CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6.5 Quickscan natuurwetgeving - aangepast 15-04-2021

Raadsvergadering 8 september 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek6.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurwetgeving Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek

Quickscan Natuurwetgeving Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek

Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM20583 : Definitief (versie 1) : 15 april 2021

Opdrachtgever

: Accent adviseurs Luchthavenweg 13E 5657 EA Eindhoven

Opgesteld door Paraaf

: ir. C. de Koning | ir. J.P.M Hovens :

Gecontroleerd door Paraaf

: ing. J.M.G. Reuver :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl Pagina | 2

AM20583

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ...................................................................................................................................................................................................................4

2.

WET- en REGELGEVING .........................................................................................................................................................................................5 2.1

Inleiding ............................................................................................................................................................................................................5

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden .............................................................................................................................................5

2.3

Natuurnetwerk Nederland..........................................................................................................................................................................6

2.4

Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................................................6

3.

WERKWIJZE ................................................................................................................................................................................................................8 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden ........................................................................................................................8

3.2

Werkwijze quickscan ....................................................................................................................................................................................8

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN ................................................................................................................................................................. 10 4.1

Beschrijving plangebied .......................................................................................................................................................................... 10

4.2

Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................................................................. 10

4.3

Natuurnetwerk Nederland....................................................................................................................................................................... 11

4.4

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 12

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ............................................................................................................ 16 5.1

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 16

5.2

Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 16

5.3

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 16

6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................................................................................ 18 6.1

Natura 2000.................................................................................................................................................................................................. 18

6.2

Natuurnetwerk Brabant ............................................................................................................................................................................ 18

6.3

Beschermde planten en dieren ............................................................................................................................................................. 18

LITERATUUR ..................................................................................................................................................................................................................... 20

Bijlage: 1

Toelichting per beschermingsregime

Pagina | 3

AM20583

1. INLEIDING In opdracht van Accent adviseurs heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek

Gemeente

: Moerdijk

Kadastrale registratie

: Zevenbergen, sectie D, nummers 1748, 1930, 1966, 1968, 2054, 2066 en 2067

Oppervlakte

: 3313 m2 (gedeeltelijk)

Huidige bestemming

: Bedrijf en wonen

Toekomstige bestemming

: Wonen

Een bedrijfspand en twee schuurtjes worden gesloopt en daarna worden op deze locatie een appartementencomplex en starterswoningen gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleids- en veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Pagina | 4

AM20583

2. WET- en REGELGEVING 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Floraen faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000-beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 5

AM20583

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):

-

Vogels

alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;

Pagina | 6

AM20583

-

Internationaal beschermde soorten

alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

-

Overige beschermde soorten

soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 7

AM20583

3. WERKWIJZE 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestaande bebouwing wordt gesloopt en de vegetatie wordt (op de plataan en de twee haagbeuken in het westen van het plangebied na) geheel verwijderd. Vervolgens wordt er een appartementencomplex met 14 appartementen en 6 starterswoningen gerealiseerd. Daarnaast wordt er een parkeergelegenheid met 40 plaatsen aangelegd. De nieuwe woningen zullen worden ontsloten via de wegen Olavstraat en De Vier Uitersten (zie figuur 3.1).

Figuur 3.1. Schets van de voorgestane situatie. Bron: Quadrant Architecten BNA.

3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 25 januari en 4 februari 2021 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. De te slopen gebouwen werden daarbij van binnen en buiten geïnspecteerd met behulp van een ladder, boomcamera en zaklamp. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd. Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen.

Pagina | 8

AM20583

Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).

Pagina | 9

AM20583

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1 en de foto’s op de voorzijde van het rapport) ligt in het oosten van de kern van Zevenbergschen Hoek. Het bestaat uit een bedrijfspand (van een bouwbedrijf) met terrein en een deel van de achtertuin, met twee schuurtjes, behorende bij De Vier Uitersten 1. Het bedrijfspand bestaat uit een oud deel (kantoorpand – meest zuidelijk gelegen) en een nieuw deel (de loods – noordelijk gelegen). Ook is er een garagebox aanwezig. In de achtertuin van De Vier Uitersten 1 bevinden zich twee schuurtjes. In het plangebied bevindt zich gazon en zijn er soorten aanwezig als berberis, mahonie, klimop, walnoot, sneeuwbal, kardinaalsmuts, broodboom, buxus, hortensia, hulst, liguster, wilg, plataan, grote brandnetel, vogelmuur, grote weegbree, bosaardbei, hondsdraf, kruipende boterbloem, duizendblad, zachte ooievaarsbek, paardenbloem en kers.

Figuur 4.1. Het plangebied (rood omlijnd). Bron: Kadastrale Kaart.

4.2

Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van 4,5 kilometer ten noorden van het plangebied. Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep‘ ligt op een afstand van 5,0 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2).

Pagina | 10

AM20583

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (groen weergegeven). Bron: Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Op circa 1 kilometer ten noorden van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) . Dit bestaat uit het beheertype ‘Houtwal en houtsingel’ (zie figuur 4.3).

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rode marker) ten opzichte van het NNB (gekleurde delen). Bron: Provincie Noord-Brabant.

Pagina | 11

AM20583

4.4

Beschermde planten en dieren

Zoogdieren en vogels De te slopen bijgebouwen bestaan uit twee schuurtjes en een garagebox. Het westelijk gelegen schuurtje (in perceel 2066) is geheel enkelwandig en open aan twee zijden (zie figuur 4.4.1). Daarmee is het ongeschikt als vleermuisverblijf en ook vogelnesten zijn hier afwezig.

Figuur 4.4.1. Het westelijk gelegen schuurtje is enkelwandig en open aan twee zijdes.

Het oostelijk gelegen schuurtje (in perceel 2067; zie figuur 4.4.2) is ook geheel enkelwandig. Aan de zuidoostelijk- en zuidwestelijke zijde is de steense gevel bekleed met een houten betimmering. Deze kiert niet en sluit naadloos op de gevel aan. Het schuurtje is daarnaast volledig dicht (geen openingen naar de buitenzijde) en daarmee ongeschikt voor vleermuizen en vogels. Aan de binnenzijde werden nergens steenmarteruitwerpselen waargenomen.

Figuur 4.4.2. Het oostelijk gelegen schuurtje is, op de gevelbetimmering na, geheel enkelwandig en heeft geen openingen naar buiten. Pagina | 12

AM20583

De garagebox (zie kleine foto rechts op pagina 2) is opgebouwd uit damwand en kiert nergens; vleermuisverblijven en vogelnesten zijn hier daarom uitgesloten. De loods (kleine foto links pagina 2) en het kantoorpand (zie grote foto pagina 2) hebben beide een pannen dak en steense muren met spouw. De loods heeft diverse open stootvoegen op circa 4 meter hoogte (zie figuur 4.4.3). Hierdoor kunnen vleermuizen het gebouw binnen. Daarnaast heeft de loods een boeiboord, die kiert met de gevels (zie figuur 4.4.4). Vleermuizen kunnen dus ook onder de boeiboord kruipen. Het kantoorpand (het ‘oude deel’) heeft nergens open stootvoegen of andere openingen. Een boeiboord of een ander soort betimmering ontbreekt. Vleermuisverblijven zijn in dit gebouw dus afwezig. Tussen de loods en het kantoorpand is er een verbinding, die deels is voorzien van een plat dak en deels van een golfplaten dak. Aan de zijkant van het deel met het platte dak zijn open stootvoegen aanwezig, op zo’n 3,5 meter hoogte. Vleermuizen kunnen hier door de spouw in. Het deel met verdieping heeft een gevelbekleding van het type Zweeds rabat. Deze bekleding kiert nergens. Wel is bij de inspectie van de zolders duidelijk geworden dat er geen open verbinding van de buitenzijde van de golfplaten met de binnenzijde van het gebouw is. De zolders hadden alle nergens een directe opening naar buiten en waren bovendien erg warm.

Vleermuizen en hun uitwerpselen waren hier afwezig. Holle bomen zijn afwezig; het is daarom uitgesloten dat er echte vleermuisverblijven (of uilennesten etc.) elders in het plangebied aanwezig zijn. Eekhoornnesten en roofvogelnesten zijn eveneens afwezig en voor kleine marterachtigen als de wezel bieden de ‘nette’ tuin en de (half)verharde buitenruimte van het bouwbedrijf geen dekking. Op ca. 40 centimeter hoogte zijn open stootvoegen aanwezig in de loods. Overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen wel in het plangebied voorkomen (zie tabel 4.4).

Figuur 4.4.3. In de loods zijn op diverse plekken open stootvoegen op ca. 4 meter hoogte aanwezig, waardoor vleermuizen de spouw kunnen bereiken.

Pagina | 13

AM20583

Figuur 4.4.4. De boeiboord kiert op meerdere plekken met de gevel, waardoor vleermuizen de achterliggende ruimte kunnen bereiken.

In en rond het plangebied zijn de volgende vogelsoorten waargenomen: huismus, koolmees, roodborst, merel, heggenmus, grote bonte specht, winterkoning, putter, Turkse tortel en groene specht. Onder de onderste rijen dakpannen is op geen van de gebouwen vogelschroot aanwezig (zie figuur 4.4.5). Doordat er voldoende ruimte onder de dakpannen is, kunnen huismussen hier nestelen. Ook werden tijdens het veldbezoek meerdere huismussen waargenomen. Voor de gierzwaluw zijn er geen geschikte nestholtes aanwezig, doordat er onder elke holte een dakgoot en/of gladde gevelbetimmering aanwezig is.

Figuur 4.4.5. Onder het pannen dak van de het oude gebouw en de loods (hier afgebeeld) is vogelschroot afwezig en voldoende ruimte voor huismusnesten.

Aan de buitenzijde van het oude deel van het pand, in het zuidoosten van het plangebied, is een oud merelnest waargenomen op de zonwering. Het is daarnaast mogelijk dat algemene vogels (als merel en roodborst) gedurende het broedseizoen in de opgaande tuinvegetaties een nest maken.

Pagina | 14

AM20583

Overige soorten In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen. Wateren (die als voortplantingswater voor amfibieën kunnen dienen) zijn afwezig. De met vegetatie begroeide delen van het plangebied dienen mogelijk wel als landhabitat van enkele algemene amfibieënsoorten. Reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben. Nederlandse en wetenschappelijke naam

Huismus (Passer domesticus)

Vogels met jaarrond

Internationaal

Overige beschermde

beschermd nest

beschermde soorten

soorten

X

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Pagina | 15

AM20583

5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Biesbosch’ en ‘Hollands Diep’ op een afstand van 4,5 resp. 5,0 kilometer van het plangebied. Tussen het plangebied en deze Natura 2000-gebieden in ligt de snelweg A16. Ook vanwege deze afstand hebben de voorgenomen werkzaamheden geen direct effect op Natura 2000-gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw van de nieuwe woningen en de extra verkeersbewegingen zullen leiden tot wat extra stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied, en vanwege de beperkte omvang van de ingreep, verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemd (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebied(en).

5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt op circa 1 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied en vanwege de beperkte omvang van de voorgenomen ingreep, verwachten wij dat de plannen geen effect op het NNB zullen hebben.

5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •

Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

•

De loods bevat mogelijk zomerverblijven, winterverblijven, kraamverblijven en/of paarverblijven van verschillende soorten vleermuizen. Door dit gebouw te slopen, verdwijnen mogelijk vaste voortplantings- of rustplaatsen. Eventueel aanwezige vleermuizen kunnen bij de sloop worden gestoord, verwond en/of gedood.

•

In de opgaande vegetatie in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.

•

In de te slopen loods en het kantoorpand bevinden zich mogelijk jaarrond beschermde vogelnesten van huismus. Indien de bebouwing in het broedseizoen wordt gesloopt, leidt dit mogelijk tot sterfte van jonge huismussen, hun jongen en/of hun eieren. Jaarrond kan de sloop leiden tot het vernietigen van jaarrond beschermde huismusnesten.

Pagina | 16

AM20583

In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen. Soort

Algemene in opgaande vegetaties

Beschermingsregime Wnb

Vogels

broedende vogels Vleermuizen

Art. 3.1

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.10

lid 1

lid 2

lid 1

lid 2

lid 3

lid 4

lid 1

X

X

X

X

Internationaal beschermde soorten

Algemeen voorkomende

X

Overige soorten

grondgebonden zoogdieren en

X

amfibieën Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen.

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A -soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A -soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbi j behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Pagina | 17

AM20583

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Natura 2000

De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Brabant

De sloop van de huidige bebouwing, de bouw en het gebruik van de nieuwe woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

6.3

Beschermde planten en dieren

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Vleermuizen: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf De te slopen loods bevat mogelijk vleermuisverblijven. Het slopen van dit gebouw kan daarom leiden tot verstoring of vernietiging van vleermuizen en hun verblijven. Omdat alle vleermuissoorten streng zijn beschermd, dient het voorkomen van dergelijke verblijven conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 5 onderzoeksronden nodig: -

3 ronden (2 avonden en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken);

-

2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken).

Pagina | 18

AM20583

Indien blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn, dient er een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd. Ook dient de functionaliteit van het plangebied te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden. Om vertraging te voorkomen, is het verstandig om vooruitlopend op de resultaten van het vleermuizenonderzoek alvast vleermuiskasten verspreid over de wijk op te hangen. Gewone dwergvleermuizen hebben bijvoorbeeld de tijd nodig om aan nieuwe verblijfplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuw aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn (BIJ12, 2017a). Het is daarom beter om voor zekerheid te gaan en alvast 3 kraamkasten type VMT3 Kraamkast (te bestellen bij Faunaprojecten.nl) op te hangen. Dit dient te gebeuren aan niet te slopen panden binnen een straal van 200 meter van het plangebied (BIJ12, 2017a), onder begeleiding van een deskundige. Als blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn die door de sloopwerkzaamheden zullen worden vernietigd, wordt vertraging van de werkzaamheden (in verband met de gewenningsperiode) in de meeste gevallen voorkomen.

Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

Huismus: aanvullend onderzoek en mitigatie vooraf In de loods en het kantoorpand broeden mogelijk jaarlijks huismussen. Nesten van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voordat deze gebouwen worden gesloopt, dient daarom eerst het voorkomen van huismusnesten conform Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017b) te worden onderzocht. Hierbij wordt voor de huismus uitgegaan van 2 ochtendbezoeken in de periode 1 april – 15 mei. Voor elk nest dat verloren gaat, dienen er meerdere alternatieve nestlocaties voor de huismus in de nieuwe situatie te worden gerealiseerd (BIJ12, 2017b). Indien blijkt dat er huismussennesten aanwezig zijn, dient een ontheffing op de Wnb te worden aangevraagd.

Pagina | 19

AM20583

LITERATUUR •

BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

BIJ12. 2017b. Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0. BIJ12, Utrecht.

•

Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

•

Provincie Noord-Brabant, 2016. Nieuwsbrief Wet natuurbescherming, december 2016.

•

Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html

•

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2021. Vleermuisprotocol 2021, januari 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

Pagina | 20

AM20583

BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

•

het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)

•

het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)

•

het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)

•

het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)

•

het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:

•

geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;

•

de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en; Pagina | 21

AM20583

•

de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -

het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

-

het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

-

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

-

ter bescherming van flora of fauna;

-

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

•

het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)

•

het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)

•

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is:

-

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

Pagina | 22

AM20583

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan Pagina | 23

AM20583

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

ten behoeve van het algemeen belang.

Pagina | 24

AM20583

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art. 3.5 lid 1

Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te

vogels opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of

doden of te vangen

te vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

of rustplaatsen van dieren te beschadigen

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

of te vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de

onder zich te hebben

natuur opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te

Het is verboden dieren opzettelijk te

storen, tenzij de storing niet van

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Pagina | 25

AM20583

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=abbe5af4-4db3-42f2-a959-efb877734c8b