CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Verslag interview beleidsmedewerkers Duisenberg methode 14 januari 2020

Informatiebijeenkomst 28 januari 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Terugkoppeling werkgroep Duisenberg methode, taakveld Jeugd2.138 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vragen en instructie interviews in het kader van het onderzoek naar het Jeugdbeleid volgens de methode Duisenberg Interview met: Beleidsmedewerkers: Peter van Batenburg en Levien Timmers Datum: 14 januari 2020

Locatie: Raadhuis, Roosendaal

Gespreksleider: Elsbeth van Straaten

Notulist: Robert Defilet

Raadsleden: Annette Gepkens, Gerard van Zalinge, Liliana Ardon, Jos Vrolijk, Peter Geleijns Vragen: Beleidsmedewerkers

1. Wat is de meerwaarde van regionale samenwerking? 2. Hoe wordt dit ervaren? 3. Wie is verantwoordelijk voor wat?

Mevrouw Van Straaten heet alle aanwezigen welkom en licht het proces toe. Alle aanwezigen stellen zichzelf voor. 1. Mevrouw van Straaten stelt de vraag wat de meerwaarde is van regionale samenwerking. De heer Van Batenburg licht toe een paar jaar vooruitlopend op de decentralisatie van de jeugdzorg al gestart is met pilot regionale samenwerking. Vanaf 2012 is de transitie voorbereid. Dit is georganiseerd vanuit de driehoek: gemeenten, zorgaanbieders en ouders en jeugd. Vanaf 1 januari 2015 is gebouwd aan een nieuw stelsel. Het is geen transitie, maar transformatie. Het oorspronkelijke idee was om van de regio West-Brabant 1 regio te maken. Richting de startdatum is besloten om de regio te splitsen. Van meet af aan is gewerkt aan een nieuw stelsel. Daarbij zijn de jeugdprofessionals de hoogste prioriteit en om de jeugdzorg te verlenen in huis; in tranches: van lichte zorg naar specialistische zorg. De jeugdzorg is complex. Een stuk gedwongen zorg, veiligheid in huis. Omdat het zo complex Is, is het belangrijk om de handen ineen te slaan. Als gemeente kun je dit niet alleen. Als regio hebben we 1 stelsel. Dit voorkomt versplintering en voorkomt onduidelijkheid aan aanbieders. Zonder samenwerking zou iedere gemeente dit voor zichzelf moeten regelen, dat is complexer en vaak ook duurder. De arrangementen zijn wel lokaal gebonden.

De zorgprofielen zijn teruggebracht naar arrangementen zodat dit op maat aangeboden kan worden. Op de vraag van mevrouw Van Straaten wordt aangegeven dat de arrangementensystematiek richt op resultaatfinanciering en is gericht op het te behalen doel. Het gaat dan om passende zorg. 1

Op de vraag van mevrouw Van Straaten wordt aangegeven dat de meerwaarde van deze werkwijze er niet op gericht is dat de processen korter zijn, maar vooral dat de zorg passend is. Het gaat erom dat ouders en kinderen ervaren dat het resultaat is behaald. Je kijkt kritisch naar het traject en je spreekt de zorgaanbieder hierop aan. Op de vraag van de heer Van Zalinge wordt aangegeven dat de doelen worden bepaald door ouders en jongeren en de jeugdprofessional. De aanbieder heeft hier geen invloed op om de kosten laag te houden. De heer Van Zalinge vraagt wat als de doelen veranderen gedurende het proces en daardoor het initiële doel niet bereikt wordt? Wordt dan wel de 100% vergoeding betaald? De heer Van Batenburg legt uit dat het gespreksmodel wordt gehanteerd. In dat gesprek moet duidelijk worden dat de aanbieder tot het maximale is gegaan. Als aangetoond kan worden dat het maximale is gehaald, dan wordt de vergoeding uitgekeerd. Op de vraag van mevrouw Van Straaten wordt aangegeven dat als het gaat om doelen die niet gehaald zijn dat dit rond de 2% zal zijn. Over de vraag van de heer Van Zalinge wordt toegelicht dat er zit geen lengte aan een proces is gekoppeld en dat het gaat om het resultaat. De kosten per arrangement liggen vast. Voor zowel laagcomplexe als hoogcomplexe zorg. De lengte is niet bepalend, maar de aard van de problematiek.

De diagnose wordt niet altijd alleen bepaald door dezelfde jeugdprofessional, maar ook door de aanbieder. 2. Mevrouw Gepkens vraagt over de werkwijze. De werkwijze is de hele regio hetzelfde. Ervaart iedereen hetzelfde ook? De heer Van Batenburg legt uit dat Spring de werkgever is van de jeugdprofessionals. Het stelsel is in de heel de regio hetzelfde. De zorgprofielen en tarieven zijn in heel de regio hetzelfde, er is wel sprake van couleur locale. Dit blijkt in de toegang. De aard van de gemeente is bepalend voor de wijze waarop de toegang tot zorg georganiseerd wordt. Deze verschillende aanpakken is ook lerend voor elkaar. Als samenwerkende gemeenten heb je veel meer slagkracht, naar aanbieders en ook naar andere regio’s. De heer Vrolijk vraagt naar wat de dilemma’s op dit moment zijn. Het is van belang om te weten hoe je gemeente eruit ziet. Het heeft voordelen om een gezamenlijk stelsel te hebben, maar wel de mogelijkheid te hebben voor de karakteristieken van de gemeente. Dat lukt nog goed, maar is steeds een afweging. Je moet samenwerken, maar ook aandacht hebben voor lokale zorgverleners. Je moet kunnen schakelen en er rekening mee houden dat iedere gemeente anders is en complementair aan elkaar moet zijn. Dit vraagt alertheid. Mevrouw Van der Meer vraagt hoe de arrangementen tot stand komen.

De heer Van Batenburg geeft aan dat de arrangementen worden samengesteld met aanbieders. De inhoudelijke deskundigheid lag in het verleden vooral in het veld. Dat is nu min of meer rechtgetrokken. De zorgcatalogus wordt jaarlijks geactualiseerd samen met het veld, maar er wordt wel steeds naar gekeken. Er vinden zorgtafels plaats en individuele accountgesprekken. Op de vraag wie deze gesprekken voert, wordt door de heer Timmers aangegeven dat de samenstelling voor de accountgesprekken rouleert en dat andere gesprekken plaatsvinden door middel van afvaardiging. Je verdeelt de taken op basis van expertise. De heer Vrolijk vraagt of dat de zorgvraag verschillend is per gemeente? De heer Batenburg geeft aan dat de gemeentes niet veel van elkaar af afwijken. Er zijn geen grote verschillen, wel kleine verschillen, bijvoorbeeld meer of minder pleegzorg. 2

Mevrouw Gepkens vraagt of dat het ZI2T rapportages levert? Dat vindt regelmatig plaats. Dit wordt gerapporteerd in het grip dashboard. Vanuit daar kunnen eenvoudig afwijkingen geconstateerd worden. Het aantal jeugdigen bepaalt natuurlijk wel de inzet op zorg. De heer Van Zalinge vraagt of dat er meer vraag is naar zorg dan voor 2015. Hierop wordt aangegeven dat het aantal is toegenomen. De omvang van hoogcomplexe zorg is wel afgenomen. Dit past bij het ingezette beleid. Het totaal is toegenomen, maar de complexiteit is afgenomen. Je bereikt jongeren eerder en effectiever. Een trend is een toename van hoogsensitieve kinderen. Drukke kinderen hebben nu ADHD. Het pad van normaal gedrag is smaller geworden. Mevrouw Van der Meer vraagt om aanvullende informatie over het dashboard. De heer Van Batenburg licht toe dat het gaat om kwantitatieve informatie en een financiële vertaling. De kwaliteitsmonitor staat in de kinderschoenen, maar heeft als doel om de kwaliteit van zorg van alle deelnemende gemeentes te meten, ook in relatie tot eerdere gebruikers. Het is geen afrekenmethodiek. Vooraan in het traject kan gestuurd worden op vroegtijdig problemen gesignaleerd worden. In het dashboard wordt ook geregistreerd wie de doorverwijzer is. Daaruit kun je opmaken hoe dat per gemeente gebeurt en hoe de sturing en gesprekken plaatsvinden, via de huisarts of via de jeugdprofessional.

De heer Vrolijk vraagt of dat in het dashboard ook gezien kan worden hoe complex de zorgvragen zijn? De heer Van Batenburg geeft aan dat je daar als gemeente op kan sturen. De jeugdprofessional is in de lead om regie te voeren. Iedere complexe en samengestelde zorgvraag moet wel in een arrangement passen. Daar zijn zorgcombinaties voor ingericht. Daar kan op gestuurd worden en geldt voor de hele regio. Als 9 gemeentes heb je veel meer innovatiekracht, dat kan alleen als je samenwerkt. Mevrouw Van Straaten geeft aan of dat ook gebenchmarkt wordt ten opzichte van andere regio’s? wel gekeken naar www.waarstaatjegemeente.nl Daar wordt regionaal niet veel mee gedaan, maar dan alleen op gemeentelijk niveau. Er is wel een J42 overleg (42 jeugdzorgregio’s). Die komen eens per 2 weken bij elkaar. Daar wordt geregeld bij aangesloten. Ook andere gemeentes zijn op bezoek geweest, waaronder Amsterdam, Haaglanden. Als regio lopen we voorop. Mevrouw Van Straaten vraagt wat we kunnen leren van andere regio’s? De heer Van Batenburg geeft er altijd wel iets te leren is van elkaar en dat er wisselwerking plaatsvindt tussen regio’s. Dat zou wel meer handen en voeten kunnen krijgen. De heer Vrolijk beschouwt de werkwijze van de jeugdzorg, de wijze waarop afstemming en monitoring plaatsvindt. De vraag is of dat er nog een rol is weggelegd voor een gemeenteraad om op te sturen.

De heer Van Batenburg geeft aan dat dat zeker het geval is. Zeker over de documenten waar het echt over gaat. Denk aan de beleidskaders en visiedocumenten. De gemeenteraden hebben daarin een cruciale rol. Het is wel een uitdaging om goed de posities te behouden. De heer Timmers vult aan dat de rol van de raad ten opzichte van de jeugdzorg bestaat uit twee componenten: a. de gemeenteraad is opdrachtgever. B. de raden hebben ook de rol van volksvertegenwoordiger en vertegenwoordigen ouders. Het vraagt veel expertise, maar het ultieme opdrachtgeverschap ligt bij de volksvertegenwoordiging en is heel bepalend voor wat er kan. De gemeenteraad bepaalt bovendien hoeveel middelen beschikbaar worden gesteld. Over de opmerking van de heer Vrolijk geeft de heer Timmers aan dat er veel debat plaatsvindt in de gemeenteraden over de jeugdzorg. Het systeem is niet feilloos. Op het moment dat een proces niet goed loopt heb je als raad echt wel iets met elkaar te 3

bespreken. Omdat het model goed werkt, soepel loopt, kom je met andere vragen in de raad. Dat neemt niet weg dat de functie minder is. Mevrouw Van der Meer vraagt of dat voor de gemeenteraad het budget voldoende transparant is? De heer Van Batenburg geeft aan dat hij geen zicht heeft op verantwoording in alle gemeentes. Iedere gemeente kiest eigen werkwijze. In de gemeente Etten-Leur is ervoor gekozen voor informele gespreksmomenten. Dat werkt heel goed, maar dat is per gemeente verschillend. In deze overleggen worden de budgetten ook nadrukkelijk besproken. Het is niet zaligmakend, maar deze werkvorm past bij de gemeente. Gesprek over de budgetten vindt plaats aan de hand van de P&C documenten. De gesprekken gaan vooral over inhoud. 3. Mevrouw Van Straaten vraagt over het kostenbewustzijn van de zorg. In de arrangementen is de kostprijs bepaald. Dit is transparant. Daarmee creëer je bewustzijn. Het arrangement is passend bij de zorgvraag. Eerst vindt er overeenstemming plaats over wat er moet gebeuren en dan over de financiën. De heer Vrolijk vraagt of dat de huidige financieringsvorm gecontinueerd wordt? De heer Van Batenburg geeft aan dat de vorm gecontinueerd blijft en daar is men over te spreken. Er zijn ook zorgvormen waarbij uitgegaan wordt van tranches. De werkwijze zet het bepalen van het resultaat centraal. Mevrouw Van Straaten vraagt om toelichting over registratie.

Alles in de juiste balans. Er is een administratieprotocol om de bureaucratie te beperken. Alleen wat echt nodig is. Je bent steeds kritisch over wat belangrijk is om te vermelden. En steeds in overleg wat steeds efficiënter kan. Er wordt dit jaar nog een poging gedaan om de administratieregels nog meer los te laten. Het zijn soms conflicterende bewegingen. Enerzijds sturen en anderzijds ruimte laten. De heer Zalinge gaat in op de problematiek rondom doorverwijzing. Dit is vaak erg complex. Aangegeven wordt dat er gekeken moet worden of dat je dezelfde vraag kan doorgeleiden, waarbij zorg is voor privacy. Creatief binnen de kaders van de AVG. De heer Vrolijk vraagt hoe open de markt is. Als morgen een ander aanbieder zich aanbiedt, dan kan deze meedoen, mits voldaan wordt aan de kwaliteitseisen. Beoordeling vindt plaats door het ZI2T. Gemeentes hebben hierin geen rol. De heer Vrolijk vraagt over zorgcontinuïteit en of dat er ook wordt gekeken of dat het financiële gezonde organisaties zijn. De heer Van Batenburg geeft aan dat vooral de grote organisaties het nu zwaar hebben, met name vanwege veel vastgoed. Verblijfszorg wordt steeds minder. Grote organisaties hebben moeite om op tijd bij te sturen. Tijdig sturen is lastig. Er vinden tussentijds accountgesprekken plaats. Er vindt voortdurend overleg plaats, maar dit soort facetten komen wel terug.

In de regio West zijn meer dan 150 aanbieders gecontracteerd, dus er is wat te kiezen, ook als een aanbieder omvalt. Mevrouw Van Straaten vraagt of dat er ook nadelen zijn of dat er allemaal kleine organisaties zijn. En hoe beoordeel je kwaliteit van zoveel partners? De heer Timmers geeft aan dat je veel partners naast elkaar hebt. De beleving van de cliënt staat centraal, dan maakt het aantal aanbieders niet uit. Ontevreden ouders speelt mee als dit een kleine aanbieder raakt. Dat zijn relatieve nadelen. Innovatiekracht haal je hiermee terug. De heer Zalinge vraagt naar hoe residentiële zorg voort kan bestaan. De heer Timmers geeft aan dat dit kan door samenwerking van meerdere partners. Een zorgaanbieder met vastgoed in eigendom is niet de meest ideale samenwerkingpartner. Het gaat bij deze 4

instellingen ook niet alleen om de inkomsten vanuit de zorg, maar ook vanuit andere zorgcomponenten. Hier is eigenlijk geen vraag naar.Het is de kunst ook voor aanbieders om te zien wat de markt doet. Als verblijfszorg afneemt, dan moet je daarop anticiperen.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=7c4dae84-c072-46a7-b28a-329be35eb529