of om de eerste aanvang van in gebruikname van de tijdelijke voorziening. Daarnaast verzoeken wij u aan te geven hoe dit moment van eerste aanvang gemarkeerd wordt, zodat dit voor alle gebruikers duidelijk is. Artikel 7.5: dit artikel is niet werkbaar, omdat criteria ontbreken waaraan deze omgevingsvergunning getoetst moet worden.
Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laat zien dat regels voor een binnenplanse omgevingsvergunning voldoende objectieve criteria moeten bevatten, om een goede belangenafweging te kunnen maken. Bij dit artikel ontbreekt het volledig aan objectieve criteria, zodat het maken van een belangenafweging onmogelijk is. Artikel 7.6: (a) het hier vermelde betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit moet dus vermeld worden in de bouwregels. Artikel 7.7: De hier opgenomen wijzigingsbevoegdheid is niet langer uitvoerbaar na inwerkingtreding van Omgevingswet, omdat deze nieuw wet het instrument wijzigingsbevoegdheid niet langer kent. Artikel 8.2: onder a.2 ontbreekt de definitie van veldlengte en de wijze van meten verdient verduidelijking. Onder a 5 is het nog niet volledig te toetsen, omdat de bijlage waar naar verwezen wordt ontbreekt. Artikel 8.2 b: dit artikel verbiedt bouwwerkzaamheden voor de huidige bestemming van percelen, met uitzondering in die gevallen waar gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering. Op een aantal locaties in
7
onze gemeente betekent dit dat bestaande bouwrechten worden beperkt. Kunt u aangeven op welke wijze door u is gecommuniceerd met alle betrokken bewoners over deze beperkingen? Wij gaan er daarnaast van uit dat u de schade die hierdoor ontstaat voor een grondeigenaar zult vergoeden en hierover een actieve houding richting de grondeigenaar aanneemt. Artikel 8.4.1.a: dit betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit moet dus vermeld worden in de bouwregels Artikel 9: Ten westen van Standdaarbuiten is een gebied waar de werkingsgebieden van artikel 7 en artikel 9 elkaar lijken te overlappen. Uit de regels wordt niet duidelijk hoe in dit geval de samenhang tussen beide artikelen is. Welk artikel prevaleert bij de toetsing? Artikel 9.4: hoe moet bepaald worden wat “vanaf eerste aanvang” verstaan moet worden? Om discussie te voorkomen, verzoeken wij u duidelijk vast te leggen of het dan gaat om eerste aanvang van de bouwwerkzaamheden voor aanleg van de tijdelijke voorzieningen of om de eerste aanvang van in gebruikname van de tijdelijke voorziening. Daarnaast verzoeken wij u aan te geven hoe dit moment van eerste aanvang gemarkeerd wordt, zodat dit voor alle gebruikers duidelijk is. Artikel 9.5: dit artikel is niet werkbaar, omdat criteria ontbreken waaraan deze omgevingsvergunning getoetst moet worden.
Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State laat zien dat regels voor een binnenplanse omgevingsvergunning voldoende objectieve criteria moeten bevatten, om een goede belangenafweging te kunnen maken. Bij dit artikel ontbreekt het volledig aan objectieve criteria, zodat het maken van een belangenafweging onmogelijk is. Artikel 9.6.1.: dit betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit moet dus vermeld worden in de bouwregels Artikel 9.7: De hier opgenomen wijzigingsbevoegdheid is niet langer uitvoerbaar na inwerkingtreding van Omgevingswet, omdat deze nieuw wet het instrument wijzigingsbevoegdheid niet langer kent. Artikel 10.2b: dit artikel verbiedt bouwwerkzaamheden voor de huidige bestemming van percelen, met uitzondering in die gevallen waar gebruik wordt gemaakt van bestaande fundering. Op een aantal locaties in onze gemeente betekent dit dat bestaande bouwrechten worden beperkt. Kunt u aangeven op welke wijze door u is gecommuniceerd met alle betrokken bewoners over deze beperkingen? Wij gaan er daarnaast van uit dat u de schade die hierdoor ontstaat voor een grondeigenaar zult vergoeden en hierover een actieve houding richting de grondeigenaar aanneemt. Artikel 10.4: dit betreft bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Dit moet dus vermeld worden in de bouwregels.
Artikel 12: de regels zoals opgenomen in 12.1 voor het aspect archeologie zijn vergeleken met de regels in de gemeentelijke bestemmingsplannen zeer summier te noemen. Hieronder zijn onderstreept enkele aanvullingen gedaan. Artikel 12.1: Voorafgaande aan het realiseren van gebouwen en overige bouwwerken en het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden in het kader van de bestemmingen als opgenomen in artikel 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 geldt dat voldaan moet zijn aan het navolgende stappenplan, uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), 'Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017' (of een opvolger daarvan), het archeologiebeleid van de verschillende gemeenten en de maatregelen uit dit stappenplan: a. er dient een archeologisch bureauonderzoek met controleboringen bureau- en booronderzoek te worden uitgevoerd ter plaatse van de te realiseren gebouwen, bouwwerken, werken en/of werkzaamheden als bedoeld in de aanhef van dit artikel. Voor dit onderzoek wordt een Plan van Aanpak opgesteld dat door het bevoegd gezag (gemeente(n)) moet worden beoordeeld en goedgekeurd. Het rapport moet vervolgens ook voorgelegd worden aan en goedgekeurd worden door het bevoegd gezag (gemeente(n)). Op basis van het goedgekeurde rapport besluit het bevoegd gezag over eventueel benodigde vervolgonderzoek; b.
indien uit het bureau- en booronderzoek als bedoeld onder a van dit artikel blijkt dat er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden, dient een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd, op basis waarvan de waarde van de archeologische resten bepaald kan worden. Voor dit onderzoek wordt een Programma van Eisen opgesteld dat door het bevoegd gezag (gemeente(n)) moet worden beoordeeld en
8
goedgekeurd. Het rapport moet vervolgens ook voorgelegd worden aan en goedgekeurd worden door het bevoegd gezag (gemeente(n)). Op basis van het goedgekeurde rapport besluit het bevoegd gezag over eventueel benodigde vervolgonderzoek; c. indien uit het onderzoek als bedoeld onder b blijkt dat er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden, dienen een of meer van de volgende archeologische maatregelen getroffen te worden: 1. in situ behoud. Indien het bevoegd gezag (gemeente(n)) hiertoe besluiten, dan moet de initiatiefnemer voorzien in een behoudsmaatregelenplan welke is voorgelegd en goedgekeurd door het bevoegd gezag; 2. ex situ behoud: archeologische begeleiding. Deze vorm van onderzoek kan alleen in uitzonderlijke situaties worden toegepast zoals verwoord in de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht; 3. ex situ behoud: opgraving. Hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht; Het bevoegd gezag bepaalt op basis van de resultaten van het onderzoek welke archeologische maatregel(en) moet(en) worden uitgevoerd.
Om het bevoegd gezag daartoe in staat te stellen is het zo belangrijk dat het huidige bureauonderzoek wordt aangepast, het hele gebied een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ krijgt en er per gemeente een grondig bureauonderzoek wordt uitgevoerd zodat dit ook gaat werken. Het verdient verder aanbeveling om meer uitgebreide regels te vermelden. Hiervoor zijn ter inspiratie de planregels van onze gemeente opgenomen. Artikel ## Waarde – Archeologie ## ##.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde – Archeologie##' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van ##. ##.2 Bouwregels Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan ## m over een oppervlakte groter dan ## m² ; b. bouwwerken met een oppervlakte van minder dan ## m² voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan ## m.
##.3 Afwijken van de bouwregels ##.3.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere bestemming Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid ##.2 onder a, voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits: a op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag. Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag; of b op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag.
Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag; of c de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1 een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoudsmaatregelenplan); of 2 een verplichting tot het doen van opgravingen (hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht); of 3 een verplichting de uitvoering van bouwactiviteiten te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg conform de vigerende KNA, namelijk een daarvoor gecertificeerde instantie. Deze vorm van onderzoek kan alleen in uitzonderlijke situaties worden toegepast zoals verwoord in
9
de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht. c. Bij de beoordeling van archeologische rapporten, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA en de Kwaliteitscriteria 2.2 VTH, vastgesteld door Burgemeester en wethouders van de gemeente ## ##.3.2 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsgunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen dat voldoet aan de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag. Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag.
##.3.3 Advies Bij de beoordeling van het archeologisch onderzoek, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA en de Kwaliteitscriteria 2.2 VTH, vastgesteld door Burgemeester en wethouders van de gemeente ##. ##.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ##.4.1 Omgevingsvergunning Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, aanbrengen van heipalen, egaliseren en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan ## m² en dieper dan ## m; b het wijzigen van de waterhuishouding, zoals draineren en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen over een oppervlakte groter dan ## m² en dieper dan ## m;; c het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur over een oppervlakte groter dan ## m² en dieper dan ## m; d het verlagen van het waterpeil over een oppervlakte groter dan ## m² en
dieper dan ## m; het doen van opgravingen in het kader van archeologisch onderzoek, mits verricht door een ter zake deskundige, namelijk een daarvoor gecertificeerde instantie die in het bezit is van een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen. ##.4.2 Uitzonderingen Het verbod, zoals bedoeld in lid ##.4.1 is niet van toepassing, indien: a het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte; b op basis van inventariserend en/of definitief archeologisch onderzoek, conform KNA en goedgekeurd door de gemeente ##, is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c de werken en werkzaamheden: 1 reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 2 mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning; d de werken en werkzaamheden op inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht. ##.4.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk a.
Het is verboden voor de ‘Waarde-Archeologie ##’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een vergunning voor het slopen van een bouwwerk, de aanwezige bouwwerken te slopen in de op oppervlakte en diepte meer bedraagt dan ## m2 en niet dieper gaat dan ## cm onder maaiveld. b. Aan de sloopvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleidt door een gekwalificeerde deskundige (zijnde een archeologisch bedrijf dat daarvoor gecertificeerd is). Hiervoor is een door de door (de deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitscriteria 2.2 VTH, zijn de Regioarcheoloog, van) het bevoegd gezag schriftelijk goedgekeurd
10
Programma van Eisen vereist dat is opgesteld conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). c. Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij het bevoegd gezag die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de sloopvergunning. d. de vergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft. ##.4.4 Toelaatbaarheid Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid ##.4.1 wordt slechts verleend indien: a op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag. Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag; of b op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad. Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag.
Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag; of c de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat goedgekeurd is door het bevoegd gezag de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord. Indien het gaat om archeologisch booronderzoek, dan is het verplicht om een Plan van Aanpak ter goedkeuring te overleggen aan het bevoegd gezag. Indien het gravend archeologisch onderzoek betreft, dan is het verplicht om een Programma van Eisen conform KNA te laten opstellen en deze te laten goedkeuren door het bevoegd gezag; of: 1 een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoudsmaatregelenplan); of 2 een verplichting tot het doen van opgravingen (hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht); of 3 een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg namelijk een daarvoor gecertificeerde instantie.
Deze vorm van onderzoek kan alleen in uitzonderlijke situaties worden toegepast zoals verwoord in de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Hiervoor is een Programma van Eisen conform KNA, goedgekeurd door het bevoegd gezag, verplicht. c. Bij de beoordeling van archeologische rapporten, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA en de Kwaliteitscriteria 2.2 VTH, vastgesteld door Burgemeester en wethouders van de gemeente ## ##.4.5 Advies Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in lid ##.4.1 onder c, wordt de deskundige van de bevoegde overheid (Regioarcheoloog) om advies gevraagd. Bij een negatief advies wordt de omgevingsvergunning niet verleend. ##.5 Wijzigingsbevoegdheid ##.5.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek Burgemeester en wethouders kunnen, overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen in die zin dat aan de bestemming 'Waarde -Archeologie ##' wordt ontnomen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Artikel 13 b: dit artikel noemt nu alleen het voorzien in landschappelijke inpassing.
Om een duurzame instandhouding van de landschappelijke inpassing te waarborgen, verzoeken wij u dit artikel zo te wijzigen dat niet alleen de realisatie, maar ook het beheer en instandhouding conform het landschappelijk inpassingsplan is geregeld. Alleen op die manier kan de inpassing in het landschap goed geborgd worden. Daarnaast vinden wij het wat onduidelijk dat de koppeling met het landschapsplan alleen in de algemene gebruiksregels wordt gelegd. Het heeft onze voorkeur een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de specifieke bestemmingen, zodat de koppeling tussen beide bepalingen duidelijker is.
11
Artikel 16.2a: dit artikel bepaalt dat de betrokken gemeenten pas 10 jaar na vaststelling een nieuw bestemmingsplan mogen opstellen voor de betrokken gronden, tenzij zij in een nieuw plan dezelfde bestemmingen en regels worden opgenomen. Per 1 januari 2022 voert het Rijk de Omgevingswet in. In het overgangsrecht is bepaald dat gemeenten tot 2029 de tijd hebben een gebiedsdekkend Omgevingsplan vast te stellen. Dit betekent dat wij op grond van de Invoeringswet Omgevingswet verplicht zijn voor 1 januari 2029 een Omgevingsplan voor de gronden die binnen dit Inpassingsplan vallen, vast te stellen. Dit artikel is daarmee voor de betrokken gemeenten niet uitvoerbaar. Temeer omdat een omgevingsplan een ander instrument is als een bestemmingsplan, waarbij niet langer uit gegaan wordt van het toekennen van bestemmingen aan locaties. Het bepaalde onder artikel 16.2b biedt daarom hiervoor geen oplossing.
Verbeelding De verbeeldingen zijn op perceelsniveau lastig toetsbaar, omdat alleen een pdf en geen gml beschikbaar is en omdat op de ondergronden de kadastrale aanduidingen ontbreken. Als bij het ontwerp IP een digitale kaart beschikbaar is, zullen wij nogmaals toetsen. Eventuele reactie zullen wij op dat moment in een zienswijze formuleren. 150kv station bij Zevenbergschenhoek: het lijkt of slechts een deel van het perceel dat nu de bestemming “verkeer -railverkeer heeft (opgelegd vanuit het inpassingsplan voor de HSL), wordt gewijzigd naar de bestemming Bedrijf – nutsbedrijf. Omdat een gemaatvoerde tekening ontbreekt, kunnen wij dit slecht toetsen. Het lijkt alsof een smalle strook met de aanduiding Verkeer-railverkeer en een stuk bouwvlak binnen deze bestemming blijft gelden. Als dat het geval is, is dat naar onze mening geen gewenste situatie. Bij het 150kV station bij Zevenbergschenhoek is het vanwege ontbreken van een digitale verbeelding of een gemaatvoerde kaart lastig te toetsen of de begrenzing hier overeenkomt met de strook grond die u van ons wenst te kopen. Deze koop is overigens nog niet rond. Wij gaan er vanuit dat deze koop rond zal zijn, voordat het ontwerp Inpassingsplan ter visie gelegd wordt. De bestaande 150kV leiding naar het Haven en industrieterrein wordt verkabeld en aangesloten op het bestaande station op het haventerrein.
Dit heeft tot gevolg dat een belemmeringenstrook ontstaat op een strook grond met de bestemming Bedrijventerrein, waar op grond van het geldende bestemmingsplan bedrijfsgebouwen tot een hoogte van 20 meter gebouwd mogen worden. In het proces rondom deze verkabeling hebben wij meerdere malen aangegeven dat het noodzakelijk is over deze nieuwe belemmeringen het gesprek aan te gaan met het Haven en industrieterrein én met de grondeigenaar (Ritchie Bros). Van beide partijen begrijpen wij dat tot op heden niet of nauwelijks met hen is gesproken over deze wijziging. Kunt u aangeven waarom deze gesprekken nog niet zijn aangegaan, ondanks dat wij u hier meerdere malen op gewezen hebben? Wij verzoeken u daarom nogmaals nadrukkelijk om de plannen en de daaruit voortkomende belemmeringen te bespreken met de betrokken bedrijven. De woning aan de Dikkendijk 2, waar het opstelpunt in de tuin is gepland, is inmiddels door Tennet aangekocht? Het opstelpunt lijkt geprojecteerd op de huidige bestemming tuin, waardoor die vervalt. De naastgelegen woonbestemming blijft echter bestaan. Is het de bedoeling van Tennet deze woning opnieuw te verkopen? Is het wel mogelijk hier een gezond woon- en leefklimaat te realiseren, zo dicht naast een opstijgpunt? Ligt het niet meer in de rede de woonbestemming hier te schrappen? Er zijn geen mastlocaties opgenomen in het Inpassingsplan.
De masten hebben een forse impact op het landschap. Doordat de mastlocatie niet in het Inpassingsplan staan, zijn de effecten op het landschap en de omgeving slecht in te schatten. Biedt deze wijze van werken wel voldoende borging van de belangen van derden?
12
Bijlagen bij het Rijksinpassingsplan: Vooronderzoek Bodem
Het vooronderzoek is ter advisering voorgelegd aan de Omgevingsdienst West-Brabant (OMWB). Het is voor de OMWB de vraag in hoeverre de informatie uit het BIS-systeem is betrokken bij het vooronderzoek. Het is wenselijk dat voorafgaand aan de procedure ontwerp-Rijksinpassingsplan hierover onderling overleg plaatsvindt tussen onderzoeksbureau Arcadis en OMWB, zodat de desbetreffende zogenaamde knipsels uit het BIS-systeem vergeleken kunnen worden en de mogelijk ontbrekende gegevens per locatie verzameld kunnen worden.
Akoestisch onderzoek In onze opdracht heeft de Omgevingsdienst het akoestisch onderzoek beoordeeld. Gebruiksfase hoogspanningsverbinding In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het gebruikte toetsingskader voor de gebruiksfase van de hoogspanningsverbinding. Paragraaf 4.1 geeft het toetsingskader voor het gebruik van de hoogspanningsverbindingen. Hierbij is voor het coronageluid aangesloten bij de limietwaarden die Tennet hanteert voor hoogspanningsmasten. Het gaat om een niveau van 45 dB(A) op een afstand van 37 meter bij vochtige weersomstandigheden en 30 dB(A) op een afstand van 37 meter bij droge weersomstandigheden (gemeten 1 meter boven het plaatselijke maaiveld). Vanuit de fabrikant of gebruiker kan worden voorgesteld dat de hoogspanningsmasten bij gebruik aan deze limietwaarden moeten voldoen. Deze limietwaarden geven echter geen informatie of de geluidbelasting ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen acceptabel is of eventueel zullen leiden tot het optreden van hinder. Om te kunnen stellen dat er met de plaatsing van een nieuwe hoogspanningsmast nabij geluidgevoelige bestemmingen sprake is van een goed woon- en leefklimaat, is het belangrijk om een norm te hanteren die geldt ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen. Vervolgens kan worden onderzocht of aan die normen wordt voldaan.
In de ruimtelijke ordening is het gebruikelijk om hiervoor aan te sluiten bij de richtwaarden uit de VNGpublicatie bedrijven en milieuzonering. In deze publicatie wordt voor een rustig buitengebied een richtwaarde gehanteerd van 45 dB(A) etmaalwaarde en voor een gemengd gebied een richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. In het akoestisch onderzoek is nu beoordeeld of er binnen een straal van 37 meter rond de hoogspanningsmasten geluidgevoelige bestemmingen aanwezig zijn. Om te beoordelen of er met de bouw van een hoogspanningsmast sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat zal (in een rustig buitengebied) beoordeeld moeten worden of er geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen een straal van circa 120 meter. Hierbij zal ook nog een veiligheidsmarge moeten worden gehanteerd, omdat de limietwaarden van Tennet gelden op 1 meter boven het plaatselijke maaiveld, terwijl geluidgevoelige bestemmingen uit meerdere verdiepingen kunnen bestaan en als gevolg daarvan op de geluidgevoelige gevel een hogere geluidbelasting kan optreden dan op 1 meter. Aanlegfase hoogspanningsverbindingen Voor de aanlegfase (bouw nieuwe masten en sloop oude masten) van de hoogspanningsverbinding is aangesloten bij de normen zoals die in het Bouwbesluit zijn opgenomen.
In het Bouwbesluit wordt de geluidbelasting die per dag aanvaardbaar wordt geacht, afhankelijk gesteld van het aantal dagen dat het werk duurt. Een hoge geluidbelasting is minder dagen toegestaan dan een lage geluidbelasting. In paragraaf 7.2 zijn contourafstanden gegeven. Berekend is dat wanneer bij nieuw te plaatsen masten binnen een afstand van 110 meter (of te amoveren masten binnen een afstand van 130 meter) geen woningen of andere geluidgevoelige objecten aanwezig zijn, hier geen beperkingen gelden ten aanzien van het aantal werkdagen. Niet duidelijk is alleen hoe deze rekenresultaten tot stand zijn gekomen. Er ontbreekt een beschrijving van de werkzaamheden en de machines en activiteiten die bij de bouw en sloop worden gebruikt/uitgevoerd. Daarbij is niet duidelijk hoeveel dagen de sloop van een bestaande mast en de bouw van een nieuwe mast in beslag neemt. In bijlage B zijn wel modelgegevens opgenomen, maar niet duidelijk is of deze reëel zijn. Daarbij zijn de invoergegevens niet onderbouwd. De resultaten in paragraaf 7.2 zijn hierdoor niet verifieerbaar.
13
Belangrijker is dat in 8.4.2 en 8.4.3 wordt aangegeven bij welke afstand tot woningen rekening moet worden gehouden met het aantal dagen dat de bouw- en sloopwerkzaamheden duren. In het onderzoek wordt echter niet aangegeven of deze afstanden en het maximaal aantal dagen ook haalbaar zijn. Zijn er locaties waarbij de woningen op dermate korte afstand liggen van een locatie dat er rekening moet worden gehouden met een maximaal aantal werkdagen? Zijn er locaties waar eventueel een onderzoek naar maatregelen nodig is? De rapportage geeft – concluderend - reden tot het maken van enkele opmerkingen: - In het onderzoek is onderzocht of er geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de contouren van de limietwaarden voor hoogspanningsmasten. De limietwaarden geven echter geen informatie of er bij geluidgevoelige bestemmingen nabij een hoogspanningsmast sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Om hier een uitspraak over te kunnen wordt geadviseerd om aan te sluiten bij het toetsingskader uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering en te onderzoeken of aan de betreffende richtwaarden kan worden voldaan. - Voor de aanlegfase is in het onderzoek bepaald welke afstand de werklocatie moet aanhouden om niet te worden beperkt in het aantal werkdagen (conform het Bouwbesluit). De berekeningen zijn echter niet onderbouwd.
Niet beschreven is waaruit de bouw- en sloopwerkzaamheden precies bestaan en welke activiteiten daarbij worden uitgevoerd, met welke machines, hoe lang deze machines in gebruik zijn en hoe lang de werkzaamheden in beslag nemen. Daarnaast is niet bepaald of er geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen binnen de berekende contouren. Niet duidelijk is daarom of er geluidgevoelige bestemmingen zijn waar tijdens de sloop en bouw van hoogspanningsmasten knelpunten met de grenswaarden uit het Bouwbesluit te verwachten zijn.
Milieu effect rapportage (Mer) samenvatting Pagina 10: het voorkeursalternatief leidt in totaal tot 58 gevoelige bestemmingen, waarvan er zich 24 binnen een bestaande magneetveldzone bevinden. Er worden 136 gevoelige bestemmingen vrijgespeeld. - Hoe is het aantal van 136 vrijgespeelde bestemmingen bepaald en ten opzichte van wat worden deze vrijgespeeld? Onduidelijk blijft daarnaast of dit het maximale aantal woningen is dat vrijgespeeld kon worden, of dat dit aantal hoger had kunnen zijn, als andere aanpassingen aan het tracé doorgevoerd worden. - Er blijven 58 gevoelige bestemmingen, waarvan 24 zich reeds in een bestaande magneetzone bevinden. In de gemeente Moerdijk zijn 20 gevoelige bestemmingen. Is de conclusie correct dat deze 20 bestemmingen allemaal nieuw zijn? Zo ja, dan is het naar de mening van de gemeente meer voor de hand liggend – gelet op de buitenproportionele blijvende hinder/overlast op het grondgebied van de gemeente Moerdijk in vergelijking met dezelfde hinder/overlast in het verdere tracé – om ter compensatie voor het eerder afgewezen alternatieve tracé op het grondgebied van Moerdijk te kiezen. In het Mer wordt daarnaast ingegaan op tijdelijke geluidshinder tijdens de bouw en sloop. Deze geluidshinder zorgt voor een groot aantal woningen langs het tracé voor geluidsoverlast.
Onduidelijk is of in deze berekeningen het geluid vanwege het extra bouwverkeer gecumuleerd is meegenomen. In de berekeningen wordt niet duidelijk gemaakt of de lengte van de bouw- en sloopperiode van invloed is op de mate van hinder voor bestaande woningen. De periode van bouw en sloop zou in totaal 10 jaar kunnen bedragen. Is dan nog wel te spreken van tijdelijke overlast? Bij de beoordeling van de milieueffecten is het tracé opgedeeld in deelgebieden. De gemeente Moerdijk is opgedeeld in twee deelgebied (2 en 3). In deelgebied 3 valt de onder andere de omgeving van Zevenbergschenhoek. Maar in dit deelgebied valt ook een groot gebied in de gemeente Drimmelen. Het gebied rondom Zevenbergschenhoek is echter niet te vergelijken met het deel van het tracé dat in de gemeente Drimmelen valt. De indruk ontstaat dat door het tracé op deze manier op te knippen, de negatieve effecten op landschap en leefbaarheid in de omgeving Zevenbergschenhoek wegvallen tegen de voordelen in het landschap van de buurgemeente. De vergelijking geeft op deze manier een vertekend beeld. Pagina 10, landschappelijke kwaliteit deelgebied 3: het beoordeelde effect komt uit op 0. Wat is hierbij het uitgangspunt geweest voor de omgeving van Zevenbergschen Hoek? Is hierbij ook meegewogen dat in het