CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Toelichting

Raadsvergadering 8 september 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek12.354 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

AERIUS was een online rekeninstrument van het voormalige PAS, via dit instrument kon de stikstofdepositie van plannen en projecten op Natura 2000-gebieden worden berekend. Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State echter geoordeeld dat het PAS niet langer als basis voor toestemming van activiteiten gebruikt mag worden. Deze uitspraak had als gevolg dat veel vergunningsaanvragen en –procedures stil kwamen te liggen. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een nieuwe versie van de AERIUS Calculator beschikbaar gesteld. In deze nieuwe versie worden voortaan alle stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in Natura 2000-gebieden meegenomen in de berekeningen. Er wordt bij een dergelijke berekening gekeken naar de aanlegfase/bouwfase, de gebruiksfase en de verkeersgeneratie ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling op de planlocatie. Wanneer de rekenresultaten niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar, zijn er geen belemmeringen omtrent stikstofdepositie voor deze ontwikkeling. De stikstofdepositie is berekend door middel van een AERIUS berekening. De AERIUS berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2022. De rekenresultaten zijn niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De stikstofrapportage is toegevoegd als bijlage 6. Het aspect stikstof vormt hierdoor geen bedreiging voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8.6 Nader onderzoek vleermuizen en huismus Op basis van de Quickscan Natuurwetgeving bleek dat nader onderzoek gedaan moest worden naar de mogelijke aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en huismus binnen en grenzend aan het plangebied. Het nader onderzoek is uitgevoerd, de rapportage is opgenomen als bijlage 10. Het onderzoek is uitgevoerd conform de voor de beschermde soorten geldende protocollen en binnen de voorgeschreven periodes. Uit dat nader onderzoek is gebleken dat geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig is voor vleermuizen of huismus binnen en grenzend aan het plangebied.

Conclusie Er is een Quickscan Natuurwetgeving en een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd. Het stikstofdepositieonderzoek leidt tot de conclusie dat geen nader onderzoek nodig is. Uit de Quickscan Natuurwetgeving is gebleken dat er een aanvullend onderzoek naar vleermuizen en huismussen nodig was om uit te wijzen dat er geen negatieve effecten zijn op de flora en fauna rondom het plangebied. Deze aanvullende onderzoeken zijn uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat geen vaste rust- en verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig is voor vleermuizen of huismus binnen en grenzend aan het plangebied. Aanvullend onderzoek is voor de andere aspecten niet nodig geacht. Op deze wijze is er voldaan aan de verantwoording van de natuurbescherming.

27

5.9

Cultuurhistorie en Archeologie

5.9.1 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus, zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Een uitsnede van deze cultuurhistorische waardenkaart is weergegeven in onderstaande figuur.

28

Figuur 13 Cultuurhistorische Waardenkaart Zevenbergschen Hoek

De planlocatie is weergegeven met de zwarte stip. Het plangebied ligt binnen een molenbiotoop en bij een historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde met historisch groen. De molenbiotoop is een gebied rondom de molen waarmee de molen in relatie staat. Het belangrijkste hiervan is dat er voldoende sprake is van windvang, om te voorkomen dat de molen stil valt en niet meer kan werken. Daarnaast biedt de molenbiotoop vanuit cultuurhistorisch perspectief ook ruimte voor het zicht op dit beeldbepalende element in het landschap. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' opgenomen. Hierbinnen worden voorwaarden opgenomen voor het oprichten van bebouwing en beplanting. Aangezien er geen gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ is opgenomen in het geldende bestemmingsplan, gelden er geen beperkingen voor het voorgenomen plan t.o.v. de molenbiotoop. Historische geografie is de ruimtelijke neerslag van de aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving. Historische lijnen zijn bijvoorbeeld dijken, dammen, wallen, paden, wegen (waaronder zandwegen, klinkerwegen en kasseiwegen), spoorwegen, kanalen en sloten.

De historisch geografische lijn van redelijk hoge waarde wordt niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de lijn langs het plangebied loopt, maar niet binnen het plangebied valt. Historisch groen is onderdeel van een inventarisatie van historische groenstructuren in het landschap. De groenelementen en structuren zijn veelal door ingrepen van de mens ontstaan. Meestal zijn deze omwille van de functionaliteit ontstaan, denk maar aan houtwallen, heggen, grienden- en hakhoutcultuur, plantage- en ontginningsbossen en bomenrijen. Vaak worden deze nu als natuur beschouwd. Daarnaast zijn er ook groenelementen die esthetische/culturele overwegingen ontstaan, zo kennen we diverse parken, pastorietuinen, dreven en bepaalde solitaire bomen. Het historisch groen wordt niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling, gezien het historisch groen niet in het plangebied zelf ligt. De gemeente Moerdijk beschikt over een eigen erfgoedbeleid (Uitvoeringskader Erfgoed) met een bijbehorende Erfgoedkaart. Een uitsnede van deze kaart in weergegeven in onderstaande figuur.

29

Figuur 14 Uitvoeringskader Erfgoed gemeente Moerdijk

Nabij het plangebied ligt een kerkhof, een rijksmonument, 2 overig historische bouwkunsten en daarnaast is het plangebied onderdeel van een bebouwingsconcentratie (1830). Het kerkhof valt onder de noemer historische bouwkunst, hiervoor geldt, net als voor de 2 overige historische bouwkunsten, dat nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarden nodig is. Het kerkhof en de 2 overig historische bouwkunsten zijn op een dermate afstand van de planlocatie dat zij niet in het geding komen bij het voorgenomen plan en dat nader onderzoek niet nodig is. Voor het rijksmonument is het uitgangspunt instandhouding conform het vigerende rijksbeleid. Aangezien het rijksmonument op een dergelijke afstand ligt tot de planlocatie, wordt het rijksmonument in stand gehouden en niet aangetast door toedoen van het voorgenomen plan. De planlocatie is onderdeel van de bebouwingsconcentratie (1830), hierbij geldt het uitgangspunt behoud van kernkwaliteiten op basis van plan in-/aanpassing. Het voorgenomen plan respecteert deze kernkwaliteiten, waardoor het plan geen bedreiging vormt voor de instandhouding van de bebouwingsconcentratie (1830).

Conclusie Het aspect cultuurhistorie levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.9.2 Archeologie Op 4 februari 2021 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd aan de Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek (gemeente Moerdijk), zie bijlage 7. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel. Het doel van het booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kan vervolgens een advies over eventueel aanwezige archeologische resten en een mogelijk vervolgtraject worden opgesteld.

Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de diepst aangetroffen sedimenten bestaan uit dekzand uit het Weichelien. Daarop is veelal een humeuze kleilaag die in wadachtige omstandigheden zijn gevormd. In boring 6 ligt op het dekzand veen. Na een mogelijke aftopping van het humeuze klei en veenpakket is een pakket gevormd met klei- en zandlagen. De top van het pakket klei- en zandlagen is modern omgewerkt. De top van de bodem bestaat uit een antropogeen pakket. Uit het bureauonderzoek blijkt dat er een middelhoge verwachting geldt voor de periode laatpaleolithicum – mesolithicum. In alle boringen is het dekzandlandschap aangeboord, met uitzondering van boring 5, die gestuit is op een ondoordringbare laag. De top van het dekzand is veelal onverstoord en bevindt zich op circa 110 tot 200 onder maaiveld (circa 1,68 tot 1 meter -NAP). De ligging van het 30

plangebied binnen het dekzandlandschap is vanwege de geringe omvang van het plangebied niet duidelijk. De top van het zandpakket loopt globaal gezien in zuidelijke richting Op basis hiervan de aanwezigheid van resten echter niet uit te sluiten en blijft de middelhoge verwachting voor deze periode gehandhaafd. Voor de periode neolithicum – late middeleeuwen geldt voor het plangebied een middelhoge tot lage verwachting. Alleen in boringen 4 en 6 is veen aangetroffen. In het veen ontbreken veraarde niveaus waardoor deze laag als niet archeologisch relevant gezien wordt. Het dekzand wordt veelal afgedekt met een laag humeuze klei. Deze klei is zwart en sterk humeus. Boringen 1, 2, 3 en 7 bevinden zich vermoedelijk op een hoger gelegen dekzandkopje, die lange tijd boven het veen hebben uitgestoken. De humeuze klei afzettingen zijn vermoedelijk het gevolg van geleidelijke verdrinking van de omgeving van het plangebied. Dit duidt op een nat milieu en vormt geen gunstige plek voor bewoning, waarschijnlijk lag het plangebied tijdens de vorming buitendijks. Om deze redenen wordt de verwachting voor deze periode bijgesteld naar laag. Voor de periode volle middeleeuwen – nieuwe tijd geldt voor het plangebied ook een hoge tot lage verwachting. De top van de bodem bestaat uit een antropogeen pakket. Vermoedelijk het resultaat is van moderne ophoging.

De aanwezigheid van puin, resten baksteen en cement, spikkels houtskool en grind lijkt dit te bevestigen. De top van de getijdeafzettingen is ook modern omgewerkt. Om deze redenen is de verwachting op resten uit de periode volle middeleeuwen – nieuwe tijd laag en wordt de verwachting voor deze periode nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit dekzand, daarop humeuze klei en/of veen, daarop getijdeafzettingen met daarop een antropogeen opgebracht pakket. De top van het dekzand is intact. Hierdoor bestaat er een kans dat archeologische resten uit de periode laatpaleolithicum – mesolithicum in het dekzand kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (middelhoog voor laat-paleolithicum – mesolithicum) blijft dan ook gehandhaafd. Er zijn geen andere relevante archeologische niveaus aangetroffen. Om deze wordt de verwachting voor de periode neolithicum – nieuwe tijd bijgesteld naar laag.

Advies Aeres Milieu Het bouwkundig peil ter hoogte van de voorgenomen appartementengebouw is beoogd op 0,90 meter +NAP en de aanlegdiepte onderkant bodemafsluiting op 0,30 meter -NAP. Het bouwkundig peil ter hoogte van de woningen is beoogd op 0,65 meter +NAP en de aanlegdiepte onderkant bodemafsluiting op 0,45 meter -NAP. Uitgaande van de beoogde graafwerkzaamheden zullen deze tot maximaal 80 centimeter onder maaiveld reiken. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw zullen de graafwerkzaamheden geen bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische resten. Om deze redenen wordt een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Echter, indien de graafwerkzaamheden bij de voorgenomen planontwikkeling dieper reiken dan 0,5 meter -NAP (inclusief een buffer van 0,3 meter) kunnen deze een negatieve impact hebben op de het verwachte archeologische niveau. Wanneer op deze diepte in het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden dan kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verloren gaan. Indien dit het geval is wordt voor het plangebied een vervolgonderzoek geadviseerd. Dit vervolgonderzoek vindt bij voorkeur in de vorm van een proefsleuvenonderzoek plaats. Hiervoor dient voorafgaand een Programma van Eisen (PvE) ter toetsing te worden voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Moerdijk).

Advies RWB28 “Er is onvoldoende aangetoond dat er geen archeologische resten gerelateerd aan de historische erven meer aanwezig kunnen zijn. Een booronderzoek is hiervoor ook niet geschikt. Er kan derhalve niet worden ingestemd met het advies om alleen onderzoek uit te voeren als het dekzand bedreigt wordt.” “In afwijking op het rapport wordt geadviseerd om bij bodemverstoringen dieper dan 30 cm -mv een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren.” De resultaten van dit onderzoek zijn getoetst door de RWB, de extern adviseur van de bevoegde overheid (gemeente Moerdijk), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit zal nemen. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit selectieadvies nog niet betekent dat al bodemverstorende 31

activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Als gevolg hiervan is bij het aantreffen van archeologische resten het, conform de Erfgoedwet van 2016, artikel 5.10 (Archeologische toevalsvondst) en 5.11 (Waarneming), een meldingsplicht van toepassing.

Conclusie Aangezien er bodemverstoringen zullen plaatsvinden dieper dan 30cm -mv, is vervolgonderzoek door middel van proefsleuven noodzakelijk.

5.10

Vormvrije m.e.r. beoordeling

De vormvrije m.e.r. beoordeling is bijgevoegd als bijlage 8. Aan de hand van de aanmeldingsnotitie is inzichtelijk gemaakt welke (mogelijke) gevolgen voor het milieu al dan niet door het planvoornemen ontstaan. Gelet op de projectkenmerken en de hiermee samenhangende (potentiële) milieueffecten, wordt geconcludeerd dat het planvoornemen van dusdanig beperkte invloed op het milieu is dat allerminst sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er bestaat daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.-procedure dan wel formele m.e.r.-beoordelingsprocedure. Op basis hiervan wordt het bevoegd gezag dan ook geadviseerd om een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen, waarin wordt afgezien van het opstellen van een milieueffectrapport ofwel het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure voor onderhavige ontwikkeling.

32

Hoofdstuk 6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Draagvlak

Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in een bouwtitel voor de bouw van woningen. De woningen worden op een gepaste wijze ingevoegd in de bestaande stedenbouwkundige structuur. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente. Verder wordt er een omgevingsdialoog gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen.

6.2

Voorbereidingsfase

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het voorliggende concept-ontwerpbestemmingsplan is aan de overlegpartners toegezonden. Alle reacties van de vooroverlegpartners stemmen in met het bestemmingsplan, met dien verstande dat in paragraaf 5.7.2. een tekstuele toevoeging is opgenomen.

6.3

Voorontwerpfase

Het voorontwerpbestemmingsplan heeft conform de gemeentelijke inspraakverordening, 6 weken ter inzage gelegen voor inspraak. Gedurende deze termijn is een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Omgevingsdialoog Voorafgaand aan de inspraakprocedure is op 13 april 2021 een informatiebrief verzonden aan 23 omwonenden. Deze brief was bedoeld om omwonenden te informeren over de plannen. Vanwege de toen geldende corona-maatregelen is ervoor gekozen op dat moment geen bijeenkomst te organiseren. Op 14 december 2021 zijn tijdens de inspraakprocedure omwonenden en geïnteresseerden in de gelegenheid gesteld om een omgevingsdialoog bij te wonen. De directe omwonenden hebben opnieuw een brief ontvangen waarin het plan is toegelicht en zijn zij uitgenodigd voor deze dialoog. Ook is er een publicatie/ persbericht geweest in zowel het gemeenteblad als Moerdijkse Bode. De omgevingsdialoog is digitaal gehouden. In totaal hebben 23 deelnemers aan deze bijeenkomst deelgenomen. Tijdens deze bijeenkomst is het schetsontwerp, bestemmingsplan- en vervolg procedure toegelicht. Ook was er ruimte voor het stellen van vragen. Beide brieven zijn gestuurd naar in totaal 23 adressen in de nabije omgeving van het plangebied inzake de plannen aan de Olavstraat 37 te Zevenbergschen Hoek. Deze brieven zijn bijgevoegd als bijlage 9a en 9b.

Onderstaande afbeelding geeft weer aan welke adressen een informatiebrief is gestuurd.

33

Figuur 15 overzicht adressen die een informatiebrief hebben ontvangen Tijdens deze periode zijn twee reacties ingediend. Deze reacties zijn samengevat en beantwoord in het document Nota van inspraak en overleg, dat in bijlage 11 is opgenomen. Naar aanleiding van de ingediende reacties zijn de volgende aanpassingen in het plan doorgevoerd: • In de toelichting is paragraaf 5.6 aangepast naar Verkeer en Parkeren, en is aangevuld met een nadere onderbouwing ten aanzien van verkeer • Het stedenbouwkundige ontwerp is op onderdelen aangepast.

6.4

Ontwerpfase

P.M.

34

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Er is een locatie-ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen de gemeente en de betreffende initiatiefnemer, waarin is afgesproken dat kosten, die de gemeente redelijkerwijs moet maken in verband met de beoogde ontwikkeling, voor rekening komen van de initiatiefnemer. Het kostenverhaal wordt derhalve anderszins verzekerd. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet benodigd.

Conclusie Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

35

Bijlage 1: Bodemonderzoek

36

Bijlage 2: Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen Weg- en railverkeerslawaai

37

Bijlage 3: Externe veiligheid

38

Bijlage 4: Waterparagraaf

39

Bijlage 5: Quickscan Natuurwetgeving

40

Bijlage 6: Stikstofdepositie

41

Bijlage 7: Archeologie

42

Bijlage 8: Vormvrije m.e.r. beoordeling

43

Bijlage 9a en 9b: Brieven aan omwonenden

44

Bijlage 10: Nader onderzoek vleermuizen en huismus

45

Bijlage 11: Nota van inspraak en overleg

46

Bijlage 12: Verkeersonderzoek DTV

47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=43ca1307-0a72-49b3-9dd9-4d042517099b