CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Was/wordt-tabel met toelichting

Raadsvergadering 14 december 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening in verband met de Omgevingswet18.294 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteitendagen gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen, met dien verstande dat het Agewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het Agewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer dan 33 dB boven het boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen

3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8. De collectieve ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

3.

4. 5.

6.

7. 8.

collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer nader aan te wijzen delen van de gemeente. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur te worden beëindigd. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. De collectieve ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

Y

Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het

Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal zes dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19,

Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college en met dien verstande dat het A-gewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en het A-gewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer bedragen dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Besluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, lid 1, van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteiten daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald. 8. De incidentele ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben

2.

3. 4.

5.

6.

7.

2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college en met dien verstande dat het Agewogen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en het Agewogen maximale geluidsniveau (LAmax) niet hoger mogen zijn dan 20 dB(A) boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening, om onduldbare hinder voor omwonenden te voorkomen. Het C-gewogen langtijdgemiddeld beoordelingsniveau mag niet meer bedragen dan 33 dB boven de geluidsnorm genoemd in het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit c.q. in artikel 4:5 van deze verordening. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, lid 1, van het Activiteitenbesluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteiten daarvan melding heeft gedaan aan het college. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding.

De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaan. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikel 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20 van het Activiteitenbesluit en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. In bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van hetgeen in het eerste lid is bepaald.

aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

8. De incidentele ontheffing geldt niet voor horecabedrijven die geen afdoende geluidwerende voorzieningen hebben aangebracht en/of die gedurende een periode van zes maanden voorafgaande aan de datum van de festiviteit de geldende geluidsnorm hebben overtreden.

Z

Artikel 4:5 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder. Voor zover het andere geluidgevoelige gebouwen betreft gelden de waarden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel

Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18 eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor zover het andere geluidgevoelige gebouwen betreft gelden de waarden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1.1 onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel

07.0019.00 uur

19.0023.00 uur

23.0007.00 uur

LAr.LT op de gevel van gevoelige 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gebouwen

LAr.LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen 3. Voor de duur van 4 uur in de week zijn tijdens het voortbrengen van onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode, de in de navolgende tabel opgenomen grenswaarden van toepassing:

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

70 dB(A)

65 dB(A)

55 dB(A)

07.0019.00 uur

19.0023.00 uur

23.0007.00 uur

LAr.LT op de gevel van gevoelige 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) gebouwen LAr.LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van gevoelige 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) gebouwen LAmax in in- en aanpandige 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) gevoelige gebouwen 3. Voor de duur van 4 uur in de week zijn tijdens het voortbrengen van onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode, de in de navolgende tabel opgenomen grenswaarden van toepassing: 7.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

50 dB(A)

LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

55 dB(A)

50 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

90 dB(A)

75 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

75 dB(A)

70 dB(A)

LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

90 dB(A)

75 dB(A)

LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

75 dB(A)

70 dB(A)

4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als

versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3.

AA Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Vanwege het geproduceerde geluid zal geluidhinder optreden indien de geluidbelasting meer bedraagt dan in de navolgende tabel is opgenomen:

Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Vanwege het geproduceerde geluid zal geluidhinder optreden indien de geluidbelasting meer bedraagt dan in de navolgende tabel is opgenomen:

.

LAr,LT op de gevel van

gevoelige

gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige

gebouwen LAmax op de gevel van

gevoelige

gebouwen LAmax in in- en aanpandige gevoelige

gebouwen

7.00 –

19.00 –

23.00 –

uur

uur

uur

19.00

23.00

.

7.00

LAr,LT op de gevel van

50

dB(A)

45 dB(A)

40

dB(A)

gevoelige

gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige

35

dB(A)

30 dB(A)

25

dB(A)

gevoelige

gebouwen LAmax op de gevel van

70

dB(A)

65 dB(A)

60

dB(A)

gevoelige

gebouwen LAmax in in- en aanpandige

55

dB(A)

50 dB(A)

45

dB(A)

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

gevoelige

gebouwen

7.00 –

19.00 –

23.00 –

uur

uur

uur

19.00

50

dB(A)

35

dB(A)

70

dB(A)

55

dB(A)

23.00

45 dB(A)

30 dB(A)

65 dB(A)

50 dB(A)

7.00

40

dB(A)

25

dB(A)

60

dB(A)

45

dB(A)

2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten

3. In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten behoeve van werkzaamheden aan infrastructuur de systematiek uit de Circulaire Bouwlawaai (uitgegeven door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu d.d. 27 oktober 2010) worden gevolgd. 4. In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten behoeve van het in werking hebben van een zogenoemd knalapparaat om wild te verjagen de systematiek uit de Herziening Circulaire schietlawaai (uitgegeven door het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 23 maart 2006) worden gevolgd. 5. In afwijking van het gestelde in het eerste lid is het gestelde uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing op bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden die onder de werkingssfeer van het Bouwbesluit 2012 vallen. 6. De geluidniveaus dienen vastgesteld en beoordeeld te worden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). 7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 8.

Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het een geluidswagen betreft en wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. De geluidswagen mag niet worden ingezet op zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen. b. De geluidswagen mag niet worden ingezet op locaties waar al een evenement als bedoeld in artikel 2:24 plaatsvindt. c. De geluidswagen mag niet worden ingezet tussen 22.00 uur en 09.00 uur. 9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

AB

Artikel 4:13 wordt als volgt gewijzigd:

behoeve van werkzaamheden aan infrastructuur de systematiek uit de Circulaire Bouwlawaai (uitgegeven door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu d.d. 27 oktober 2010) worden gevolgd. 4. In afwijking van het gestelde in het eerste lid zal bij het verlenen van een ontheffing ten behoeve van het in werking hebben van een zogenoemd knalapparaat om wild te verjagen de systematiek uit de Herziening Circulaire schietlawaai (uitgegeven door het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 23 maart 2006) worden gevolgd. 5. In afwijking van het gestelde in het eerste lid is het gestelde uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) van toepassing op bouwwerkzaamheden en sloopwerkzaamheden die onder de werkingssfeer van het Bbl vallen. 6. De geluidniveaus dienen vastgesteld en beoordeeld te worden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999 (internet uitgave 2004: www.rijksoverheid.nl), inclusief erratalijst (errata digitale versie HMRI 2004: www.infomil.nl). 7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 8. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien het een geluidswagen betreft en wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

De geluidswagen mag niet worden ingezet op zondagen en daarmee gelijkgestelde dagen. b. De geluidswagen mag niet worden ingezet op locaties waar al een evenement als bedoeld in artikel 2:24 plaatsvindt. c. De geluidswagen mag niet worden ingezet tussen 22.00 uur en 09.00 uur. 9. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, afvalstoffen en dergelijke. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. Onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. Bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. Kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. Mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening Noord-Brabant.

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, afvalstoffen en dergelijke. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. Onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. Bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. Kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. Mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 4.

Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

AC Artikel 4:14a wordt verwijderd.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:14a Opslaan van meststoffen

--

1. Degene die het voornemen heeft, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de buitenlucht dierlijke en/of organische meststoffen, gier, ingekuild gras, loof of pulp, ingekuilde landbouwproducten of afbraakmaterialen op te slaan met een omvang van 1 kubieke meter of meer doet hiervan voorafgaand aan de opslag melding aan het college. 2. Indien een mestopslag minder dan 25 meter van een andere mestopslag ligt, wordt de omvang van deze mestopslagen bij elkaar opgeteld indien deze kadastraal gezien op hetzelfde perceel liggen of indien de mestopslagen toebehoren aan dezelfde eigenaar. 3. Het college kan voorschriften stellen waaraan een mestopslag als bedoeld in het eerste lid dient te voldoen. 4. Het is verboden meststoffen op te slaan zoals bedoeld in het eerste lid indien niet wordt voldaan aan de door het college gestelde voorschriften of indien anderszins hierdoor overlast wordt veroorzaakt voor omwonenden of voor de omgeving. 5. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet bodembescherming.

AD Artikel 4:15 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

AE

Artikel 4:17 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

AF

Artikel 4:18 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een

2. 3. 4.

kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de recht-hebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap b. een stadsgezicht

kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de recht-hebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a. natuur en landschap b. een stadsgezicht

AG

Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren; 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren; 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.

AH

Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens en andere voertuigen

a.

2. 3.

4.

langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Brabant. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare weg te plaatsen of te hebben; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

AI

In artikel 5:10 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.

AJ

In artikel 5:14 wordt als volgt gewijzigd.

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:14 Parkeerverbod van voertuigen met ingeschakelde koelmotoren 1. Het is verboden een voertuig met een ingeschakelde koelmotor te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabij gelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:14 Parkeerverbod van voertuigen met ingeschakelde koelmotoren 1. Het is verboden een voertuig met een ingeschakelde koelmotor te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabij gelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet.

AK

Artikel 5:18 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en indien geen medewerking zal worden verleend aan het afwijken door middel van een omgevingsvergunning. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of b. Een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; of b. Een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing

4.

Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing

AL

Artikel 5:20 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale wegenverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18 derde lid onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18 derde lid onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

AM Artikel 5:24 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid, of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet zijnde een voorwerp als bedoeld in het tweede lid, of een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben. 2. Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren

3.

veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafwet, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 3. De verboden zijn niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin voorzien wordt door het Wetboek van Strafwet, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

AN Artikel 5:25 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gebieden: a. Nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. b. Beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de Provinciale

Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het eerste lid aangewezen gebieden: a. Nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. b. Beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de

vaarwegenverordening Noord-Brabant, de Waterwet, de Havengebruiksverordening, Havenbeheersverordening Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk, of de Verordening water Noord-Brabant. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement., de Havengebruiksverordening of de Havenverordening haven- en industrieterrein Moerdijk. 4. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

AO

Artikel 5:28 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Provinciale vaarwegenverordening Noord-Brabant.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, of de provinciale omgevingsverordening.

AP

Artikel 5:30 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening Noord-Brabant.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

AQ

Artikel 5:32 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast;

Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast;

b.

3.

de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.

b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.

AR

Artikel 5:33 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- en milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- en milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

b.

4.

5.

die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het verbod is voort niet van toepassing: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale verordening `Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; c. die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden en huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voort niet van toepassing: a. op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; b. binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

AS

Artikel 5:34 wordt als volgt gewijzigd:

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op : a. Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

b.

3. 4. 5.

Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. Vuur voor koken, bakken en braden. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op : a. Verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; c. Vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1° of 3°, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

Toelichting Algemeen De Algemene plaatselijke verordening bevat regels over de fysieke leefomgeving en is aangepast met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (hierna: Ow). De wettelijke grondslagen en formele verwijzingen zijn geactualiseerd, zodat vanaf inwerkingtreding van de Ow doorgewerkt kan worden met deze verordening onder de Ow. Het betreft een juridisch-technische omzetting. Artikelsgewijs Artikel I, onderdelen A, E t/m M, O, P, Q, S t/m AB, AD t/m AS In deze onderdelen worden grondslagen en formele verwijzingen geactualiseerd als gevolg van de Ow. Tevens betreft het enkele tekstuele aanpassingen die geen inhoudelijke wijziging beogen. Zij behoeven geen afzonderlijke toelichting. Een aantal lichten wij vanwege het bijzondere karakter wel toe. Artikel I, onderdeel A In dit onderdeel wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen in artikel 1:1, waarbij wordt verwezen naar de bijlage, onder A, bij de Ow. Dit begrip komt voor in diverse artikelen van de APV. Volgens genoemde bijlage is een beperkingengebied een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.

Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied In diverse artikelen van de APV staat dat een verbod niet van toepassing is op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de provinciale wegenverordening of het provinciaal wegenreglement. Dat wordt dan vervangen door de tekst dat het verbod niet van toepassing is op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Ow, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Artikel I, onderdelen B, C, D en E In deze onderdelen wordt opgenomen dat de artikelen (artikelen 1:2 en 1:4) of het eerste lid (artikelen 1:5 en 1:6) niet van toepassing is op een omgevingsvergunning. Voor vergunningen of ontheffingen die een omgevingsvergunning zijn, geeft de Ow een uitputtende regeling voor de in deze artikelen geregelde onderwerpen: over de beslistermijnen in de paragrafen 16.5.2 en 16.5 3 van de Ow, over het nakomen van de voorschriften in artikel 5.5 van de Ow (eventueel in samenhang met artikel 22.8 van de Ow en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit), voor wie de omgevingsvergunning geldt in artikel 5.37 van de Ow en over intrekking of wijziging van een omgevingsvergunning in paragraaf 5.1.5 van de Ow.

Artikel I, onderdeel N In artikel 2:42 is het laatste lid verwijderd omdat dit al in lid 4 is opgenomen. Artikel I, onderdeel R In dit onderdeel wordt de definitie van consumentenvuurwerk aangepast in artikel 2:71. In artikel 5.43 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet wordt het Vuurwerkbesluit gewijzigd. De definitie van consumentenvuurwerk vervalt. Overal waar consumentenvuurwerk staat wordt dit in het Vuurwerkbesluit vervangen door ‘vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik’. Voor de toepassing van de APV wordt het begrip consumentenvuurwerk gehandhaafd. De verwijzing naar het Vuurwerkbesluit wordt vervangen door bovengenoemde definitie. Artikel I, onderdelen W t/m Z Deze onderdelen strekken ertoe de bepalingen over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen te handhaven. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 4:1 tot en met 4:5 van de APV uiterlijk tot het einde

van de overgangsperiode blijven gelden. Voor handhaving van de status quo moet de wetgeving zoals die vóór de inwerkingtreding van de Ow geldt, dus van toepassing blijven. Het gaat om de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder zoals deze luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow. Omdat in verschillende artikelen wordt verwezen naar het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarvan een definitie opgenomen in artikel 4:1. Voor de andere genoemde wet- en regelgeving is de toevoeging in het betreffende artikel opgenomen (in onderdeel W voor artikel 4:1 van de APV en in onderdeel Z voor artikel 4:5 van de APV). Artikel I, onderdeel AC Artikel 4:14a komt te vervallen omdat dit artikel niet in overeenstemming was met de Omgevingswet en het in de praktijk niet werd toegepast. Artikel I, onderdeel AD In dit onderdeel wordt artikel 4:15, tweede lid, aangepast. Het verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Artikel I, onderdeel AE In dit onderdeel wordt de definitie van kampeermiddel in artikel 4:17 aangepast. Door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, die gelijktijdig met de Ow in werking treedt, worden bouwwerken in gevolgklasse 1 vergunningvrij (bouwtechnisch deel).

Grondgebonden recreatiewoningen vallen onder gevolgklasse 1 en zouden met alleen een aanpassing van de verwijzing in artikel 4:17 onder het begrip kampeermiddel komen te vallen. Dat is ongewenst. Het moet gaan om een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel II van het wijzigingsbesluit Het eerste lid voorziet erin dat de in dit besluit opgenomen technische wijzigingen eerst van toepassing zijn op het tijdstip dat de Ow in werking treedt. Het tweede lid wijkt hiervan af voor artikel I, onderdelen W t/m Z. Zie de toelichting op die onderdelen. Artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet biedt overgangsrecht voor de op het moment van inwerkingtreding van de Ow van kracht zijnde APV-bepalingen over geluidhinder en hinder door verlichting (de artikelen 4:1 tot en met 4:5 APV). Omdat de artikelen 4:1 en 4:5 wel technisch wijzigen, is voor de zekerheid bepaald dat deze wijzigingen in werking treden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Ow.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=bff9d470-2552-49c9-9597-f723e1b6d1f7