CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3a - Toelichting - Ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Julianastraat Moerdijk

Raadsvergadering 8 juni 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling ontwerpbestemmingsplan Woningbouw Julianastraat Moerdijk18.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

g Ëil]ËÊfr te

Moerdük

O ntwerpbestem m i nsspl an ltoelichtinsl

WOFJ ING BOUW J U LIANASTRAAT M0ER$Ut{

Behoort bij besluit van de raad van de 'ftt gemeente Moerdijk d.d.

8

mij bekend, de raadsg

ñ'r

alR3

Figuur 1.1: ligging planlocatie aan de noord-oostzijde van de gemeente Moerdijk, aangegeven met de rode stip

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Planvorming 1.5 Leeswijzer

6 6 7 8 8

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Stedenbouwkundige visie

9 10

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid o 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) o 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

11 11 11 12

3.3 Provinciaal en regionaal beleid o 3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant o 3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

13 13 14

3.4 Gemeentelijk beleid o 3.4.1 Strategische Visie voor Moerdijk 2030 o 3.4.2 Structuurvisie ‘’Moerdijk 2030’’ o 3.4.3 Energieprogramma Moerdijk 0.9

17 17 21 21

3.5 Toetsing en conclusie

22

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Inleiding 4.2 M.e.r.-beoordeling o 4.2.1 Kader o 4.2.2 Onderzoek

23 23 23 23

4.3 Water

24

o o

4.3.1 Kader 4.3.2 Onderzoek van water

24 33

o

4.3.3 Verkennend waterbodemonderzoek

35

4.4 Bedrijven en milieuzonering o 4.4.1 Kader o 4.4.2 Onderzoek

36 36 36

4.5 Akoestische aspecten o 4.4.1 Kader o 4.4.2 Onderzoek

37 37 37

4.6 Verkeer en parkeren o 4.6.1 Kader

38 38

3

o

4.6.2 Onderzoek

38

4.7 Bodem o 4.7.1 Kader o 4.7.2 Onderzoek

39 39 39

4.8 Externe veiligheid o 4.8.1 Kader o 4.8.2 Onderzoek

40 40 41

4.9 Kabels en leidingen o 4.9.1 Kader

41 41

4.10 Luchtkwaliteit o 4.10.1 Kader o 4.10.2 Onderzoek

41 41 41

4.11 Flora en fauna o 4.11.1 Kader o 4.11.2 Onderzoek

42 42 42

4.12 Archeologie o 4.12.1 Kader o 4.12.2 Onderzoek

44 44 45

4.13 Cultuurhistorie o 4.13.1 Kader o 4.13.2 Onderzoek

45 45 45

4.14 Duurzaamheid o 4.14.1 Kader o 4.14.2 Belangrijke duurzaamheidsaspecten

46 46 48

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten 6.1 Verantwoording planvorm 6.2 Opbouw regels

51 51

4

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op het perceel gelegen aan Julianastraat te Moerdijk bevindt zich een braakliggend grasveld. De gemeente Moerdijk is voornemens hier woningen te realiseren. Het momenteel vigerend bestemmingsplan betreft 'Kern Moerdijk’, wat vastgesteld is in 2016. De bestemming die woningbouw mogelijk maakt past niet binnen het huidige bestemmingsplan, waardoor er een nieuw bestemmingsplan moet worden opgesteld.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied betreft het perceel Gemeente Moerdijk, Sectie D, nummer 1296. Het plangebied omvat het braakliggende grasveld aan de Julianastraat in de kern Moerdijk en is gelegen aan de rand van de kern, ten zuiden van de Julianastraat. De grenzen van het plangebied worden gevormd door de aangrenzende woningen aan de oostkant, de dijk aan de westkant en de Julianastraat aan de noordkant.

Figuur 1.2: ligging van het plangebied (wit omkaderd) in Moerdijk (bron: googlemaps.nl)

6

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied is momenteel juridisch-planologisch geregeld in de volgende bestemmingsplannen: • Veegplan kernen 2017, vastgesteld op 27 september 2018 • Kern Moerdijk, vastgesteld op 24 november 2016 Op basis van het bestemmingsplan Kern Moerdijk bestaan de volgende enkel-, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen in het plangebied: • Enkelbestemmingen 1. Agrarisch 2. Bedrijf Op basis van het bestemmingsplan Kern Moerdijk is de Archeologische dubbelbestemming (Waarde 6) toegekend aan de locatie. Een uitsnede van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in afbeelding 1.3

7

1.4 Planvorm Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader waarbinnen in dit plangebied 8 woningen mogelijk worden gemaakt. Er wordt uitgegaan van een plan, waarin de verbeelding en de bestemmingsplanregels leidend zijn. De locatie van de bestemming wordt geometrisch bepaald (dus met behulp van coördinaten). Het aantal bouwlagen, de bouwhoogte en het bouwvlak worden aangegeven op de verbeelding. De verbeelding dient dus als hoofdinstrument van het nieuwe bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die gemaakt zijn bij de ontwikkeling van dit nieuwe bestemmingsplan onderbouwd d.m.v. regionale-, provinciale en rijks beleidsstukken en de bijbehorende onderzoeken.

1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het initiatief nader beschreven. Daarbij komt de huidige situatie aan bod en wordt vervolgens ingegaan op de toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 schetst het relevante beleidskader voor het plan. Daarbij wordt ingegaan op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 worden de omgevings- en milieuaspecten behandeld, waaraan de nieuwe ontwikkeling wordt getoetst. Hoofdstuk 5 beschrijft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan en tot slot wordt in hoofdstuk 6 de afweging en conclusie uiteengezet.

8

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Aan de Julianastraat in Moerdijk is een braakliggend stuk groen terrein gelegen. Op het meest westelijke deel van het perceel was vroeger een bedrijf gevestigd. Dit bedrijf is een aantal jaar geleden gesloopt, waardoor het perceel er momenteel uitziet zoals te zien is in figuur 2.1. De gemeente Moerdijk is grondeigenaar van dit perceel.

Figuur 2.1: vogelvlucht plangebied (huidige situatie) (bron: Nedbrowser)

Figuur 2.2: plangebied gezien vanaf de Julianastraat (bron: Nedbrowser)

9

2.2 Stedenbouwkundige visie De gemeente Moerdijk is voornemens om woningbouw mogelijk te maken in het plangebied. De gemeente heeft hiervoor onderstaande stedenbouwkundige schets opgesteld. Het plangebied is gericht op het mogelijk maken van 8 woningen. Het betreffen hierbij uitsluitend aaneengesloten grondgebonden woningen. De ontsluiting van de woningen zal plaatsvinden door middel van de aangelegen Julianastraat. Ook zal er een weg met parkeerkoffer in het gebied zelf worden aangelegd. Met deze weg wordt voorgesorteerd op een mogelijke uitbreiding in de toekomst. De voorgevelrooilijn ligt op 3 meter van de voorste perceelsgrens. Toekomstig bewoners hebben dus een voortuin van 3 meter diep. Het hoofdgebouw heeft een maximale diepte van 10 m en een maximale breedte van 5 m. De woningen zijn aan de achterzijde bereikbaar middels een trottoir. Dit bestemmingsplan is expliciet bedoeld voor de bouw van minimaal 8 rijwoningen. Andere woonvormen zijn hier niet van toepassing. Aan de voorzijde van de woningen is er ruimte gemaakt voor 9 langsparkeerplaatsen en aan de zijkant van de meest oostelijke woning bevindt zich een weg met daarin 10 parkeerplaatsen (totaal dus 19 parkeerplaatsen). Op de plaats van de ingetekende langsparkeerplaatsen, staan momenteel 7 bomen. Bestaande bomen worden (waar mogelijk) gehandhaafd.

De noordelijke watergang wordt door de toevoeging van het woningbouwproject gedempt. Deze wordt aan de onderzijde volledig gecompenseerd. De watergang aan de oostkant heeft nu geen doorstromingsfunctie meer en kan dus worden ingezet voor waterberging. Daarnaast voorziet de wadi aan de noordwestkant ook in waterbergingsbehoefte.

Figuur 2.3: stedenbouwkundige schets

10

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader 3.1 Inleiding Het plan moet worden getoetst aan het nu geldende relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is dit beleid nader beschreven. Paragraaf 3.2 gaat in op het Rijksbeleid. Paragraaf 3.3 behandelt het provinciale en regionale beleid. Het relevante gemeentelijk beleid staat in paragraaf 3.4. Paragraaf 3.5 geeft vervolgens de conclusies. Het Rijks- en provinciaal beleid zoals hieronder beschreven geven geen aanleiding voor specifieke keuzes of ontwikkelingen in het plangebied. Op gemeentelijk niveau wordt door middel van de structuurvisie en verschillende paraplunota’s richting gegeven aan de gewenste ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan sluit hierbij waar mogelijk aan.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Ook in de toekomst moet Nederland een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving bieden en economisch kunnen floreren. Daarom is het van belang om inzicht te hebben in de opgaven waar Nederland voor staat. De druk op de ruimte, op onze leefomgeving, vraagt voortdurend om afweging van verschillende belangen. Internationale ontwikkelingen, de invloed van technologie en de groeiende verschillen tussen regio’s vragen om snellere, creatieve en integrale afwegingen. Het klimaat verandert en er moet zorgvuldiger worden omgaan met energiebronnen en grondstoffen. Ook daaruit vloeien nieuwe opgaven. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De eerste Nationale Omgevingsvisie is in september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving, omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050. Dit toekomstperspectief voor Nederland is: •

Een klimaatbestendige delta, waarbij Nederland beschermd is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering, waterveiligheid (ook voor de laaggelegen gebieden in het westen) gegarandeerd is en voldoende zoetwater beschikbaar is van goede kwaliteit;

•

Duurzaam, concurrerend en circulair: een toekomstbestendige en volledig circulaire economie zonder vervuilende manieren van produceren en consumeren, met een uitstekend vestigingsklimaat en een hoge quality of life, met een zo goed mogelijke inpassing van duurzame energie in onze leefomgeving en slimme combinaties van functies zonder de risico's en milieunadelen te vergroten. Een economie die veel maatschappelijke winst oplevert in termen van banen, innovatie en nieuwe bedrijvigheid en exportmogelijkheden;

•

Kwaliteit van leven in stad en dorp: met een aantrekkelijke woon- en leefomgeving en een goede verbondenheid van stad en land. De ontwikkelingen zijn gericht op kwaliteit, met gecontroleerde en doordachte groei waar dat nodig is, waardoor diversiteit in wonen, een stedelijk netwerk, prettige woonmilieus, met rust en ruimte maar ook vitale en leefbare regio's ontstaan.

11

•

Nabijheid en betrouwbare verbindingen: een uitstekende bereikbaarheid wordt met een goede en betrouwbare infrastructuur gegarandeerd, waarbij wordt ingespeeld op locatiekeuzes voor wonen en werken (nabijheid). De infrastructuur is onderdeel van een mobiliteitssysteem dat een meer divers patroon van mobiliteit veilig, robuust en duurzaam afhandelt. Luchthavens blijven belangrijk voor een sterk internationaal netwerk voor de lange afstanden. De uitdaging is om het vliegverkeer net als het goederenvervoer op een zo veilige, efficiënte en duurzame manier vorm te geven.

•

Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk: een veilig en gezond leven voor iedereen staat voorop. De leefomgeving nodigt uit om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te ontspannen. Daarbij horen een goede milieukwaliteit, robuuste natuur, klimaatbestendigheid en voor iedereen goede toegang tot wonen, werken en voorzieningen.

Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomsperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemd het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een duurzame en concurrerende economie; 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; 4. Naar een waardevolle leefomgeving.

Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema’s die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Voorliggend plan voorziet in een nieuwe ruimtelijke en woonkwaliteit, en draagt daarmee bij aan de woon- en leefomgeving in het dorp Moerdijk. Er wordt aandacht besteed aan duurzaamheid en de diverse thema’s, waaronder milieu, veiligheid, cultuurhistorie, water en bodem worden in hoofdstuk 4 nader toegelicht. De NOVI krijgt doorwerking op lagere beleidsniveaus. De relevante beleidsstukken op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau zijn in de navolgende paragrafen getoetst. Tot slot zijn op rijksniveau geen belangen benoemd die rechtstreeks van invloed zijn op het plangebied. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro bevat inhoudelijke regels van de rijksoverheid waaraan ruimtelijke plannen, zoals dit bestemmingsplan, moeten voldoen. Het Barro bevat regels over Project Mainportontwikkeling Rotterdam (Maasvlakte II), Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie (militaire terreinen, munitie, militaire luchtvaart), Erfgoed (Unesco). Het Barro bevat geen specifieke uitspraken met betrekking tot het voorliggende plangebied.

Er zijn met dit plan geen rijksbelangen in het geding. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, 12

woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien een bestemmingsplan wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten bevat, kan bij het moederplan worden bepaald dat de Laddertoets zich niet richt op de toelichting bij het moederplan, maar op de toelichting bij het wijzigings- of uitwerkingsplan. Toetsing en conclusie Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Wanneer een bestemmingsplan voorziet in maximaal 8 woningen die, gelet op hun onderlinge afstand, worden gezien als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, wordt de ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid Behoefte Provinciale ramingen In de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (actualisering 2020) is een prognose gegeven van de woningbehoefte voor de komende jaren op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Op basis van de provinciale prognose geldt voor de gemeente Moerdijk in de periode 2020-2030 een uitbreidingsbehoefte van 1.365 woningen. De groei is bijna volledig toe te schrijven aan de toename van eenpersoonshuishoudens. Bij deze prognose is nog geen rekening gehouden met de mogelijke extra woningbouwopgave vanwege de ontwikkeling van het Logistiek Park Moerdijk: 900-1170 wooneenheden. In de meest actuele prognoses wordt een indicatieve toename van de woningvoorraad tussen 2020- 2040 geschat op 1.365 woningen. Dit programma is richtinggevend voor (sub)regionale woningbouwplanning en programmering. Gemeentelijke bestemmingsplannen, die voorzien in de nieuwbouw van woningen of anderszins leiden tot een (netto) toename van de woningvoorraad, dienen te passen binnen dit regionale afsprakenkader. Ook de actielijnen en richtinggevende principes uit de Brabantse Agenda Wonen zijn hierbij een belangrijke leidraad. Dat betekent onder meer duurzame verstedelijking, inzetten op vraaggericht, flexibel planaanbod met ruimte voor nieuwe woonvormen en versterking van regionale samenwerking en afspraken.

3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Deze vervangt 4 provinciale beleidsplannen: de beleidsplannen over milieu en water (PMWP), verkeer en vervoer (PVVP), ruimtelijke ordening (Structuurvisie RO) en natuur (BrUG). Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant voor de toekomst (2050). De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor- en nadelen die daaraan kleven. De regio West-Brabant wordt door de Provincie Noord-Brabant omschreven als een regio te midden van grote economische activiteit. De ligging tussen Rotterdam en Antwerpen in maakt de regio interessant. De Provincie ziet de regio zich ontwikkelen naar een innovatieve regio waar kwaliteit boven kwantiteit gaat en innovatie en duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Dit alles met begrip en respect voor de omgeving, natuur en landschap. De provincie wil inzetten 13

op een welvarende meer verbonden, klimaatproof en vernieuwende leefomgeving waar wonen, werken en recreëren samen gaan. De Omgevingsvisie kent als basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd: • • • •

werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan een slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Onderhavig plan betreft de realisatie van 8 rijwoningen. Deze ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de provinciale hoofdopgaven. Energie: de energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Klimaatproof: één van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van het perceel kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Denk hierbij aan voldoende ruimte voor waterberging, eventueel groene daken, zonnepanelen etc. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt. Slimme netwerkstad: een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. Het plan voorziet in een concrete behoefte aan woningbouw.

Ruimtelijk gezien past het plan in het stedelijk weefsel van de kern Moerdijk, waardoor bestaande netwerken en ontsluiting slim kunnen worden gebruikt om de woningbehoefte aan te vullen. Economie: onderdeel van een concurrerende en duurzame economie is het voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Door realisatie van een vraaggericht woningaanbod en een zorgvuldige inpassing van de woningen wordt een bijdrage geleverd aan de leefomgeving en daarmee aan het vestigingsklimaat. 3.3.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Naast de Omgevingsvisie kent de Provincie Noord-Brabant de Interim omgevingsverordening NoordBrabant (vastgesteld in oktober 2019). In de omgevingsverordening staan de regels die de provincie stelt aan de bestemmings- en omgevingsplannen van gemeenten. Met de Interim omgevingsverordening bereidt de provincie Noord-Brabant de komst van de Omgevingswet voor. De omgevingsverordening is geschreven met oog voor burgers, gemeenten en waterschappen. Voor onderhavig plan is hoofdstuk 3 van de verordening van belang, dit hoofdstuk bevat de instructieregels voor gemeenten. De relevante afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden. In cursief wordt toegelicht hoe onderhavige ontwikkeling aan de respectievelijke bepalingen voldoet. 14

Stedelijk gebied Het realiseren van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient binnen het 'Stedelijk gebied' plaats te vinden (artikel 3.42 duurzame stedelijke ontwikkeling). Deze ontwikkellocatie bevindt zich dan ook binnen het stedelijk gebied. Moerdijk in de kern Moerdijk is de extra woningbehoefte zo’n 40 woningen. Dit is de autonome woningbehoefte op basis van de provinciale prognose. Moerdijk heeft een zeer gunstige ligging ten opzichte van het Haven- en industriegebied. De ontwikkelingen in de komende jaren daar kunnen zorgen voor extra woningbehoefte van nieuwe werknemers. Aandachtpunt is het voorzieningenniveau. In Moerdijk ontstaat extra behoefte aan rijwoningen in de koopsector en koopappartementen. Daarnaast ontstaat er enige aanvullende vraag naar huurappartementen en is er een beperkte extra behoefte aan vrijstaande koopwoningen. Eengezinshuurwoningen komen in Moerdijk mogelijk onder druk te staan. Echter, aan deze woningen is ook behoefte onder potentiële werknemers die werk vinden op het Logistiek Park Moerdijk en het industriegebied. Tijdens de bewonersavond werd er op gewezen dat er al lange tijd niet meer is gebouwd in Moerdijk en dat met name starters problemen hebben om aan een woning te komen. Daarbij werd er op gewezen dat starters in Moerdijk de voorkeur geven aan een nieuwbouwwoning.

Conclusie behoefte Voorliggend plan sluit aan op de woningbouwbehoefte in de kern Moerdijk Bestaand stedelijk gebied Op grond van provinciaal beleid dient eerst te worden gekeken naar mogelijkheden binnen bestaand stedelijk gebied. Inbreiding gaat voor uitbreiding. Indien er geen binnenstedelijke locaties beschikbaar zijn om in de behoefte te voorzien, kan worden gekozen voor locaties aansluitend op het stedelijk gebied. Als laatste optie kan ontwikkeling in het buitengebied plaatsvinden, mits voorzien van goede inpassing. De planlocatie bevindt zich aan de zuidkant van de kern Moerdijk, binnen het bestaand stedelijk gebied. Tot slot kan worden betoogd dat de gronden ter plaatse in bezit zijn van de gemeente. Daarmee kan relatief snel tot de gewenste realisatie worden overgegaan. Conclusie De 8 woningen van onderhavig plan passen binnen de woningbouwcapaciteit van de gemeente Moerdijk. Woningbouwplannen met minder dan 10 woningen, hoeven niet regionaal afgestemd te worden. Echter tellen ze wel mee in de totale productie. De locatie bevindt zich op een ruimtelijk goed inpasbare locatie binnen het stedelijk gebied. Evenwichtige toedeling van functies De provincie heeft in de verordening een bepaling omtrent evenwichtige toedeling van functies opgenomen.

In artikel 3.5 is een zorgplicht opgenomen voor een goede omgevingskwaliteit, waarbij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voorzien.

15

Omgevingskwaliteit Uit artikel 3.5 komt naar voren dat aan een drietal aspecten getoetst moet worden om een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving te waarborgen. Dit zijn de volgende aspecten: a. Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6) Toetsing: het plan betreft een vorm van verstelijking in bestaand stedelijk gebied. De grond is momenteel niet in gebruik. Het is een braakliggend grasveld met de bestemming ‘agrarisch’ en ‘bedrijven’. De locatie wordt omsloten door een weg aan de noordzijde, bebouwing aan de oostzijde en natuurgebied aan de zuidzijde. De locatie kan daarom worden aangemerkt als onderdeel van de bebouwde kern van Moerdijk. Door met de voorgenomen ontwikkeling woningbouw te realiseren op deze locatie, wordt voorzien in een maatschappelijke behoefte aan woningbouw zonder dat open gronden in het buitengebied hoeven te worden opgeofferd. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik; b. De waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7) De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond: zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b.

de netwerklaag: zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de occupatielaag: zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Toetsing: Het plan zorgt niet voor een wijziging in de eerste twee lagen. Doordat woningen worden toegevoegd leidt dit tot een beperkte aanpassing van de occupatielaag. Het toevoegen van de woningen in aansluiting op de kern Moerdijk, draagt bij aan woningbehoefte en de toekomstwaarde van de kern. Daarbij is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing in het stedelijk weefsel. Hiermee wordt voldaan aan dit aspect. c. Meerwaardecreatie (artikel 3.8) Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; 16

b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

Toetsing: Het plan zorgt voor diverse vormen van meerwaarde, namelijk de transformatie van een ongebruikt grasveld en het toevoegen van woningen waarmee in een behoefte wordt voorzien. Dit versterkt de vitaliteit van de kern, met behoud van de dorpse structuur, bestaande ontsluitingswegen en de groenstructuur in Moerdijk. In maart 2022 is tevens de ontwerp-Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld, die pas in werking treed bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin worden een aantal wijzigingen doorgevoerd vanwege de aansluiting op de Omgevingswet, en worden tevens enkele aanpassingen gedaan naar aanleiding van ervaring en nieuwe inzichten om de huidige regeling te verbeteren. Relevant is de aanpassing dat verschillende rood-voor-groen regelingen zijn samengevoegd tot één regeling: ‘Maatwerk voor omgevingskwaliteit’. Deze regeling biedt ruimte aan initiatiefnemers en gemeenten voor maatwerk, creativiteit en een eigen uitwerking. Belangrijke voorwaarde is dat de rode ontwikkeling tot doel heeft om omgevingskwaliteit (de groene component) te versterken en daarvoor de middelen genereert. Door op de planlocatie, die stedenbouwkundig gezien samenhangt met het bebouwd gebied van de kern Moerdijk woningen te ontwikkelen kan worden voorzien in de lokale woningbehoefte, zonder hiervoor het buitengebied op te offeren.

Op die manier behoudt het buitengebied de open omgevingskwaliteit. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat aan de gestelde basisprincipes wordt voldaan. Daarmee levert ook de Interim omgevingsverordening om die reden geen belemmering op voor realisering van het plan.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Strategische Visie voor Moerdijk 2030 De gemeente Moerdijk wordt met een aantal ingrijpende ontwikkelingen geconfronteerd, zoals vergrijzing, ontgroening, het bestrijden van de klimaatverandering, de globalisering van de toeristisch-recreatieve en agrarische sector, schaalvergroting in de omgeving waarin de gemeente opereert en niet in de laatste plaats de voortgaande decentralisatie van rijksoverheidstaken. Deze en andere ontwikkelingen stellen de gemeente op korte en (middel)lange termijn voor grote opgaven. De uitvoering van de visie en het beleid rondom die opgaven wordt voor de periode van 2009- 2030 op robuuste wijze ingezet. Dit doet de gemeente door in een visie op de (middel) lange termijn - op strategisch niveau- richting te geven aan de ontwikkelingen in de samenleving en aan de eigen positie in de regio. De strategische visie voor de gemeente Moerdijk heeft tot doel te komen tot een: 1. ontwikkelingsrichting voor de lange termijn; 2. kapstok en referentiekader voor integraal afgestemd gemeentelijk beleid; 3. duidelijke missie die kan worden uitgedragen naar buurgemeenten, provincie en rijk.

De strategische visie maakt het mogelijk om op langere termijn een consistent beleid te voeren, en nieuwe ontwikkelingen snel te combineren met al ingeslagen richtingen, waarmee de gemeente Moerdijk een integraal beleid kan voeren en beter kan anticiperen op veranderingen in de maatschappij, wet of wensen.

17

Missie: “Moerdijk is in 2030 een gemeente die, gelegen op de as Rotterdam-Antwerpen én als hoogwaardig logistiek centrum van West-Brabant, voor al haar inwoners een leefbare woonomgeving biedt met werkgelegenheid in de nabijheid. Een gemeente met rust, ruimte, recreatie en toeristische mogelijkheden in het westelijke deel en dynamiek, bedrijvigheid en bovenlokale voorzieningen, geconcentreerd in de kern Zevenbergen en het haven- en industrieterrein Moerdijk in het oostelijke deel van de gemeente. Een gemeente waarin de kernen hun eigenheid bewaard hebben, maar ook duidelijk één gemeente vormen. Een gemeente met een sociaal gezicht, waar zorg en basisvoorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. Een gemeente die op een bewonersgerichte, innovatieve, efficiënte en effectieve wijze wordt bestuurd.” De missie geeft de strategische visie drie dimensies als uitgangspunt voor de discussie rond de verschillende thema’s: samenleving, leefmilieu en economie. Dit wordt ook wel het ‘Triple P’ mechanisme genoemd (people, planet, profit) of de Telos-Driehoek. Het idee achter de ‘Triple P’ gedachte is dat het optimaliseren van de economische kracht, de (lokale) leefomgeving en de sociaalmaatschappelijke kant op termijn leidt tot een duurzame gemeente. Vanuit deze gedachte is het gemeentelijke beleid gebundeld en zijn er drie paraplunota's opgesteld.

Woningbehoefteonderzoek Periodiek laten de gemeente Moerdijk en woningcorporatie Woonkwartier onderzoek doen naar de ontwikkeling van de woningbehoefte in de gemeente. Het laatste woningbehoefteonderzoek is uitgevoerd in 2020/2021. De gemeente gebruikt de uitkomsten van het onderzoek als één van de bouwstenen voor de actualisering van het woonbeleid en de woningbouwprogrammering. Het Woningbehoefteonderzoek laat een toenemende woningbehoefte zien: 1.365 woningen ten behoeve van de autonome groei en daarbij 900 tot 1170 woningen in het kader van Logistiek Park Moerdijk. Kwalitatief is er sprake van een verschuiving naar het goedkope en betaalbare segment en bij sociale huur van grondgebonden naar appartementen. Paraplunota’s De paraplunota’s zijn bedoeld als kapstok voor alle gemeentelijke beleidsnotities. Ze zorgen ervoor dat er meer samenhang tussen beleid is en er minder beleidsplannen in algemene zin gemaakt worden. De gemeentelijke ambities en doelen staan centraal in de paraplunota’s. Hieraan kan alle beleid en uitvoering verbonden worden. De uitvoeringsstrategie benoemt de hoofdrichting die wordt ingezet om de doelstellingen te realiseren. Met de paraplunota’s zet Moerdijk nadrukkelijk in op een toekomst in het teken van duurzaamheid. De gemeente wil de mens centraal plaatsen als onderdeel van de samenleving.

De samenleving is een samenspel van aspecten die de mens zelf betreffen, de leefomgeving en bedrijvigheid. Moerdijk kiest daarom voor de ‘definitie’ die betrekking heeft op de ‘duurzame samenleving’ die uiteen valt in drie pijlers: Maatschappij (people), Leefomgeving (planet) en Economisch-Klimaat (profit) • •

Paraplunota ‘Maatschappij’ richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. Paraplunota ‘Leefomgeving’ richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen bodem, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. 18

•

Paraplunota ‘Economisch Klimaat’ richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het ‘klimaat’ waarbinnen economische ontwikkeling plaatsvindt.

Paraplunota Maatschappij De paraplunota Maatschappij richt zich op mensen en de omgeving waarin zij met elkaar samenleven. De manier waarop mensen met elkaar samenleven wordt beïnvloedt door de omgeving en andersom. Wanneer mensen kunnen samenleven in harmonie met hun omgeving hebben zij de mogelijkheid zich te ontwikkelen. ‘Maatschappij’ heeft betrekking op het sociale gezicht van de gemeente, waar ondersteuning en voorzieningen dichtbij zijn en de menselijke maat geldt. In de paraplunota Maatschappij staan de volgende beleidsthema's centraal: Wonen, Gezondheid, Woonomgeving, Sociale structuur en Ondersteuning. De relevante thema’s worden hieronder beschouwd. Woonbeleid (vastgesteld in december 2021) De paraplunota Maatschappij gaat met name in op de kwaliteit van de (bestaande)woningvoorraad. Kwaliteitsaspecten waar de gemeente Moerdijk de komende jaren op inzet zijn levensloopbestendigheid, duurzaamheid en veiligheid. In voorliggend plan is sprake van het oprichten van nieuwe woningen en het aanvullen van de bestaande woningvoorraad. Hiermee wordt voorzien in een lokale behoefte aan grondgebonden woningen. Als we kijken naar het Woonbeleid van Moerdijk, is dat als volgt opgesteld:

• • •

Woonvisie Woonprogramma Woonplan

De Woonvisie, die op 16 december 2021 is vastgesteld, geeft voor de lange termijn op gemeenteniveau op hoofdlijnen onze ambitie en onze doelstellingen op het gebied van wonen aan. De Woonvisie is grotendeels een bestendiging van de lijn die eerder is ingezet met onder andere de Strategische Visie Moerdijk 2030, de Structuurvisie Moerdijk 2030 en de Paraplunota Maatschappij 2O20-2030. Wel zijn er wat accentverschuivingen en is een paar nieuwe onderwerpen toegevoegd. ln het Woonprogramma wordt op basis van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, het woningbehoefteonderzoek en ontwikkelingen op de woningmarkt weergegeven wat op de middellange termijn nodig is om op kernniveau invulling te geven aan onze ambities en doelstellingen uit de Woonvisie. Het Woonprogramma wordt naar verwachting in 2023 vastgesteld. Met het Woonplan stelt het college jaarlijks vast met welke projecten in dat jaar uitvoering gegeven wordt aan het woonprogramma. Het hoeft daarbij niet per definitie om woningbouwprojecten te gaan. Hierbij valt ook te denken aan de actualisatie van een bepaalde regeling of een communicatietraject over een bepaald onderwerp richting inwoners. Doelstellingen In de Woonvisie gemeente Moerdijk worden de volgende doelstellingen omschreven: 1.

ln de gemeente Moerdijk zijn voldoende woningen om in de kwantitatieve woningbehoefte o ln alle kernen is sprake van een evenwichtige woningvoorraad die aansluit op de demografische ontwikkelingen.

19

2.

Het aanbod aan woningen en woonmilieus in de gemeente Moerdijk sluit aan op de kwalitatieve woningbehoefte. o Er is sprake van een aantrekkelijke menging van de verschillende groepen woonconsumenten, woningen en woonmilieus in de kernen. o De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn duurzaam en klimaatadaptief o De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn levensloopbestendig o De woningen en woonomgevingen in de gemeente Moerdijk zijn veilig

3.

De woningen in de gemeente Moerdijk zijn betaalbaar.

Paraplunota Leefomgeving De Paraplunota Leefomgeving richt zich op de fysieke leefomgeving en onderscheidt daarin de elementen ondergrond, water, lucht, grondstoffen, natuur en de samenhang daartussen. Verder gaat het in de nota over de inrichting en het beheer van de openbare ruimte en het effectief ruimtegebruik. Daarnaast is in deze paraplunota vastgelegd dat er gestreefd wordt naar volledig energie-neutrale gebouwen vanaf 2020. Bovendien volgt uit de paraplunota ook de toepassing van het Convenant Duurzaam Bouwen, waarin gesteld wordt dat er minimaal 10% hogere energieprestatie-eisen worden gehanteerd in het Bouwbesluit. Verder staan er in de paraplunota Leefomgeving staan de volgende beleidsthema's centraal: Rijke ondergrond, Helder water (doorvertaling beleidslijnen van het waterplan 2009-2015), Schone lucht, Behoud grondstoffen voor toekomstige generaties en Gevarieerde natuur. Met de Paraplunota Leefomgeving, waarin het beleid dat betrekking heeft op de leefomgeving wordt gebundeld, loopt de gemeente vooruit op de invoering van de Omgevingswet. De nota geeft aan dat Moerdijk uitdrukkelijk inzet op een toekomst die in het teken staat van duurzaamheid. Duurzaamheid is een nieuwe manier van denken waarbij een balans gezocht wordt tussen de pijlers maatschappij, leefomgeving en economisch klimaat.

Er is voor gekozen om al het gemeentelijk beleid tegen het licht te houden en te koppelen aan één van deze pijlers en om dit doel te bereiken zijn de drie paraplunota's opgesteld. Hoofdstuk 4.10 gaat specifiek over het onderwerp 'lucht'. Hoofddoelen zijn dat de luchtkwaliteit minimaal aan de Europese normen voldoet, er 40% minder CO2-uitstoot is en een substantiële vermindering van het aantal geur- en geluidgehinderden in 2030. De voorliggende ontwikkeling is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten aanzien van het aspect 'geluid' streeft de gemeente Moerdijk naar een afname van het aantal geluidgehinderden. Zoals blijkt uit paragraaf 5.4 (Akoestische aspecten) zijn de kaders in dit plan zodanig gesteld dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor dit plan. Klimaatstrategie Moerdijk Het klimaat verandert, ook in Moerdijk. Het wordt warmer, droger, natter en de zeespiegel stijgt. En het gaat sneller dan we denken. De droge zomers van 2018 en 2019 drukken ons met de neus op de feiten. De uitdaging, de komende decennia, is om klimaatproof te worden en te zorgen dat de maatschappelijke effecten van klimaatverandering ten minste op een acceptabel niveau beheersbaar zijn. Onze visie op klimaatadaptatie is: In 2050 is de gemeente Moerdijk klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.

We benutten verandering ten behoeve van het klimaat om Moerdijk mooier, welvarender en veiliger te maken. Moerdijk is aantrekkelijk en gezond, en klimaat heeft er zijn plek. Samen minimaliseren we de gevolgen en iedereen neemt zijn of haar verantwoordelijkheid en draagt bij.

20

In de klimaatstrategie wordt ingegaan op wat nu en de komende jaren de invloed van klimaatverandering op onze gemeente is? Hoe gaan we daarmee om; wat kunnen we als gemeente doen om te zorgen dat de risico’s op korte en langere termijn beheersbaar zijn? En wat kunnen onze partners doen en onze inwoners? De Klimaatstrategie geeft op hoofdlijnen een uitwerking aan de hoofdopgave ‘Moerdijk klimaatproof’, we schetsen de breedte van de opgave, onze inzet en rol, de uitgangspunten en met wie we hierin zullen samenwerken. De uitwerking van de visie in een uitvoeringsplan volgt drie strategische lijnen van de Moerdijkse Klimaatdialoog die 30 juni 2020 digitaal werd gevoerd: • • •

Gezond leef-, werk- en leerklimaat: We beschermen tegen de negatieven effecten van klimaatverandering en bevorderen en nemen initiatief bij de doorontwikkeling naar een gezond leef-, werk- en leerklimaat. Klimaat en het productielandschap 2.0: We faciliteren en promoten een transitie naar een nieuwe toekomstgerichte en klimaatbestendig manier van produceren zonder negatieve invloed op de omgeving. Samen met de natuur: We herstellen het evenwicht met de natuurwaarden en creëren ruimte voor natuur en biodiversiteit op elke schaal.

Paraplunota Economisch Klimaat De Paraplunota Economisch Klimaat richt zich op economie en bedrijvigheid. Economisch Klimaat is het 'klimaat' waarin een specifieke economische ontwikkeling plaatsvindt. Maar er wordt niet alleen aandacht besteed aan economie en bedrijvigheid, ook Moerdijk als toeristische bestemming en Moerdijk als gemeente waar het fijn wonen, werken en recreëren zijn belangrijke elementen in deze paraplunota. Fijn wonen wordt gezien als wonen in een omgeving met voldoende voorzieningen zoals winkels en recreatiemogelijkheden. Voorliggend plan draagt bij aan de ambitie om binnen de gemeente fijn te wonen, door een passend en gevarieerd woningaanbod te realiseren dat aansluit op de vraag. Dit versterkt de leefbaarheid van de kern en de mogelijkheid om een volledige wooncarrière binnen de kern Moerdijk mogelijk te maken. Daarbij worden kwalitatieve groenvoorzieningen en voldoende waterberging gerealiseerd. In hoofdstuk 4 komen diverse milieukundige thema’s aan bod, waaronder bodem, water, lucht, duurzaamheid en ecologie. Uit de voorgaande passages blijkt dat het bestemmingsplan bijdraagt aan de diverse doelstellingen die in de paraplunota zijn geformuleerd.

3.4.3 Energieprogramma Moerdijk 0.9 Het Energieprogramma Moerdijk 0.9 omvat de visie en ambities voor de lokale energietransitie. Het schetst het pad naar een CO2-neutrale toekomst in Moerdijk. Aansluitend op het Klimaatakkoord zijn vijf sectoren onderscheiden: Elektriciteit, Gebouwde omgeving, Industrie, Landbouw en landgebruik, en Mobiliteit. Met de geschetste opgaven in het Energieprogramma draagt Moerdijk evenredig bij aan de nationale en mondiale klimaatdoelen. De gemeente zet zich in voor maximaal haalbare energiebesparing, zodat lokale duurzame energieproductie zo min mogelijk ruimte in beslag neemt. Daarbij worden de volgende leidende principes gehanteerd: 1. We zetten in op een haalbare en betaalbare energietransitie; 21

2. We werken aan de energietransitie vanuit lokaal draagvlak en initiatief, zonder daarbij de noodzaak van klimaatactie uit het oog te verliezen; 3. We zetten in op bewezen technologieën en bieden ruimte voor innovatie; 4. We benaderen de energietransitie als onderdeel van een maatschappelijke transitie; 5. We doen het samen en geven zelf het goede voorbeeld. Het is een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid om de energietransitie te doen slagen. Iedereen levert daaraan een eigen bijdrage. De gemeente biedt daarbij een helpende hand door te informeren, waar mogelijk te ontzorgen, initiatieven aan elkaar te koppelen en ruimtelijke kaders te scheppen om de nodige fysieke maatregelen te kunnen doorvoeren.

Figuur 3.1: Uitsnede Structuurvisie ‘’Moerdijk 2030’’ ter hoogte van de kern Moerdijk

3.5

Toetsing en conclusie Het Rijks- en provinciaal beleid geven geen aanleiding voor specifieke keuzes of ontwikkelingen in het plangebied. De Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen. Op gemeentelijk niveau wordt door middel van de Strategische Visie en de Structuurvisie richting gegeven aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan sluit hierbij waar mogelijk aan. Voorliggend plan past binnen het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid.

22

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieu- en omgevingsaspecten beschreven. Op basis van de onderzochte informatie worden geen bijzondere belemmeringen verwacht voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten aanzien van de milieu- en omgevingsaspecten.

4.2 M.e.r.-beoordeling 4.2.1 Kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor projecten met grote milieugevolgen, een plan-m.e.r. op te stellen. Onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten aan. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. 4.2.2 Onderzoek Voor zover het voorliggende project kan worden aangemerkt als `de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen` (D- lijst onder 11.2), gelden de volgende drempelwaarden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De voorgenomen ontwikkeling omvat de bouw van 8 woningen en blijft daarmee ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. Dit neemt niet weg dat een vormvrije m.e.r.beoordeling moet worden opgesteld. Deze aanmeldnotitie dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria: • • •

Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.

Vanaf 7 juli 2017 kan dit niet meer in de vorm van een paragraaf in de toelichting. Omdat de gemeente hier initiatiefnemer is, is een separate aanmeldnotitie niet noodzakelijk. Wel dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld waarover een apart besluit genomen moet worden door het college van B&W. Voor de wetswijziging van die datum geldt dit voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft.

23

Algemeen De bouw van maximaal 8 woningen is een project van beperkte omvang. Er is in onderhavig plan sprake van een gebiedsontwikkeling met woningbouw. Er is geen sprake van gebruik van natuurlijke grondstoffen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder of risico op ongevallen. Plaats van het project Ten aanzien van de plaats van het project kan worden gemeld dat de gronden zijn gelegen binnen het stedelijk gebied van de kern Moerdijk. De grond is momenteel bestemd als ‘agrarisch’ en ‘bedrijven’, en groen ingericht. Het woningbouwplan zorgt voor een stedenbouwkundige invulling van het terrein, waarbij een actuele woningbehoefte wordt vervuld op een passende locatie. Het plangebied is als ‘Waarde – Archeologie 6’ aangewezen. Kenmerken van het potentiële effect Gezien de aard van de ontwikkeling zijn er geen negatieve effecten voor het milieu te verwachten. Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied is niet aan de orde. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen.

Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten water, bedrijven- en milieuzonering, geluid, parkeren, bodemgeschiktheid, externe veiligheid, kabels en leidingen, luchtkwaliteit, flora en fauna, stikstof, archeologie, cultuurhistorie en duurzaamheid. Voor zover er effecten zijn, worden deze in hoofdzaak als positief beoordeeld (compenserende waterberging, in acht nemen van de zorgplicht ten aanzien van flora en fauna). Conclusie De impact van de toevoeging van maximaal 8 woningen binnen de bebouwde kom van een kern als Moerdijk is gering. Een voortoets als bedoeld in de Wet natuurbescherming wordt daarmee niet noodzakelijk geacht. Tevens wordt op grond van de uitgevoerde analyses en onderzoeken én het verschil tussen de daadwerkelijke activiteit in relatie tot de drempelwaarden waaruit een m.e.r.-beoordelingsplicht voortvloeit (vanaf 100 ha), geconcludeerd dat geen onevenredige nadelige milieueffecten voortkomen die het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling zinvol achten. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.

4.3 Water 4.3.1 Kader Waterbeheer en watertoets In een vroeg stadium van de planvorming moet overleg worden gevoerd met de waterbeheerder. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Deze is verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Rijkswaterstaat is waterbeheerder van het Hollands Diep.

24

Beleid duurzaamstedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen met betrekking tot de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (zowel kwalitatief als kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europa: • Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: • • • •

Nationaal Waterplan 2022-2027 (NW) Waterbeleid voor de 21e eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet

Provinciaal: • • •

Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte

Nationaal Waterplan 2022-2027 Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter. Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefaar te houden, is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wetelijke bijlagen zijn opgenomen. Forse uitdagingen vragen om integrale aanpak Nederland heef te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta.

• Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke 25

inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en beheer opgenomen. Meer kennis nodig voor langetermijnbesluiten Een aantal grote nationale keuzes die voor de lange termijn moeten worden gemaakt, vereisen meer kennis. Kennisontwikkeling en innovatie zijn daarom belangrijk om de hoofdambities te bereiken. Hiervoor lopen verschillende onderzoeksprogramma’s, zoals het Kennisprogramma Zeespiegelstijging en het meerjarig onderzoeksprogramma van de Nationale Adaptatiestrategie (NAS). Ook voert het Rijk de komende jaren een nationale watersysteemverkenning uit. Deze verkenning gaat helpen om over een aantal jaar (in aanloop naar de herijking van de deltabeslissingen in 2026 en het volgende NWP 20282033) langetermijnbesluiten te kunnen nemen over de samenhangende wateropgaven op nationaal en regionaal niveau. Samenwerking is noodzakelijk Het Rijk kan de ambities van dit NWP niet alleen realiseren: voor een integrale aanpak van nationale en regionale opgaven zijn goede samenwerking en een gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk. Daarbij gaat het om samenwerking met medeoverheden (ook internationaal), maatschappelijke organisaties, (drinkwater)bedrijven en burgers.

Uitwerking hoofdambities voor beleid en uitvoering De 3 hoofdambities voor het waterbeleid worden in het NWP uitgewerkt voor verschillende thema’s – Klimaatadaptatie, Waterveiligheid, Zoetwaterverdeling en droogte, Waterkwaliteit, Grondwater, Scheepvaart – en voor de bijbehorende beheer en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat. Ook de samenhang van het waterbeleid met andere onderwerpen komt aan bod: natuur, landbouw, bodem en ondergrond, landschap, verstedelijking, energietransitie en industrie. Hierna worden per hoofdambitie de belangrijkste beleidsdoelen en keuzes en de beheer en uitvoeringstaken van Rijkswaterstaat voor de planperiode van dit NWP samengevat. Een veilige en klimaatbestendige delta Nederland is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Dat vraagt om maatregelen die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is geen beleidsterrein op zich, het is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Veel beleid en maatregelen in dit NWP dragen bij aan klimaatadaptatie. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Nederland is de best beschermde delta ter wereld en wil dat zo houden.

Hiervoor bouwt het Rijk voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wetelijke normen voldoen. In de planperiode van het NWP worden maatregelen genomen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma en voor het veilig houden van het rivierengebied en de kust, zoals vegetatiebeheer en zandsuppleties. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Het Kennisprogramma Zeespiegelstijging verkent hoe lang de huidige strategieën nog standhouden en welke alternatieve oplossingsrichtingen voor Nederland in de (verre) toekomst mogelijk zijn. In 2026 wordt op basis hiervan besloten of de bestaande strategieën aanpassing behoeven.

26

Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen. Het Rijk doet dit voor de nationale vitale en kwetsbare functies (zoals de drinkwatervoorziening en de energievoorziening) en voor de eigen infrastructuurnetwerken. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan de uitvoering van maatregelen die voortkomen uit deze uitvoeringsprogramma’s. De impulsregeling klimaatadaptatie ondersteunt vanaf 2021 andere overheden bij het klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte. Daarnaast dragen de maatregelen vanuit zoetwater, waterkwaliteit, natuur, landbouw en verstedelijking bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. In de regionale verstedelijkingsstrategieën worden waterdoelen en klimaatadaptatie meegenomen. Verder wordt de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) geëvalueerd. Op basis hiervan wordt de komende jaren mogelijk aanvullend beleid ontwikkeld. Ook start het Rijk een onderzoeksprogramma met het Planbureau voor de Leefomgeving naar de impact en monitoring van klimaatrisico’s. Rijkswaterstaat zet het huidige beheer van waterkeringen, rivierbed en basiskustlijn en kustfundament voort.

De focus ligt daarbij op het beoordelen van de primaire waterkeringen en het rivierbed, het toetsen van de regionale waterkeringen, het uitvoeren van de versterkingsmaatregelen en het ontwikkelen van nieuwe methodes om de basiskustlijn en het kustfundament in stand te houden. Speciale aandacht is er voor de beweegbare stormvloedkeringen, die aan hoge betrouwbaarheidseisen moeten voldoen. Als gevolg van de zeespiegelstijging zal het aantal sluitingen per jaar op de langere termijn stijgen. Deze uitdaging vraagt om intensivering van kennis en vakmanschap. Een klimaatbestendige inrichting van Nederland is voor Rijkswaterstaat essentieel om de beheerdoelen voor waterveiligheid en voor voldoende, schoon en gezond water te halen. Rijkswaterstaat heef stresstesten uitgevoerd voor het hoofdwatersysteem, het hoofdvaarwegennet en het hoofdwegennet. In de planperiode van het NWP wordt met risicodialogen gewerkt aan uitvoeringsagenda’s voor klimaatmaatregelen. Deze werken door in de werkprocessen van Rijkswaterstaat voor aanleg, voor vervanging en renovatie en voor beheer en onderhoud. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten.

Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Dit gebeurt in het Deltaprogramma Zoetwater en met de maatregelen die voortkomen uit de Beleidstafel Droogte. Voor een toekomstbestendige zoetwatervoorziening wordt onder andere ingezet op de voorkeursvolgorde voor waterbeheer (zuinig gebruiken – vasthouden – slimmer verdelen) en de strategie ‘Klimaatbestendige zoetwatervoorziening hoofdwatersysteem’. Met die strategie worden de waterbufers in het IJsselmeer en het benedenrivierengebied robuuster. Het Rijk wil ook komen tot toekomstbestendig grondwaterbeheer, waarbij de grondwatervoorraden in balans en van goede kwaliteit zijn. Op de hoge zandgronden wordt gestreefd naar actief grondwatervoorraadbeheer, wat onder andere kan worden ingezet om het (ondiepe) grondwaterpeil te verhogen. Deze zoetwatermaatregelen dragen ook bij aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van Nederland.

27

Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en blijf daarom in de planperiode van het NWP werken aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersysteem over water. Hiervoor zijn in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) diverse aanlegprojecten opgenomen. Daarnaast worden de zeevaart, de binnenvaart en de havens verduurzaamd conform de Green Deal met de maritieme sector. Water speelt een belangrijke rol in de transitie naar hernieuwbare energie. Op de Noordzee is ruimte nodig voor nieuwe windparken. In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) worden de doelstellingen voor de opwekking van hernieuwbare energie verder uitgewerkt, onder andere voor de binnenwateren. Rijkswaterstaat richt zich in de komende planperiode op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorziening. Daarnaast implementeert Rijkswaterstaat de relevante aanbevelingen uit de Beleidstafel Droogte. Hieronder valt bijvoorbeeld de continuering van Slim Watermanagement om samen met regionale waterbeheerders het operationeel waterbeheer verder te verbeteren.

Daarnaast werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud. Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efciënter vervoer over water. Rijkswaterstaat bezuinigt op het eigen energieverbruik en zet in op klimaatneutraal werken. Daarnaast levert Rijkswaterstaat een bijdrage aan de energietransitie doordat Rijkswaterstaatareaal onder voorwaarden gebruikt kan worden voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden. Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld dat de eigen verantwoordelijkheden en de uitvoering van kerntaken hierbij niet in het gedrang komen en dat het past binnen het wetelijke kader. Een schone gen gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stofen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=61e56784-4d4a-4dcc-ac6a-ca7fc50efda3