CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3, Econsultancy - Quickscan Wet natuurbescherming Westschans (3 mei 2022)

Raadsvergadering 8 september 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Woningbouw Westschans Klundert - vaststelling haalbaarheid9.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING NABIJ DE BLAUWE HOEFSWEG TE KLUNDERT

Rapportage quickscan Wet natuurbescherming nabij Blauwe Hoefsweg te Klundert Opdrachtgever

Gemeente Moerdijk Postbus 4 4760 AA Zevenbergen

Rapportnummer Versienummer

18818.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

3 mei 2022

Vestiging

Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl

Opsteller

De heer L. Golterman, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Mevrouw A.M. Vergeer, MSc

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ............................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING...................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................. 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4

3

ONDERZOEKSMETHODIEK .................................................................................................. 5

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels .......................................................................................................................... 9 Vleermuizen................................................................................................................ 11 Overige zoogdieren ..................................................................................................... 11 Reptielen, amfibieën en vissen.................................................................................... 13 Ongewervelden........................................................................................................... 13 Planten ....................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ....................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht...................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ..................................................................................................... 6 Gebiedenbescherming .................................................................................................. 7 Houtopstanden ............................................................................................................. 8

Algemene broedvogels ............................................................................................... 15 Vleermuizen................................................................................................................ 15 Kleine marterachtigen ................................................................................................. 15 Overige soort(groep)en ............................................................................................... 16

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ...................................................................... 17 7.1 7.2

Natura 2000 ................................................................................................................ 17 Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................... 18

8

HOUTOPSTANDEN ............................................................................................................. 19

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES .................................................................................... 20

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 18818.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Gemeente Moerdijk opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming nabij de Blauwe Hoefsweg te Klundert. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. En heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

R 18818.002 versie D1

Pagina 1 van 21

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 12,5 ha) ligt aan de nabij Blauwe Hoefsweg, te Klundert. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie betreft braakliggende agrarische percelen, sommigen zijn enigszins begroeid met grassen. De grond bestaat uit stevige klei. De percelen zijn omringd met steil aflopende sloten met een lage waterstand. Naast enkele percelen staan wilgen. Op de zuidelijke percelen vind bomencultuur plaats. Een enkel perceel is begroeid met gras. Ten oosten van de onderzoekslocatie is het dorp Klundert gelegen. Het dorp bestaat uit huizen met tuinen met wijde omtrekken. Aan de noordkant van het dorp is een tuinbouwbedrijf gelegen. Ten noorden van de onderzoekslocatie mondt het Haringvliet uit in het Hollands Diep. Ten westen en zuiden van de onderzoekslocatie zijn meer agrarische percelen gelegen. Deze zijn voornamelijk vlak en voor het grootste deel onbegroeid. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

R 18818.002 versie D1

Pagina 2 van 21

Figuur 2. Luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.

Figuur 3. Braakliggend akkerveld. Deel van de onderzoekslocatie ten oosten van Klundert.

Figuur 4. Heg grenzend aan oostkant van de onderzoekslocatie.

Figuur 5. Wilg met holtes nabij de onderzoekslocatie. Blijft bewaard.

Figuur 6. Tuinbouw bedrijf ten noorden van de onderzoekslocatie.

Figuur 7. Sloot naast het braakliggend terrein van de onderzoekslocatie.

Figuur 8. Boomteelt op de zuidelijke percelen van de onderzoekslocatie.

R 18818.002 versie D1

Pagina 3 van 21

2.2

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

De initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsplan te wijzigen op de onderzoekslocatie. Het bestemmingsplan van de onderzoekslocatie zal van agrarische percelen naar woonwijken gewijzigd worden. Alle bomen zullen behouden worden.

R 18818.002 versie D1

Pagina 4 van 21

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 5 april 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

R 18818.002 versie D1

Pagina 5 van 21

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

R 18818.002 versie D1

Pagina 6 van 21

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

R 18818.002 versie D1

Pagina 7 van 21

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

R 18818.002 versie D1

Pagina 8 van 21

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: Steenuil, Kerkuil, Slechtvalk, Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Sperwer, Wespendief, Zwarte wouw, Gierzwaluw, Huismus, Grote gele kwikstaart, Ooievaar. De steenuil heeft de voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen met een grote variatie aan houtwallen, paaltjes, weides en knoestige bomen. Ze zijn in grootschalig landbouwgebied afhankelijk van gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen. Nestplaatsen van steenuilen kunnen aanwezig zijn in boomholten, vooral knoestige bomen en oude fruitbomen, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het dakbeschot. De steenuil zwerft optimaal niet ver van zijn broedgebied. De onderzoekslocatie vormt geen optimaal leefgebied voor de steenuil vanwege de afwezigheid van geschikte nestplaatsen in de buurt. De twee waarnemingen van de steenuil van de NDFF van de afgelopen vijf jaar zijn buiten de onderzoekslocatie en buiten het gebied met de wilgen.

De wilgen buiten de onderzoekslocatie bieden geen geschikte holtes voor Steenuilen, gezien het formaat. Er zijn tijdens het veldbezoek geen geschikte invliegopeningen aangetroffen in de omliggende bebouwing. Nader onderzoek naar de steenuil wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De kerkuil heeft een voorkeur voor halfopen tot open landschap, veelal in het boerenland. Hij vestigt zich graag in gebouwen zoals schuren of kerktorens. Daar zoekt hij rustige, donkere schuilhoekjes als roestplaats voor overdag en als nestplaats. De onderzoekslocatie biedt geen potentiele habitat of nestlocaties aan. Door afwezigheid van geschikte landschapselementen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving, biedt de onderzoekslocatie geen potentieel habitat of nestlocaties. In de velden zijn weinig tot geen palen of verkeersborden aanwezig waar de kerkuil op zou kunnen rusten. Nader onderzoek naar de kerkuil wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De slechtvalk kan worden uitgesloten. Deze soort broedt op hoge stenige bebouwing, zoals kantoorgebouwen, torens en fabrieksschoorstenen. Deze zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig. Op basis van deze gegevens kan de slechtvalk worden uitgesloten als broedvogel op de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar de slechtvalk wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

R 18818.002 versie D1

Pagina 9 van 21

De gierzwaluw is een koloniebroeder die broedt onder daken van bebouwing. Ze hebben hun nest in gebouwen, onder dakgoot, achter regenpijp, dakkapel, dakpan, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. Op de onderzoekslocatie is geen bebouwing aanwezig. Dit maakt dat de onderzoekslocatie niet geschikt is voor de gierzwaluw om tot broeden te komen. Potentiële nestlocaties in bebouwing naast de onderzoekslocatie bevinden zich door de afstand (>5 meter) buiten de invloedssfeer van de voorgenomen ingrepen. Nader onderzoek naar gierzwaluwen wordt dan ook redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht. De ooievaar broedt in hogere nesten en foerageert in open landschap. De hoge nesten kunnen bestaan op menselijke bouwwerken zoals telefoonmasten en wagenwielen, of in bomen. De ooievaar maakt ook gebruik van door mens aangelegde kunstnesten. Tijdens het veldbezoek is er een overvliegende ooievaar gezien. Door het ontbreken van geschikte broedplaatsen in het onderzoeksgebied de kans op ooievaarsnesten echter uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstraat geeft habitat voorkeur aan stromende beken, stilstaand water en grote rivieren. De aanwezigheid van een bomenpartij is voordelig. De grote gele kwikstaart gebruikt deze gebieden om te broeden en is uitsluitend in de winter op andere plekken.

De grootste populaties zijn in Limburg en Twente. De afwezigheid van geschikt habitat maakt de aanwezigheid van de grote gele kwikstaart in het onderzoeksgebied onwaarschijnlijk. Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De huismus is sterk geassocieerd aan menselijke aanwezigheid. De broedplaatsen zijn vrijwel altijd in of rondom bebouwing. De huismus leeft grotendeels in groepsverband en heeft plaatsen nodig waar sociale interactie kan plaatsvinden. Plekken voor sociaal gedrag, ofwel kwetterplekken, zijn gevonden in de buurt van het onderzoeksgebied. Ook zijn de woningen om het onderzoeksgebied heen geschikt voor de huismus. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen ook gehoord. Deze waarnemingen zijn echter ver van buiten het onderzoeksgebied af. De kans dat de huismuspopulatie wordt beïnvloed door de werkzaamheden is klein. De onderzoekslocatie bestaat uit open agrarische velden. Open velden zijn geen voorkeursverblijven voor de huismus. Nader onderzoek naar de huismus wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en zwarte wouw hebben een voorkeur voor bossen of halfopen landschappen, en broeden vaak in grote nesten, hoog in een boomkruin of andere hoge opgaande objecten zoals een hoogspanningsmast. Dergelijke nesten zijn binnen de grenzen van de onderzoekslocatie niet aangetroffen.

Door het gebrek aan bebost gebied in en rondom de onderzoekslocatie zijn broedgevallen van deze soorten onwaarschijnlijk. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat ze op of nabij de onderzoekslocatie broeden. Nader onderzoek naar deze soorten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.1.2

Categorie 5 broedvogels (nesten soms jaarrond beschermd)

De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals de ekster en de zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van deze categorie 5 aangetroffen. Een aantal wilgen met holen zou nestgelegenheid kunnen bieden aan holenbroeders. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3

Overige broedvogels

R 18818.002 versie D1

Pagina 10 van 21

De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten, zoals de vink, die net buiten de onderzoekslocatie gesignaleerd is. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.2

Vleermuizen

Vleermuizen hebben een divers habitat bestaande uit verschillende onderdelen die met elkaar in verbinding staan. In de levenscyclus van vleermuizen kunnen verschillende perioden worden onderscheiden, zoals een winterslaapperiode, een periode waarin gepaard en gebaltst wordt of een periode dat jongen geboren en gezoogd worden. In deze perioden gebruiken vleermuizen verschillende of dezelfde type verblijfplaatsen in gebouwen en/of bomen die als een netwerk met elkaar verbonden zijn door vliegroutes. In het netwerk van verblijfplaatsen bevinden zich daarnaast ook foerageergebieden die afhankelijk van verschillende factoren essentieel kunnen zijn. Gebouwbewonende vleermuizen kunnen onder andere verblijfplaatsen hebben in spouwmuren, achter gevelbetimmering, daklijsten, vensterluiken, onder dakpannen en gevelspleten. Boombewonende vleermuizen kunnen verblijfplaatsen hebben in holtes, nissen en bastscheuren van bomen. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: Ruige dwergvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Meervleermuis, Watervleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor uitgesloten kan worden dat er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn.

Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. De aanwezige bomen nabij de onderzoekslocatie bevatten holtes. De holtes in de bomen zijn echter te laag bij de grond om potentiële verblijfplaatsen te kunnen bevatten, omdat vleermuizen de voorkeur geven aan een verblijfplaats van drie meter of hoger. Om toch eventuele verstoring te kunnen voorkomen kunnen maatregelen getroffen worden om verstoring te voorkomen (zie hoofdstuk 6). Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie In de bebouwing rond de onderzoekslocatie bevinden zich mogelijk verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Door de nabijheid van de gebouwen naast de onderzoekslocatie zijn maatregelen noodzakelijk om verstoring van mogelijk in de omgeving verblijvende vleermuizen te voorkomen tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie (hoofdstuk 6). Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen om te foerageren. De aanwezigheid van voldoende alternatief foerageerhabitat maakt nader onderzoek niet noodzakelijk. Wel kunnen er maatregelen getroffen worden om eventuele verstoring te voorkomen. Dit kan onder andere bestaan uit vleermuisvriendelijke (straat)verlichting in de nieuwe woonwijk (zie hoofdstuk 6).

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Rijen met bomen langs sloten van de onderzoekslocatie zijn geschikt als potentiele vliegrouten. Verstoring van potentiële vluchtroutes kan voorkomen worden door het treffen van maatregelen (zie hoofdstuk 6). 5.3

Overige zoogdieren

R 18818.002 versie D1

Pagina 11 van 21

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: steenmarter, boommarter, bever, bunzing en eekhoorn. Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes maar ook stenenstapels of takkenhopen, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn verschillende (natte) greppels aangetroffen. Deze kunnen gebruikt worden door steenmarters bij bewegingen tussen verschillende nutsgebieden, zoals foerageergebied en rustgebied. Ook zijn er rietruigtes aangetroffen, die beschutting aan de soort kunnen bieden. Aantasting van een vaste rust- of voortplantingsplaats van een steenmarter door het verwijderen van migratieroutes kan niet kan niet op voorhand worden uitgesloten (zie hoofdstuk 6). Bevers gebruiken rivieren, meren moerassen en beken als habitat. Rondom liggende bossen zijn een vereiste voor houtmateriaal wat wordt gebruikt voor het maken van een burcht.

Hoewel de bever geen voorkeur heeft voor stromend of stilstaand water is een waterdiepte van 50 cm een minimum voor de gewenste habitat. De afwezigheid van geschikt habitat maakt de kans dat de bever verstoord wordt vrijwel nihil. Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De boommarter komt in het gebied voor. De favoriete habitat voor boommarters is het bos. De enkele bomen die langs de onderzoekslocatie staan bieden te weinig geschikt habitat voor deze soort. Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De eekhoorn komt in de omgeving van de onderzoekslocatie voor. Deze soort kan zich doorgaans goed handhaven in stedelijke omgevingen wanneer er voldoende verbindende groene elementen aanwezig zijn en er genoeg voedsel te vinden is. De bomen nabij de onderzoekslocatie zijn niet zo aaneengesloten dat ze dienen als geschikt habitat. De aanwezigheid van een vaste rust- of voortplantingsplaats van de eekhoorn kan worden uitgesloten. Bunzing, wezel en hermelijn. De bunzing komt volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocaties zijn verscheidene greppels aangetroffen die kunnen dienen als vluchtroutes (figuur 9). Ook zijn er holen in de grond en nabij de sloten gevonden, die kunnen dienen als rust- en voortplantingsplaats van de bunzing.

De bunzing zou ook beschutting kunnen vinden in de (riet)ruigtes op de onderzoekslocatie (figuur 10). Ondanks het ontbreken van waarnemingen in NDFF, bevindt de onderzoekslocatie zich binnen het bekende verspreidingsgebied van de wezel en hermelijn. Er kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten dat deze soorten voorkomen in de omgeving. Nader onderzoek naar deze drie soorten wordt daarom noodzakelijk geacht (zie hoofdstuk 6).

R 18818.002 versie D1

Pagina 12 van 21

Figuur 9. Ondiepe sloot die kan dienen als vluchtroute.

Figuur 10. Potentieel schuilhabitat grenzend aan een greppel.

Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de bruine rat en verschillende muizensoorten. De holen in aanwezige oevers zijn een voorbeeld van geschikt habitat voor deze soorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat schuilplaatsen van deze soorten worden verstoord en/of holen worden vergraven, hierbij is het belangrijk dat de zorgplicht in acht wordt genomen (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens gegevens van de NDFF is er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie de volgende streng beschermde reptiel waargenomen: muurhagedis. De natuurlijke populatie van de muurhagedis komt voor in Maastricht. De waarnemingen van deze soort zijn hoogstwaarschijnlijk het resultaat van uitzettingen. De populatie van deze soort is in dit gebied niet beschermd. Nader onderzoek naar deze soort wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Amfibieën & Vissen De smalle watergangen en oevers zijn eventueel matig geschikt als verblijfplaats voor amfibieën. Volgens de verspreidingsatlas van de NDFF zijn er geen beschermde amfibieën in de buurt. De afwezigheid van jaarrond aanwezig en diepgaand water maakt dat het voorkomen van vissen uitgesloten is. De werkzaamheden zouden de verblijfplaatsen van algemene amfibieën kunnen verstoren. Hierbij is het belangrijk dat de zorgplicht in acht wordt genomen (zie hoofdstuk 6). 5.5

Ongewervelden

Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan specifieke waardplanten. De waarnemingen van de teunisbloempijlstaart en grote weerschijnvlinder uit de verspreidingsatlas van de

R 18818.002 versie D1

Pagina 13 van 21

NDFF waren op ruime afstand van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie bevat geen vochtige bossen, bosranden of warme open plaatsen die geschikt zijn als habitat voor deze soorten. Het is uitgesloten dat op de onderzoekslocatie een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort aanwezig is. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Planten

De onderzoekslocatie bestaat uit percelen met deels gras, en deels braakliggende grond. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende plantensoorten waargenomen: koolzaad, mannetjesvaren, gewoon speenkruid, grote brandnetel fluitekruid, en sterkroos. Geen van deze zijn beschermd in dit gebied.

R 18818.002 versie D1

Pagina 14 van 21

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2

Vleermuizen

Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor vleermuizen en de hoeveelheid alternatieve foerageergebieden, zal aanvullend onderzoek niet noodzakelijk zijn. Door het treffen van maatregelen zal de functionaliteit van potentieel aanwezige foerageergebieden daarnaast behouden kunnen worden en zal schade aan individuen worden voorkomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig met omlaag staande armaturen. Op deze manier wordt strooilicht en hiermee verstoring van deze lichtgevoelige soortgroep voorkomen. Hierdoor zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven. Verder wordt verwacht dat de verlichting op de locatie van de werkzaamheden ’s avonds wordt uitgezet. 6.3

Kleine marterachtigen

De greppels en sloten kunnen mogelijke habitat en vluchtroutes betekenen voor de steenmarter hermelijn, bunzing en wezel. Op onderzoekslocatie dient conform de “handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming” (Bouwens, 2017) in de periode maart tot en met augustus (voorplantingsperiode) 6 weken onderzoek uitgevoerd te worden met cameravallen. Middels dit nader onderzoek kan worden aangetoond of de beschermde steenmarter, bunzing, hermelijn en/of wezel gebruik maken van de onderzoekslocatie als vaste rust- of voortplantingsplaats.

R 18818.002 versie D1

Pagina 15 van 21

6.4

Overige soort(groep)en

Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat en verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.

R 18818.002 versie D1

Pagina 16 van 21

7

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING

In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1

Natura 2000

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Hollands Diep, bevindt zich op circa 1,9 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie (figuur 11, blauw). Ook ligt het gebied in de buurt (8,6 kilometer) van Krammer-Volkerak (figuur 11, groen), een gebied waarvan delen stikstofgevoelig zijn.

Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de ingreep op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

R 18818.002 versie D1

Pagina 17 van 21

7.2

Natuurnetwerk Nederland

De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 271 meter ten oosten van de onderzoekslocatie. In figuur 12 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur 12. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk en/of gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.

R 18818.002 versie D1

Pagina 18 van 21

8

HOUTOPSTANDEN

De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie betreft eenrijige beplanting langs landbouwgronden, bestaande uit wilgen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Wel wordt geadviseerd om bij de gemeente navraag te doen over de eventuele noodzaak voor een kap- of omgevingsvergunning.

R 18818.002 versie D1

Pagina 19 van 21

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES

Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Moerdijk een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd aan de nabij Blauwe Hoefsweg te Klundert. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens het bestemmingsplan te wijzigen op de onderzoekslocatie. Het bestemmingsplan van de onderzoekslocatie zal van agrarische percelen naar woonwijken gewijzigd worden.De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep

Geschikt habitat

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Ontheffingsaanvraag

algemeen

ja

mogelijk

nee

nee

het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren

jaarrond beschermd

nee

nee

nee

nee

-

verblijfplaatsen

ja

mogelijk

nee

nee

vleermuisvriendelijke verlichting in de nieuwe situatie, verlichting op de werkplaats ’s avonds uit

foerageergebied

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor vriendelijke verlichting van bomenrij langs watergang

vliegroutes

ja

mogelijk

nee

nee

aandacht voor vriendelijke verlichting van bomenrij langs watergang

Grondgebonden zoogdieren

Ja

mogelijk

ja

mogelijk

Amfibieën

minimaal

mogelijk

nee

nee

aandacht voor zorgplicht

Reptielen

nee

nee

nee

nee

-

Vissen

nee

nee

nee

nee

-

Libellen en vlinders

nee

nee

nee

nee

-

Overige ongewervelden

nee

nee

nee

nee

-

Vaatplanten

nee

nee

nee

nee

-

Gebied aanwezig

Ingreep verstorend

Nader onderzoek

Vergunningplicht

Natura 2000

1,9 km

mogelijk

ja

mogelijk

Natuurnetwerk Nederland

271 m

nee

nee

nee

Houtopstanden

n.v.t

Broedvogels

Vleermuizen

Gebiedsbescherming

Bijzonderheden / opmerkingen*

Nader onderzoek steenmarter, wezel, bunzing & hermelijn

AERIUS berekening uitvoeren -

* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.

R 18818.002 versie D1

Pagina 20 van 21

Conclusie De onderzoekslocatie biedt potentieel rustgebied aan de hermelijn, bunzing en wezel. De greppels zijn mogelijk onderdeel van de primaire leefomgeving van de steenmarter. De onderzoekslocatie bevat ondiepe sloten die door de marterachtigen gebruikt kunnen worden wanneer ze tussen twee gebieden bewegen. Ook zijn er holen aangetroffen die kunnen dienen als rust- en voortplantingsgebied. Rietruigtes en andere beplanting bieden beschutting aan deze vier soorten. Nader onderzoek is voor deze vier soorten dus noodzakelijk. De onderzoekslocatie bevat geen potentiele nestgelegenheden voor algemene broedvogels. Er wordt geadviseerd om snoei-afval en hopen met grond of zand zo min mogelijk te laten liggen tijdens de werkzaamheden. Zo worden potentiële nesten voorkomen en eventuele vertraging ook. De voorgenomen ingreep zal geen negatief effect hebben op in de omgeving verblijvende vleermuizen mits maatregelen worden genomen. Deze maatregelen betreffen het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting in de nieuwe situatie. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig met omlaag staande armaturen. De vriendelijke verlichting geeft de vleermuis mogelijkheden om het foerageergebied, de vliegroutes en de verblijfplaatsen te blijven gebruiken. De verlichting dient gebruikt te worden bij het verlichten van de bomenrijen bij de onderzoekslocatie en in de nieuwe situatie.

Hierdoor zal de functionaliteit van het gebied behouden blijven. Daarnaast is het uitzetten van de verlichtingen rondom het bouwterrein in de avond een maatregel die getroffen moet worden. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen. Met betrekking tot Natura-2000 gebieden zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie ten behoeve van het toekomstige gebruik van de woningen niet op voorhand uit te sluiten, daarom wordt geadviseerd om de lopende AERIUS berekening toe te passen op het stikstofgevoelige Natura-2000 gebied.

Econsultancy Rotterdam, 3 mei 2022

R 18818.002 versie D1

Pagina 21 van 21

GERAADPLEEGDE BRONNEN Bouwens, S (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Opgehaald van https://www.zoogdiervereniging.nl/sites/default/files/202012/15908%20Handreiking%20kleine%20Marters%20DIGITAAL.pdf Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J., Canters, K. & Buys, J. (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. BIJ12 (2017a). Kennisdocument huismus. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf. BIJ12 (2017b). Kennisdocument gierzwaluw. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf. BIJ12 (2017c). Kennisdocument steenuil. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019Kennisdocument-Steenuil-1.0.pdf. BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Limpens H. & Regelink J. (2017). Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden.

Geraadpleegd op 3 mei 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; 3km rondom Blauwe Hoefsweg, Klundert, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 3 mei 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 3 mei 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 3 mei 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.

Provinciale bronnen Noord-Brabant www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)

R 18818.002 versie D1

Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.

Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

2.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.

R 18818.002 versie D1

Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

2. 3. 4. 5.

Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.

Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn

1. 2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten

drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis

Zoogdieren

bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat

Walvisachtigen

bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn

Vleermuizen

Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis

Amfibieën

boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad

Reptielen

dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis

Vissen

houting, steur

Vlinders

apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje

Libellen

bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel

Insecten

brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever

Overig

Bataafse stroommossel, platte schijfhoren

R 18818.002 versie D1

Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger , grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,

pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw

Vogels

Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.

In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=d9435969-c54b-4efa-bd80-bda5f2ce888f