CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 TOELICHTING BP Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel

Raadsvergadering 18 april 2024, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel32.016 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Variant 1:  450 woningen Markvelden Noord, ontsluiting oostelijke randweg;  225 woningen Zwaneveld ontsluiting Hazeldonkse Zandweg;  225 woningen Zwaneveld ontsluiting rotonde Oostrand. b. Variant 2:  450 woningen Markvelden Noord, ontsluiting oostelijke randweg;

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

55

c.

 450 woningen Zwaneveld ontsluiting rotonde Oostrand; Variant 3:  450 woningen Markvelden Noord, ontsluiting oostelijke randweg.

Figuur 4.1. Schematische weergave nieuwe oostelijke randweg en ontsluiting nieuwbouwwoningen Zevenbergen oost (bron: Goudappel) De planvarianten hebben op hoofdlijnen de volgende effecten op de verkeersintensiteiten in Zevenbergen (zie ook figuren 4.2. en 4.3): 1. De woningbouwontwikkeling aan de oost- en zuidrand van Zevenbergen leiden vooral op de randwegenstructuur en de Hazeldonkse Zandweg (N389) buiten de bebouwde kom tot verkeerstoenames. Op het interne verkeersnetwerk van Zevenbergen zijn slechts beperkte verkeerstoenames zichtbaar. 2. De verwachte verkeersintensiteit op de nieuwe oostelijke randweg is circa 7.500 motorvoertuigen per etmaal. Door de nieuwe oostelijke randweg nemen de intensiteiten op de Stationslaan / Pastoor van Kessellaan af met ongeveer 3.000 motorvoertuigen per etmaal. Vermoedelijk gaat het hier om (semi-)doorgaand verkeer, wat de nieuwe oostelijke randweg als alternatief gaat gebruiken voor de route door het centrum. Ook op de Kristallaan en Kuringen nemen de verkeersintensiteiten flink af ten gevolge van de oostelijke Randweg. Het gaat hier alleen om de verkeersgeneratie van licht verkeer. Daar komt nog bij de verkeergeneratie van middelzwaar verkeer (zoals busjes) en zwaar verkeer (zoals verhuis- en vuilniswagens). Doorgaans is dit een paar procent van de totale verkeersgeneratie. 3.

De verschillen in verkeersintensiteiten tussen planvariant 1 en planvariant 2 zijn marginaal. Het belangrijkste verschil in verkeersintensiteiten is dat variant 2 een marginaal lagere belasting op de Stationslaan / Pastoor van Kessellaan geeft en een marginaal hogere belasting op De Langeweg dan planvariant 1 en 3.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

56

Figuur 4.2. Verschil verkeersintensiteiten (mvt/etm) tussen planvariant 3 en autonome referentiesituatie 2030 In de kern Zevenbergen zijn diverse locaties waar een afname van het aantal gemotoriseerde verkeerbewegingen gewenst is. Op deze locaties wordt in de huidige situatie in meer of mindere mate overlast ervaren van gemotoriseerd verkeer, zoals geluidoverlast of dat op een wegvak veel gemotoriseerd verkeer rijdt waarbij tevens veel schoolgaande fietsers gebruik maken van het wegvak. Er zijn knelpunten in de verkeersveiligheid geconstateerd op de Stationslaan, Pastoor van Kessellaan, Sint Jorisstraat, Hazeldonkse Zandweg en De Langeweg. Deze knelpunten doen zich zowel voor in de autonome referentiesituatie 2030 als in de planvarianten, hoewel de planvarianten wel tot een aanzienlijke verbetering leiden op de Stationslaan, Pastoor van Kessellaan, Sint Jorisstraat en Hazeldonkse Zandweg. In de rapportage worden flankerende verkeersmaatregelen geadviseerd om de verkeersintensiteiten op deze wegen nog verder naar beneden te brengen. De ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename in en vanuit zuidelijke richting (N389), van 600 mvt per etmaal. Van deze 600 mvt per etmaal gaan er 400 van en naar Prinsenbeek en 200 van en naar Etten-Leur.

De gemeente Moerdijk beseft dat er een gemeente overstijgend mobiliteitsvraagstuk ligt in de driehoek Etten-Leur-Breda-Zevenbergen dat de gemeenten met elkaar moeten gaan oplossen. Dit is ook onderkend in de gemeentelijke Omgevingsvisie en daaruit vloeide het opnemen van het vervolmaken van knooppunt Zonzeel op de Omgevingsvisiekaart voort. De gemeente Moerdijk blijft in gesprek met de buurgemeenten om gezamenlijk naar dit mobiliteitsvraagstuk te kijken. Verkeersontsluiting langzaam verkeer In paragraaf 2.2. is ingegaan op de routes voor langzaam verkeer. Daaruit blijkt dat tussen het station en het centrum een korte route wordt aangelegd via het bedrijventerrein De Hil. Hiervoor wordt over het water Zwanengat een brug gelegd, wordt een doorgang over het bedrijventerrein gemaakt en wordt een tunnel onder het spoor gebouwd. Dit wordt meegenomen in de transformatie van bedrijventerrein De Hil. De korte afstand tot het station en het centrum is de grote kracht van deze locatie. Om de bereikbaarheid van Zevenbergen Oost en het centrum te optimaliseren en de rondwegstructuur om Zevenbergen te sluiten, is de ontwikkeling van twee ongelijkvloerse spoorkruisingen onderzocht, namelijk:

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

57

Een nieuwe spoorwegonderdoorgang voor autoverkeer en langzaam verkeer in het verlengde van de Zuidrand (wijkontsluitingsweg in de aangrenzende wijk Bosselaar Zuid). Hiermee ontstaat een verbinding tussen de Zuidrand en de Hazeldonkse Zandweg/N389.  Een extra ongelijkvloerse spoorpassage in het stationsgebied voor langzaam verkeer (fietsers en voetgangers). In de fietsmonitor, bijgevoegd in bijlage 6, worden de uitgangspunten en methode voor het bepalen van de fietsintensiteiten in en om Zevenbergen stapsgewijs beschreven. Uitgangspunten en methode De ruimtelijke indeling is bepaald op basis van de indeling 'wijken en buurten' van het CBS. De geplande ontwikkeling Markvelden-Noord van 450 woningen vindt plaats in zone 259 (zie figuur 4.3). Er is in de berekeningen uitgegaan van twee inwoners per woning.

Figuur 4.3. Zonering ontwikkelingen (bron: fietsmontior) De netwerksituatie zal wijzigen door de woningbouwontwikkeling. Hieronder is in figuren 4.4 en 4.5 een schematische weergave te zien van de tijdelijke en toekomstige situatie.

Figuur 4.4. Tijdelijke situatie

Figuur 4.5. Toekomstige situatie

Na de toekomstige netwerkvarianten zijn de huigide fietsintensiteiten bepaald, deze zijn weergegeven in tabel 4.2. De weegfactor representeert de betrouwbaarheid van een telling en is in deze analyse bepaald op basis van het jaar van de telling. Hoe ouder de telling, hoe lager de weegfactor.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

58

Tabel 4.2 Fietstellingen Zevenbergen

De Herkomst-Bestemmingsrelaties zijn bepaald aan de hand van landelijk enquêteonderzoeken en omgezet naar een HB-matrix voor deze locatie (zie figuur 4.6). Vervolgens is de HB-matrix berekend voor de tijdelijke en toekomstige situatie (zie figuur 4.7 en 4.8). Resultaten De berekende intensiteiten zijn afgerond op honderdtallen en weergegeven voor de verschillende situaties weergegeven in de figuren 4.6 t/m 4.8.

Figuur 4.6. Huidige fietsintensiteiten (bron: fietsmonitor)

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

59

Figuur 4.7. Fietsintensiteiten tijdelijke situatie (bron: fietsmonitor)

Figuur 4.8. Fietsintensiteiten toekomstige situatie (bron: fietsmonitor) In tabel 4.3 zijn de resultaten uit de kaarten hierboven weergegeven. De huidige, tijdelijke en toekomstige situatie is weergegeven.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

60

Tabel 4.3 Resultaten fietsintensiteiten op doorsnede (bron: fietsmonitor)

Verkeersontsluiting openbaar/collectief vervoer Het plangebied ligt hemelsbreed op minder dan 800 meter vanaf het treinstation Zevenbergen. Als rekening wordt gehouden met een omloopfactor voor korte afstanden (maximaal 1,33 1 ) dan is de maximale loopafstand tot het station circa 1.000 meter ofwel maximaal 12 minuten lopen. Een dergelijke afstand tot een treinstation is acceptabel. Vanaf het treinstation vertrekken ook busdiensten richting Prinsenbeek, Breda en Fijnaart. Daarnaast rijden over de Hazeldonkse Zandweg/N389 twee buslijnen, namelijk 119 en 219. Halteplaatsen liggen vrijwel recht in het verlengde van de Afgebrande Hoef. Vrijwel geheel Markvelden Noord ligt hemelsbreed gemeten binnen een afstand van 500 meter. Een straal van 600 meter als invloedsgebied voor bushaltes is gebruikelijk. Daarmee is het plangebied voldoende bereikbaar met openbaar vervoer. 4.2.3 Conclusies  Bij de nadere planuitwerking wordt per omgevingsvergunning bekeken hoeveel parkeerplaatsen nodig zijn en dienen deze te worden gerealiseerd. In het bestemmingsplan is een regeling opgenomen, waaraan dient te worden getoetst.  De woningbouwontwikkeling aan de oost- en zuidrand van Zevenbergen leiden vooral op de randwegenstructuur en de Hazeldonkse Zandweg (N389) buiten de bebouwde kom tot verkeerstoenames.

Op het interne verkeersnetwerk van Zevenbergen zijn slechts beperkte verkeerstoenames zichtbaar.  Door de komst van de randweg en de nieuwe verkeersstructuur wordt het wegvak richting het centrum ontlast.  Zowel in de autonome referentiesituatie 2030 als in de planvarianten voor het kruisen van de spoorlijn doen zich knelpunten, hoewel de planvarianten wel tot een aanzienlijke verbetering leiden op verschillende wegen. Flankerende verkeersmaatregelen zijn gewenst om de verkeersintensiteiten op deze wegen nog verder naar beneden te brengen.  Over het water Zwanengat wordt een brug voor langzaam verkeer gelegd, wordt een doorgang over het bedrijventerrein gemaakt en wordt een tunnel onder het spoor gebouwd. Dit wordt meegenomen in de transformatie van bedrijventerrein De Hil. De korte afstand tot het station en het centrum is de grote kracht van deze locatie.  Het plangebied is voldoende bereikbaar met openbaar vervoer.

4.3

Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Cultuurhistorie Wettelijk kader In het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. In het gemeentelijk beleid wordt ingezet op het behouden en beschermen van bestaande kwaliteiten en waarden. Toetsing Om te kunnen beoordelen of er in het plangebied en directe omgeving daarvan cultuurhistorische waarden zijn, kan gebruik worden gemaakt van de gemeentelijke Cultuurhistoriekaart Moerdijk (van 24 mei 2013). Een fragment van deze kaart met daarop aangegeven het plangebied, is opgenomen in figuur 4.9.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

61

Op deze kaart is de:  Hazeldonkse Zandweg aangeduid als oude hoofdroute (historisch geografie - lijnelement: paarse stippellijn). Hiervoor geldt als beleidsadvies: opstellen voorwaarden gericht op het benutten van wegpatronen als basis bij ruimtelijk ontwikkelingen.  Groote Spiepolder aangeduid als inundatiegebied Zuider Frontier (lichtblauwe horizontale arcering). Hiervoor geldt geen beleidsadvies. Voor het overige zijn in het plangebied en directe omgeving daarvan geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig waarmee in dit bestemmingsplan rekening moet worden gehouden.

Figuur 4.9. Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart met daarop met een blauwe lijn aangeduid het plangebied Conclusie De Hazeldonkse Zandweg is een oude hoofdroute en daarom cultuurhistorisch van betekenis. In het structuurontwerp wordt het tracé van deze weg gehandhaafd. De aanleg en van de rotondes en de reconstructie van het wegvak daartussen tasten het tracé niet aan.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

62

4.3.2 Archeologie Wettelijk kader Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Besluit omgevingsrecht Op grond van de Wro en de Wabo zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld. In het Bor is bepaald, dat voor vergunningsvrije bouwwerken tot 50 m 2 geen beperkingen ten aanzien archeologie gelden. Beleid gemeente Moerdijk De gemeente Moerdijk heeft een eigen archeologische verwachtingskaart voor vindplaatsen uit alle perioden en een 'Archeologische beleidskaart' laten opstellen, gekoppeld aan een archeologisch onderzoeksregime in de vorm van voorbeelden van bestemmingsplanregels. In toekomstige bestemmingsplannen kunnen de resultaten uit de advies archeologische beleidskaart met de bijbehorende geadviseerde voorschriften worden opgenomen.

Hiermee kan elke aanvrager van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning vooraf inzicht verkrijgen in de op een perceel rustende archeologische onderzoeksplicht. De archeologische waarden- en verwachtingenkaart biedt bovendien een goede kapstok om de kennis over de rijke geschiedenis van de gemeente bij een breed publiek onder de aandacht te brengen. Toetsing Op de archeologische verwachtingskaart is het plangebied aangeduid als 'polder ouder dan 1550 met kans op sporen van zowel middeleeuwse veenontginning als uit de inpolderingsperiode (zie figuur 4.10).

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

63

Figuur 4.10. Uitsnede Archeologische verwachtingskaart met daarop aangeduid het plangebied

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

64

Voor het maken van de archeologische advieskaart zijn alle op de archeologische verwachtingskaart onderscheiden waarden en verwachtingen in een beperkt aantal beleidscategorieën ondergebracht. Aan elke beleidscategorie is vervolgens op de beleidskaart een eigen kleur toegekend (zie figuur 4.11). Aan de hand daarvan kan worden bepaald wanneer archeologische onderzoek nodig is (vrijstellingsgrenzen). Om te bepalen welke vorm van onderzoek geschikt is, kan vervolgens worden terugvallen op de verwachtingskaart (of de daaraan ten grondslag liggende deelkaarten). De vrijstellingsgrenzen zijn afgestemd op de aard, omvang en diepteligging van het verwachte type vindplaats en op het reeds geldende beleid in de vier gemeenten en buurgemeenten met vergelijkbare archeologie. De hoogste waarde (1) betreft beschermde Rijksmonumenten, maar die komen in de gemeenten niet voor. Het gehele plangebied heeft op de beleidskaart de beleidscategorie 5b. Waarde 5 is toegekend aan gebieden waar geen bewoningssporen te verwachten zijn, maar sporen die gerelateerd zijn aan andere vormen van gebruik, zoals (agrarische) ontginning, grondstofwinning, inpoldering en sporen gerelateerd specifiek aan de natte context (rituele activiteiten, scheepvaart, turfwinning, etc.).

Uit het onderzoek ten behoeve van de actualisatie is gebleken dat sporen van ontginning en economische activiteiten in het gebied veelvuldig voorkomen. Ze geven vorm aan het verhaal van het (herhaaldelijk) verdrinken en weer ontginnen van het gebied en zijn daarom ook van archeologische waarde. Tegelijkertijd onderscheiden deze archeologische resten zich van de bewoningssporen, doordat ze voorkomen in veel lagere dichtheden. Daardoor laten ze zich bovendien slecht middels traditionele vormen van onderzoek opsporen. Voor categorie 5 kan daarom enerzijds een ruimere vrijstellingsgrens worden gehanteerd en anderzijds kunnen extensievere (dus lichtere) vormen van onderzoek worden toegepast. Als beleidslijn geldt daarom alleen bij grootschalige of M.E.R.-plichtige ontwikkelingen/bodemingrepen te starten met een bureauonderzoek, waarin de impact van ruimtelijke ingrepen op de verwachte archeologie wordt ingeschat en op basis daarvan wordt bekeken waar binnen de projectontwikkeling de mogelijkheden liggen om archeologische waarnemingen te doen. Dit is maatwerk. Subcategorie 5b is onderscheiden voor zones waar sprake is van een meer dan 1 meter dikke ophoging. Aan de onderscheiden waarden en daaraan gekoppelde beleidslijn, is in de laatste kolom van tabel 4.4 een advies voor vrijstellingsgrenzen gegeven.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan vrijgesteld worden van archeologisch onderzoek, wanneer deze in omvang èn verstoringsdiepte onder deze grenzen blijft.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

65

Figuur 4.11. Uitsnede Archeologische beleidskaart met daarop aangeduid het plangebied Tabel 4.4. Beleidscategorisering en advies ten aanzien beleidslijn en vrijstellingsgrenzen.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

66

Voor de ontwikkeling van Markvelden Noord worden de vermelde oppervlakten en diepten ruimschoots overschreden. Dat betekent dat archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd als in het gebied wordt gegraven of gebouwd.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

67

4.3.3 Conclusie In lijn met de archeologische verwachtingskaarten voor de diverse perioden en de beleidskaart archeologie wordt in het bestemmingsplan voor het gehele plangebied een regeling opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. Gekozen is voor een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5a waarin voor grondroerende werkzaamheden die archeologisch onderzoek verplicht stelt als die een groter oppervlak bestrijken dan 10.000 m² en als die dieper gaan dan 40 cm onder maaiveld. Omdat in voorliggend bestemmingsplan een archeologische bestemming is opgenomen, wordt archeologie verder beoordeeld in het kader van aanvragen om omgevingsvergunning.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Beleids-/toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan, onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de beoogde nieuwe functie. Op grond van het Besluit Bodemkwaliteit geldt de verplichting om een bodemfunctieklassenkaart op te stellen. De gemeente Moerdijk heeft samen met andere gemeenten in de regio Midden- en West Brabant een Nota bodembeheer, inclusief actualisatie van de bodemfunctieklassenkaart laten opstellen. Bij het uitvoeren van een bodemsanering dient de bodemkwaliteit geschikt te zijn of geschikt te worden gemaakt voor de beoogde functie. Indien dat dat niet mogelijk is dienen maatregelen te worden genomen waarbij de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier heeft, voorkomt. Wanneer grond toegepast wordt binnen het gebied zal deze de kwaliteit 'wonen' of schoner moeten hebben. Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst.

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. 4.4.2 Onderzoek Bodemkwaliteitskaart (BKK) Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat de onderzoekslocatie gelegen is in een gebied waarvan zowel de onverdachte boven- als ondergrond gemiddeld voldoet aan de kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Bodemfunctieklassekaart Op de bodemfunctieklassenkaart heeft het plangebied de functie 'landbouw'.

Figuur 4.12. Uitsnede bodemfunctieklassekaart (bron: webviewer Antea Group) Uit de ontgravingskaart tot een halve meter beneden maaiveld blijkt dat het gehalte aan verontreinigende stoffen overeenkomt met wat van nature in de bodem aanwezig is (ofwel de referentiewaarde).

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

68

Figuur 4.13. Uitsnede ontgravingskaart (bron: webviewer Antea Group) Er is in het verleden gedempt en gegraven. Het uitvoeren van vooronderzoek is daarom nodig. De opzet van het uit te voeren bodemonderzoek dient te worden bepaald aan de hand van de uiteindelijke invulling van het plangebied. Daarnaast kan er worden geconcludeerd dat er in een deel van het plangebied asbest is aangetroffen in de bodem. Afhankelijk van de uitkomsten van het vooronderzoek kan een aanvullend onderzoek nodig zijn. Resultaten Milieuhygiënisch vooronderzoek Zevenbergen Oost Het vooronderzoek, waarover hiervoor is geschreven, is in april en mei 2022 uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 7. Doel van het onderzoek was het in beeld brengen van de (voormalige) bodembelastende activiteiten binnen het ontwikkelingsgebied Zevenbergen Oost. Het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 4.14 en heeft een oppervlakte van ongeveer 150 hectare.

Figuur 4.14. Onderzoeksgebied (bron: Milieuhygiënisch vooronderzoek )

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

69

In de rapportage is geconstateerd dat de locatie door de jaren heen weinig is veranderd. Vanaf de oudst beschikbare kaart (1850) tot de meest recent beschikbare kaart (2021) is de locatie in gebruik geweest als weiland/landbouwgrond. Uit het vooronderzoek is gebleken dat in het deelgebied Markvelden verschillende bodemonderzoeken zijn uitgevoerd, beschikkingen zijn afgegeven, tanks hebben gestaan en overige bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. De locaties waarop dit alles betrekking heeft, zijn aangeduid in figuur 4.15. Het onderzoek heeft zich gericht op de onbebouwde terreindelen. De woningen/aanwezige agrarische bedrijven zijn buiten het onderzoek gehouden.

Figuur 4.15. Overzicht locaties historisch onderzoek (bron: Milieuhygiënisch vooronderzoek ) Op de locaties wordt hierna ingegaan:  locatie 1: Voor een gepland glasvezelnetwerk binnen de gemeente Moerdijk is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd. Een klein deel van het tracé loopt binnen het onderzoeksgebied. De hierin aangegeven potentieel verdachte locaties zijn ook verderop in onderhavig rapport opgenomen.  locatie 4 (Hazeldonkse Zandweg 32): Op de locatie staat een timmerfabriek geregistreerd. Er staan geen onderzoeken geregistreerd op de locatie.  locatie 5 (Hazeldonkse Zandweg 34 en 36): Op de locatie is een hoogspanningskabel (oliedrukkabel) geregistreerd. In 2008 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op de locatie hebben tot dat jaar een woonhuis en een schuur gestaan. Het overige deel was in gebruik als akkerland. In het rapport is aangegeven dat er zintuiglijk een mestgeur is waargenomen. Daarnaast zijn enkele puin- en koolresten aangetroffen. In de grondmonsters zijn licht verhoogde gehalten aan lood, zink, minerale olie, PAK en EOX aangetoond.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

70

Locatie 6 (Hazeldonkse Zandweg (ong.) (landbouw)): Op de locatie staat een stortplaats huishoudelijk afval op land geregistreerd. Op de stortplaatsenkaart van Noord-Brabant is hier echter geen stortplaats aangeduid. Voor de locatie zijn twee onderzoeken geregistreerd. Tijdens de veldwerkzaamheden die voor de een van de onderzoeken zijn uitgevoerd, is binnen een diepte van 0,5 tot plaatselijk 2,0 m -mv. een stortlaag aangetroffen. De stortlaag bestaat o.a. uit potten, pannen, stenen, puin, plastic, glas, tegel, doek, touw, elastiek, rubber, staal, koperdraad, loden pijp, bot, koolas, een vat koolteer en asbestverdacht plaatmateriaal. In de stortlaag zijn sterk verhoogde gehalten aan PAK en zware metalen en matig verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. Het asbestverdachte plaatmateriaal is geanalyseerd en blijkt asbesthoudend te zijn. De stortlaag en sterke verontreiniging met PAK en zware metalen zijn met de onderzoeken volledig in beeld gebracht. Er heeft echter geen volledig asbestonderzoek plaatsgevonden. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan chroom aangetoond. Het grondwater stroomt globaal in noordelijke richting. Er zijn geen saneringen van de locatie bekend. De locatie wordt beschouwd als verdacht op PFAS.

Locatie 7 (NS-emplacement Zevenbergen): Deze locatie heeft betrekking op een zone langs het spoor aan de westelijke kant van de onderzoekslocatie. Op de locatie staan 12 verschillende onderzoeken geregistreerd die uitgevoerd zijn tussen 1989 en 2005. Hiervan zijn 7 niet relevant voor de onderzoekslocatie en 2 waren niet beschikbaar. In een onderzoek kwamen voor de onderzoekslocatie geen relevante verdachtmakingen uit. In een ander onderzoek zijn boringen verricht op circa 5 meter ten westen van de onderzoekslocatie. Er zijn geen verhoogde gehalten aan de onderzochte stoffen aangetoond. Het grondwater is ter plaatse van deze boringen niet onderzocht. Het grondwater dat wel onderzocht is, bevatte in de meest relevante peilbuizen hooguit licht verhoogde concentraties aan chroom, arseen, BTEXN en VOCl. Verderop (circa 200 meter ten noorden) is een matig verhoogde concentratie aan arseen aangetroffen in het grondwater. De verontreiniging die het dichtst bij de onderzoekslocatie ligt op circa 60 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Uit nader onderzoek blijkt dat de gemeten concentraties aan zware metalen gerelateerd zijn aan van nature verhoogde concentraties.

Tijdens de uitvoering van het historisch onderzoek zijn geen gegevens gevonden over de verbranding of stort van afval (anders dan op locatie 6), (her)gebruik van grond of andere bouwmaterialen, het (voormalige) gebruik van asbest, verkaveling, ontgrondingen, aanvullingen, afzetting van bodemvreemd materiaal of tegenstrijdigheden. Resultaten Verkennend bodemonderzoek In verband met de voorgenomen aankoop van de locatie door de gemeente Moerdijk is in opdracht van gemeente een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van twee locaties (zie figuur 4.16):  Een locatie met een oppervlakte van ongeveer 10 hectare , bestaande uit de volgende kadastrale percelen: Sectie N, nummers 53, 54 en 56;  Een locatie met een oppervlakte van ongeveer 7,1 hectare , bestaande uit de volgende kadastrale percelen: Sectie N, nummers 49 en 1708.

Figuur 4.16. Overzicht locaties verkennend bodemonderzoek (bron: Verkennend bodemonderzoek)

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

71

De rapportage van het onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de gedempte sloten zijn zintuiglijk geen sliblagen en/of afwijkende grondlagen aangetroffen. In de boven- en ondergrond van beide locaties zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan onder andere zware metalen en xylenen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentraties aan zware metalen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen. De verhogingen aan xylenen zijn zeer gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. In het rapport wordt gesteld dat de resultaten van het verrichte onderzoek geen belemmering dienen te vormen voor de voorgenomen aankoop en ontwikkeling van de locatie. Resultaten Verkennend (water)bodemonderzoek In opdracht van Synchroon BV heeft Infrasoil BV een verkennend (water)bodemonderzoek conform de NEN 5740 en de NEN 5720 uitgevoerd. Tevens is er een Asbestonderzoek conform NEN 5707 uitgevoerd De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 9 van de toelichting.

Het onderzoeksgebied is weergegeven in figuur 4.17 en bedraagt circa 12 ha.

Figuur 4.17. Locatieaanduiding verkennend (water)bodemonderzoek In het vooronderzoek is naar voren gekomen dat de locatie sinds 1850 in gebruik is als landbouwgrond. In het onderzoek is uitgegaan van de strategie grootschalig onverdacht overeenkomstig. Op de locatie zijn drie gedempte watergangen aanwezig. Bij de toegangsdammen zijn puinresten aangetroffen in de bodem. Hierdoor is er een asbestonderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen asbestgehalte is aangetoond wat aanleiding geeft voor een nader onderzoek. In de bovengrond wordt enkel op kadastraal perceel N-1436 licht verhoogde concentraties aan Lood en Drins aangetroffen. In de ondergrond worden hoogstens licht verhoogde concentraties aangetroffen voor Minerale olie, Kobalt en Molybdeen. In het grondwater wordt analytisch in peilbuis 04 een lichtverhoogde waarde aan Tolueen aangetroffen en in peilbuis 66 wordt een lichtverhoogde waarde aan Xylenen aangetroffen. In het slib van vak 1 van de watergang wordt een lichtverhoogde concentratie Minerale olie, Zink, Cadmium, Kwik en Lood geanalyseerd. In de vaste kleibodem daaronder wordt een lichtverhoogde waarde voor Minerale olie, Lood en PAK 10 VROM geanalyseerd. In het gedeelte van vak 1 waar een zandige vaste bodem aanwezig is wordt een licht verhoogde concentratie minerale

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

72

olie aangetroffen. In de bovengrond en in de slibmonsters zijn geen verhoogde PFAS-gehaltes gemeten. Ter plaatse van de stortlocatie op perceel N-1398 is omstreeks 2001 twee onderzoeken uitgevoerd naar de omvang en kwaliteit van het stortmateriaal. Tijdens het veldwerk zijn vergelijkbare bijmengingen aangetroffen in het zandige en kleiige materiaal als in de twee onderzoeken uit 2001. Ter plaatsen van de voormalige stort op kadastraal perceel N-1398 zijn raaien geplaatst. Op basis van visuele bijmenging zijn 7 deelmonsters geanalyseerd. Bij 5 deelmonsters, bijmenging puingranulaat en baksteen, wordt een interventiewaarde overschrijding geanalyseerd voor zware metalen en PAK 10 VROM. Op basis van de visuele waarneming en analyseresultaten wordt geschat dat de stort een volume heeft van 264 m³ sterk verontreinigd materiaal. 4.4.3 Conclusie De conclusie is dat ter plaatse van de stortplaats een asbestonderzoek dient te worden uitgevoerd conform NEN5707. Dit onderzoek dient tevens uitgevoerd te worden ter plaatse van perceelnummer 58 en indien de waarnemingen daar aanleiding toe geven, ter plaatse van perceelnummer 57. Ter plaatse van de stortplaats is in 2001 in een bodemonderzoek bodemverontreiniging aangetroffen. Dit onderzoek is gedateerd waardoor het geactualiseerd dient te worden. Tot slot zijn ter plaatse van alle dammen bodemvreemde bijmengingen waargenomen.

De grond ter plaatse is echter enkel onderzocht op asbest, en niet op parameters uit het standaard stoffenpakket voor grond. Daarom moet ter plaatse van de dammen de grond worden onderzocht conform de NEN5740.

4.5

Ontplofbare oorlogsresten

4.5.1 Beleids- en toetsingskader In de Tweede Wereldoorlog hebben vele gevechtshandelingen in de gemeente Moerdijk plaatsgevonden. In de meidagen van 1940 en de winter 1944 was hier een frontlinie. Om die reden is de gemeente een risicogemeente voor de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) uit de Tweede Wereldoorlog. Een deel van de hierbij gebruikte munitie is niet gedetoneerd en mogelijk in de bodem achtergebleven. In de afgelopen decennia zijn bij grondroerende werkzaamheden met enige regelmaat OO aangetroffen. De gemeente blijft nu en in de toekomst te maken houden met het onschadelijk maken van deze explosieven. Met het oog hierop heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk regels vastgesteld over hoe om te gaan met ontplofbare oorlogsresten. Dit beleid heeft als doel: 1. Inzicht geven in de processen en werkwijzen rondom het onderzoeken en aantreffen van ontplofbare oorlogsresten; 2. Inzicht geven in de beheersing van de (financiële) gevolgen voor het opsporen, benaderen en ruimen van ontplofbare oorlogsresten zowel voor gemeentelijke als niet gemeentelijke projecten. Bij het opsporen en ruimen van OO is de openbare orde en veiligheid het bepalende uitgangspunt.

Er kunnen op hoofdlijnen twee aanleidingen zijn voor het uitvoeren een vooronderzoek naar en vervolgens het zo nodig opsporen en ruimen van OO:  Spontane vondst van OO, bijvoorbeeld door een boer tijdens het bewerken van het land of tijdens het graven bij bouwwerkzaamheden;  Het vermoeden dat in een bepaald gebied OO in de (water)bodem zitten, meestal in combinatie met bijvoorbeeld bouwplannen in dat gebied. In dat geval wordt er altijd gestart met een vooronderzoek, zo nodig gevolgd door de opsporing en ruiming van OO. Het verrichten van vroegtijdig vooronderzoek is zowel van belang voor de veiligheid, maar ook om te voorkomen dat op een later moment grote vertraging in bijvoorbeeld bouwprojecten optreedt. Daarnaast is voor de borging van de kwaliteit/ veiligheid van het opsporen van conventionele explosieven (CE) het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Systeemcertificaat Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) van kracht. Dit certificatieschema maakt onderdeel uit van het stelsel van wettelijk verplichte certificatie conform het Arbobesluit en bevat de proceseisen voor vooronderzoek en opsporing van CE.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

73

4.5.2 Onderzoek Uit de bommenkaart van de Vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) blijkt dat er op dit moment geen dekkend beeld is van de gehele gemeente. In figuur 4.18 is een fragment van de VEO bommenkaart opgenomen van het plangebied en de directe omgeving. Daarop zijn de gebieden aangeduid waarvoor vooronderzoek is uitgevoerd.

Figuur 4.18. Uitsnede VEO Bommenkaart (bron: explosievenopsporing.nl) In 2022 is een Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten voor Zevenbergen Oost uitgevoerd. Het rapport daarvan is opgenomen in bijlage 10. Op basis daarvan is vastgesteld dat er indicaties zijn dat door oorlogshandelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog OO zijn achtergebleven in/op de (water)bodem binnen de grenzen van het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is (deels) verdacht op OO. Dit betekent dat er tijdens de uitvoering van de geplande bodemingrepen een risico is op het aantreffen van OO en een mogelijke ongecontroleerde werking hiervan. Het soort OO dat binnen de grenzen van het onderzoeksgebied aangetroffen kan worden betreft afwerpmunitie, geschutmunitie, kleinkalibermunitie, handgranaten, geweergranaten, munitie voor granaatwerpers en munitietoebehoren.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

74

Met de deze gegevens is er een horizontale en verticale afbakening vastgesteld die het risicogebied en de diepteligging van de mogelijke OO weergeeft. De grootst mogelijke aan te treffen OO is afwerpmunitie van 500 lb. Deze OO kan worden aangetroffen tot op een maximale diepte van 8,9 meter – mv ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Dit staat gelijk aan 9,2 meter -NAP. De resultaten van de inventarisatie, de beoordelingen en evaluatie hebben geresulteerd in de een Bodembelastingkaart. Deze kaart is opgenomen in figuur 4.19.

Figuur 4.19. Bodembelastingkaart OO van het onderzoeksgebied Zevenbergen Oost (bron: Bombs Away B.V.) Aangezien er tijdens de uitvoering van het vooronderzoek OO indicaties van oorlogshandelingen zijn aangetroffen en het onderzoeksgebied verdacht is, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de voorgenomen bodemingrepen in het onderzoeksgebied vervolgstappen te nemen in de vorm van detectiewerkzaamheden. Het detectieonderzoek is uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 11 van de toelichting. Onderstaand in figuur 4.20 is het onderzoeksgebied weergegeven met veldnamen (A t/m L). Het projectgebied is na het detectieonderzoek opgedeeld in een aantal deelgebieden:  A-gebied: gebieden waar geen significante objecten zijn waargenomen;  B-gebied: gebieden waar significante objecten zijn waargenomen die individueel van elkaar te onderscheiden zijn;  C-gebied: gebieden waar significante objecten niet individueel van elkaar te onderscheiden zijn. Dit wordt meestal veroorzaakt door puin of andere aanwezigheid van bodemvreemde materialen. Ook kan dit veroorzaakt worden door de invloedssfeer van ijzerhoudende bovengrondse obstakels op de detectiedata;  D-gebied: gebieden waar geen detectiedata van beschikbaar is doordat deze gebieden niet toegankelijk waren voor het detectievoertuig Het volgende kan geconcludeerd worden:  A en B gebieden bedraagt een totale oppervlakte van ca.

313.541 m2 wat 58,45 % van het totale onderzoeksgebied bedraagt;

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

75

  

Er zijn in totaal 2.695 stuks significante objecten in de B-gebieden waargenomen; Er is in totaal ca. 20.566 m2 C-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 3,83 % van het totale onderzoeksgebied bedraagt; Er is in totaal ca. 202.342 m2 D-gebied aanwezig binnen het onderzoeksgebied wat 37,72 % van het totale onderzoeksgebied bedraagt.

Het magnetisch veld van de trein heeft een negatieve invloed gehad op de detectiedata. Het grootste deel aan verstoord gebied bevindt zich aan de spoorzijde van het projectgebied.Rondom de woonwijk aan de Sint Josephstraat liggen veel verstoorde gebieden. Er wordt vermoed dat in de bovengrond rondom de bestaande woonwijk aan de Sint Josephstraat bodemvreemd materiaal aanwezig is in de vorm van puin. De percelen N61, N60, N53, N54, N143 en N142 zijn nog niet gedetecteerd.

Figuur 4.20. Situering detectieonderzoeksgebied met veldnamen (bron: detectieonderzoek) Geadviseerd wordt om bij grondroerende werkzaamheden rekening te houden met de mogelijkheid dat OO kunnen worden aangetroffen. Ter plaatse van waar de grond geroerd zal worden dienen de significante objecten benaderd, geïdentificeerd en verwijderd te worden. Geadviseerd wordt om minimaal 0,50 m veiligheidsmarge te hanteren onder de maximale roeringsdiepte. 4.5.3 Conclusie Op basis van beschikbare gegevens is er in het plangebied mogelijk kans om OO aan te treffen bij grondroerende werkzaamheden. Indien de eerder genoemde maatregelen tijdens grondroerende werkzaamheden nageleefd worden, is er geen sprake van een belemmerende factor voor de ontwikkeling.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

76

4.6

Water(toets)

4.6.1 Beleids- en toetsingskader Watertoets en waterbeheerders Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. In dit kader hebben waterschap en gemeente vooroverleg gevoerd, waaruit de volgende doelen, uitgangspunten en criteria voor dit plan zijn afgesproken. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Brabantse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Dit overleg heeft geresulteerd in het afsluiten van een intentieovereenkomst tussen het waterschap en de gemeente. Partijen hebben in deze overeenkomst hun rol en bijdrage aan de ontwikkeling van Zevenbergen Oost beschreven.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Provinciaal Waterplan;  Provinciale Structuurvisie;  Verordening Ruimte;  Omgevingsagenda West-Brabant 2021-2025 (februari 2020). De provincie heeft aandacht gevraagd voor het nieuwe principe 'water en bodem sturend'. Dat kan op locatiekeuze niet meer, wel bij de inrichting en de keuze van concrete maatregelen. Gemeente:  Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP, 3 augustus 2020), dat overigens (november 2023) wordt vervangen door Gemeentelijk Waterprogramma en het Focusdocument 'Samen naar een groene, klimaat robuuste leefomgeving in 2050' (vastgesteld november 2023);  Milieubeleidsplan. Voorkomen overlast door hemelwater De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt.

De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. Tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is, hoeft de gemeente het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. De zorgplichten voor hemelwater betreft nadrukkelijk een inspanningsverplichting. Periodiek terugkerende plaatselijke waterhinder wordt zoveel mogelijk tegengegaan door extra bergingsmogelijkheden in openbaar gebied aan te leggen. Hemelwater dat valt in openbaar gebied wordt verwerkt bij voorkeur door infiltratie of tijdelijke berging.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

77

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt een berging verlangd van 60 mm ten opzichte van het perceelsoppervlak. De afvoer vanuit de berging wordt beperkt (2 l/s//ha) en geloosd op het oppervlakte water. In het kader van de Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving is het startpunt vanuit regionale convenanten een bui met 70 mm in een uur met een verwachte herhalingstijd van 1x per 100 jaar in 2050. In de planopzet is voldoende ruimte om hieraan te voldoen. Zo kan in de groenzone langs de spoorlijn nog een aanzienlijk volume aan hemelwater worden geborgen. Rioleringsysteem/Zuiveringstechnisch werk/afvalwatertransportleidingen De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. Het afvalwater wordt in de basis (ingeval van projectmatig bouwen en herstructurering) afzonderlijk van regen- en grondwater ingezameld en afgevoerd naar een rioolwaterzuivering (RWZI). Regen- en grondwater worden geborgen voor hergebruik en infiltratie. Nieuwe rioleringssystemen worden ontworpen op een bui met een frequentie van voorkomen van eenmaal per 5 jaar. In deze situatie dient in minimaal 95% van de rioolputten de waakhoogte 0,25 meter te bedragen. Voor het overige percentage is water tot aan de perceelsgrens acceptabel (water op straat) zolang dit geen risico oplevert voor het optreden van ernstige wateroverlast of waterschade.

Voor nieuwe ontwikkelingen wordt uitgegaan van een vloerpeil van 0,3 meter boven de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld. Hierdoor wordt een hogere bescherming tegen wateroverlast in de openbare ruimte gecreëerd. Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde hergebruik, vasthouden/infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. 4.6.2 Watertoets De tekst hierna volgt de standaardopzet die door het waterschap is opgesteld voor alle ruimtelijke plannen of besluiten. Ten behoeve van dit bestemmingsplan worden nog een geohydrologisch en een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd. Dit zal in overleg met het waterschap worden opgepakt. Beschrijving huidige situatie 1. Verhard en onverhard oppervlak: Van het plangebied is alleen de Afgebrande Hoef, die wordt verbreed, momenteel voorzien van een asfaltverharding.

Het toekomstig woongebied is geheel onverhard. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 23 hectare.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

78

2. Bodemkundige gesteldheid (o.a. infiltratiecapaciteit): Uit het bodemonderzoek (zie bijlage 7) blijkt dat de grond in de noordoosthoek tot 1,0 meter -mv. voornamelijk bestaat uit klei en tussen 1,0 tot 2,0 m -mv. voornamelijk uit veen. Uit de provinciale databank blijkt dat de bovenlaag van het gebied bestaat uit zavel- en kleigronden waarin periodieke hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen. Ze hebben geen veen binnen 80 cm en geen donkere bovengrond. Het is de meest voorkomende bodemtype binnen het Nederlandse systeem van bodemclassificatie en omvat alle komgronden en vrijwel alle jonge zeekleigronden. Op een diepte beginnend vanaf 0,8 meter en doorgaand tot dieper dan 1,2 meter, bevindt zicht een onderlaag bestaande uit moerig materiaal. In het gebied treedt meestal kwel op, soms sterke kwel. Infiltratie is dus lastig te realiseren. 3. Oppervlaktewaterlichamen: langs en in het plangebied liggen waterlopen categorie A. Binnen de toekomstige woongebieden liggen ook enkele waterlopen categorie B. 2 In figuur 4.21 zijn de waterlopen weergegeven. De waterlopen liggen in het peilgebied Spiepolder. Op grond van het peilbesluit 'Gat van de Ham' van 12 september 2010 wordt in dit peilgebied een winterpeil gehanteerd van 1,9 meter -NAP en een zomerpeil van 1,5 meter -NAP.

Figuur 4.21. Waterlopen in en direct rond het plangebied (bron: Provincie Noord-Brabant) 4. Grondwater (zie figuur 4.22): het plangebied heeft overwegend grondwatertrap VI, dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 40-80 cm beneden het maaiveld (-mv) beweegt. De gemiddelde laagste grondwaterstand is meer dan 120 cm -mv. Delen van het plangebied hebben: a. grondwatertrap IV (vooral 'Cluster in buitengebied') wat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand meer dan 40 cm -mv ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand beweegt tussen de 80 cm en 120 cm -mv. b. grondwatertrap VII ofwel een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 80-140 cm -mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 120 cm -mv; Incidenteel grondwatertrap komt grondwatertrap IIIb voor. Hier staat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 25-40 cm -mv en de gemiddelde laagste grondwaterstand 80-120 cm mv. Uit figuur 4.23 blijkt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwatertrap varieert van 60 tot 100 cm -mv.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

79

Figuur 4.22. Grondwatertrappen in het plangebied (bron: Provincie Noord-Brabant )

Figuur 4.23. Gemiddeld Hoogste Grondwatertrappen in het plangebied (bron: Provincie Noord-Brabant ) Nagenoeg het gehele plangebied ligt enkele decimeters tot bijna 1 meter beneden Normaal Amsterdams Peil (NAP). De weg Afgebrande Hoef ligt ongeveer op NAP -0 meter.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

80

Figuur 4.24. Hoogteligging van het gebied (bron: Algemene Hoogtekaart Nederland)

5. Waterkeringen: die zijn in en langs de randen van het plangebied niet aanwezig. 6. Natuur: De KRW is een Europese richtlijn die voorschrijft dat de waterkwaliteit van de Europese wateren aan bepaalde eisen moet voldoen. De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt in de huidige situatie bepaald of beïnvloed door het landbouwkundig gebruik van de aangrenzende gronden. 7. Overige: Het plangebied is door de provincie gereserveerd voor (lokale) waterberging in geval van wateroverlast (door inundatie vanuit oppervlaktewater. In de interim omgevingsverordening zijn hieraan echter nog geen regels verbonden.

Figuur 4.25. Het plangebied is gereserveerd voor lokale waterberging (bron: Provincie NoordBrabant)

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

81

Beschrijving toekomstige situatie 1. Verhard en onverhard oppervlak: De waterbergingsopgave die het gevolg is van extra verharding door de aanleg van de randweg (Verlengde Zuidrand) en de Zuidrandtunnel wordt in overleg met het waterschap opgelost in de wegsloten en in extra berging in het gebied Markzoom (ten oosten/zuiden van de nieuwe weg). Over de waterbergingsopgave die verband houdt met de ontwikkeling van het nieuwe woongebied kan het volgende worden opgemerkt. Het zuidelijk deel van het woongebied Markvelden Noord (dat is bestemd tot 'Woongebied') heeft een oppervlakte van ongeveer 3,9 hectare. Het noordelijk deel (inclusief groene randen) ongeveer 9,7 hectare. Er is een indicatieve berekening van de benodigde waterberging gemaakt, waarbij ervan is uitgegaan dat de bouwvelden 1 tot en met 4 en 6 tot en met 9 (zie tabel 4.5) volledig worden verhard. Het toekomstige oppervlak aan verharding is dan als volgt (zie ook pagina 32 van bijlage 1): Tabel 4.5. Oppervlakteverharding in het woongebied Markvelden Noord

Op basis hiervan is de benodigde waterberging berekend op (83.369 m3 x 0,06 m=) 5.002 m3. In het stedenbouwkundig plan zijn op verschillende locaties wadi's voorzien (zie paragraaf 2.2). Ervan uitgaande dat deze 40 cm diep zijn en een talud hebben van 1:3 kan in die wadi's ongeveer 5.090 m3 aan water worden geborgen. De onderkant van de doorlaat van de voorziening wordt boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) geplaatst, omdat anders het grondwater wordt afgevoerd. Ook ligt de berging boven de GHG. In de principeprofielen voor de rand, de woonpaden en de centrale as is zodoende volop ruimte gereserveerd voor waterberging. De integratie met het beheer en ontwikkeling van de openbare ruimte inclusief het watersysteem en innovatieve bouwkundige voorzieningen zorgt voor een weerbaarder systeem in geval van hevige neerslag. In werkelijkheid zal minder waterberging nodig zijn dan hiervoor berekend. Veel tuinen zullen deels groen worden ingericht. Naast de al sluitende waterbergingsopgave (uitgaande van 0.06 m per m 2 verharding) worden bovendien de mogelijkheden onderzocht voor aanvullende waterberging door het inpassen van middel van hergebruik. Bewoners zullen worden gestimuleerd om voorzieningen voor de opvang van regenwater te realiseren, zoals regentonnen of waterkelders.

Ook zullen groene daken worden gerealiseerd, zoals is vastgelegd in de Visie op hoofdlijnen 2021 (zie paragraaf 2.1.4). Hiermee wordt voor in dit plandeel ruimte gecreëerd voor realisatie van de provinciale reservering voor lokale waterberging (zie figuur 4.26). Deze zal verder vooral een invulling krijgen in het plandeel Markzoom. Zie ook paragraaf 3.4: Water en Bodem Sturend.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

82

Fi guur 4.26. De bouwvelden (nummering) en de laagtes in het plangebied waarin hemelwater kan worden geborgen (bron: stedenbouwkundig plan ) De kans op wateroverlast wordt verder beperkt door klimaatrobuust te bouwen. Om de kans van wateroverlast in panden te beperken, wordt bij nieuwe ontwikkelingen, zoals de voorgenomen woningbouw in Zevenbergen Oost, een vloerpeil in het pand verlangd van 0,3 m boven de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld. Dit is in lijn met het huidige vGRP en ook het uitgangspunt in het Focusdocument 'Samen naar een groene, klimaat robuuste leefomgeving in 2050'. 2. Bodemkundige gesteldheid (o.a. infiltratiecapaciteit): Uit de beschrijving van de huidige situatie blijkt dat infiltratie in de basis niet succesvol zal zijn. Het uitgangspunt is dan ook inzetten op hergebruik, vervolgens bergen (en misschien infiltreert een deel van het geborgde water) en vertraagd afvoeren op het watersysteem. Het verhogen van het vloerpeil voorkomt ook overlast of schade door kwel. 3. Oppervlaktewaterlichamen: de waterlopen categorie A worden in het plangebied gehandhaafd. Langs de Afgebrande Hoef worden deze wel enigszins verschoven vanwege de aanleg van de randweg. Van de waterlopen categorie B. wordt alleen de meest noordelijke, langs het Zwanengat, in aangepaste vorm gehandhaafd.

In de basis verandert er in de afvoer van het water via de watergangen niets. Evenmin wijzigen de peilhoogten in het plangebied. 4. Grondwater: De grondwaterstand wordt mede bepaald door de drooglegging van een plangebied. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het zomerwaterpeil in de sloot ligt. De gewenste grondwaterstand (gedefinieerd als het verschil tussen maaiveld en de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG)) is afhankelijk van de aan de grond gegeven bestemming. Op grond van het Focusdocument 'Samen naar een groene, klimaatrobuuste leefomgeving in 2050' wordt voor nieuwbouwlocaties de volgende minimale drooglegging of ontwateringsdiepte aangehouden:

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

83

Tabel 4.6 Ontwateringseisen nieuwbouw Moerdijk (bron: Focusdocument 'Samen naar een groene, klimaatrobuuste leefomgeving in 2050')

5. Waterkeringen: die zijn ook in de toekomstige situatie niet aanwezig. 6. Natuur: In het stedenbouwkundig plan is gekozen voor een oppervlaktewatersysteem waarin het schone regenwater zo lang mogelijk in het eigen gebied wordt vastgehouden en geborgen met ruimte voor de ontwikkeling natuurwaarden en vergroting biodiversiteit. Het minder schone water uit het buitengebied komt niet tot in het woongebied. Tot slot worden alle platte daken groen aangelegd. Hiermee wordt meer water vastgehouden en wordt ook meer ruimte geboden voor de ontwikkeling van natuurwaarden. 7. Overige: de reservering waterberging kan in het geval dat Zevenbergen wordt ontwikkeld geen stand houden. Door de ontwikkeling wordt het gebruik van de gronden anders, namelijk bebouwd gebied. De bebouwing wordt getoetst aan T=100 normbui waarbij niets mag inunderen. Conform de uitgangspunten van hydrologisch neutraal ontwikkelen dient het water dat eens in de 100 jaar vanuit de watergang het gebied onder water zet, ook binnen het plan te worden opgevangen. Hiervoor is retentie voorzien in het plangebied en in de ontwikkeling van Zevenbergen Oost als totaal. Beheer en onderhoud De wadi's zijn onderdeel van het openbaar groen, de wadi's worden dan ook door de gemeente aangelegd en onderhouden. Alle watergangen in de gemeente worden beheerd door het waterschap.

Dat geldt ook voor de bestaande en nieuwe watergangen in het plangebied. De gemeente draagt de watergangen na afronding van het project (of onderdelen van het project) over aan het waterschap en daarbij wordt een beheerovereenkomst gesloten. 4.6.3 Conclusie Markvelden Noord wordt ontwikkeld in een relatief laag gelegen gebied. In de structuuropzet en het stedenbouwkundig plan is daarom nadrukkelijk rekening gehouden met blauw-groene verbindingen met wadi's en oppervlaktewater, waar in geval van hevige neerslag regenwater kan worden geborgen/kan infiltreren. Ook worden bouwkundige maatregelen getroffen zoals het hanteren van vloerpeilen van 0,3 m boven de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld en groene daken en voorzieningen voor hergebruik van water, zoals bijvoorbeeld waterschuttingen. Belangrijke waterlopen in het gebied worden gehandhaafd. Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling van het woongebied die mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplan geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding. Integendeel: het watersysteem wordt robuuster en de waterkwaliteit verbetert omdat het schone regenwater in het plangebied, als onderdeel van de leefomgeving, wordt vastgehouden.

Bij de verdere uitwerking van het plan worden nog een geohydrologisch en een waterhuishoudkundig onderzoek uitgevoerd, zodat de effecten van de ontwikkeling binnen en buiten het plangebied kunnen worden beschouwd. Deze onderzoeken worden overleg met het waterschap opgepakt.

bestemmingsplan Markvelden Noord, Verlengde Zuidrand en Zuidrandtunnel vastgesteld

84

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het doel is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide en fijn stof de belangrijkste zijn. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Tabel 4.7 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3 24-uurs gemiddelde concentratie max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m3 Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m3 In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Dit is bijvoorbeeld het geval indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³), of indien een project in een specifieke categorie valt (zoals woningbouw met 1 ontsluitingsweg en minder dan 1.500 woningen). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. 4.7.2 Toetsing De nieuwe ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de lokale luchtkwaliteit, vooral door de toename van verkeer. Op de randweg zullen naar verwachting circa 7.500 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag rijden (zie paragraaf 4.2.2). Op dit moment is onbekend hoeveel vrachtverkeer hier zal rijden. Voorshands wordt uitgegaan van 10%. Als deze intensiteiten worden ingevoerd in de NIBM-rekentool van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dan is de bijdrage van het extra verkeer mogelijk in betekenende mate: (zie tabel 4.8). Een toetsing aan de grenswaarden is daarom noodzakelijk. Tabel 4.8 Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van het plan op de luchtkwaliteit in 2024, CGN2022

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=4d556123-b3a1-4877-9975-23a21c74ca8c