Bijlage 3, toelichting
Tekst van het document
4.6
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan is aan de gronden binnen het plangebied een archeologische dubbelbestemming toegekend. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m2 en dieper dan 0,5 m dient een archeologisch rapport overlegd te worden, waarmee wordt aangetoond dat geen archeologische waarden worden aangetast. Met onderhavig initiatief zullen bodemingrepen plaatsvinden die beide grenswaarden overschrijden. Derhalve is door Econsultancy in oktober 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 2 gevoegd bij deze toelichting. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied laat-middeleeuwse getijdeafzettingen aanwezig zijn die het
33
onderliggende Hollandveen hebben geërodeerd. Er zijn geen aanwijzingen voor historische bebouwing in de het plangebied. Op een dieper niveau kunnen wel archeologische resten voorkomen in de pleistocene ondergrond. Op basis van het onderzoek kan daarom de zone binnen het ondiepste boorbereik vrijgegeven worden voor de geplande ontwikkeling. De bodem dieper dan 2,5 m -NAP behoudt de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Indien eventuele diepere verstoringen (zoals heipalen) maximaal 2% van het bouwvlak bedragen, kunnen deze ook zonder onderzoek toegestaan worden. Let wel: als men tijdens bouw- of andere werkzaamheden ondanks dit vooronderzoek binnen de genoemde 2,5 m -NAP toch op archeologische resten stuit, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de Minister van OC&W. In dit geval kan het ook bij de gemeente of bij het meldpunt archeologische bodemvondsten van de provincie Noord-Brabant.
4.7
Ecologie
4.7.1
Natuurgebieden
Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling en conclusie Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied 'Hollands Diep', gelegen op ruim 950 meter afstand tot het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Daar het plangebied niet grenst aan een Natura 2000-gebied, is van directe schade geen sprake.
Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan. 4.7.2
Stikstof
Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 950 meter afstand van het Natura 2000-gebied 'Hollands Diep'. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als
34
de aanlegfase. Voor beide fases is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd, bijgevoegd als bijlage 3 bij deze toelichting. Navolgend worden de resultaten hiervan besproken. Gebruiksfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de gebruiksfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar de woning en het stallen van 2 paarden. Er zijn geen mobiele werktuigen zoals een tractor aanwezig. De woning wordt volledig gasvrij uitgevoerd. De berekeningen voor peiljaar 2020 zijn verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner is dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen ontheffing benodigd is voor het aspect stikstof. Aanlegfase De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de nieuwbouw vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied.
De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de aanvoer van materialen en personen en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie ten behoeve van de realisatie van het plan. De berekening van het projecteffect van de aanlegfase met peiljaar 2020 is verricht met behulp van het programma Aerius Calculator. Uit de berekening blijkt dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. Ten tijde van de omgevingsvergunning voor bouwen wordt het gebruik van stage IV mobiele werktuigen aanbevolen. 4.7.3
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Econsultancy is in oktober 2020 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep.
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde 35
soortgroepen te voorkomen.
Overzichtstabel resultaten quickscan Wet natuurbescherming
Uit de quickscan volgt dat de bestaande woning en drie bomen met spechtenholen mogelijk verblijfplaatsen voor gebouwbewonende- en boombewonende vleermuizen herbergen waarvoor nader onderzoek is uitgevoerd om eventuele negatieve gevolgen op de potentieel aanwezige verblijfplaatsen uit te sluiten. Uit aanvullend vleermuizenonderzoek van Veldbiologische Werken (eindrapportage, deel 2, zie Bijlage 5) kan geconcludeerd worden dat de Gewone dwergvleermuis, Watervleermuis en Laatvlieger geen functioneel gebruik maken van de boerderijwoning binnen de planlocatie. De Watervleermuis maakt geen gebruik van nabijgelegen groenstructuren welke binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden liggen. De planlocatie doet geen dienst als verblijfslocatie in de kraam-, zomer- balts- en paarperiode, ook dient de planlocatie niet als klein- of massawinterverblijf voor Laatvlieger of Gewone dwergvleermuis. De omliggende nog resterende groene zomen rond de planlocatie liggen voldoende buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden maar doen wel dienst als foerageerplaats.
Conclusie Uit de bevindingen blijkt dat de omgeving van de planlocatie slechts gebruikt wordt als foerageergebied voor vleermuizen. Daarom dient de zorgplicht in acht te worden genomen voor alle aanwezige soorten. Het plan is uitvoerbaar in het kader van de wet ruimtelijke ordening en er hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.
36
4.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Het plangebied is gelegen aan de Schansweg, alwaar een snelheidsregime geldt van 50 km/u. Conform de Wgh ligt het plangebied daarmee in de onderzoekzone van deze weg. Door De Roever Omgevingsadvies is daarom in november 2020 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. In dit onderzoek is de geluidbelasting vanwege het wegverkeerlawaai op de te realiseren woning aan de Schansweg 71 te Klundert berekend. Uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting vanwege de Schansweg bedraagt 46 dB. Er hoeft geen hogere waarde procedure te worden doorlopen. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt 20 dB. De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘redelijk’ tot ‘zeer goed’.
Conclusie Geluid afkomstig van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de woningen in het plangebied.
37
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. In de omgeving van het plangebied is sprake van bedrijvigheid en andere functies direct naast woningen. Het plangebied moet worden aangemerkt als gelegen in het omgevingstype rustig buitengebied. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de verplaatsing van een woning binnen een bestaand woonperceel mogelijk.
Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Relevant voor onderhavig planvoornemen is dat aan de gronden binnen het plangebied reeds een woonbestemming is toegekend. Met het planvoornemen wordt niet voorzien in méér woningen binnen het plangebied, maar enkel in de verplaatsing van een bestaande woning. Voor zover de nieuwe woning daarbij ligt binnen een richtafstand tot omliggende bedrijvigheid geldt dat de nieuwe woning in geen gevallen dichterbij komt te liggen tot deze bedrijvigheid dan reeds het geval is. Zo zal de afstand tussen de woonbestemmingsgrens en het bedrijventerrein 'De Schans' toenemen van circa 20 meter tot circa 36 meter. Ondanks deze planologische verbetering wordt nog niet voldaan aan de richtafstand van 50 meter in een gemengd gebied (vanwege de ligging nabij een bedrijventerrein en langs een doorgaande weg), op het bedrijventerrein zijn immers bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan.
Echter, de bedrijfswoning aan Schansweg 24g en de woning aan de Schansweg 26 zijn bovendien al maatgevend voor de milieuruimte van de bedrijven op bedrijventerrein 'De Schans'. Ook de afstand tot de omliggende veehouderijen (de dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen op een afstand van circa 930 meter) wordt met onderhavig plan marginaal vergroot. Bestaande bedrijven worden daardoor niet in verhoogde mate belemmerd in hun bedrijfsvoering. Bovendien is het planvoornemen, gelet op de verruiming van de afstand tot omliggende bedrijven, van positieve invloed op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Het planvoornemen voorziet naast herbouw van een woning tevens in de realisatie van een paardenbak. Het gaat daarbij om een hobbymatige voorziening. Nieuwe bedrijvigheid met een bijbehorende richtafstand wordt derhalve niet mogelijk gemaakt. Zoals in paragraaf 3.4.2 uiteengezet is de omvang van de paardenbak begrensd en wordt voldaan aan de richtlijn van 50 meter afstand tot omliggende woningen. Hinder vanwege de paardenbak wordt daarmee niet voorzien.
Spuitzones Het aangrenzende perceel heeft de bestemming 'agrarisch' warbij fruitteelt en vollegrondsteelt mogelijk is. Hierbij kan zowel neerwaarts als verticaal gespoten worden met gewasbeschermingsmiddelen. Op grond van jurisprudentie is een afstand van 50 meter tussen agrarische percelen en omliggende woningen als algemeen uitgangspunt. De afstand tussen de woonbestemming en de agrarische bestemming bedraagt in de bestaande situatie 0 meter en dit wijzigt niet in de nieuwe situatie. Er worden bovendien geen gevoelige objecten toegevoegd, er wordt slechts een gevoelig object verplaatst.
38
Het object komt verder gelegen ten opzichte van de agrarische bestemming. Nadere toetsing naar het effect van spuitzones kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering en leidt niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter hoogte van omliggende gevoelige functies.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1 Inrichtingen Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Grenswaarden genoemd in het Bevi moeten in acht worden genomen indien het bestemmingsplan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten toelaat. De bestaande woning binnen het plangebied is reeds aan te merken als een kwetsbaar object. Het plan voorziet niet in de toevoeging van nieuwe kwetsbare objecten binnen het bestaande woonperceel. Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour maar binnen het invloedsgebied van 5 Bevi-inrichtingen, allen gelegen op industrieterrein.
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een eventueel toxisch scenario. De ontwikkeling zal geen toename van het groepsrisico tot gevolg hebben. Er wordt door het plan niet voorzien in een toename van het aantal personen. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Moerdijk en het standaard advies van de Veiligheidsregio. Beide stukken zijn als bijlage 7 en 8 bij dit bestemmingsplan gevoegd.
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10.2 Transport Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden
39
risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Uit het Bevt volgt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan basisnetafstanden volgend uit het Bevt in acht moeten worden genomen ten aanzien van nieuw toe te laten kwetsbare objecten en daarmee rekening wordt gehouden bij nieuw toe te laten beperkt kwetsbare objecten. De bestaande woning binnen het plangebied is reeds aan te merken als een kwetsbaar object. Het plan voorziet niet in de toevoeging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen het bestaande woonperceel. Over de Schansweg worden naar verwachting gevaarlijke stoffen vervoerd.
Op basis van een onderzoek van de OMWB is ingeschat dat het gaat om een beperkt aantal van 16 transportbewegingen brandbare gassen (GF3) op jaarbasis. Getoetst dient te worden aan artikel 7 en 8 van het Bevt. Gezien de ontwikkeling (herbouw van een kwetsbaar object) kan voor het aspect bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid verwezen worden naar het standaard advies van de veiligheidsregio. Het groepsrisico neemt met onderhavig initiatief niet toe. Het betreft hier slechts de herbouw van een bestaande woning. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10.3 Buisleidingen Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Uit het Bevb volgt dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, een grenswaarde in acht wordt genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten. Wordt de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object toegelaten, dan wordt rekening gehouden met een richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten.
De bestaande woning binnen het plangebied is reeds aan te merken als een kwetsbaar object. Het plan voorziet niet in de toevoeging van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten binnen het bestaande woonperceel. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Conclusie
40
Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van één vrijstaande woning. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen,
41
niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Oliemolenstraat te Klundert. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2019 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.12
Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken . Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.13
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling
Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant
42
negatief effect op Natura 2000-gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 - Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a.
de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van één woning. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.' Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één vrijstaande woning ter vervanging van een bestaande woning en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER.
Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r. beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Bovendien kan de wijziging van het gebruik van de gronden, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. In haar eerdere uitspraak van 18 juli 2018 [ECLI:NL:RVS:2018:2414] heeft de Afdeling overwogen dat het antwoord op de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daar geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, behoeft geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.
43
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant daar er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.
44
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische plantoelichting
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Opbouw van de regels
Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Moerdijk'. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3
Regels
5.3.1
Hoofdstuk 1 'Inleidende regels'
Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel, 'begrippen', worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP en Bor omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeeldingen geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP richtlijnen gegeven die zijn overgenomen in dit plan.
45
5.3.2
Hoofdstuk 2 'Bestemmingsregels'
Artikel 3 Agrarisch De beoogde paardenbak kan worden gerealiseerd binnen de agrarische bestemming. Hiervoor is de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' opgenomen. In de regels is de omvang van de paardenbak begrensd. Artikel 4 Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn primair bedoeld voor de realisatie van het landschappelijk inpassingsplan. Een waarborg daartoe is binnen de woon- en tuinbestemming opgenomen. Op of in deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Artikel 5 Tuin De gronden rondom de woonbestemming zijn bestemd als 'Tuin'. Deze gronden kennen slechts beperkte bouwmogelijkheden. De bouw- en gebruiksregels zijn overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan. Artikel 6 Wonen Op de gronden met de bestemming 'Wonen' is de realisatie van en het wonen in een vrijstaande woning toegestaan. Binnen de bestemming 'Wonen' is wonen de hoofdfunctie. De planregels maken de bouw mogelijk van maximaal 1 woning. Op de verbeelding, behorende bij dit bestemmingsplan, is een woonbestemming opgenomen waarbinnen hoofdgebouwen mogen worden gerealiseerd. In de regels worden eisen gesteld aan onder meer de goot- en bouwhoogte en andere maximale afmetingen van hoofd- en bijgebouwen. Voor erfafscheidingen en bouwwerken, geen gebouw zijnde (bijvoorbeeld speeltoestellen) gelden afwijkende regels en hoogtematen.
Artikel 7 Waarde - Archeologie 5 De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. Artikel 8 Waarde - Archeologie 6 De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond verwachte archeologische waarden. 5.3.3
Hoofdstuk 3 'Algemene regels'
Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Artikel 10 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels opgenomen inzake ondergronds bouwen, bouwhoogte van antenne-installaties zonder apparatuurkast en bestaande maten.
46
Artikel 11 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten. Daarnaast is gebruik van gronden verboden voor productie, opslag, stalling en dumping van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet en grondstoffen ten behoeve van en afvalstoffen afkomstig uit het productieproces van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet. Voor het overige is in de algemene gebruiksregels een waarborg opgenomen dat wordt voldaan aan het gemeentelijke parkeerbeleid, en een regeling omtrent aan-huis-verbonden beroepen, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten en internetwinkels en een bed and breakfast. Artikel 12 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels De algemene afwijkingsregels bieden de mogelijkheid om, onder voorwaarden, af te wijken van de voorgeschreven maatvoeringseisen.
Artikel 14 Algemene wijzigingsregels In deze algemene wijzigingsregels wordt de mogelijkheid geboden om door middel van een wijzigingsplan wijzigingen aan te brengen in onder andere de bestemmingsgrenzen en de bouwvlakken. Mits het wijzigingen betreft waarbij geen belangen van derden worden geschaad, dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding en er geen bestemmingsplangrenzen overschreden worden. 5.3.4
Hoofdstuk 4 'Overgangs- en slotregels'
Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 15 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 16 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan 'Schansweg 71, Klundert'.
47
48
Hoofdstuk 6 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2
Toepassing grondexploitatiewet
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
6.3
Economische uitvoerbaarheid
In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd. Initiatiefnemer sluit met de gemeente Moerdijk een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.
49
50
Hoofdstuk 7
7.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een voorontwerp van het bestemmingsplan ter inzage te leggen voor een inspraakperiode van zes weken. Dit inspraakmoment maakt geen onderdeel uit van de 'formele' procedure uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De gemeente Moerdijk heeft het wettelijk vooroverleg gehouden met DNWG-infra, Brandweer Midden- en West-Brabant, de Provincie Noord-Brabant, Evides en het Waterschap Brabantse Delta. Elzinga advies heeft de ingekomen vooroverlegreacties samengevat en beantwoord in de 'Nota van inspraak en overleg m.b.t. het voorontwerp bestemmingsplan Schansweg 71 te Klundert', zie daarvoor bijlage 10. Er zijn geen inspraakreacties vanuit omwonenden of andere belanghebbenden binnengekomen. De vooroverlegreacties hebben niet tot wijzigingen van het plan geleid. Ambtshalve is wel een wijziging doorgevoerd. Het bestemmingsvlak wonen is in onderhavig ontwerp bestemmingsplan van vorm veranderd, zodanig dat het bestemmingsvlak een oppervlakte van 1.500 m2 behoudt, maar dat de nieuw te bouwen woning volledig binnen het bestemmingsvlak wonen kan worden gesitueerd. Ten slotte zijn de resultaten van het aanvullend vleermuizen onderzoek toegevoegd als bijlage 5 en zijn de belangrijkste conclusies uit dat rapport opgenomen in hoofdstuk 4 van de toelichting.
7.2
Omgevingsdialoog
Elzinga Advies heeft namens initiatiefnemer de omgevingsdialoog met omwonenden verzorgd. In maart is een brief verzonden aan de nabij gelegen percelen. Dit betreft de bewoners van Schansweg 73, 26, 24G en 24G te Klundert. Omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het initiatief. Allen zijn positief over het initiatief en hebben aangegeven geen bezwaren te hebben door de brief te tekenen. De brief is toegevoegd als bijlage 9 van de toelichting.
7.3
Zienswijzen
De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
51
52