CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 RAAP, Verdronken en teruggewonnen Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Informatiebijeenkomst 17 mei 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: 20.30 uur archeologische waardenkaart36.307 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

86

Koopmanschap & Visser-Poldervaart, 2011; p.18-20, 28 29 en 47 Tebbens, 2016; p.40. 88 Verbraeck & Bisschops, 1971. 87

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[50]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

hoger dan de omringende gronden. Bij de Mark zijn de a fzettingen tussen de dijken ruim anderhalve meter hoger opgeslibd dan de omgeving. Na de bedijking werd het gebied tussen de dijken dus nog regelmatig overstroomd. Hierdoor rijst de vraag of dit allemaal jong sediment is, of dat er een ouder landschap onder schuil kan gaan. Het westelijk deel van de Mark betreft in feite een zeeinbraakgeul die verder stroomopwaarts is aangetakt op het oorspronkelijke dal van de Mark. Het dal van voor de overstromingen kende een oostelijker verloop, langs Zevenbergen richting noordwesten (zie ook figuur 10). In de westelijker inbraakgeul heeft het zeewater met kracht oude afzettingen heeft opgeruimd en is de verwachting voor oud land dus laag. Dat geldt voor alle grote inbraakgeulen.

Figuur 30. Impressie van het Lage landschap. Linksboven: hoge dijken langs de rivieren; rechtsboven: het natuurlijk reliëf is vaak goed herkenbaar op plekken waar infrastructuur kruist; linksonder: het uitgestrekte polderlandschap; rechtsonder: boring in de Roode Kreek.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[51]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Intermezzo: het oer-dal van de Mark Het oorspronkelijke dal van de Mark lijkt te traceren op basis van de DINO-boringen. Op twee plaatsen in de omgeving van waar Beekman (1921) het oorspronkelijke dal aanduidt, zijn in het zandreliëf dalvormige laagtes te herkennen die mogelijk als het oer-dal van de Mark zijn aan te merken (zie figuur 31).

Figuur 31. Reconstructie van het Oerdal van de Mark.

De meest westelijke van deze dalen valt goed samen met het dal zoals dat door Beekman is aangeduid. In dat geval blijft echter sprake van een vreemde slinger richting het westen. In het zandreliëf is iets richting het oosten een tweede dalvormige laagte te herkennen. Dit dal past beter in een natuurlijk verloop van de Mark van zuidoost naar noordwest. Beide dalen zijn daarom als zodanig opgenomen in de landschappelijke basiskaart van het pleistoceen. Aan het maaiveld zijn de natuurlijke hoogteverschillen subtiel en vooral goed te zien op plekken waar infrastructuur kruist. De zee inbraakgeulen/kreken zijn meestal goed herkenbaar, ook omdat ze vaak nog watervoerend zijn. Opmerkelijk is dat de open kreken veelal laag in het landschap liggen. Dat is normaal in dit landschap niet te verwachten, er van uit gaande dat ze vanwege hun zandige vulling na verloop van tijd door differentiële klink als inversieruggen in het landschap komen te liggen. Daaruit kunnen twee zaken geconcludeerd worden. Ten eerste zijn de kreken relatief jong, waardoor inversie

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[52]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

nog niet (of beperkt) heeft plaatsgevonden. Ten tweede moeten de laag gelegen kreken vrij snel na het ontstaan zijn afgedamd. Daardoor waren ze maar kort watervoerend en is relatief weinig zand afgezet. De vulling is dan eerder kleiig en humeus, zoals een geleidelijk dichtgeslibde restgeul. In de kreken heeft het zeewater oud land weggeslagen, maar dit speelt vooral dicht bij de bron. In het uiteinde van de kreek is de erosie beperkt gebleven. Zo is gebleken dat het kreekreliëf veelal afwijkt van het onderliggende zandreliëf. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de kreken lang niet altijd tot in het dekzand zijn ingesneden en op veel plaatsen het zandreliëf dus intact is. Dit is bevestigd met een boring midden in de Roode Kreek ten noorden van Oudemolen (waarnemingspunt 85, boring 25) . Daarin is onder een ruim drie meter dik pakket gelaagde kreekvulling een volledig intacte moerige podzol in dekzand aangetroffen (zie figuur 32).

Figuur 32. Boring 25 toont v.l.n.r. een gelaagde kreekvulling op een intacte moerige podzol in dekzand.

Tot slot een laatste veldwaarneming die van invloed is op de archeologische verwachting in de Krijtenburgse Polder in het noorden van de gemeente Etten-Leur. Dit toponiem doet vermoeden dat hier een burcht heeft gestaan. Uit een analyse van historisch kaartmateriaal blijkt echter dat dit gebied op oude kaarten ook staat aangegeven als "bergse" polder. Waarschijnlijk duidt dit op de zandopduiking centraal in de polder. De naam “burg” is vermoedelijk dus een verbastering van “berg”.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[53]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

3.5 De bijgestelde ondergrondmodellen De karteringen van eenheden aan het maaiveld met behulp van het AHN en van afgedekte eenheden met behulp van de zanddieptekaart (aangescherpt met de resultaten van de veldtoets en de resultaten van archeologische onderzoeken (§4.2), hebben een vrij nauwkeurig inzicht gegeven in het pleistocene en het holocene landschap. Omdat het pleistocene landschap halverwege het onderzoeksgebied onde r het holocene wegduikt, is de landschappelijke basiskaart opgesplitst in een kaartblad voor Pleistoceen en Holoceen (kaartbijlage 1a en b). Daarop zijn de volgende landvormen onderscheiden: Landvorm Pleistoceen

Omschrijving

Beekdal

Dal met stromend water (beek)

Dalglooiing

Helling van een beekdal

Dalvlakte

Bredere dalbodem (ontstaan door glaciale smeltwaterstroom), waar de beek periodiek overstroomt

Dalvormige laagte

(Smeltwater)dal zonder stromend water

Dekzandrug

Kleinere hoog gelegen rug met dekzand

Dekzandvlakte (evt. met cultuurdek/enkeerd)

Vlak en relatief laaggelegen dekzand evt. met door ophoging ontstaan cultuurdek.

Dekzandwelving (evt. met cultuurdek/enkeerd)

Welvende pakketten dekzand, daardoor wat hoger gelegen en relatief geschikt voor landbouwkundig in gebruik. Evt. met een door ophoging ontstaan cultuurdek.

Geërodeerd

Pleistoceen reliëf aangetast door latere erosie.

Laagte

Solitaire, geïsoleerde laagte

Landduin

Als dekzandrug, maar dan met uitgesprokener duinreliëf

Moer

Als laagte, maar dan met veen dichtgegroeid

Natte laagte

Als laagte, maar dan met natte omstandigheden (moerassig)

Opduiking

Solitaire verhoging, waarvan aard niet bekend is

Plateau

Uitgestrekt hoger deel in het landschap met fluviatiele afzettingen en/of dekzand, en daardoor veelal langdurig landbouwkundig in gebruik (prehistorie).

Stuifduin

Duin ontstaan door (post)middeleeuwse verstuiving, waaronder mogelijk een ouder landschap ligt afgedekt

Stuifzand complex

Groter aaneengesloten gebied met complex aan stuifduinen en uitblazingsbekkens

Terrasrug

Door versnijding ontstane relatief hoog gelegen rug van vroeg -Pleistocene afzettingen en daardoor veelal langdurig landbouwkundig in gebruik, als gevolg waarvan een cultuurdek is ontstaan

Terrasvlakte

Vlak, relatief laag gelegen gebied met vroeg -Pleistocene afzettingen aan/bij het maaiveld

Terraswelvingen (evt. met cultuurdek/enkeerd)

Door versnijding ontstane welvingen van vroeg -Pleistocene afzettingen en daardoor wat hoger gelegen en relatief geschikt voor landbouwkundig in gebruik. Evt. met een door ophoging ontstaan cultuurdek.

Uitblazingsbekken

Door laat glaciale uitblazing ontstaan bekken (de tegenhanger van de landduin)

Uitblazingsvlakte

Laag gelegen gebied waar zand is uitgewaaid door (post)middeleeuwse verstuiving, waardoor ouder landschap is aangetast

Ven

Door laat glaciale uitblazing ontstaan ven

Verstoord

Door menselijk ingrijpen vergraven bodem af te lezen duidelij k afwijkend reliëf (gekarteerd middels het AHN en waar mogelijk getoetst in het veld)

Tabel 2. Overzicht van de gedefinieerde (archeologisch relevante) pleistocene landvormen.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[54]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Landvorm Holoceen

Omschrijving

Aanwassen

Jongste, buitendijks aanslibbingen, die zodra hoog genoeg opgewassen ingepolderd worden.

Getij-oeverwal

Wal ontstaan de afzetting van sedimenten op de oever van een getijdekreek.

Getij-vlakte

Vlakte van door getijdeoverstroming ontstane afzettingen.

Getij-vlakte (hoog)

Idem, relatief hoog gelegen

Getij-vlakte (laag)

Idem, relatief laag gelegen

Gorzen en slikken

Slikken zijn opslibbende zandplaten in het getijdenestuarium. Wanneer ze hoog genoeg zijn opgeslibd om niet meer voortdurend overstromen worden ze gorzen genoemd

Klei op veen

Getijdevlakte met veen in de ondergrond

Klei op zand

Pleistoceen zand aan de rand van het overstromingsgebied, afgedekt door een laagje klei

Kreekbedding

De watervoerende bedding van de kreek (zeeinbraakgeul)

Kreekrug

Kreek waarlangs het zeewater het land is binnengedrongen, waarbij zand is afgezet, wat nu als een (inversie)rug in het landschap ligt

Jonge kreekrug

Als kreekrug, maar dan lang watervoerend en daardoor hoog opgeslibd

Kreekrugcrevassesplay

Doorbraak vanuit een kreek, waarbij een pakket zandig materiaal als een waaier over de omringende vlakte is afgezet (crevasse). Deze landvorm komt voor ten oosten van de Verlamde Vaart en is waarschijnlijk ontstaan als gevolg van een doorbraak op het punt waar de Verlamde Vaart van de Mark aftakt. Op een aantal andere punten langs de Mark is dit ook aangeduid.

Moerige zandgrond

Zandgronden met een dunne veenlaag op de overgang van Laag naar Hoog

Moerige zandgrond met kleidek

Idem, met dun kleidek als gevolg van laat middeleeuwse overstroming

Oude haven

(Voormalige) waterloop, soms met natuurlijke oorsprong soms gegraven, op historische kaart aangeduid als haven.

Spaarbekken Veen met kleidek

Restant oud veen aan de rand van het overstromingsgebied, afgedekt door een laagje klei

Veen met kleidek op zand

Restant oud veen aan de rand van het overstromingsgebied, afgedekt door een laagje klei en met dagzomend Pleistoceen zand

Veen op zand

Restant oud veen aan de rand van het overstromingsgebied met dagzomend Pleistoceen zand

Verstoord/opgehoogd

Door menselijk ingrijpen vergraven of opgehoogd bodem af te lezen duidelijk afwijkend reliëf (gekarteerd middels het AHN en waar mogelijk getoetst in het veld)

Vesting

Door de mens opgeworpen versterking behorend tot de Zuiderwaterlinie (zie figuur 33)

Vliet/kreek-rug

Gegraven vliet waarlangs het zeewater het land is binnengedrongen, waarbij zand is afgezet, wat nu als een (inversie)rug in het landschap ligt

Vliet/vaart

Gegraven waterloop

Voorheen ontgonnen jonge zeeklei

Voorheen ontgonnen polders, inmiddels ontpolderd (Biesbosch).

Water

Open water

Wiel

Door dijkdoorbraak ontstaan kolkgat

Tabel 3. Overzicht van de gedefinieerde (archeologisch relevante) holocene landvormen.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[55]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 33. Infobord over de stelling van Willemstad en Zuiderwaterlinie.

De landschappelijke basiskaarten dienen als de ondergrondmodellen voor de archeologische verwachtingskaart. Daarbij spelen een aantal beperkingen een rol: •

Pleistoceen in het Lage. Zoals beschreven in paragraaf 3.3 is de aard van de landvormen in het afdekte pleistoceen (dus gekarteerd op basis van de zanddieptekaart) van indicatieve waarde, omdat inzicht in de exacte bodemopbouw ontbreekt. Desondanks is dit voldoende om een archeologische verwachting aan toe te kennen. Zoals te zien op de paleogeografische kaarten (Vos e.a., 2018, zie figuur 5) raakte dit gebied namelijk al in de late steentijd met veen bedekt. Dat betekent dat het pleistocene landschap in het Lage eigenlijk alleen voor de jager -verzamelaars beschikbaar is geweest. Voor hen speelden gradiënten (overgangen tussen hoog/droog en laag/nat) een belangrijke rol in de locatiekeuze (zie ook verder §5.1.1). Die gradiënten zijn ook op basis van een hoogtekaart van het pleistoceenreliëf goed te bepalen. De exacte bodemopbouw speelde hier minder een rol, dat was vooral van belang voor de landbouwers . Voor hen was het pleistocene zand in het Lage vanwege de voortgaande veengroei al snel niet meer beschikbaar.

•

Veenbedekking op het Hoge. Behalve het Lage raakten in de loop van het Holoceen ook grote delen van het Hoge met veen bedekt. Om grip te krijgen op de ruimtelijke verbreiding daarvan in de loop der tijd, is allereerst uitgegaan van de ontwikkeling van veenbedekking volgens de landelijke paleogeografische kaart (Vos e.a., 2018, zie figuur 5). Voor de maximale veenbedekking zijn hier de gegevens van de Turfdatabank aan toegevoegd. 89 Ook zijn de resultaten van archeologische

89

http://geoloket.provincieantwerpen.be

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[56]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

onderzoeken in het onderzoeksgebied bekeken (zie §4.2.3 voor een uitgebreide toelichting hierop). Dit heeft geresulteerd in een globaal beeld van de veenbedekking (zie ook verderop figuur 41). Voorts zijn de globale begrenzingen verkregen uit de beschikbare bronnen aangepast aan de op gemeentelijk niveau gekarteerde landvormen in het pleistocene zandlandschap. Dat betekent concreet dat grenzen van de veenbedekking zijn verfijnd op basis van de nauwkeurig begrensde landvormen, dat lokale laagtes bij de veenbedekking zijn betrokken en dat lokale hoogtes juist aan de veenbedekking zijn onttrokken. Bij de na de veenafgraving ontstane duincomplexen is geredeneerd dat deze ook voorafgaand aan de verstuiving de hogere delen in het landsch ap vormden, omdat er goed ontwikkelde podzolen onder het stuifzand voorkomen , dus dat ze niet of pas laat door het veen bedekt zijn. Op deze manier is een onderbouwd en gedetailleerd beeld verkregen van de gefaseerde en maximale veenbedekking dat wenselijk is op gemeentelijk niveau. De consequentie van de veenbedekking is immers groot, want het door veen begraven landschap was niet meer beschikbaar voor de mens. In grote lijnen geldt dat alleen de Gordel van Sterksel en enkele zandkoppen in het zuiden gedurende het hele Holoceen beschikbaar bleven (zie figuur 34). •

Holocene landvormen in het Lage. De landschappelijke basiskaart met holocene landvormen kent veel detail. Toch is uit de paleo- en historisch geografische analyse duidelijk geworden dat in het Lage niet zozeer het fysisch landschap, maar het technisch vernuft en historische ontwikkelingen bepaalden waar men ging wonen. Zodoende is de gefaseerde inpoldering hier leidend voor de bepaling van de archeologische verwachting. Het fysisch landschap is wel van belang voor het bepalen van de kans op oude (niet-geërodeerde) landschappen en aan specifieke landvormen gekoppelde vormen van landschapsgebruik (zoals scheepvaart op de kreken).

Figuur 34. Op basis van de verzamelde onderzoeksgegevens bepaalde gedetailleerde inzicht in de veenbedekking van het onderzoeksgebied.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[57]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

4 Archeologische gegevens 4.1 Bekende archeologische vindplaatsen 4.1.1

Van ruwe dataset naar zuivere vindplaatsen

Uit ARCHIS3 zijn alle vondstlocaties en AMK-terreinen onttrokken binnen het onderzoeksgebied. 90 Dat leverde een Excelbestand met 1.668 regels, waarvan elke regel een locatie vertegenwoordigt waar in ARCHIS3 een archeologisch complex, een grondspoor of een vondst is geregistreerd. Deze ruwe dataset bevat dus geen afzonderlijke vindplaatsen, maar losse elementen die samen een vindplaats vertegenwoordigen. ARCHIS is van oorsprong een vondstmeldingssysteem en dat betekent dat van een betreffende vindplaats alle gedane vondsten zijn gemeld. Van bijvoorbeeld een opgraving van één middeleeuwse nederzetting staan alle gedane vondsten (aardewerk, grondsporen, etc.) geregistreerd. Dat geeft voor een analyse op vindplaatsniveau een vertekend beeld, omdat die ene vindplaats dus met meerdere regels in de dataset vertegenwoordigd kan zijn. Daarnaast bevat de ruwe dataset ook vondsten die in de loop der tijd op dezelfde plek zijn gedaan, maar telkens afzonderlijk zijn gemeld. Hierbij kan gedacht worden aan vuursteenvondsten op een akker, waar jaren achtereen door amateurarcheologen geprospecteerd is. Ook hier is sprake van veel vondstregels die mogelijk maar op één of enkele vindplaatsen betrekking hebben. De ruwe dataset bevat daardoor te veel informatie om goed benut te kunnen worden voor een statistische vindplaatsanalyse.

Locaties met veel vondsten zijn statistisch namelijk oververtegenwoordigd ten opzichte van locaties waar vondsten op basis van eenmalig onderzoek of geclusterd zijn gemeld. Om de dataset voor een statistische analyse betrouwbaar en bruikbaar te maken, is een opschoonactie uitgevoerd waarbij locaties met veel losse vondstmeldingen zijn samengevoegd tot unieke vindplaatsen. Een vindplaats wordt in dit rapport gedefinieerd als “een uniek archeologisch complex uit een unieke archeologische periode ”. 91 De archeologische wetenschap kent echter een zeer fijnmazige uitsplitsing in periodes en complextypen. Vasthouden aan dit detailniveau zou statistisch op gemeentelijk niveau weinig resultaat op leveren, met maximaal één of enkele vindplaatsen per periode of complextype. Omwille van de statistische zeggingskracht zijn alle vindplaatsen daarom ondergebracht in de archeologische hoofdperioden 92 en zijn ook de complextypen op hoofdniveau aangeduid. Het opschonen is vervolgens gebeurd door de regels in de Excel -tabel op verschillende wijzen te sorteren en groeperen (op zaakid.nr. op objectnr. en x/y-coördinaat), zodat uiteindelijk de meldingen per locatie gegroepeerd werden. Vervolgens zijn binnen elke sorteringsgroep clusters met gelijke complextypen en hoofddatering samengevoegd tot unieke vindplaatsen.

Met andere woorden: op een locatie waar één of meerdere zaakid.nr’s liggen met meerdere regels waarin dezelfde datering en complextype zijn aangeduid, zijn deze regels samengevoegd tot één vindplaats. Ook zijn losse vondsten verwijderd die passen binnen een complextype met dezelfde datering op dezelfde locatie. Tot slot zijn de administratieve meldingen bekeken. 93 Hiervan is de context gecontroleerd evenals de

90

Peildatum oktober 2020 RAAP past deze definitie bij alle verwachtingskaarten in Zuid -Nederland toe. 92 Midden paleolithicum, laat paleolithicum, mesolithicum, neolithicum, bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd, vroege middeleeuwen, late middeleeuwen, nieuwe tijd. 93 meldingen waar x- en y-coördinaat zijn afgerond op een 100- of 1000-tal 91

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[58]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

aanwezigheid van eventuele complementaire vindplaatsen in de directe omgeving. Indien daarvan sprake was, zijn de meldingen daarmee samengevoegd. Deze totale analyse heeft uiteindelijk geresulteerd in een opgeschoonde dataset met 273 regels, waarbij elke regel als een statistisch bruikbare “vindplaats” beschouwd kan worden. Het resultaat hiervan is opgenomen in appendix 2. Ter voorbereiding op de vindplaatsanalyse (zie §5.2) is de datering van vindplaatsen nog verder geaggregeerd (zie de kolom “economie” in appendix 2). Dit is gebaseerd op de landschappelijke en archeologische ontwikkeling van het gebied (zie hoofdstukken 2 en 3). Daarbij is ook rekening gehouden met het vier-perioden-systeem van de RCE, 94 al is deze niet exact gevolgd, omdat de landschappelijke ontwikkeling reden geeft tot een nuancering op gemeentelijk niveau. I n het onderzoeksgebied is archeo-landschappelijk gezien daarom onderscheid gemaakt tussen: •

Het vroeg/midden-pleistocene fluviatiele landschap, dat de mens in de oude steentijd ter beschikking had. Dit landschap is grotendeels afgedekt, maar dagzoomt lokaal, waardoor die zeldzame vondsten uit het midden paleolithicum kunnen worden aangetroffen. Vindplaatsen uit deze periode zijn in de dataset aangeduid in de kolom “economie” als “JVo” (oude jager verzamelaars).

•

Het dekzandlandschap dat in het laat pleistoceen ontstond door verstuiving en vanaf de overgang naar het warmere holoceen door smeltwaterstromen en beken versneden werd. In dit reliëfrijke landschap zochten de jager-verzamelaars vanaf het laat paleolithicum tot en met het neolithicum de gradiëntzones op. Vindplaatsen uit deze periode zijn in de dataset aangeduid in de kolom “economie” als “JV” (jager-verzamelaars). 95

•

Vanaf de overgang van het mesolithiucm naar het neolithicum verdronk het dekzandlandschap geleidelijk, onder invloed van het vanuit de laagtes en kustvlakte oprukkende veen. Dit was van grote invloed op de gebruiksmogelijkheden voor de mens die in dit gebied vanaf het laat neolithicum overging op de landbouw. 96 Voor de landbouwers was vooral de vruchtbaarheid van de bodem 97 van belang. Vindplaatsen uit deze periode zijn in de dataset aangeduid in de kolom “economie” als “LB” (landbouwers). Het beschikbare areaal voor de landbouwers nam in deze periode onder invloed van de veengroei echter in rap temp af (zie figuur 34), tot in de vroege middeleeuwen alleen nog de allerhoogste delen van het onderzoeksgebied overbleven.

•

Vanaf de middeleeuwen vond er een drastisch omslagpunt plaats , doordat het landschap door de mens grootschalig werd aangepast aan de eigen wensen. Veen werd afgegraven voor de turf of met fijnmazige greppelsystemen ontgonnen. De vrijgekomen hoge zandgronden werden bemest en laagtes werden opgehoogd met zanddekken. Gemene gronden werden over-geëxploiteerd en verschraalden tot woeste gronden en stuifzanden. Behalve op individuele schaal, gebeurde dit ook grootschalig aangestuurd vanuit de staat. Vindplaatsen uit deze periode zijn in de dataset aangeduid in de kolom “economie” als “SSL” (staatssamenlevingen).

94

Groenewoudt & Smit, 2014 Vindplaatsen uit het laat paleolithicum zijn aangeduid als “JV(o)”. Dit bi edt de mogelijkheid ze voor de statistische analyse zowel bij de oude jager-verzamelaars als jonge jager-verzamelaars te betrekken. 96 Vindplaatsen uit het neolithicum zijn afhankelijk van de vondstcontext ingedeeld. Vindplaatsen met jacht-attributen zijn gerekend tot de jager-verzamelaars. Vindplaatsen met bijlen of aardewerk, zijn gerekend tot de landbouwers. 97 Gronden met relatief een hoge mineralogische rijkdom, goede ontwatering en goed vochtbergendvermogen. 95

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[59]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

4.1.2

Overzichten

Hierna volgt een beknopt overzicht van de archeologische vindplaatsen in het onderzoeksgebied, gebaseerd op de dataset met opgeschoonde vindplaatsen. Die volledige dataset is opgenomen in appendix 2 en weergegeven op kaartbijlage 2. Meer inzicht in de ruimtelijke spreiding van de vindplaatsen wordt gegeven in paragraaf 5.2. Hier wordt volstaan met enkele overzichten die een globaal beeld geven van de archeologische situatie. Deze overzichten hebben mede vormgegeven aan de ontwikkeling van mens en landschap, zoals beschreven in hoofdstuk 2. Bovendien vormen ze mede de onderbouwing van het archeologisch verwachtingsmodel (zie hoofdstuk 5). Economie

Hoofddatering

JVo

midden paleolithicum

6

laat paleolithicum

1

JV

LB

SSL

Aantal

laat paleolithicum-mesolithicum

1

Economie

Complex

Aantal

mesolithicum

19

JVo

onbekend

6

neolithicum

2

bewoning

30

steentijd (brede datering)

12

onbekend

5

Subtotaal

35

agrarische productie

1

neolithicum

7

begraving

12

bronstijd

10

bewoning

41

ijzertijd

17

depot

3

late prehistorie

7

onbekend

18

ijzertijd-late middeleeuwen

1

agrarische productie

12

Romeinse tijd

25

begraving

3

vroege middeleeuwen

9

bewoning

63

Subtotaal

76

industrie

8

late middeleeuwen

42

infrastructuur

20

nieuwe tijd

61

onbekend

20

religie

9

versterking

22

JV

LB

historische tijd

53

Subtotaal

156

SSL

273

Eindtotaal

Eindtotaal

273

Tabel 4. Verdeling van de vindplaatsen over de archeologische hoofdperioden (links) en complextypen (rechts).

Wat in tabel 4 allereerst opvalt is dat het aantal bekende (en statistisch bruikbare) vindplaatsen relatief klein is, in verhouding tot de omvang van het onderzoeksgebied van vier gemeenten. 98 Binnen dat relatief beperkte aantal vindplaatsen zijn die uit de jager-verzamelaars periode met 15% sterk ondervertegenwoordigd. Dit is waarschijnlijk voor een groot deel een gevolg van het feit dat het pleistocene steentijd-landschap (het Hoge) slechts in één derde deel van het onderzoeksgebied aan het maaiveld ligt. Dat maakt het overigens des te bijzonderder dat ook zes vindplaat sen uit midden paleolithicum bekend zijn, achtergelaten in een landschap dat vele tienduizenden jaren aan erosie en sedimentatie onderhevig is geweest. Uiteraard kan ook het mannetje van Willemstad 99 niet onvermeld blijven (zie figuur 35), temeer omdat het in het Lage op meters diepte werd aangetroffen.

98

Ter vergelijking: in alleen de gemeente Alphen-Chaam waren 375 vindplaatsen bekend (Ellenkamp, 2020). ARCHIS-zaakidentificatienummer 2967447100. https://www.rmo.nl/museumkennis/archeologie -van-nederland/nederland-in-deprehistorie/de-voorwerpen/het-mannetje-van-willemstad/ 99

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[60]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 35. Het mannetje van Willemstad (bron RMO).

Het zwaartepunt van vindplaatsen in het gebied ligt juist helemaal aan de andere kant van de tijdsschaal in de periode van de staatssamenlevingen (SSL). Dit duidt dan weer de relatief beperkte ouderdom van de twee derde van het onderzoeksgebied dat tot het Lage wordt gerekend. Ruim 57% van alle vindplaatsen dateert uit de staatse tijd (late middeleeuwen en nieuwe tijd). Veel vindplaatsen uit deze periode houden verband met het verdrinken van dorpen 100 en het inpolderen en opnieuw ontginnen van de overstroomde gebieden. De variatie in archeologische complextypen uit deze periode is relatief groot, wat duidt dat het technisch vernuft in deze periode sterk toe nam. In deze periode zijn veel infrastructurele en verdedigingswerken opgetrokken. Toch vormen resten van bewoning nog altijd de hoofdmoot van de vindplaatsen uit de staatse tijd. Bewoning is ook het meest voorkomende complextype in de voorgaande periode van landbouwers. De vindplaatsen op de Houtse Akkers uit de collectie Verhagen vormen hiervan bekende voorbeelden . Hier is veel aardewerk (figuur 36) en ander vondstmateriaal aangetroffen duidend op bewoning uit de landbouwers periode van neolithicum tot en met (vroege) middeleeuwen. 101 De grote hoeveelheden vondsten scheppen hoge verwachtingen als het gaat om aantallen landbouwers vindplaatsen, maar zoals blijkt uit tabel 4 wordt die verwachting niet waar gemaakt.

Met 28% vormt het aantal vindplaatsen uit deze periode van vele duizenden jaren slechts een beperkt aandeel van het totaal, zeker wanneer dit wordt vergeleken met andere gemeenten in Zuid Nederland. 102 De oorzaak moet hier waarschijnlijk gezocht worden in de veenbedekking, waardoor het zandlandschap geleidelijk verdronk (zie figuur 34) en niet meer voor de landbouwers beschikbaar was. Na sporen van bewoning komen in de landbouwers periode sporen van het begravingsritueel het meeste voor.

100

O.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2886739100, 3123451100, 2886674100, 2886722100, 2967430100 Houkes, 2012: p.89-116 102 In bijvoorbeeld Alphen-Chaam betreft het 44% (Ellenkamp, 2020) 101

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[61]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 36. Voorbeeld van aardewerk zoals aangetroffen op de Houtse Akkers (bron: Houkes, 2012: p.103).

4.1.3

Nieuw ontdekte vindplaatsen

Tijdens het karteren van de landvormen en de veldtoets, zijn verschillende structuren herkend die mogelijk ook op vindplaatsen duiden. Daarnaast zijn aan de hand van historisch kaartmateriaal en bronnen 103 verschillende locaties van verdronken dorpen/huizen bepaald die als potentiele vindplaats aangemerkt kunnen worden, zoals verdronken oorden. Hierbij zijn in totaal 69 mogelijke nieuwe vindplaatsen gekarteerd, waarvan er 11 (deels) buiten de gemeenten liggen. Ze zijn in blauw weergegeven op kaartbijlage 2 en een totaaloverzicht is opgenomen in appendix 3. De vindplaatsen zijn als volgt onder te verdelen (tabel 5): Aard

Aantal

boezem

1

bundels karrensporen

5

dijkrestant

1

eendenkooi

2

fort/linie

5

kampontginning

1

militaire structuur

29

schans

1

verdronken dorp/huis

5

W.O.II restant

17

Eindtotaal

69

Tabel 5. Nieuw gekarteerde mogelijke vindplaatsen.

103

Herben, 1995

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[62]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 37. Uitsnede van de “Plan van de (…) nu in weezen Zijnde Inuncatie van Koehoorn” uit 1747 , met daarop verdedigings- en waterwerken behorende bij de inundaties van de Zuiderwaterlinie . (Nationaal Archief, archiefnummer 4VTH, inventarisnummer 4653)

Het betreft: een aantal delen van de ZuiderWaterlinie 104 die buiten de begrenzingen van de archeologische monumentenkaart vallen, enkele verdronken dorpen en/of huizen, die op basis van historisch kaartmateriaal (exacter) zijn gelokaliseerd en de nodige losse structuren, zoals eendenkooien, een dijkrestant en boezem in het Lage en bundels karrensporen en een kampontginning op het Hoge. Opvallend is het grote aantal militaire structuren (deels uit W.O.II) die op basis van het AHN gekarteerd zijn en die tot nu toe niet als vindplaats werden geregistreerd. Enkele daarvan waren bekend als kogelvangers (o.a. in het gebied Kalix Berna 105), maar ook daarbuiten zijn enkele opvallende structuren vastgesteld. Op de zuidgrens van de gemeente Oosterhout, d eels in de gemeente Gilze-Rijen, in de bossen rond Vijf Eiken ligt namelijk een uitgestrekt complex met militaire structuren van verschillende oorsprong en ouderdom. •

Ten noordoosten van de Oude Leemputten, aan weerzijden van de Vijf Eikenweg (N631) liggen verschillende schietbanen met kogelvangers, maar ook munitieopslagplaatsen, schervenvangers (opgeworpen walletjes) en zones met granaatinslagen die vermoedelijk met handelingen uit W.O.II verband houden. De patronen zijn op het AHN nog duidelijk zichtbaar (figuur 38) en kunnen als (militair)erfgoed bestempeld worden. Tegelijkertijd moet in deze zone rekening gehouden worden met de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (voorheen N.G.E. genaamd).

104 105

https://www.zuiderwaterlinie.nl/ https://www.tijdmachineoosterhout.nl/detailview.aspx?id=3277

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[63]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 38. De reliëfkaart toont militaire structuren uit vermoedelijk W.O.II in de bossen in het zuidoosten van de gemeente Oosterhout.

•

In dezelfde bossen, maar dan ten zuidwesten van de leemputten (en de spoorlijn) ligt een complex aan greppels in opvallende patronen (zie figuur 39). Het betreft een oefenbaan gerelateerd aan een militair kamp van Willem I dat in verband gebracht wordt met de Belgische Opstand (1831-1839). 106 Het kamp zelf bevindt zich verder oostelijk direct ten zuiden van Rijen, ingeklemd tussen de provinciale weg N282 en de spoorweg Tilburg-Breda. De oefenbaan voor de belegering van Antwerpen ligt ten westen daarvan en loopt door tot in de gemeente Oosterhout. De structuren zijn van dermate belang dat ze zijn voorgedragen voor een wettelijk beschermde status. 107

106 107

Roymans, 2019 Roymans, 2021

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[64]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 39. In het zuidwesten van de gemeente Oosterhout gaan resten van een militair kamp met oefenbaan van Willem I in de bossen verscholen.

4.2 Archeologische onderzoeken 4.2.1

Analyse

De dataset met uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen alle gemeenten bestaat uit 822 ARCHIS3-onderzoeksmeldingen 108 (met uniek zaakidentificatienummer, zie appendix 4). In 562 gevallen betrof het een veldonderzoek (figuur 40) waarvan in het kader van de actualisatie de resultaten zijn gebruikt, omdat daarmee kan worden achterhaald wat de exacte landschappelijke context van een onderzoeksgebied is en of daadwerkelijk archeologische resten aanwezig zijn. Met deze gegevens kan de dus archeologische verwachting gespecificeerd worden. In 72 gevallen bleef het onderzoeksresultaat onbekend, omdat ofwel de meldin g een lopend onderzoek betrof (nog geen resultaten gemeld) ofwel er geen rapport beschikbaar was in ARCHIS3 of DANS-EASY. Van de resterende 490 onderzoeksmeldingen zijn de digitaal verzamelde onderzoeksrapporten doorgenomen en de resultaten samengevat in een Exceltabel (zie appendix 4) en grafisch weergegeven op kaartbijlage 2. Soms was geen rapport beschikbaar, maar kon wel aan de hand van de eerste bevindingen uit ARCHIS3 voldoende informatie afgeleid worden. Van al deze onderzoeken is bepaald wat het bodemkundig, geo(morfo)logisch en archeologisch resultaat was. Aan alle verzamelde PDF’s is het ARCHIS3-zaakidentificatienummer toegevoegd aan de pdf-bestandsnaam, zodat melding en rapport altijd aan elkaar te koppelen zijn.

Uit de analyse bleek dat onderzoeksresultaten soms niet op het gehele onderzochte gebied van toepassing zijn. Daarom is in de kolom “zone” aangegeven wanneer het op basis van de

108

Peildatum oktober 2021

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[65]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

onderzoeksresultaten nodig was om het onderzochte gebied in meerdere zones op te splitsen, bijvoorbeeld wanneer in de zuidelijke helft van het gebied een vindplaats was aangetroffen en in de noordelijke helft niet. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in 585 onderzoeksmeldings-zones waarvan het archeologisch onderzoeksresultaat is bepaald. In situaties waar in één en hetzelfde gebied meerdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zijn de resultaten uit het laatste onderzoek overgenomen en is daar in de Exceltabel bij de voorgaande onderzoeken naar verwezen.

Figuur 40. Impressie van archeologisch onderzoek op de Houtse Akkers (bron: Roessingh & Blom, 2012: p.70).

4.2.2

Overzichten

Op basis van de analyse van de archeologische veldonderzoeken is een aantal overzichten gegenereerd. De eerste daarvan geeft inzicht in de archeologische onderzoeksresultaten (tabel 6). Uit het overzicht blijkt dat in de meeste gevallen geen vervolgonderzoek is aanbevolen (40.6% van de onderzoeksmeldingszones), omdat op basis van het veldonderzoek sprake is van een lage verwachting of geen archeologische sporen of indicatoren zijn aangetroffen. In een k leiner deel zijn wel sporen of een vindplaats aangetroffen, maar zijn deze als niet -behoudenswaardig aangemerkt (9.1%). In 6.9% van de gevallen is de ingreep niet verstorend of ligt de archeologie dieper dan de verstoring. In 11% van de gevallen is het onderzoeksresultaat onbekend en 3.5% heeft betrekking op een vindplaats die is opgegraven. Dat betekent dus dat in minder dan 30% van de gevallen voor een onderzoeksmeldings zone vervolgonderzoek is aanbevolen op basis van een hoge verwachting of (aanwijzinge n voor) een archeologische vindplaats. N.B. Bij die 30% vervolgonderzoek moet bedacht worden dat dit betrekking kan hebben op meerdere fasen van onderzoek in hetzelfde onderzoeksgebied. Bijvoorbeeld wanneer na verkennend onderzoeken een kartering is aanbevolen, gevolgd door een waardering en opgraving, dan komt één onderzoeksgebied maar liefst drie keer voor in de telling van aanbevelingen tot vervolg.

Het aandeel locaties waar daadwerkelijk archeologie is aangetroffen, ligt in feite dus lager. Dat blijkt o ok wel uit het feit dan van de ruim 800 onderzoeken (incl. de bureauonderzoeken), slechts 16 stuks betrekking hebben op een opgraving.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[66]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Archeologisch resultaat

Aantal Percentage

geen vervolgonderzoek

267

40.6

vindplaats, niet behoudenswaardig

46

7.0

sporen anders dan bewoning, niet behoudenswaardig

14

2.1

geen vervolgonderzoek, want geen verstoring

15

2.3

verwachting voor dieper niveau

30

4.6

onbekend

72

11.0

vindplaats, opgegraven

23

3.5

hoge verwachting

117

17.8

verwachting anders dan bewoning

3

0.5

vindplaats

34

5.2

zie vervolgonderzoek

36

5.5

Totaal (onderzoeksmeldingszones)

657

100.0

Tabel 6. Overzicht van de archeologische onderzoeksresultaten.

De vraag rijst echter of dit terecht is? In de dataset valt namelijk op dat “niet-behoudenswaardige” sporen/vindplaatsen (n = 60), in vrijwel alle gevallen betrekking hebben op sporen van ontginning en/of andere economische activiteiten. Hieruit blijkt enerzijds dat de aandacht bij archeologisch onderzoek (en de waardering daarvan) vooral op de nederzettingsarcheologie ligt. Anderzijds blijkt ook dat sporen van ontginning en economische activiteiten in dit gebied regelmatig worden aangetroffen. Dat deze sporen van belang zijn voor het ontginningsverhaal van het gebied, is wel duidelijk geworden uit hoofdstuk 2. Wellicht vormt dat een aanleiding om de waardering van deze sporen in dit gebied anders te benaderen: minder vanuit de bewoningsgeschiedenis en meer vanuit de landschapsgeschiedenis. In Maasband (L) worden hiermee momenteel in samenwerking met de RCE ervaringen opgedaan. 109 Naast de archeologisch resultaten, zijn ook de landschappelijke uitkomsten relevant voor de actualisatie van de archeologische verwachtingskaart. De geo(morfo)logische en bodemkundige uitkomsten zijn gepresenteerd in tabel 7. Het valt op dat het grootste aandeel onderzoeken op dekzand betrekking heeft. Alle pleistocene landvormen samen vormen 58% van het totaal.

Met circa 13% waarvan de landschappelijke context niet bekend is, blijft er circa 29% over voor onderzoeksmelding szones in holocene context. Dit blijkt ook wel uit kaartbijlage 2, want het merendeel van de onderzoeken ligt in de gemeente Oosterhout en de zandgronden in de zuidelijke delen van de overige gemeenten. De tabel geeft in principe dan ook een weinig zeggend statisch overzicht, want voor de landschappelijke inzichten is vooral de ruimtelijke verspreiding van belang, zoals ook gepresenteerd op kaartbijlage 2.

109

https://lgog.nl/themas/landschapsgeschiedenis/maasband -de-interactie-tussen-mens-en-rivier; http://www.maasbandproject.nl/Home/

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[67]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Geo(morfo)logisch resultaat

Aantal Percentage

Bodemkundig resultaat

Aantal Percentage

beekdal

13

2.0

AC-profiel

102

15.6

dekzand

341

52.2

beek/gooreerdgrond

3

0.5

fluvioperiglaciaal

3

0.5

enkeerdgrond

114

17.5

getijden

25

3.8

klei

6

0.9

getijdengeul

16

2.5

klei op veen op zand

13

2.0

klei op veen

16

2.5

klei op zand

8

1.2

klei op veen op zand

58

8.9

lage enkeerdgrond

3

0.5

klei op zand

5

0.8

moerige grond

118

18.1

laagte

6

0.9

onbekend

81

12.4

onbekend

90

13.8

opgehoogd

10

1.5

terrasafzettingswelvingen

15

2.3

podzolgrond

59

9.0

turfvaart

2

0.3

stuifzand op podzolgrond

2

0.3

veen op zand

24

3.7

veen op zand

2

0.3

water

1

0.2

verstoord

93

14.3

zie voor/vervolgonderzoek

38

5.8

zie voor/vervolgonderzoek

38

5.8

Totaal*

653

100

Totaal*

652

100

Tabel 7. Overzicht van de landschappelijke onderzoeksresultaten. *De totaal aantallen onderzoeksmeldingszones verschillen, omdat soms wel het archeologisch resultaat bekend is, maar niet het geologisch en/of bodemkundig

Voor het verkrijgen van het ruimtelijk inzicht zijn alle uitkomsten (archeologisch en landschappelijk) daarom in GIS gethematiseerd en geprojecteerd op de landschappelijke basiskaarten (zie hoofdstuk 3). Zo is aan de hand van elke afzonderlijke onderzoeksmelding -zone bepaald of het verloop en de diepteligging van de gekarteerde landvormen klopt met de werkelijkheid uit het veld of eventueel moet worden bijgesteld. Waar de onderzoeksresultaten hier aanleiding toe gaven is de bijstelling of herbegrenzing van landvormen (in x,y,z) allereerst gedaan op basis van de concrete begrenzingen zoals vastgesteld in het betreffende onderzoeksgebied. Daarbuiten is het verloop van de herbegrenzing geëxtrapoleerd met behulp van overige bij de kartering gehanteerde bronnen (AHN, historische kaarten, etc.), rekening houdend met een logisch verloop. Een aantal resultaten hiervan is van grote invloed op de archeologische verwachting en wordt hierna daarom nader toegelicht.

4.2.3 •

Relevante onderzoeksresultaten

In Etten-Leur zijn bij de archeologische onderzoeken opvallend vaak natte bodems aangetroffen, ook op de wat hogere rug waarop Etten ligt. De onderzoeken in dit specifieke gebied doen regelmatig melding van lemige ondergrond 110 (wat resulteert in een slechte drainage van de bodem) en vaak ook van venige of moerige lagen. 111 Hoewel volgens de paleogeografische kaarten (figuur 5) de rug van Etten niet met veen bedekt is geraakt, bewijzen de onderzoeksresultaten dat het gebied ondanks de relatief hoge ligging toch een vrij natte bodemgesteldheid met enige veenvorming kende. In figuur 41 zijn alle onderzoeken waarbij veen(resten) zijn vastgesteld geprojecteerd op de veronderstelde maximale veenbedekking. Daaruit blijkt duidelijk dat ook buiten de “bekende veenbedekking” regelmatig veen is aangetroffen. deze onderzoeksresultaten zijn mede gebruik om de maximale veenbedekking te bepalen zoals

110 111

Zie appendix 3 o.a. ARCHS-zaakidentificatienummers 2214559100, 2423239100, 2214550100, 4909770100 Zie appendix 3 o.a. ARCHS-zaakidentificatienummers 2474659100, 2079962100, 2011029100

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[68]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

gepresenteerd in figuur 34. Ook het eiland van Etten was dus waarschijnlijk langdurig te nat voor bewoning en dit blijkt wanneer opeenvolgende fasen van archeologisch onderzoek met elkaar vergeleken worden. In vrijwel alle gevallen waar in de bebouwde kom van Etten op basis van het booronderzoek (vanwege het aantreffen van een podzolbodem of enkeerdgrond ) een vervolgonderzoek werd aanbevolen, leverde het betreffende vervolgonderzoek niet meer op dan ontginningsgreppels uit de late middeleeuwen of nieuwe tijd. 112 Oudere sporen van bewoning zijn, met uitzondering van enkele steentijd vindplaatsen, 113 nooit aangetroffen. •

Zoals blijkt uit figuur 41 is binnen het onderzoeksgebied eigenlijk slechts één zone aan te wijzen waar op grote schaal géén veen voorkomt volgens de bestaande bronnen en het ook niet is aangetroffen bij archeologische onderzoeken: de gordel van Sterksel in de zuidelijke helft van de gemeente Oosterhout. Het betreft dan bovendien alleen het hoogste deel centraal in de gemeente, want zowel aan de westrand bij Dorst als aan de oostrand richting Dongen komt wel veen voor en is dit ook bij onderzoeken aangetroffen al wordt daarbij vaak aangegeven dat het om lokale voorkomens gaat. 114 Bij Dorst is echter dermate vaak veen aangetroffen, dat in ieder geval geconcludeerd kan worden dat hier de randen en lagere delen van de gordel van Sterksel ook met veen begroeid zijn geweest. In deze randgebieden zijn wel archeologische sporen aangetroffen, maar het betrof vrijwel altijd niet-behoudenswaardige sporen van ontginning uit de late middeleeuwen / nieuwe tijd. 115

•

Richting het noorden duikt de gordel van Sterksel onder jonge afzettingen weg. Op basis van de bodemkaart ligt de overgang tussen het Hoge en het Lage grofweg bij Oud -Drimmelen. Uit de archeologische onderzoeken blijkt echter dat de grens oorspronkelijk (voor de veenwinning) aanzienlijk verder zuidelijk lag. Ook op rug waarop Made ligt, zijn namelijk veenresten aangetroffen. 116 Wat verder opvalt is dat in en rond Made bij heel veel onderzoeken verstoorde/verspitte bodems zijn aangetroffen. Het lijkt aannemelijk dat dit het gevolg is van de veenwinning, waarbij na het afgraven van het veen de zandige ondergrond is omgespit om voor landbouwkundig gebruik geschikt te maken. Meerdere onderzoeken wijzen hier in ieder geval op. 117

•

Ook de archeologische resultaten laten zien dat de gordel van Sterksel lange tijd de enige bewoonbare plek was, want sporen van prehistorische bewoning zijn bij archeologisch onderzoek zonder uitzondering alleen maar aangetroffen op de gordel van Sterksel in Oosterhout en dan met name op de Houtse Akkers.

•

Anderzijds concludeert Van Putten (2018) op basis van onderzoek op verschillende windmolenlocaties dat ter plaatse van de dekzandruggen de omstandigheden voorafgaand aan de vorming van de veenmoerassen lange tijd dermate gunstig waren dat zich een bodem kon vormen. 118 De hoogste koppen staken dus nog lang door het veen heen. De omvang ervan en de mate waarin deze koppen geïsoleerd lagen zal echter bepaald hebben of ze nog bereikbaar waren voor de mens.

112

Zie appendix 3 bijvoorbeeld ARCHIS -zaakidentificatienummer 4609576100 gevolgd door 4659764100; 2306323100 gevolgd door 2423239100; 2214550100 gevolgd door 2366434100; 3980984100 gevolgd door 4000421100; 2432821100 gevolgd door 2474659100; 2131103100 gevolgd door 2301463100. 113 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2025197100 of 2301463100 114 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 4767429100 of 4581622100 115 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2326963100 of 4554382100 116 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2277497100, 2347748100, 2428983100 en 4945531100 117 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2347748100, 2436831100 en 2428983100 118 Van Putten, 2018; p.72; zie appendix 3 ARCHIS-zaakidentificatienummer 4600098100

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[69]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 41. Uit de resultaten van archeologisch onderzoek valt af te leiden dat de veenverbeiding waarschijnlijk nog groter was dan op basis van de Turfdatabank (https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale kaarten.html) en de paleogeografische kaarten (Vos e.a., 2018) wordt verondersteld.

•

In het Lage zijn sporadisch wel aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van de prehistorische mens. Uit de kartering van het begraven landschap (§3.3) is al gebleken dat hier dekzandopduikingen voorkomen, waarop archeologische resten te verwachten zijn en dat is bevestigd bij verschillende onderzoeken. 119

•

In enkele gevallen leidde het archeologisch onderzoek ook tot een bijstelling van de zanddieptekaart, bijvoorbeeld waar een opduiking werd vastgesteld die niet uit de DINO-boringen naar voren kwam. 120

•

Soms bleek uit nader onderzoek echter dat een aanvankelijk veronderstelde begraven vindplaat s toch niet aanwezig was. Zo werden op meerdere plekken in het tracé van de HSL houtskoolconcentraties aangetroffen, waarbij het op basis van nader onderzoek toch om natuurlijke voorkomens bleek te gaan. 121

119

Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 4547279100 (dekzandopduiking), 2966150100 (laat prehistorisch vondstmateriaal, op de rand van een nieuw gekarteerde landduin), 2199080100 (houtskool op een nieuw gekarteerde dekzandrug afgedekt door veen wat is geërodeerd door de Sint Elisabethsvloeden) 120 O.a. bij ARCHIS-zaakidentificatienummers 4672537100, 2025464100 (obj 1062883) en nader onderzoek 3158088100, met dekzandopduikingen. Overigens kwam uit de zanddieptekaart op basis van de DINO -boringen naar voren dat hier vermoedelijk een pleistocene dalvormige laagte ligt, wat de aanwezigheid van de vindplaats zou kunnen verklaren. 121 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 2025464100 (obj 1062882) gevolgd door 3178832100, 2025464100 (obj 1062889) gevolgd door 2007044100.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[70]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

•

Tot slot geven de onderzoeken in het Lage, hoewel ondervertegenwoordigd, ook inzicht in de wijze waarop dit deel van het onderzoeksgebied werd ontgonnen. Een belangrijke vaststelling (die afwijkt van wat bij de oude kaarten in het Lage 122 werd aangenomen) is dat op de kreekruggen vrijwel nooit bewoningssporen zijn aangetroffen 123. Vastgestelde bewoningssporen waren gekoppeld aan de dijken 124 en/of historische erven 125 en soms overlapten die met kreekruggen. Dit sluit aan bij de hierna beschreven resultaten van de analyse naar de archeologisch relevante cultuurhistorische elementen (zie §4.3).

4.3 Archeologisch relevante cultuurhistorie 4.3.1

Belang van cultuurhistorie

Cultuurhistorische elementen zijn in tegenstelling tot archeologische resten (meestal) nog herkenbaar aan het maaiveld. Ze vormen de weerslag van het landgebruik van de voorbije één tot twee eeuwen. Inmiddels is echter duidelijk dat deze cultuurhistorische elementen ook een vo orspellende waarde kunnen hebben voor eventuele voorgangers. Voor middeleeuwen boerderijen geldt bijvoorbeeld dat ze niet telkens op dezelfde plaats werden herbouwd, maar elke keer wat verplaatst . Dat maakt deze cultuurhistorische elementen archeologisch relevant. In het Lage komt daar bij dat (behalve het fysisch landschap) juist de door de mens gestuurde inpoldering de landgebruiksmogelijkheden bepaalde. De relicten daarvan zijn dus van directe invloed op de archeologische verwachting. Daarnaast is ook algemeen inzicht in het historisch landgebruik van belang. Tot begin 20 e eeuw (toen de introductie van kunstmest en motor aangedreven machines grootschalige ontginningen mogelijk werden) was men immers veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die h et natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch landgebruik is daarom een relevante factor die ook gebruikt is voor het bepalen van de aard van het fysisch landschap (zie hoofdstuk 3) en de daaruit voorvloeiende archeologische potentie.

Hierna worden eerst de archeologisch relevante cultuurhistorische elementen besproken, gevolgd door een beknopte toelichting op het landg ebruik.

4.3.2

Cultuurhistorische elementen

De archeologisch relevante cultuurhistorische elementen zijn in kaart gebracht aan de hand van de kadastrale minuutplannen 1832 en ander historisch kaartmateriaal . Het gaat dan om vlakken (zoals historische bewoningskernen), lijnen (zoals dijken) en solitaire locaties (zoals bruggen). In totaal zijn 2633 elementen geïnventariseerd. Zie kaartbijlage 3 en appendix 5 voor het complete overzicht. In tabel 8 is hiervan een beknopt overzicht gegeven. In dit overzicht springt direct het zeer hoge aantal erven in het oog. Dit zet het aantal archeologische vindplaatsen met bewoningssporen uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd in een ander daglicht. Binnen de totale dataset aan (statistisch bruikbare) vindplaatsen vormde deze g roep met 23% al het grootste aandeel (zie tabel 4). Wanneer daar echter alle cultuurhistorische elementen als vindplaats aan toegevoegd zouden worden, dan zou het aandeel bewoningssporen uit de staatse tijd maar liefst 55% van het totaal bedragen en het aandeel vindplaatsen ongeacht complextype uit de staatse tijd zou maar liefst 96% van het totaal vormen. Dit inzicht doet andermaal bes effen dat de mens vanaf de

122

Koopmanschap e.a. 2011; Groot e.a. 2013 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 4585616100 en 4576390100 124 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummer 2199080100 125 Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummer 4670406100 123

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[71]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

middeleeuwen een grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het gebied. Dat geldt zeker voor het Lage, want uit kaartbijlage 3 blijkt dat daar een groot deel van alle cultuurhistorische elementen ligt. Element

Aantal

Element

Aantal

brug

129

kerkterrein

24

dijk

270

landhoofd

3

dorpskern

71

meestoof

8

duiker

191

omgracht terrein

43

eendenkooi

4

poldermolen

1

erf

1518

sluis

99

gracht

79

vaart

35

grenspaal

15

veerpont

10

haven

17

Vestingwerk/linie

44

heuvel

1

vliet

63

kerkhof

6

vonder

2

Totaal

2633

Tabel 8. Overzicht van geïnventariseerde archeologisch relevante cultuurhistorische elementen.

In navolgende figuur 42 is nog eens specifiek naar de locaties van de erven en dorpskernen gekeken. Direct valt in het Lage de sterke koppeling op tussen de erven en dorpskernen met de poldergrenzen. Het leeuwendeel van de historische bebouwing is gekoppeld aan de (voormalige) dijken. Historische woonlocaties die buiten dit patroon vallen, liggen veelal op kleinere dijken en/of ontginningsassen of bewust daarvoor opgeworpen terpen. Op het Hoge is geen sprake van polders, maar ook hier vormt de historische bebouwing duidelijke linten. In Oosterhout en Drimmelen zijn de linten op het Hoge georiënteerd op de overgangen van hoog naar laag (van west naar oost betreft het Terheijden, Wagenberg, Heikant, Voorstraat, Den Hout, Vrachelen en Oosteind). Deze kunnen geïnterpreteerd worden als de ontginningsassen. Ook in Etten Leur is sprake van een koppeling tussen bebouwingslinten op de overgangen van hoog naar laag (Vosdonk, Hooge Donk, Lage Donk, Etten, Attelaken en Bremberg). Daarnaast is in Etten -Leur sprake van een duidelijk koppeling van historische bewoning met de voormalige turfvaarten (Vaartkant, Leur en deels Vosdonk).

In het uiterste zuiden van de gemeente Etten-Leur en het centrale en zuidelijke deel van de gemeente Oosterhout is sprake van een meer traditioneel zandlandschap, bestaande uit compacte dorpen / gehuchten omringd door akkercomplexen die richting de periferie overgaan in de woeste gronden.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[72]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 42. Weergave van de historische bebouwing op het patroon van polders, dijken, vaarten en het historisch landgebruik. Als ondergrond is de historische kaart van 1900 gebruikt (https://www. topotijdreis.nl/).

RAAP-rapport 6065 / versie 10-02-2023

[73]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

4.3.3

Historisch landgebruik

Wanneer de historische kaart van omstreeks 1900 in meer detail wordt bekeken, dan blijkt dat het Lage vrijwel volledig in grote geometrische blokken ontgonnen was. Alleen langs de kreken was soms sprake van een dun strookje moeras (zie figuur 43). Ook dit is weer een teken van de sterk invloed van de mens in het Lage. Landgebruik zegt hier dus niet zoveel over het landschappelijk substraat, maar meer over de wijze hoe de mens dit gebied naar haar hand heeft gezet.

Figuur 43. Uitsnede van de kaart van 1900 (https://www.topotijdreis.nl/), waarop de kreken ten westen van Fijnaart als smalle moerassige slierten te herkennen zijn in een verder strak geometrisch ontgonnen landschap.

Die dwingende invloed van de mens geldt in veel mindere mate voor het Hoge. Hoewel op de historische kaart van 1900 ook hier de hand van de mens duidelijk te zien is , hangt het landgebruik zelf veel meer samen met het landschappelijk substraat (zie figuur 44). Een eeuw geleden waren de akkers in hoofdzaak nog gekoppeld aan de hogere gronden, terwijl in de laagtes en dalen juist graslanden voorkwamen. In tegenstelling tot het Lage zijn in het Hoge ook nog gebieden die als “woeste grond” aangemerkt kunnen worden. Deze liggen in het uiterste zuiden van de gemeente Etten -Leur en op de gordel van Sterksel in de gemeente Oosterhout. Grote delen waren omstreeks 1900 al als bos aangeplant, maar er was ook sprake van onontgonnen heidegronden. Opmerkelijk is dat deze gronden min of meer overeenkomen met de gronden die nooit met veen bedekt zijn (zie figuur 34). Blijkbaar zorgde het afgraven van het veen voor een dermate sterke daling van de grondwaterspiegel dat deze gronden te droog werden voor landbouwkundig gebruik. Niet voor niets is het in deze gebieden dat stuifzanden zijn ontstaan. Tot slot geven de toponiemen op het Hoge een goede aanduiding van de bodemkundige situatie. Deze zijn daarom ook gebruikt bij de kartering van landvormen.

In figuur 45 een voorbeeld uit het oosten van de gemeente Oosterhout, waar de toponiemen de landschappelijke situatie perfect weerspiegelen, met onder andere: •

Horst: duidend op de hoger gelegen dekzandrug waarop de bewoning ligt.

•

Onnutte velden: duidend op slecht bruikbare gronden in een relatief laag gebied omringd door hogere gronden. De laagte kon alleen door intensieve slotenverkaveling ontgonnen worden.

•

Lagen Ham: een laag gelegen zone, overgaand in het dal van de Donge (richting het oosten).

•

Everdenberg: duidend op een hoge dekzandrug/stuifduin zoals herkenbaar op de hoogtekaart.

•

Heikant/straat: duidend op schrale zandgronden.

RAAP-rapport 6065 / versie 10-02-2023

[74]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

Figuur 44. Uitsnede van de kaart van 1900 (https://www.topotijdreis.nl/), waarop het traditionele zandlandschap rond Dorst te zien is met akkers rond de dorpen, weilanden in de laagtes en bosse, heidevelden en stuifzanden op de hoogste en droogste gronden.

Figuur 45. Voorbeeld van toponiemen bij Oosteind die inzicht geven in de (oorspronkelijke) bodemkundige situatie.

RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023

[75]

Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen

5 Archeologisch verwachtingsmodel 5.1 Algemene uitgangspunten Voor het archeologisch verwachtingsmodel worden enkele algemene uitga ngspunten gehanteerd die hierna kort worden toegelicht. Aan de hand van de in paragraaf 5.2 gepresenteerde ruimtelijke vindplaats-analyse worden deze uitgangspunten getoetst en nader toegespitst op de vier gemeenten, wat resulteert in een samengesteld verwachtingsmodel (§5.3). De hierna beschreven algemene uitgangspunten zijn gebaseerd op regionale wetenschappelijke inzichten over hoe de mens zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld 126, lokale inzichten die zijn opgetekend voor de gemeenten Moerdijk 127, Drimmelen 128, Etten-Leur 129 en Oosterhout 130, de resultaten van de archeologische onderzoeken 131 en de ervaringen van RAAP met verwachtingskaarten in landschappelijk vergelijkbare gemeenten.

5.1.1

Jager-verzamelaars

Het eerste algemene uitgangspunt is dat vindplaatsen van jager -verzamelaars vooral te verwachten zijn nabij gradiëntsituaties. Uit verschillende ruimtelijke analyses ten behoeve van verwachtingskaarten in gemeenten in het pleistoceen zandlandschap, 132 is namelijk gebleken dat de meeste vindplaatsen van jager-verzamelaars voorkomen in de overgangsgebieden van nat/laag naar droog/hoog, me t name vanwege het op korte afstand voorkomen van een grote verscheidenheid aan flora en fauna. Statistisch is bij deze onderzoeken aangetoond dat vindplaatsen uit deze periode vooral te verwachten zijn in de zogenaamde gradiëntzone die zich vanaf de gradiënt uitstrekt in de droge zijde (zie figuur 46). De breedte van deze gradiëntzone varieert in de omringende g emeenten tussen de 100 en 200 meter. Op basis van recente updates van verwachtingskaarten in het westen van Noord -Brabant, wordt voor het pleistocene landschap van het onderzoeksgebied uitgegaan van een gemiddelde breedte van 150 meter waar de kans op het aantreffen van jager-verzamelaars vindplaatsen het grootst is. Het bepalen van de gradiëntzone is goed mogelijk in de delen van het onderzoeksgebied waar het pleistocene zandlandschap gedetailleerd gekarteerd is. Dat geldt voor het Hoge en voor de delen v an het Lage waar het zandreliëf nog door het maaiveld heen schemert.

In de overige delen is het zandreliëf met behulp van DINO-boringen en archeologische onderzoeken weliswaar relatief goed in beeld gebracht (veel gedetailleerder dan voorheen), in verhoudi ng met het inzicht in het zandreliëf op het Hoge, is de mate van detail beperkt (vergelijk op kaartbijlage 1 het detail van de landvormen in het zuiden met die in het noordwesten). Dat maakt dat het duiden van een smalle gradiëntzone in het noorden en noordwesten van het onderzoeksgebied met veel onzekerheid gepaard gaat. Om onnauwkeurigheden in het middels DINO-boringen gekarteerde deel van het pleistocene ondergrondmodel op te vangen wordt daarom van het volgende uitgegaan: •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=92a4b5db-eaf1-4490-9fd8-3ee8b92eb185