CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bijlage bij de toelichting

Raadsvergadering 8 december 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Koningin Julianastraat 25, Fijnaart24.374 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Koningin Julianastraat 25 ontwerp

Colofon Opdrachtgever

Opdrachtnemer

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

NL.IMRO.1709.FNKonJulianastr25-BP30

status: concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

Copyright © 2022 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de toelichting

5

Bijlage 1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

6

Bijlage 2

Bodemonderzoek

14

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

217

Bijlage 4

Standaard Verantwoording Groepsrisico 2019

261

Bijlage 5

Standaardadvies Veiligheidsregio 2022

272

Bijlage 6

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming

292

Bijlage 7

Vleermuisonderzoek

327

Bijlage 8

Zolder- en endoscooponderzoek

346

Bijlage 9

Ecologische sloopbegeleiding

362

Bijlage 10

Notitie ecologisch advies mitigerende en of compenserende maatregelen

387

Bijlage 11

Berekening stikstofdepositie

393

Bijlage 12

Watertoets

407

Bijlage 13

Nota van Inspraak en Overleg

449

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

3

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

4

Bijlagen bij de toelichting

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

5

Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

6

Aan:

Gemeente Moerdijk

Datum:

23 mei 2022

Betreft:

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Woningbouw Koningin Julianastraat te Fijnaart

1 AANLEIDING Het plangebied is gelegen aan de Koningin Julianastraat 13 en 25 in het zuidoosten van Fijnaart. In het verleden was hier de Julianaschool gevestigd. De school is in 2016 naar de Prinses Irenestraat verhuisd. Het voormalige schoolgebouw heeft sindsdien geen functie meer. Een initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande bebouwing te slopen, en in ruil daarvoor tot 4 twee-onder-éénkapwoningen, 8 aaneengebouwde woningen en 10 appartementen te realiseren. Deze invulling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om het plan mogelijk te maken, wordt daarom het bestemmingsplan voor de percelen aan de Koningin Julianastraat 13 en 25 herzien. Ten behoeve van het nieuwe bestemmingsplan zijn alle relevante milieuaspecten onderzocht. Ook dient er een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De voorliggende aanmeldnotitie bevat deze vormvrije m.e.r.-beoordeling

2 REGELGEVING De milieueffectrapportage (m.e.r.) is volgens de Wet milieubeheer verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Welke activiteiten dat betreft is aangegeven in het Besluit mer en de daarbij behorende bijlage. In de bijlage is onderscheid gemaakt tussen een: •

C-lijst met m.e.r.-plichtige activiteiten en daarbij behorende drempelwaarden;

•

D-lijst met m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en de daarbij behorende drempelwaarden.

Het doel van de m.e.r. is het milieubelang volwaardig mee te laten wegen bij de vaststelling van deze plannen en besluiten. Een belangrijk product van de m.e.r.- procedure is het milieueffectrapport (MER). Bij sommige besluiten is niet meteen duidelijk of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In deze grensgevallen moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een m.e.r.-plicht. Dit gebeurt door middel van een aparte procedure, de zogenoemde m.e.r.-beoordeling. Deze m.e.r.-beoordeling is ook vereist voor activiteiten die onder de drempelwaarden van het Besluit m.e.r. liggen. In die gevallen moet het bevoegde gezag er zich van vergewissen dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Voor deze ‘vergewisplicht’ gelden geen vormvoorschriften en is sprake van een vormvrije m.e.r.- beoordeling. Wel moet er bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgens bijlage III van de EEG-Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) worden getoetst aan de drie volgende hoofdcriteria:

1

•

de kenmerken van het project;

•

de plaats van het project;

•

de kenmerken van de potentiële effecten.

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

Op 7 juli 2017 is het Besluit mer gewijzigd, waarmee voor de vormvrije m.e.r.- beoordeling enkele procedure vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing zijn geworden. De gemeente dient op basis van een ‘aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling’ een besluit te nemen of het opstellen van een milieueffectrapportage benodigd is. Dit betekent dat er in dit geval geen m.e.r.-beoordeling, maar een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te worden uitgevoerd.

3 VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING In het Besluit m.e.r. is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (onderdeel D11.2) mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: •

Een oppervlakte van 100 hectare of meer,

•

Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of

•

Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Het bestemmingsplan voor het perceel aan de Koningin Julianastraat 13 en 25 voorziet in de ontwikkeling van 4 twee-onder-één-kapwoningen, 8 aaneengebouwde woningen en 10 appartementen. Het plangebied is in totaal ongeveer 4.750 m2 groot. Daarmee valt deze ontwikkeling ruim onder de bovenstaande drempelwaarden en is niet rechtstreeks m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichting. Wel dient middels een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden nagegaan of sprake kan zijn van belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu die de uitvoering van een m.e.r. noodzakelijk maken. Hieronder wordt daarom aan de hand van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, beoordeeld of er belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu zijn die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken Kenmerken van het project Het project bestaat uit de realisatie van in totaal 22 woningen, waarvan 4 twee-onder-éénkapwoningen, 8 aaneengebouwde woningen en 10 appartementen. Tevens zal de omliggende buitenruimte opnieuw worden ingericht met onder meer een ontsluitingsweg, parkeervoorzieningen en groen. De bestaande bebouwing ter plaatse van deze percelen wordt hiervoor gesloopt. Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 4.750 m². Hiermee blijft het project ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en een oppervlakte van 100 hectare.

Voor de ontwikkeling van de woningen worden geen relevante natuurlijke hulpbronnen gebruikt. Voor de benodigde energie in de gebruiksfase wordt ingezet op het gebruik van duurzame systemen en het treffen van energiebesparende maatregelen. Het plan draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de wettelijke bepalingen ten aanzien van luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In de toelichting van het bestemmingsplan zijn verschillende milieuthema’s op het gebied van leefomgevingskwaliteit getoetst (zoals milieuzonering, externe veiligheid, luchtkwaliteit, geluid, etc.). Hieruit blijkt dat het plan niet leidt tot een toename van risico’s voor de menselijke gezondheid. In de directe omgeving van de planlocatie zijn er geen andere projecten waarmee een cumulatie van effecten optreedt.

2

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

Plaats van het project Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde kom van Fijnaart, in het zuidoosten van het dorp en ten westen van het centrum. De planlocatie is gelegen aan Koningin Julianastraat, die aansluit op de Kadedijk en de Wilhelminastraat. Het plangebied wordt begrensd door: •

De Koningin Julianastraat aan de zuidwestzijde;

•

De Panneboeterstraat aan de noordwestzijde;

•

De woningen aan de Edvard Griegstraat 8 t/m 26 aan de noordoostzijde;

•

Moestuin en speelveld aan de oostzijde;

De ligging van het plangebied is aangegeven op de hierna volgende afbeelding.

Begrenzing plangebied De planlocatie ligt niet binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000 en maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nerderland (NNN). De planlocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het NNN (zie afbeelding). Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Krammer-Volkerak, bevindt zich op circa 6,7 kilometer afstand. Ook maakt de locatie geen deel uit van een landschappelijk waardevol gebied en zijn op de planlocatie geen monumenten, cultuurhistorisch waardevolle elementen of structuren aanwezig Op de locatie zijn geen archeologische verwachtingswaarden aanwezig. Kenmerken van het potentiële effect Het project bestaat uit de realisatie van 4 twee-onder-één-kapwoningen, 8 aaneengebouwde woningen en 10 appartementen. De voorgenomen ontwikkeling kan invloed hebben op het milieu. Hieronder zijn de milieueffecten van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. Enerzijds worden de verkeersgerelateerde effecten beschouwd, zoals de geluidbelasting en luchtkwaliteit. Anderzijds worden meer locatie-gerelateerde effecten beschouwd die te maken hebben met de bouw en ingebruikname van de woningen. Dan gaat het bijvoorbeeld over de effecten van en op activiteiten in

3

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

de directe omgeving, water en natuur. In de tabel hierna wordt per thema ingegaan op mogelijke effecten.

Ligging planlocatie t.o.v. Natura 2000

Ligging planlocatie t.o.v. het Natuurnetwerk Naderland

4

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

(milieu)effecten

Beschrijving van de mogelijke effecten

Bodem

Uit het verkennende en nadere bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek is gebleken dat er qua gesteldheid van bodem en grondwater, geen belemmeringen zijn voor de nieuwbouw van de woningen. Uit het onderzoek naar PFAS blijkt dat het aangetoonde gehalte de functieklasse voor 'wonen' en 'industrie' worden overschreden. Uit nader onderzoek blijkt dat enkel ter plaatse van de verdachte grondlaag ter plaatse van een boring op het westelijke deel van de onderzoekslocatie de functieklasse 'wonen' en 'industrie' wordt overschreden. Bij de eventuele afvoer van deze grond, dient de grond te worden afgevoerd naar een erkend verwerker of stortplaats. De toekomstige woonfunctie brengt geen relevante risico’s op verontreiniging van de bodem met zich mee. Uit onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde op de nieuwe woningen niet wordt overschreden. Gelet op het aantal woningen en het aantal verkeersbewegingen die dit tot gevolg heeft, zullen ook bestaande woningen geen hinder ondervinden van de woningbouwontwikkeling binnen het plangebied. Met het plan worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt. Het plangebied is gelegen binnen het invloedgebied van Shell Nederland Chemie. Omdat sprake is van goede zelfredzaamheid van aanwezigen, kan worden volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Zowel wat betreft vervoer van gevaarlijke stoffen, buisleidingen als risicovolle inrichtingen, spelen er geen knelpunten omtrent externe veiligheid. In het voorliggende plan is de bereikbaarheid van de locatie goed te noemen en zijn er voldoende opstelmogelijkheden voor hulpdiensten. De beoogde ontwikkeling voorziet niet in initiatieven voor niet- of beperkt zelfredzame personen, ook is het plangebied voldoende goed ontsloten. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het oprichten van 22 nieuwe woningen en de extra verkeer aantrekkende werking als gevolg daarvan zal niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden voor PM10 en NO2 uit de Wet Luchtkwaliteit. Vanwege het aantal woningen wordt het plan aangemerkt als een NIBM project. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk aangezien het project niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Een woonfunctie is geen milieubelastende activiteit. Er zijn voor dit aspect derhalve geen belangrijke nadelige milieueffecten voor de omgeving te verwachten.

Geluid

Externe veiligheid

Luchtkwaliteit

Bedrijven en milieuzonering

Water

5

P a r t ne r s R O |

Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak toenemen met 129 m². Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.374 m². Conform het beleid van de gemeente Moerdijk is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 202 m3 (3.374 m² x 0,06 m). Binnen het plangebied worden hiervoor infiltratiekratten toegepast of een waterbergende funderingslaag over de bestrating worden aangebracht.

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

(milieu)effecten

Beschrijving van de mogelijke effecten

Archeologie en Cultuurhistorie

Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk geldt voor het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde. Het plangebied ligt eveneens niet in een gebied met een cultuurhistorische waarde. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen effect op de archeologische en cultuurhistorische aspecten. Uit ecologisch en stikstofdepositieonderzoek blijkt het volgende:

Ecologie

Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het NNN. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1,3 kilometer ten zuiden van de onderzoekslocatie. Door de afstand tot het NNN is de verwachting dat externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid, geen significant negatieve impact hebben op het NNN. Het NNN betreft bovendien geen stikstofgevoelig gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Krammer-Volkerak, bevindt zich op circa 6,7 kilometer afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie. Het stikstofonderzoek heeft uitgewezen dat er geen negatieve effecten op Natura 2000gebieden worden verwacht, ook niet als gevolg van stikstofdepositie. Het projecteffect op het Natura 2000-gebied is kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Soortenbescherming De inmiddels gesloopte bebouwing op de onderzoekslocatie was in principe geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor gebouwbewonende vleermuizen, is vooraf aanvullend onderzoek verricht om de daadwerkelijke functie van het gebied voor vleermuizen te kunnen vaststellen. Uit het jaarrond onderzoek naar vleermuizen bleek dat de oude school geen verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden of vliegroutes bevatte. Met de voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen wordt hierdoor de Wet natuurbescherming niet overtreden. Bij de verdere werkzaamheden dient niettemin aandacht te worden besteed aan eventuele verstoring van natuurwaarden in het algemeen. Door extra zorg hieraan de besteden tijdens de bouwwerkzaamheden, wordt vermeden dat de dieren hiervan teveel hinder zullen ondervinden. Op grond van deze inventarisatie gelden er geen belemmeringen voor de plannen op grond van de natuurwaarden.

6

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

4 CONCLUSIE Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project, kan worden geconcludeerd dat de realisatie van in totaal 22 woningen op de locatie van de voormalige Julianaschool aan de Koningin Julianastraat geen belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.

7

P a r t ne r s R O |

A a n m e l d n o t i t i e K o ni n g i n J ul i a n a s t r a a t t e F i j n a a r t | G e m e e n t e M o e r d i j k

Bijlage 2 Bodemonderzoek

bestemmingsplan Koningin Julianastraat 25 ontwerp

14

RAPPORT: Diverse verkennende en nadere onderzoeken ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Koningin Julianastraat 13-25 te Fijnaart

PROJECTNUMMER: B20.7853(NO) Versie: 02

VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl

RAPPORT: Diverse verkennende en nader onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Koningin Julianastraat 13-25 te Fijnaart

PROJECTNUMMER: B20.7853(NO) Versie: 02

OPDRACHTGEVER: Hoefnagel Projectontwikkeling B.V.

DATUM: 15 oktober 2020

Auteur:

Autorisatie:

J.P.G. Boerakker Projectmedewerker Verhoeven Milieutechniek B.V.

Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.

B20.7853(NO)/R7853(NO)-02/JB De informatie in deze rapportage mag niet worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

2

0.

SAMENVATTING Hoefnagel Projectontwikkeling B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek inclusief historisch onderzoek op de onderzoekslocatie ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Koningin Julianastraat 13-25 te Fijnaart. De onderzoeken zijn in 2 fasen uitgevoerd. In fase 1 (periode juli-augustus 2020) zijn de verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd en in fase 2 (september-oktober 2020) is een nader bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Voorliggende rapportage betreft de resultaten, conclusies en aanbevelingen van zowel de verkennende bodemonderzoeken (fase 1) als het nader grondonderzoek (fase 2). De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017, de NEN 5740:2009/A1:2016 en de NTA 5755:2010. De onderzoeken hebben tot doel een inzicht te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw. Op basis van de resultaten van de verkennende onderzoeken (gehalte voor PFAS boven de functieklasse “wonen/industrie”) is in fase 2 een nader bodemonderzoek uitgevoerd.

Het nader bodemonderzoek heeft tot doel om te bepalen of er sprake is van grond met PFAS gehalten boven de functieklasse “wonen/industrie” en eventueel de omvang hiervan trachten te bepalen. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies vooronderzoek Uit de resultaten van het reeds beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: • Uit de omgevingsrapportage is gebleken dat op de locatie twee ondergrondse HBO-tanks aanwezig zijn geweest (3.000 L) die in 1993 inwendig zijn gereinigd en daarna zijn verwijderd. Van de twee voormalige septictanks is geen informatie bekend; • Uit de beschikbare informatie blijkt dat op de locatie voor zover bekend geen recente bodemonderzoeken zijn uitgevoerd (< 5 jaar); • Tijdens voorgaand onderzoek (2004) werd maximaal een licht verhoogd gehalte voor EOX aangetoond.

In het grondwater (ter plaatse van voormalige HBO-tank) werd een licht verhoogd gehalte voor minerale olie aangetoond.; • Uit www.topotijdreis.nl blijkt dat op de locatie geen gedempte sloten aanwezig zijn; • Uit informatie van www.topotijdreis.nl blijkt dat zowel op de locatie als in de directe omgeving boomgaarden aanwezig zijn geweest. Derhalve is de (oorspronkelijke) teeltlaag op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB); • Op de locatie is bebouwing aanwezig. Daarnaast zijn diverse verhardingen aanwezig en kunnen puinbijmengingen niet worden uitgesloten. Derhalve is niet uit te sluiten dat de locatie verdacht is op het voorkomen van asbest in de bodem; • Zover bekend zijn er, afgezien van de (voormalige) boomgaarden en voormalige ondergrondse HBO-tanks, verder geen voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten aanwezig (geweest) op de locatie.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

3 Op basis van de beschikbare gegevens dient de locatie te worden onderzocht conform de NEN 5740. Aanvullend dient rekening gehouden te worden met het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag in verband met de voormalige boomgaarden op en/of nabij de locatie. Tevens dient rekening gehouden te worden met de voormalige ondergrondse tanks en de bestaande bebouwingen en verhardingen op de locatie. Conclusies en aanbevelingen Verkennende bodemonderzoeken (fase 1) Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit van de onderzoekslocatie is de hypothese gesteld van een onverdachte locatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese aangenomen, aangezien in de onderzochte grondmengmonsters geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Voormalige ondergrondse HBO- en septictanks Voor de locatie van de voormalige ondergrondse tanks is wel uitgegaan van verdachte (deel)locaties. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de hypothese worden verworpen, aangezien zowel zintuiglijk als analytisch geen verontreiniging is aangetroffen gerelateerd aan de voormalige tanks. De voormalige tanks hebben niet geleid tot (ernstige) bodemverontreiniging. Teeltlaag Aanvullend is voor de (oorspronkelijke) teeltlaag uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van OCB.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan de hypothese worden verworpen, aangezien geen verhoogde gehalten voor OCB zijn aangetoond in de (oorspronkelijke) teeltlaag. De voormalige boomgaard heeft niet geleid tot (ernstige) verontreinigingen met OCB in de teeltlaag. PFAS De grond van mengmonster MMPFAS01 is op basis van het tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond niet elders toepasbaar. Het aangetoonde gehalte aan 6:2 fluortelomeer sulfonzuur overschrijdt de functieklasse “wonen” en “industrie”. Deze fluortelomeren worden toegepast in blusschuim. Op basis van zintuiglijke waarnemingen en de resultaten van de algemene kwaliteit zijn geen aanwijzingen van een mogelijke brand aangetroffen. In mengmonster MMPFAS02 is eveneens een verhoogd gehalte voor 6:2 fluortelomeer sulfonzuur aangetoond, echter voldoet de grond uit dit monster wel aan de functieklassen “wonen” en “industrie” uit het tijdelijke handelingskader. Zodoende kan deze grond voor wat betreft PFAS elders worden toegepast in deze functieklassen, bij toepassing boven de grondwaterniveau, op de landbodem en buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Nader onderzoek naar PFAS (fase 2) Mengmonster MMPFAS01 is eerst uitgesplitst en de deelmonsters zijn separaat geanalyseerd.

Na uitsplitsing blijkt dat enkel in de bovengrond (0,1-0,5 m-mv) van boring B05 de gehalten voor perfluorpentaanzuur (3,2 μg/kg d.s.) en 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (15 μg/kg d.s.) de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen/industrie” overschrijdt. De betreffende grond is derhalve zowel op de onderzoekslocatie als elders niet geschikt voor hergebruik . De overige separaat geanalyseerde PFAS monsters (MPFAS101, MPFAS103 en MPFAS104) voldoen aan de functieklasse voor “landbouw/natuur”.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

4 Ter plaatse van voormalige boring B05 is tijdens het nader bodemonderzoek in de ondergrond (0,5-1,0 m-mv) een gehalte voor 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (3,2 μg/kg d.s.) aangetoond, waarbij de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen/industrie” wordt overschreden. Derhalve is tevens een monster geanalyseerd van de diepere ondergrond (1,0-1,5 m-mv). Hier wordt de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen/industrie” niet overschreden en is de niet herbruikbare grond op basis van PFAS verticaal afgeperkt. Aangezien in de monsters (MPFAS1002 t/m MPFAS1004) van de bovengrond ten behoeve van de horizontale afperking maximaal de functieklasse “landbouw/natuur” wordt overschreden, is de niet herbruikbare grond tevens horizontaal afgeperkt. Middels het uitgevoerde verkennend en nader bodemonderzoek is de niet herbruikbare grond op het westelijke deel van de onderzoekslocatie binnen de perceelgrenzen in voldoende mate in beeld gebracht. Voor de niet herbruikbare grond op basis van PFAS van 0,1-1,0 m-mv wordt op basis van de huidige resultaten uitgegaan van een oppervlakte van circa 250 m2. Derhalve wordt de omvang van de niet herbruikbare grond ingeschat op circa 250 m3. In tabel 1 is de omvang van de niet herbruikbare grond op basis van PFAS weergegeven. Tabel 1: Niet herbruikbare grond op basis van PFAS Locatie B05 (B101)

Stof Perfluorpentaanzuur en/of 6:2 fluortelomeer sulfonzuur

Oppervlakte (m2) Traject (m-mv) Gemiddelde dikte Omvang (m3)

>I ± 250 ± 0,10 - 1,00 0,90 meter ± 250

De contour van de niet herbruikbare grond op basis van PFAS is weergegeven op de situatietekening in bijlage 2. De aangetroffen niet herbruikbare grond op basis van PFAS is mogelijk te relateren aan brandblusschuim. Aangezien niet bekend is wanneer dit is gebruikt, wordt ervan uitgegaan dat geen sprake is van Zorgplicht. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Aangezien enkel voor PFOS, PFOA en GenX Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen (INEV) zijn vastgesteld is voor de aangetoonde PFAS parameters (Perfluorpentaanzuur en 6:2 fluortelomeer sulfonzuur) niet te bepalen of sprake is van een ernstige bodemverontreiniging. Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor de afweging hoe deze PFAS parameters dienen te worden beoordeeld. Het is niet mogelijk om voor de aangetoonde PFAS parameters een spoedeisendheidsbepaling uit te voeren. Aangezien de niet herbruikbare grond onder een verharding is aangetroffen en immobiel is, wordt echter niet verwacht dat er humane-, ecologische- en verspreidingsrisico’s van toepassing zijn.

Algehele conclusie en aanbevelingen Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ten behoeve van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw ter plaatse van de Koningin Julianastraat 13 t/m 25 te Fijnaart in voldoende mate vastgelegd. Voor zowel de algemene kwaliteit, (oorspronkelijke) teeltlaag alsmede ter plaatse van de voormalige HBO-tanks en septictanks zijn uitpandig geen verontreinigingen aangetroffen voor de onderzochte NEN- en OCB-parameters (alles beneden de achtergrond- of streefwaarden).

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

5 Tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden zijn op maaiveld en in de opgeboorde grond geen asbestverdachte materialen (in de fractie groter dan 20 mm) en/of puinbijmengingen waargenomen. De plaatselijk aangetroffen zwakke baksteenbijmengingen zijn als definieerbaar asbest onverdacht baksteen beoordeeld. Op basis hiervan is het uitvoeren van een verkennend onderzoek naar asbest conform NEN 5707 niet noodzakelijk geweest voor de uitpandige situatie. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan voor de uitpandige situatie ons inziens geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en nieuwbouw. Wel dient rekening gehouden te worden met onderstaande aandachtspunten en aanbeveling. Bij toekomstige herontwikkeling waarbij de aanwezig bebouwing wordt gesloopt dient rekening gehouden te worden met mogelijk aanvullende onderzoeken in de grondlaag onder de gesloopte bebouwing (NEN en asbest). Met het aanvullend onderzoek naar PFAS is een verhoogd gehalte voor Perfluorpentaanzuur en/of 6:2 fluortelomeer sulfonzuur aangetoond dat de toepassingsnorm voor de functieklasse “wonen” en “industrie” overschrijdt. Met het nader onderzoek is gebleken dat enkel ter plaatse van de verdachte grondlaag ter plaatse van boring B05/B101 (0,1-1,0 m-mv; circa 250 m3) op het westelijke deel van de onderzoekslocatie de functieklasse “wonen” en “industrie” wordt overschreden.

Bij de eventuele afvoer van deze grond, dient de grond te worden afgevoerd naar een erkend verwerker of stortplaats. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd. Aanvullend wordt opgemerkt dat de gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

6 INHOUDSOPGAVE 0.

SAMENVATTING ....................................................................................................................................... 2

1.

INLEIDING .................................................................................................................................................. 7

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN .................................................................................. 7

3.

LOCATIEGEGEVENS ............................................................................................................................... 7 3.1. ALGEMENE GEGEVENS................................................................................................................................ 7 3.2. RESULTATEN HISTORISCH ONDERZOEK EN LOCATIEBEZOEK (NEN 5725:2017) ..................................... 8

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE......................................................................................... 10 4.1. BODEMOPBOUW ........................................................................................................................................ 10 4.2. GEOHYDROLOGIE ..................................................................................................................................... 10

5.

HYPOTHESE ............................................................................................................................................. 10

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK .......................................................................................................... 11 6.1. ONDERZOEKSSTRATEGIEËN DIVERSE ONDERZOEKEN ............................................................................ 11 6.2. VELDWERKZAAMHEDEN ........................................................................................................................... 12

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE ........................................................................ 14

8.

RESULTATEN ........................................................................................................................................... 16 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN ............................................................................................................... 16 8.2. LABORATORIUMWERKZAAMHEDEN EN ANALYSERESULTATEN .............................................................. 16 8.3. INTERPRETATIE ANALYSERESULTATEN ................................................................................................... 19

9.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 21 9.1. VERKENNENDE BODEMONDERZOEKEN (FASE 1) ...................................................................................... 21 9.2. NADER ONDERZOEK NAAR PFAS (FASE 2) ............................................................................................... 21 9.3. ALGEHELE CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ........................................................................................... 22

10. REFERENTIES .......................................................................................................................................... 24

BIJLAGEN

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Situering in de regio Situatieschets met geplaatste boringen en peilbuis Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond en grondwater Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingen PFAS Relevante historische gegevens

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

7

1.

INLEIDING Hoefnagel Projectontwikkeling B.V. heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en nader bodemonderzoek inclusief historisch onderzoek op de onderzoekslocatie ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Koningin Julianastraat 13-25 te Fijnaart. De onderzoeken zijn in 2 fasen uitgevoerd. In fase 1 (periode juli-augustus 2020) zijn de verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd en in fase 2 (september-oktober 2020) is een nader bodemonderzoek naar PFAS uitgevoerd. Voorliggende rapportage betreft de resultaten, conclusies en aanbevelingen van zowel de verkennende bodemonderzoeken (fase 1) als het nader grondonderzoek (fase 2). De onderzoeken zijn uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw van de locatie. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5725:2017 [1], de NEN 5740:2009/A1:2016 [2] en de NTA 5755:2010 [3]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door heer M. Schimmel MSc., de heer ing. H.M.W. van der Donk en de heer J.P.G. Boerakker.

2.

DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN De onderzoeken hebben tot doel een inzicht te verkrijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt bezwaren bestaan tegen de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw. Op basis van de resultaten van de verkennende onderzoeken (gehalte voor PFAS boven de functieklasse “wonen/industrie”) is in fase 2 een nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het nader bodemonderzoek heeft tot doel om te bepalen of er sprake is van grond met PFAS gehalten boven de functieklasse “wonen/industrie” en eventueel de omvang hiervan trachten te bepalen.

3.

LOCATIEGEGEVENS 3.1.

Algemene gegevens

De locatie betreft de voormalige Julianaschool aan de Koningin Julianastraat 13 t/m 25 te Fijnaart met een totale oppervlakte van circa 4.520 m². De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Fijnaart, sectie F, nummers 1549 en 1490. Op de locatie zijn diverse bebouwingen (scholencomplex met fietsenstalling) aanwezig. Daarnaast zijn diverse verhardingen aanwezig en het overige terrein is braak of in gebruik als groen. Voor de situering van de onderzoekslocatie in de regio wordt verwezen naar bijlage 1.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

8 3.2.

Resultaten historisch onderzoek en locatiebezoek (NEN 5725:2017)

Algemeen Voorafgaand aan het verkennend bodemonderzoek is een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017. Door een medewerker van Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) is via de website van de samenwerkende omgevingsdienst van de provincie Noord-Brabant een omgevingsrapportage opgevraagd en verkregen. Tevens is de beschikbare informatie bij de gemeente Moerdijk en het West-Brabants Archief opgevraagd en verkregen. Aanvullend zijn door een medewerker van VMT de relevante gegevens van de websites www.kadaster.nl en www.topotijdreis.nl bestudeerd. De relevante historische informatie is opgenomen als bijlage 7 (inclusief ingevulde vragenlijst). Bodemkwaliteitsgegevens Nader tankonderzoek, Milieukundig ingenieurs- en adviesbureau Terron, kenmerk: 0400.015.1, d.d. augustus 1995 In augustus 1995 is op de locatie een nader tankonderzoek uitgevoerd. Het betrof hierbij een verontreiniging bij een gesaneerde ondergrondse tank met een inhoud van 3.000 liter voor de opslag van huisbrandolie (HBO). De tank is na leegzuigen inwendig gereinigd. Tijdens de sanering in het kader van de actie tankslag (ISOtank, certifcaaatnr. A.13470) was zintuiglijk een verontreiniging van de bodem geconstateerd. In totaal werden, tijdens het nader onderzoek, rondom de tank acht grondboringen geplaatst.

Aangezien er slechts in twee boringen bovenop de tank een lichte olieverontreiniging was aangetroffen werden er geen monsters voor chemischanalytische beoordeling naar het laboratorium gestuurd. Evenmin was één van de grondboringen afgewerkt met een peilfilter ten behoeve van het bemonsteren van grondwater. Verkennend bodemonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V., kenmerk 195.21.041.rl, d.d. 27 mei 2004 In mei 2004 is op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de voorgenomen overdracht van het terrein. Uit de historie was gebleken dat nog een andere tank op de locatie aanwezig was, welke in 2000 is gesaneerd en verwijderd (KIWA, certificaatnr. AR2465). Tijdens de tanksanering was een zintuiglijke verontreiniging aangetroffen met beperkte omvang. Uit de analyse van een controlemonster bleek het om een licht verhoogd gehalten voor minerale olie te gaan. Tijdens het verkennend bodemonderzoek was in de onderzochte bovengrondmengmonsters een licht verhoogd gehalte aan EOX aangetroffen, mogelijk veroorzaakt door het gebruik van (onkruid)bestrijdingsmiddelen in het verleden. In de ondergrond werden geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater werden echter licht verhoogde concentratie aangetroffen aan minerale olie, die waarschijnlijk zijn veroorzaakt door de voormalige ondergrondse tank.

Van onderhavige onderzoekslocatie zijn verder geen recente (< 5 jaar) bodemkwaliteitsgegevens bekend. Uit informatie van de omgevingsrapportage van de provincie Noord-Brabant zijn eveneens geen aanvullende bodemgegevens naar voren gekomen. Historisch kaartmateriaal Volgens www.topotijdreis.nl is de onderzoekslocatie tot circa 1950 in gebruik geweest als agrarisch gebied. Hierbij is gebleken dat zowel in de directe omgeving als op de onderzoekslocatie zelf boomgaarden aanwezig zijn geweest. Op basis van de BAG viewer van kadaster blijk dat de voormalige basisschool in 1952 is gerealiseerd. In het bouwdossier, opgenomen in het uitgevoerde asbestinventarisatieonderzoek door Wematech Milieu Adviseurs B.V., kenmerk MT040685 wordt dit bevestigd. Verder blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie in het verleden geen watergangen of overige aanwezig zijn geweest en zijn geen overige bijzonderheden waargenomen op het historisch kaartmateriaal.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

9 Huidig en toekomstig gebruik Op de locatie zijn diverse bebouwingen met verhardingen aanwezig, Op dit moment is het overige terrein braak of in gebruik als groen. Het voornemen bestaat om de huidige bebouwingen te slopen om vervolgens nieuwbouw te realiseren. (Voormalige) ondergrondse opslagtanks Voor zover bekend zijn op de locatie twee ondergrondse huisbrandolietanks (HBO) aanwezig geweest. De ondergrondse HBO-tanks (3.000 L) zijn in 1993 verwijderd conform de KIWArichtlijnen. Verder zijn op basis van de bouwtekeningen twee septictanks naar voren gekomen. Over deze voormalige septictanks is geen informatie bekend. Asbest Op 7 april 2004 is een asbestinventarisatie uitgevoerd in de bestaande bebouwing (Wematech Milieu Adviseurs B.V., projectnummer ASB-60040156, d.d. 07-04-2004). Hieruit is gebleken dat in diverse onderzochte ruimtes asbesthoudend materiaal is aangetroffen. Tijdens een recente asbestinventarisatie, uitgevoerd op 3 juli 2020 (Asbest Advies Brabant, projectnummer 200365 v1.o, d.d. 9 juli 2020), is de aanwezigheid van enkele asbesthoudende materialen en/of asbesthoudende kit in de bestaande bebouwing bevestigd. Locatiebezoek Uit het locatiebezoek, voorafgaand aan de veldwerkzaamheden, is gebleken dat ter plaatse van de onderzoekslocatie geen bijzonderheden zijn waargenomen die kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.

Conclusies historisch onderzoek en locatiebezoek Uit de resultaten van het reeds beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: • Uit de omgevingsrapportage is gebleken dat op de locatie twee ondergrondse HBO-tanks aanwezig zijn geweest (3.000 L) die in 1993 inwendig zijn gereinigd en daarna zijn verwijderd. Van de twee voormalige septictanks is geen informatie bekend; • Uit de beschikbare informatie blijkt dat op de locatie voor zover bekend geen recente bodemonderzoeken zijn uitgevoerd (< 5 jaar); • Tijdens voorgaand onderzoek (2004) werd maximaal een licht verhoogd gehalte voor EOX aangetoond. In het grondwater (ter plaatse van voormalige HBO-tank) werd een licht verhoogd gehalte voor minerale olie aangetoond.; • Uit www.topotijdreis.nl blijkt dat op de locatie geen gedempte sloten aanwezig zijn; • Uit informatie van www.topotijdreis.nl blijkt dat zowel op de locatie als in de directe omgeving boomgaarden aanwezig zijn geweest. Derhalve is de (oorspronkelijke) teeltlaag op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB); • Op de locatie is bebouwing aanwezig. Daarnaast zijn diverse verhardingen aanwezig en kunnen puinbijmengingen niet worden uitgesloten.

Derhalve is niet uit te sluiten dat de locatie verdacht is op het voorkomen van asbest in de bodem; • Zover bekend zijn er, afgezien van de (voormalige) boomgaarden en voormalige ondergrondse HBO-tanks, verder geen voor bodemverontreiniging verdachte activiteiten aanwezig (geweest) op de locatie. Op basis van de beschikbare gegevens dient de locatie te worden onderzocht conform de NEN 5740. Aanvullend dient rekening gehouden te worden met het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag in verband met de voormalige boomgaarden op en/of nabij de locatie. Tevens dient rekening gehouden te worden met de voormalige ondergrondse tanks en de bestaande bebouwingen en verhardingen op de locatie.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

10 PFAS Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van toepassing verklaard. Dit handelingskader en het directe ingangstermijn hiervan heeft de markt niet voorzien, maar heeft gevolgen voor de acceptatie van grond en baggerspecie bij grondbanken en verwerkers. Dus zodra er grond van de locatie moet worden afgevoerd en elders toegepast, dient onderzoek plaats te vinden naar PFAS (28 parameters) en/of GenX. GenX betreft geen verdachte parameter voor deze regio. In verband met toekomstige herontwikkeling en aangezien de locatie verdacht is op bestrijdingsmiddelen (OCB), is een indicatief onderzoek naar PFAS geadviseerd.

4.

BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE Bij de bepaling van de regionale geologie en hydrogeologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen en https://www.grondwatertools.nl/grondwatertoolsviewer gebruikt. 4.1.

Bodemopbouw

Op de onderzoekslocatie is een circa 6 meter dikke deklaag aanwezig. De deklaag is samengesteld uit Holocene afzettingen, deze complexe eenheid bestaat afwisselend uit zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en weinig grof zand. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerende pakket is circa 2 meter dik en bestaat hoofdzakelijk uit midden en fijn zand van de Formatie van Boxtel. Hieronder is een scheidende laag aanwezig van circa 7 meter dik en is afkomstig van de Formatie van Waalre en bestaat hoofdzakelijk uit zandige klei, klei en midden zand. Hieronder bevindt zich het tweede watervoerende pakket en is circa 25 meter dik en bestaat hoofdzakelijk uit midden en grof zand van de Formatie van Peize en Waalre. De hieronder liggende 2e scheidende laag is circa 7 meter dik en is afkomstig van de Formatie van Waalre en bestaat hoofdzakelijk uit zandige klei, klei en midden zand. 4.2.

Geohydrologie

De regionale grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket is op basis van de isohypsen kaart (01-01-2019) globaal noordwestelijk gericht. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater kan worden beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is voor zover als bekend niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

5.

HYPOTHESE Op basis van de beschikbare informatie is voor de algemene bodemkwaliteit uitgegaan van een onverdachte hypothese met betrekking tot het voorkomen van bodemverontreiniging. De locatie van de voormalige ondergrondse tanks is wel verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging. Voor wat betreft het voorkomen van OCB in de (oorspronkelijke) teeltlaag is wel uitgegaan van een verdachte locatie. Daarnaast vormt de aanwezigheid van PFAS een aandachtspunt in de bovengrond. Voor wat betreft asbest wordt vooralsnog uitgegaan van een onverdachte locatie, waardoor onderzoek naar asbest niet verplicht is.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

11

6.

OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.

Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek (fase 1) Algemene bodemkwaliteit Voorgesteld is om de algemene kwaliteit van de locatie te onderzoeken conform de NEN 5740/A1, voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie voor een oppervlakte van maximaal 5.000 m2. Voor de onverdachte ondergrond wordt, conform de NEN 5740:2009/A1:2016 voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL), minimaal 1 analyse ingezet. Aanvullend zijn extra boringen en een extra grond analyse op een NEN-pakket opgenomen in verband met de (voormalige) septictanks. Voormalige ondergrondse tanks Aanvullend worden werkzaamheden uitgevoerd in verband met de voormalige ondergrondse tanks conform de onderzoeksstrategie VEP-OO. Hierbij wordt per tanklocatie een extra diepe boring geplaatst met een grondanalyse op minerale olie. Het grondwater wordt in combinatie met de algemene kwaliteit onderzocht. Teeltlaagonderzoek Aanvullend wordt een teeltlaagonderzoek uitgevoerd conform de onderzoeksstrategie voor een diffuse niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging (VED-HE-NL, < 5.000 m2) in verband met de voormalige boomgaard op de onderzoekslocatie. De (oorspronkelijke) teeltlaag wordt separaat bemonsterd en geanalyseerd op OCB.

Onderzoek op PFAS De onderzoeksopzet voor het onderzoek naar PFAS is afgeleid van de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/A1:2016 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL). Hierbij wordt de oppervlakte naar boven afgerond, waardoor sprake is van een maximale oppervlakte van 1 ha. Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Nader bodemonderzoek (fase 2) Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat op basis van een grondmengmonster van de boringen B02, B05, B09 en B12 sprake is van een functieklasse “wonen/industrie” overschrijding voor PFAS. Derhalve zijn in eerste instantie de boringen B02, B05, B09 en B12 opnieuw geplaatst en zijn de deelmonsters separaat geanalyseerd op PFAS. Hieruit blijkt dat de grond met gehalten voor PFAS boven de functieklasse “wonen/industrie” in de bovengrond (0,1-0,5 m-mv) van boring B05 aanwezig is. De omvang van de grond boven de functieklasse “wonen/industrie” ter plaatse van en in de directe omgeving van boring B05 is niet bepaald.

Op basis hiervan en in verband met de voorgenomen bestemmingsplanwijziging (naar wonen) en nieuwbouw is een nader grondonderzoek naar PFAS uitgevoerd op de onderzoekslocatie. Bij het uitvoeren van een nader bodemonderzoek conform de NTA 5755:2010 wordt gebruik gemaakt van een zogenaamd conceptueel model. In tabel 6.1 is een conceptueel model uitgewerkt.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

12 Tabel 6.1: Conceptueel model nader onderzoek naar PFAS Conceptueel model Oorzaak van de verontreiniging Ernst van de verontreiniging

Spoed van de sanering / Zorgplicht

Onderzoeksvragen en onderzoeksopzet

Onbekend, mogelijk door PFAS-houdend blusschuim. Enkel voor PFOS, PFOA en GenX zijn Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreinigingen (INEV) vastgesteld. Aangezien voor de aangetoonde PFAS parameter (6:2 fluortelomeer sulfonzuur) geen INEV is vastgesteld, is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de afweging hoe deze PFAS parameter dient te worden beoordeeld. De oorzaak van grond met gehalten boven de functieklasse “wonen/industrie” op basis van het gehalte voor PFAS kan niet met zekerheid worden vastgesteld en is derhalve onbekend. Derhalve wordt momenteel uitgegaan van een eventuele historische verontreiniging en niet van een Zorgplichtverontreiniging. Het is daarnaast niet te bepalen of er daadwerkelijk sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Aangezien de ondergrond (vanaf 0,5 m-mv) van voormalige boring B05 niet is geanalyseerd, is de niet herbruikbare grond verticaal niet afgeperkt. Daarnaast dient de niet herbruikbare grond tevens horizontaal verder te worden afgeperkt middels aanvullende boringen en analyses. Voor de horizontale en verticale afperkingen zullen in totaal 7 boringen worden geplaatst ter plaatse van en in de directe omgeving van boring B05. Alle boringen worden minimaal tot 1,5 m-mv worden doorgezet. In totaal worden in eerste instantie 4 grondanalyses ingezet op PFAS voor de verticale en horizontale afperking.

Indien de analyseresultaten daar aanleiding toe geven zullen aanvullende analyses worden ingezet voor een verdere afperking.

6.2.

Veldwerkzaamheden

Algemeen / certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6) en protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een Edelmanboor. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data Bedrijf Diverse verkennende bodemonderzoeken (fase 1) 7 & 8 juli 2020 Verhoeven Milieutechniek B.V. 24 juli 2020 Verhoeven Milieutechniek B.V. Nader onderzoek naar PFAS (fase 2) 4 september 2020 Verhoeven Milieutechniek B.V. 29 september 2020 Verhoeven Milieutechniek B.V.

Gecertificeerde medewerker

Protocol BRL SIKB

De heer M.A.H. van Baal De heer M.A.H. van Baal

2001 (v. 6) 2002 (v. 6)

De heer C.C.G. van Rossum De heer M.A.H. van Baal

2001 (v. 6) 2001 (v. 6)

Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Grond Verkennend bodemonderzoek (fase 1) Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek zijn in totaal 25 boringen (B01 t/m B25) geplaatst, waarbij de boringen B02, B03, B14 en B19 ter plaatse van de voormalige ondergrondse HBO- en septictanks zijn geplaatst en waarbij boring PB15 is afgewerkt met een peilbuis.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

13 Nader onderzoek naar PFAS (fase 2) In verband met het analytisch aantreffen van gehalten voor PFAS boven de functieklasse “wonen/industrie”, is een nader bodemonderzoek uitgevoerd conform het conceptueel model in tabel 6.1. In eerste instantie zijn de boringen B02, B05, B09 en B12 opnieuw geplaatst. Vervolgens zijn ten behoeve van de verticale en horizontale afperking van het verhoogde gehalten voor PFAS boven de functieklasse “wonen/industrie” bij boring B05 ter plaatse van en rondom deze boringen 7 boringen (B101 t/m B107) geplaatst. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwerkzaamheden Deellocatie Verkennend bodemonderzoek (fase 1) Voormalige ondergrondse HBO-tanks (Voormalige) septictanks Overig terrein Nader onderzoek naar PFAS (fase 2) Ten behoeve van het nader onderzoek naar PFAS Toelichting bij de tabel: * Gecombineerd met de algemene kwaliteit.

Boringen tot circa 1,0-1,5 m-mv

Boringen tot circa 2,5 m-mv

Peilbuis (filterstelling m-mv)

B01, B04, B06 t/m B13, B16, B17, B18, B20 t/m B25

B02*, B14* B03*, B19* B05, B25

PB15 (2,00-3,00)* -

B101 t/m B107

Grondwater Het grondwater uit de peilbuis PB15 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 24 juli 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

14

7.

WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [3]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [4] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.

De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) / (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid:  Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd.  Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een verkennend bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering. Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit [4] tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020, inclusief aanpassing d.d. 1 juli 2020), worden gehanteerd.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

15 In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 μg/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 μg/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 μg/kg d.s. voor PFOA en 3 μg/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu.

Diverse onderzoeken, ‘Voormalige Julianaschool’ aan de Kon. Julianastraat 13-25 te Fijnaart Rapportnr.: B20.7853(NO) versie: 02 datum: 15 oktober 2020

16

8.

RESULTATEN 8.1.

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat vanaf het maaiveld/onderzijde verharding tot circa 0,5 m-mv uit zeer tot matig fijn, zwak siltig, zand. Vanaf 0,5 tot 1,5 m-mv bestaat de bodem afwisselend uit zeer tot matig fijn, zwak tot matig fijn zand of zwak tot sterk zandige klei. Hieronder is matig tot sterk zandige klei aangetroffen tot de maximaal geboorde diepte van 3,0 m-mv. Zintuiglijk is ter plaatse van boring B08 in de bovengrond (0,05-0,50 m-mv, zand) een zwakke bijmenging met baksteen waargenomen. Verder zijn er zintuiglijk geen overige bijmengen aangetroffen of waarnemingen gedaan, die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 3. Tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden zijn, afgezien van de bijmengingen met baksteen, verder geen bodemvreemd materiaal waargenomen of overige waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Tevens zijn, zowel op maaiveld als in de opgeboorde grond, zintuiglijk (fractie > 20 mm) geen asbestverdachte (plaat)materialen waargenomen. Onderzoek naar asbest conform de NEN 5707 is, ons inziens, niet noodzakelijk op basis van de onderstaande argumentatie. Volgens de NEN 5707 is de eerste stap het bepalen of de aangetroffen bodemvreemde bijmengingen in de bodem wel of niet asbestverdacht zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=fefc8a65-88b1-4ff6-b451-48dbdf06fb38