Bijlage 4.2 Milieuparagraaf BMZ, EV en lucht, Omgevingsdienst Midden- en West Brabant, d.d. 13 augustus 2020
Tekst van het document
tr
MILIEUPARAGRAAF WETHOUDER TROMPERSSTRAAT TE LANGEWEG Voor de onderdelen: Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Lucht
Opdrachtgever: Uitvoering: Opgesteld door: Collegiale toets door: Projectnummer: Datum rapport:
Gemeente Moerdijk De heer B. Hendrikx Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Postbus 75 5000 AB TILBURG Volkert Buil Martijn van der Wielen 20060987 13 augustus 2020
Dit advies is gebaseerd op de geldende wet- en regelgeving. Indien u het advies niet direct gebruikt, dient u er rekening mee te houden dat wet- en regelgeving aan verandering onderhevig zijn en het advies naar verloop van tijd mogelijk (op onderdelen) niet meer correct is. Bij twijfel hierover kunt u met ons contact opnemen, zodat wij u kunnen adviseren over de bruikbaarheid van het advies.
Inhoudsopgave Bijlagen: ........................................................................................................................ 1 1 Inleiding .................................................................................................................. 2 2 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................ 3 3 Externe veiligheid ...................................................................................................... 7 4 Lucht..................................................................................................................... 10
Bijlagen: • •
Standaard verantwoording groepsrisico Standaard advies Veiligheidsregio
1
1
Inleiding
De gemeente Moerdijk is bezig met de voorbereiding van het bestemmingsplan voor de locatie Wethouder Trompersstraat Langeweg. Met het bestemmingsplan worden maximaal 20 woningen mogelijk gemaakt. Het plangebied wordt aan de noordzijde globaal begrensd door de provinciale weg N285, aan de zuid- en oostzijde door de grens van de huidige woonwijk en aan de westzijde door agrarische gronden. De gemeente Moerdijk heeft de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant gevraagd om een milieuparagraaf op te stellen voor de onderdelen: 1. Bedrijven en milieuzonering. 2. Externe veiligheid. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een verbeelding en stedenbouwkundig verkavelingsplan opgesteld. Voor de ruimtelijke procedure zijn de planologische mogelijkheden, zoals bepaald door de verbeelding en regels, het uitgangspunt. Op moment van schrijven van dit advies beschikte de OMWB nog niet over een verbeelding.
Afbeelding 1: Globale begrenzing plangebied
2
2 Bedrijven en milieuzonering 2.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009). Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNGpublicatie overgenomen. Tabel 1: Milieucategorieën en richtafstanden Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 1500
Richtafstanden tot omgevingstype ‘gemengd gebied’** in meters 0 10 30 50 100 200 300 500 700 1000
* Indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).
Wijze van meten De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functies) die volgens het (bestemming)plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Twee omgevingstypen De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: •
Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.
•
Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
3
2.2
Toetsing
Woningen zijn gevoelige objecten Woningen zijn op basis van de VNG-publicatie gevoelige objecten. Om die reden moet worden beoordeeld of het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen aanvaardbaar is en in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen door de woningbouwontwikkeling worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Omgevingstype gemengd gebied Het gebied is gelegen in de directe invloedsfeer van hoofdinfrastructuur, namelijk de provinciale weg N285. Om die reden is in januari 2020 de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer op de N285 in beeld gebracht.1 Uit deze quickscan blijkt dat het wegverkeer op de N285 een geluidsniveau in het plangebied veroorzaakt van 53 dB tot meer dan de 63 dB (inclusief de aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). Gelet op dit relatief hoge geluidsniveau is het plangebied te typeren als gemengd gebied. Milieubelastende functies in de omgeving In de omgeving het plangebied komen enkele potentieel milieubelastende functies voor. Het gaat om de volgende percelen: • Wethouder Trompersstraat 42/42a; • Wethouder Trompersstraat 52; • Zuiddijk 19/19a; • Hamseweg 7; • Hamseweg 11; • De Langeweg 13a; • De Langeweg 22/22a. Wethouder Trompersstraat 42/42a Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v.
woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 49 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Wethouder Trompersstraat 52 Deze gronden hebben de bestemming ‘Wonen’ met een functieaanduiding ‘horeca’. Deze functieaanduiding staat horecabedrijven in milieucategorie 1 toe. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 0 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 135 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Zuiddijk 19/19a Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 68 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Hamseweg 7 Deze gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn ter plaatse bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 30 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 149 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Hamseweg 11 Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarisch’ met functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Deze bestemming omvat agrarische bedrijven t/m milieucategorie 4.1.
Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 100 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 540 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.
1
Advies geluid geluidbelasting N285 op plangebied Wethouder Trompersstraat in Langeweg, Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant d.d. 15 januari 2020
4
De Langeweg 13a Deze gronden hebben de bestemming ‘Agrarische doeleinden, glastuinbouw’. Binnen deze bestemming zijn agrarische bedrijven (glastuinbouw) in milieucategorie 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 10 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 550 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. De Langeweg 22/22a Deze gronden hebben de bestemming ‘Kantoordoeleinden’. Kantoren behoren tot milieucategorie 1. Hiervoor geldt een richtafstand t.o.v. woningen in gemengd gebied van 0 meter. De feitelijke afstand tot het plangebied bedraagt circa 580 meter. Er wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Spuitzones Het plangebied grenst aan de westzijde direct aan agrarische gronden. De agrarisch gronden aan de noordzijde, aan de overzijde van de provinciale weg, liggen op een afstand van circa 50 meter. De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn in het vigerende bestemmingsplan bestemd voor akker- en vollegrondstuinbouw, fruitteelt, sierteelt en boomkwekerij. Deze bestemmingen sluiten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uit. Door het van gewasbeschermingsmiddelen kan afhankelijk van de weersomstandigheden drift, het verwaaien van spuitvloeistof tot buiten het perceel, optreden.
Bij bouw van nieuwe woningen moet daarom rekening worden gehouden met voldoende afstand tussen de agrarische activiteiten en de omliggende (nieuwe) woonbestemmingen. Hiervoor geldt geen wettelijk aan te houden afstand. Op basis van jurisprudentie wordt in het algemeen een indicatieve veiligheidsafstand van 50 meter aangehouden vanaf de grens van het agrarische perceel tot de omliggende woonbestemmingen. Deze afstand kan worden verkleind door enerzijds driftreducerende spuitdoppen te gebruiken en anderzijds afschermende maatregelen zoals de aanplant van een (dubbele) windhaag of een houtwal. Indien nieuwe woningen binnen 50 meter van het agrarische perceel worden geprojecteerd moet met een onderzoek worden onderbouwd dat aan te houden afstand (spuitzone) in dit geval kan worden gereduceerd bijvoorbeeld door het treffen van bepaalde maatregelen. Veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren.
Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object). De dichtstbijzijnde veehouderijen zijn gelegen op circa 600 meter van het plangebied. Het betreft enerzijds een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactoren (De Langeweg 15). Hiervoor geldt een vaste afstand van 100 meter. Hier wordt ruimschoots aan voldaan. De andere veehouderij is gelegen aan de Hamseweg 11 en heeft een vergunde geuremissie van 28.836 oU/s. Voor deze veehouderij is in een quickscan bepaald wat de globale voorgrondbelasting is op de rand van het plangebied. Dit betreft 1,5 OU/m3 waar de geurnorm op 2 OU/m3 ligt.
Daarmee wordt voldaan aan de geurnorm op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. De bedrijfsvoering van het bedrijf wordt niet beperkt omdat er bovendien aan de Hamseweg 9 en de Langeweg 19 reeds woonbestemmingen liggen tussen de veehouderij en de woning in. Om aan te tonen dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is, wordt een achtergrondgeurbelasting berekening uitgevoerd.
5
2.3
Conclusie
Het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kan belemmeringen opleveren voor nieuwe woonbestemmingen binnen 50 meter van de agrarische gronden aan de westzijde van het plangebied (spuitzone). Geadviseerd wordt bij de landschappelijke inpassing van het plangebied te onderzoeken welke maatregelen getroffen kunnen worden om spuitzone zoveel mogelijk terug te brengen. Om aan te tonen dat het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is, wordt een achtergrondgeurbelasting berekening uitgevoerd. Afgezien van de spuitzone gelden er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen voor de haalbaarheid van het plan. Het woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt.
6
3 Externe veiligheid 3.1
Toetsingskader
3.1.1 Inleiding Externe veiligheid gaat over de risico’s voor de omgeving door opslag, productie en transport van gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden bij ruimtelijke ontwikkelingen beoordeeld aan de hand van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is een (berekende) afstand vanaf een risicobron, waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand (de plaatsgebonden risicocontour) mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar (PR 10-6) is bij woningen en andere kwetsbare objecten een wettelijke grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. Als het plangebied in het invloedsgebied van een risicobron ligt is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Afhankelijk van de afstand tot de risicobron en de hoogte van het groepsrisico kan dit een beperkte of uitgebreide verantwoording zijn.
Bij een beperkte verantwoording hoeft het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking. Bij een uitgebreide verantwoording moet ook de hoogte van het groepsrisico worden berekend en worden onderzocht welke (ruimtelijke) maatregelen genomen kunnen worden om het groepsrisico te beperken.
3.1.2
Wettelijk kader
Binnen externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk: inrichtingen, transportroutes (weg, water en spoor) en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Hiervoor geldt de volgende regelgeving. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag vanwege het plaatsgebonden risico bepaalde afstanden aan te houden tussen (beperk) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven. In het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Voor het groepsrisico geeft het Bevi een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht Besluit externe veiligheid transportroutes In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen. Er is een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: snelwegen, hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). In de Regeling basisnet staan per trajectdeel vaste afstanden voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstanden zijn kwetsbare objecten niet toegestaan.
Ook is per trajectdeel aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied: een zone van 30 m naast de infrastructuur, waarin aanvullende bouweisen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Bij ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute, is een verantwoording van het groepsrisico nodig. Deze verantwoording heeft in elk geval betrekking op de mogelijkheden voor rampenbestrijding en de zelfredzaamheid van de bevolking.
7
Indien het plan binnen 200 meter van een transportroute ligt, moeten ook andere elementen in de verantwoording worden meegenomen. Het gaat daarbij om een berekening van de hoogte van het groepsrisico en het betrekken van mogelijke ruimtelijke maatregelen in het besluit. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen. De normstelling ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast hebben buisleidingen waarop het Bevb van toepassing is een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt 4 of 5 meter van 4 of 5 meter aan weerzijden van de buisleiding, afhankelijk van de druk in de leiding. 3.1.3 Gemeentelijke kaders De gemeente Moerdijk beschikt over een standaard verantwoording als hulpmiddel voor het opstellen van de paragraaf ‘externe veiligheid’ in ruimtelijke plannen. De standaard verantwoording geeft een beschrijving van de scenario’s en de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking en gaat op globale wijze in op het groepsrisico.
3.2
Toetsing
Het plan voorziet in de ontwikkeling woningen. Woningen zijn kwetsbare objecten. Met behulp van de risicokaart en EV-signaleringskaart is daarom nagegaan welke risicobronnen in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn.
Afbeelding: Risicobronnen en plangebied (bron: EV-signaleringskaart) 3.2.1 Inrichtingen Het plangebied binnen het invloedsgebied van twee risicovolle inrichtingen op het industrieterrein Moerdijk: Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. en Shell Nederland Chemie B.V. Om die reden moet het groepsrisico worden verantwoord voor de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van
8
de bevolking. Van geen enkele risicovolle inrichting strekt de plaatsgebonden risicocontour (PR 10 6 ) zich uit tot het plangebied. 3.2.2 Transport In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd: Transportroute Afstand tot plangebied Invloedsgebied* Rijksweg A16 (Basisnet weg) > 1700 meter 880 meter Rijksweg A17 (Basisnet weg) > 4000 meter > 4000 meter Provinciale weg N285 ca. 15 meter 355 meter Spoortraject Roosendaal > 1500 meter > 4000 meter Dordrecht (Basisnet spoor) Spoortraject Breda - Dordrecht > 1800 meter > 4000 meter (Basisnet spoor) * Invloedsgebied op grond van categorieën gevaarlijke stoffen die worden vervoerd. Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) van een transportroute. De provinciale weg N285 heeft geen contour voor het plaatsgebonden risico. Alle basisnetroutes zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Vanwege toxische scenario’s ligt het plangebied wel in het invloedsgebied van Rijksweg A17, het spoortraject Roosendaal – Dordrecht en het spoortraject Breda - Dordrecht. Om die reden moet het groepsrisico worden verantwoord voor de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid van de bevolking. Het plangebied ligt binnen 200 meter in het invloedsgebied van provinciale weg N285.
Voor de hoogte van het groepsrisico is de hoeveelheid brandbare gassen (GF3) bepalend. Op basis van een inventarisatie van de OMWB gaan naar schatting 25 transporten per jaar aan GF3 op dit traject van de N285. Uitgaande van een afstand van minimaal 20 meter tot de woonbebouwing, mag bij deze intensiteit een bebouwingsdichtheid tot circa 450 personen per hectare voorkomen, wil sprake zijn van een groepsrisico van 0,1 x OW of lager. Dit kan worden opgemaakt uit de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART), uitgaande van eenzijdige bebouwing en een weg buiten de bebouwde kom er jaar. Voor de dichtheid van een woning wordt 2,4 personen in de avond/nachtperiode gerekend. Een dichtheid van 450 personen per hectare is passend bij hoogstedelijk gebied en zal hier met zekerheid niet gehaald worden. Om die reden kan volstaan worden met een beperkte verantwoording, waarin de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid aan bod komen. 3.2.3 Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen een belemmeringenstrook, plaatsgebonden risicocontour (PR 10 -6) of invloedsgebied van een planologisch relevante leiding voor gevaarlijke stoffen. Er wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig.
3.3
Conclusie
Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van een aantal risicobronnen (inrichtingen en transportroutes) ligt, moet het groepsrisico beperkt worden verantwoord. Hiervoor wordt verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Moerdijk.
9
4 Lucht 4.1
Toetsingskader
Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: • de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; • het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; • de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; • de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; • de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; • het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: • als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); • als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); • als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); • als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of • het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood, koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: • voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; • voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; • voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden.
Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.2
Situatie ter plaatse
Met het bestemmingsplan worden 20 woningen mogelijk gemaakt. Deze functies behoren rechtstreeks tot de categorieën die genoemd zijn in de Regeling ‘Niet in betekenende mate’. Om die reden staat vast dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met 10
behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. Woningbouw wordt niet gerekend tot de gevoelige bestemmingen als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Om die reden gelden vanuit dit besluit geen nadere aandachtspunten. 4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
11