Bijlage 4.4 Quickscan Flora en Fauna, Buijs Eco Consult B.V., d.d. 22 augustus 2020
Tekst van het document
Memo
memonummer datum aan van project projectnr. betreft
200625-3 22 augustus 2020 de heer B. Hendrikx Gemeente Moerdijk S.J.M.P. Halters Buijs Eco Consult B.V. Uitbreiding woonkern Langeweg 200722 Ecologische quickscan Wet natuurbescherming uitbreiding woonkern Langeweg
Ecologische quickscan Op 26 juni 2020 heeft een terreinbezoek plaatsgevonden op bovengenoemde locatie. De globale locatie van de werkzaamheden is opgenomen in figuur 1.
Figuur 1: Globale planlocatie in rode contour (Bron: opdrachtgever)
Aanleiding en doel De opdrachtgever is aan het onderzoeken om binnen de huidige plangrenzen een uitbreiding van het de woonkern Langeweg te realiseren (woonpercelen incl. omringende openbare ruimte (wegen en parkeerplaatsen).
blad 1 van 13
In het kader van het aspect ‘ecologie’ van deze ruimtelijke ontwikkeling dient er een quickscan gedaan te worden om te bepalen of er mogelijk negatieve effecten voor aanwezige beschermde plant- en/of diersoorten in de (per 1-1-2017 van kracht geworden) Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling ontstaan en vastleggen of de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd en welke voorwaarden hier eventueel voor gelden. De opdrachtgever heeft aan Buijs Eco Consult de opdracht gegeven om in dit kader een quickscan Wet natuurbescherming, onderdeel soortbescherming in het plangebied uit te voeren. Hierbij worden tevens de afstanden tot natuurgebieden besproken, het onderdeel houtopstanden en/of stikstofdepositie is geen onderdeel van deze rapportage. Wettelijk kader Vanuit de Wet natuurbescherming is bij ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het doel van de Wet natuurbescherming is o.a. het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Voor een uitgebreide toelichting op de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 1.
Voor vogels wordt voor niet bestendig beheer en ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing verleend in het kader van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden zijn hierdoor enkel mogelijk buiten de kwetsbare periode (buiten broedseizoen) of indien geen sprake is van aanwezige vogelnesten. Bestaande situatie De planlocatie ligt tegen de bebouwde kom van Langeweg aan in een gebied waar nu intensief beheerd openbaar groen (gazon met bomen) aanwezig is. Aan de randen is een bloemenrand aanwezig. Een overzichtsplaatje van de planlocatie is opgenomen in figuren 2 en 3. Hieruit blijkt eveneens dat de planlocatie niet in NNN gebieden en-of Natura 2000 gebied gelegen is.
Mark Oost
Figuur 2: Ligging plangebied in rode contour met in groen en oranje NNN gebieden (bron: Interactieve kaarten Brabant)
blad 2 van 13
Hollands Diep
Figuur 3: ligging plangebied in blauwe met in rode arcering Natura2000 gebied Hollands Diep (bron ondergrond interactieve Kaarten Brabant)
De locatie is niet gelegen in NNN danwel Natura2000 gebied. Ten zuiden van de planlocatie ligt het dichtstbijzijnde NNN gebied Mark Oost (ecologische verbindingszone) (op ca. 1.400 m afstand). Gezien de beperkte omvang van de werkzaamheden en de grote afstand van > 1.000 m tot regulier NNN gebied zijn de werkzaamheden niet van invloed op deze gebieden. Er vindt geen kwaliteitsverlies door versnippering en/of oppervlakteverlies plaats. Natura2000 gebied de Hollands Diep ligt op ca. 6,7 kilometer afstand aan de andere zijde van een industrieterrein; er vindt als gevolg van het planvoornemen geen kwaliteitsverlies of versnippering plaats. De quickscan geeft geen uitspraken over effecten als gevolg van stikstofdepositie. Vanwege de oppervlakte (> 1.000 m2) en aantal te verdwijnen bomen als gevolg van de ingreep (om en nabij de 20 stuks) raden wij aan om in kader van het onderdeel houtopstanden nader te onderzoeken, danwel te overleggen met bevoegd gezag of sprake is van een houtopstand (en noodzakelijke meldingen, herplantplicht danwel ontheffing). Uitvoering veldcontrole Op 26 juni 2020 is door middel van een veldbezoek ter plaatse van de rode gearceerde deel in figuur 1 door S.J.M.P. Halters van Buijs Eco Consult (verder BEC) beoordeeld of sprake is van rust en/of verblijfsplaatsen van beschermde soorten volgens de Wet natuurbescherming.
Bij de veldcontrole is een algemene beoordeling gemaakt voor de geschiktheid van het gebied voor overige (niet aangetroffen) beschermde soorten. In onderstaande figuur is een impressie van de planlocatie opgenomen.
blad 3 van 13
blad 4 van 13
blad 5 van 13
blad 6 van 13
Figuur 4: impressie plangebied
blad 7 van 13
Conclusie veldbezoek Binnen het plangebied (binnen hekwerk) is openbaar groen in de vorm van gazon (intensief bemaaid) en bomen waargenomen. Aan de rand van het plangebied is een bloemrijke grasberm aanwezig. In het plangebied zijn geen beschermde soorten waargenomen, anders dan algemene broedvogels. Ook worden beschermde functies van andere beschermde soorten niet verwacht. Wel zijn aan de randen van het voorkeursalternatief beschermde functies aanwezig (m.n. in de vorm van beschutting/rust- en vluchtplaatsen voor huismus). Deze functie: naast stofbad en nestgelegenheid dient behouden te blijven om deze jaarrond beschermde soort in het gebied te behouden.
Figuur 5: locaties waargenomen jaarrond beschermde vogels (huismus in geel en oranje van erfafscheidingen) en aangenomen te behouden bomen (o.a. met mogelijke functie voor vleermuizen, in wit)
blad 8 van 13
Ter plaatse kan gedurende het broedseizoen wel sprake zijn beschermde soorten (broedvogels). Jaarrond beschermde soorten (vogels) zijn in het plangebied gezien en worden niet verwacht gezien de beperkte omvang van de bomen. Verder kunnen kleine grondgebonden zoogdieren voorkomen. Kleine marterachtigen worden niet verwacht vanwege het gebrek aan dekking (geen struwelen). Hierdoor heeft het plangebied (niet voldoende dekking voor strikter beschermde soorten zoals kleine marterachtigen. Algemeen voorkomende soorten zoals kleine zoogdieren (muizen, konijn, haas etc.) en amfibieën kunnen voorkomen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt voor algemene soorten een algemene provinciale vrijstelling, uiteraard moet wel de zorgplicht in acht worden genomen. Overige beschermde fauna of beschermde flora zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht. Om de waarnemingen overzichtelijk te maken zijn de bevindingen (en noodzakelijke vervolg) samengevat in de onderstaande tabel: Tabel 1 Beschermde soort/ functieaantasting Vogels met Jaarrond beschermde nesten/verblijfplaatsen
Vogels
Vleermuizen
Overige zoogdieren
blad 9 van 13
Aanwezigheid
Beschermingsregime
Vervolg/actie
Niet binnen plangebied, wel net erbuiten
Vogelrichtlijn, lijst jaarrond beschermde nesten
Ja, diverse soorten waaronder ook in de omgeving de jaarrond beschermde huismus en gierzwaluw, jaarrond beschermde nesten in de bomen binnen het plangebied zijn niet waargenomen. Mogelijk diverse soorten mogelijk (diffuus) aanwezig. Mogelijk wordt ter plaatse ook gefoerageerd, in de directe omgeving is echter ook even zo geschikt (of geschikter) habitat aanwezig. De bomen zijn verder van beperkte omvang (zonder geschikte gaten, kieren en scheuren). De bomen aan de oost- en noordzijde van het voorkeursalternatief hebben mogelijk wel beschermde functies.
Vogelrichtlijn
Zorgvuldig handelen door niet te werken in broedseizoen, of door voorbereidingswerk (kap) buiten broedseizoen uit te voeren en vervolgens zoals in huidig beheer de locatie intensief te beheren (maaien). (Voorbereidend) werk buiten broedseizoen. Zorgvuldig handelen tijdens broedseizoen. m.n. tijdens kap van aanwezige bomen.
Vermoedelijk algemene soorten, algemene vrijstellingsregeling. In grazige begroeiing is te weinig dekking aanwezig voor soorten buiten de vrijstellingsregeling (zoals kleine marterachtigen)
Overige soorten en algemene vrijstellingsregeling.
Habitatrichtlijn
Zorgvuldig handelen, geen strooilicht naar omliggende lijnvormige groenstructuren. En door bomen en overig groen (haagstructuur) buiten het voorkeursalternatief te handhaven blijft in directe omgeving eventuele vliegroute en alternatief foerageergebied aanwezig en blijven grotere bomen behouden. Wanneer ook de (grotere) bomen ten oosten en noorden van het voorkeursalternatief als gevolg van het planvoornemen gerooid moeten worden is nader vleermuisonderzoek (naar iig vliegroute en foerageergebied) alsmede verblijfplaatsen noodzakelijk. Zorgvuldig handelen toepassen, Door voorbereidend werk buiten het voortplantingsseizoen te starten.
Beschermde soort/ functieaantasting Amfibieën en reptielen
Aanwezigheid
Beschermingsregime
Vervolg/actie
Mogelijk algemene soorten
overige soorten, algemene vrijstellingsregeling.
Vissen Overige fauna Flora
-
-
(Voorbereidend) werk buiten voortplantingsseizoen. Zorgvuldig handelen tijdens werkzaamheden. Zorgvuldig handelen toepassen Zorgvuldig handelen toepassen -
Resume en aandachtspunten: 1 De locatie is geen onderdeel van Natura2000 of NNN gebieden die de voorgenomen ontwikkeling bemoeilijkt. Het onderdeel stikstofdepositie is geen onderdeel van deze toetsing. 2 Direct nabij het plangebied (er net buiten) zijn jaarrond beschermde vogelsoorten (huismus en gierzwaluw) waargenomen. Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde vogels waargenomen. Wel dient het functioneel leefgebied (m.n.. huismus groen langs huidige bebouwing en gierzwaluw vrije aanvliegroute) in stand te blijven. Daarnaast zijn ook nestkommen van huiszwaluw in de directe omgeving (buiten plangebied) waargenomen. 3 Wanneer ook openbaar groen ten noorden en oosten van het plangebied als gevolg van het planvoornemen zal verdwijnen zijn maatregelen en vervolgonderzoek nodig om eventuele effecten op vleermuizen te behoordelen en maatregelen voor behoud van huismus noodzakelijk (alternatieve schuil- en rustplaatsen in groen), 4 Daarnaast kunnen in het plangebied broedvogels aanwezig zijn en dient bij de ruimtelijk ontwikkeling tijdens de broedtijd (1 maart tot 1 september) rekening te worden gehouden met eventuele broedvogels. Door de (voorbereidings)werkzaamheden buiten deze periode te plannen wordt invulling gegeven aan het zorgvuldig handelen principe.
5 Indien werkzaamheden in het broedseizoen starten is een veldinspectie ecologie noodzakelijk om vast te beoordelen of het terrein vrij is van beschermde soorten. Literatuur Bekker, D.L. & J.B.M Thijssen 2012. Verspreidingsonderzoek, Nederlandse Zoogdieren. VONZ 2011. Rapport 2012.03. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Diepenbeek, A. van, 1999. Veldgids diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Strumpel, T. & Strijbosch H., 2006. Veldgids amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Wynhoff, I., Swaay, van C., & Made van der J., Veldgids Vlinders, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Kennisdocument buizerd versie 1.0, 1 juli 2017, BIJ12 Kennisdocument gewone dwergvleermuis versie 1,0, 1 juli 2017, BUIJ12 Websites: www.brabant.nl www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is een uiteraard een steekproef. Het is dan ook mogelijk dat soorten en functies niet waargenomen zijn, terwijl dat ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig zijn. Dit is echter acceptabel, de Wet natuurbescherming vraagt een initiatiefnemer om alles te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is dan ook voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het vooronderzoek heeft de initiatiefnemer dan ook gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
blad 10 van 13
Bijlage 1 Wettelijk kader Hieronder volgt een algemene beschrijving van de Natuurwetgeving, gevolgd door betreffende onderdelen van de wetgeving. De Nederlandse natuurwetgeving De Nederlandse natuurwetgeving valt uiteen in gebiedsbescherming en soortbescherming. De gebiedsbescherming is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingsweg 1998 en omvat de Natura 2000-gebieden. Per 01/01/2017 zijn beide onderdelen (en de Boswet) geïntegreerd in de Wet natuurbescherming (Wn). Gebiedsbescherming In de Natura 2000 gebieden zijn de beschermde natuurmonumenten alsmede de gebieden met de status Vogel- en/of de Habitatrichtlijngebied (Voorheen Speciale beschermingen Zones, Sbz’s) opgenomen. Globaal kan worden gesteld dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebiedsspecifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied. Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking.
Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen e projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden gedood, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield. Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord. Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wn) staan vernoemd in onderstaand kader.
blad 11 van 13
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wn)
Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken
De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Overige ‘nationaal beschermde’ soorten: Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’.
blad 12 van 13
Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd.
Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk.
Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar probleemloos worden gewerkt. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien.
blad 13 van 13