bijlage 2 RAAP, Verdronken en teruggewonnen Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 6065
Verdronken en teruggewonnen
Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Colofon Opdrachtgever: gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen Titel: Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen Versie: 11-05-2023 Auteur: ir. G.R. Ellenkamp, met bijdragen van drs. B.J.G. van Snippenburg & S.P.H. Bouwmans MA Projectmedewerkers: drs. B.J.G. van Snippenburg, drs. S.P.H. Bouwmans M.A, E. van Veldhuizen MA, ir. L.J. Keunen & S. Reinders MA Autorisatie: drs. W. De Baere Projectcode: ACOOS Bestandsnaam: RAAPrap_6065_ACOOS_20230511
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2023 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Samenvatting Inleiding In de regio West-Brabant is binnen de gemeenten Etten-Leur, Moerdijk, Drimmelen en Oosterhout de wens ontstaan om de archeologiekaarten te actualiseren. Aanleiding hiervoor zijn enerzijds de eisen uit de Erfgoedwet en de komst van de Omgevingswet en anderzijds nieuwe archeologische inzichten van 10 jaar onderzoek in de regio en daarbuiten. Aangezien het landschap en het menselijk gebruik van dat landschap niet ophouden bij de (huidige) gemeentegrenzen, is het onderzoek voor de gemeenten in één gezamenlijk rapport gepresenteerd, mede omdat de combinatie van gegevens zorgen voor een betere onderbouwing van de onderzoeksresultaten. Uit het onderzoek is gebleken dat het onderzoeksgebied een rijke en turbulente geschiedenis kent. Het landschap heeft in de loop der tijd een aantal transities doorgemaakt die grote invloed hebben gehad op de mens, maar vice versa heeft ook het menselijk handelen de vorm van het landschap dramatisch en blijvend veranderd. Het gebied is in de voorbije 10.000 jaar tot twee keer toe ver dronken en weer teruggewonnen door de mens. De sporen die daarbij zijn achtergebleven variëren sterk in zowel positie als aard als diepteligging. Als gevolg daarvan is de archeologische verwachting zeer gedifferentieerd in zowel tijd als ruimte. Het bepalen van die archeologische verwachting vroeg om volledige herziening van de bestaande kaarten.
Knikpunten voor mens en landschap Voor de herziening is gebruik gemaakt van zowel wetenschappelijke kennis, als van lokale archeologische vindplaats- en onderzoeksgegevens. De basis voor het archeologisch verwachtingsmodel vormt een analyse van de wijze waarop het landschap zich doorheen de tijd heeft ontwikkeld en de ‘knikpunten’ die zich daarin aftekenen. Die knikpunten zijn momenten waarop ofwel het landschap ofwel de autonome menselijke ontwikkeling zodanig verandert dat de wijze waarop de mens het landschap gebruikt gedwongen mee verandert. Jagen en verzamelen op de toendra en in het bos Die geschiedenis begint voor het onderzoeksgebied in het paleolithicum me t een toendralandschap dat zich uitstrekte over het gehele onderzoeksgebied (en ver daar buiten). Dit landschap was door beken en rivieren (de voorlopers van Maas en Rijn) gevormd en stond daarna honderdduizenden jaren bloot een verstuiving door de wind en verspoeling door (smelt)water. De mens leed in deze tijd een bestaan als rondtrekkende jager-verzamelaar en zocht vooral de overgangen op tussen hoog/droog en laag/nat (zogenaamde gradiënten). Hier was namelijk de grootste variatie aan voedsel (planten en dieren) voorhanden en was (drink)water binnen handbereik.
De archeologische resten uit deze tijd bestaan uit stenen werktuigen en zijn in Nederland erg zeldzaam, maar komen in het zuiden van het onderzoeksgebied (het Hoge) wel voor, omdat de oude sediment en hier nog (kort) aan het maaiveld liggen. In het noordelijk deel (het Lage) worden ze afgedekt door jonge sedimenten. Onder invloed van de Holocene klimaatsverbetering (grofweg 12.000 jaar geleden) valt het Lage noordelijke deel in de loop van het Holoceen ten prooi aan de invloed van de zee. In het Hoge zuidelijke deel vertaalt de zeespiegelstijging zich vooral in vernatting en daaruit volgende vegetatie - en veengroei. De klimaatsverbetering betekent ook het begin van het mesolithicum, een periode waarin de mens nog altijd leefde van de jacht en verzamelen, maar zich specialiseerde op de veranderde flora en
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[3]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
fauna in een landschap dat met bos bedekt raakte. Voor de mesolithische mens was het pleistocene zandlandschap binnen vrijwel het hele onderzoeksgebied nog voorhanden. Vindplaatsen hiervan zijn echter vooral aangetroffen in het Hoge, omdat het pleistocene zand hier aan het maaiveld ligt. Landbouw in een verdrinkend landschap Dat veranderde drastisch in het neolithicum (vanaf grofweg 5000 jaar v.Chr.) on der invloed van het vanuit de laagtes en kustvlakte oprukkende veen. Dit was van grote invloed op de gebruiksmogelijkheden voor de mens die in dit gebied vanaf het laat neolithicum overging van jagen verzamelen op de landbouw. Voor de landbouw waren vooral de goed ontwaterde vruchtbare zandgronden interessant en die verdronken geleidelijk onder het veen. Dat gebeurde als eerst in het Lage, maar op het hoogtepunt van de veengroei in de vroege middeleeuwen waren ook op het Hoge alleen nog de allerhoogste delen onbedekt. Dit weerspiegelt zich ook in de bekende archeologische vindplaatsen uit de landbouwers periode, die alleen op die hoogste delen in het zuiden van het onderzoeksgebied zijn aangetroffen, met name in de gemeente Oosterhout waar sprake was van een hoge rug (de zogenaamde gordel van Sterksel) die aansloot op het niet met veen bedekte achterland . In het met veen dichtgegroeid Lage had de mens in deze periode waarschijnlijk weinig te zoeken.
Polderende staatssamenlevingen In de late middeleeuwen vond er een drastisch omslagpunt plaats, doordat de mens het landschap gericht begint aan te passen aan de eigen wensen. Behalve op individuele schaal, gebeurde dit ook aangestuurd vanuit de staat: de staatssamenlevingen. De bevolking en het technisch vernuft waren sterk gegroeid. Daardoor kon de mens grootschalig en definitief in de vorming van het landschap ingrijpen, al sloeg de natuur soms keihard terug. Veen werd op het Hoge afgegraven voor de turf en de vrijgekomen hoge zandgr onden werden bemest en opgehoogd met zanddekken. Het zand hiervoor werd gewonnen op de gemene gronden die konden verschralen tot woeste gronden en stuifzanden. Het veen in het Lage was niet geschikt als brandstof , maar werd vanaf hoger gelegen donken met fijnmazige greppelsystemen ontgonnen voor de landbouw. De ontwatering van het veen zorgde echter ook voor bodemdaling, wat in combinatie met de toenemende invloed van de zee vanuit het westen en bestuurlijke twisten, resulteerde in grootschalige overstromingen tijdens de Sint Elisabeths-vloeden. Grote delen van het Lage gingen hierdoor in de golven verloren en er ontstond een groot intergetijdengebied met slikken en gorzen, waarvan de Biesbosch het meest bekende overblijfsel is.
Richting het oosten nam de invloed van de overstroming af, zodat overstroomd land vrij snel ook weer in gebruik werd genomen, te herkennen aan de bewaard gebleven middeleeuwse ontginningspatronen. In het zwaarder overstroomde westelijk gelegen gebieden werd land teruggewonnen door inpoldering. Wanneer de slikken hoog genoeg tot gorzen waren opgeslibd werden ze ingepolderd en ontgonnen. Bij het bepalen van de poldergrenzen speelden vooral bestuurlijke verhoudingen een rol, waarbij zoveel mogelijk werd getracht oude grenzen te herstellen. Als gevolg daarvan was in dit polderlandschap niet het fysisch landschap, maar de mens zelf bepalend voor de plek waar men ging wonen: aan de dijken en in nieuw aangelegde dorpen.
Een onderbouwde archeologische verwachting De beschreven knikpunten in de tijd, geven een goed beeld van de veranderingen die mens en landschap door maakten en hoe het landschap in elke afzonderlijke periode (jager -verzamelaars, landbouwers, staatssamenlevingen) werd gebruikt. Om de sporen van dat gebruik (de archeologische
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[4]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
resten) te kunnen voorspellen is het van belang om inzicht te hebben in hoe het landschap er in elke periode uitzag. Daartoe is het landschap van het gehele onderzoeksgebied opnieuw gekarteerd, gebruikmakend van bestaande landschappelijke kaarten (bodem, geolo gie, historisch) en verder verfijnd op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN), waarop nauwkeurig het maaiveldreliëf is weergegeven. Deze methode kent echter ook een belangrijke beperking, want niet alle landvormen liggen aan het maaiveld. In het Lage ligt het pleistoceen zandlandschap immers begraven onder meters dikke pakketten veen en klei. Om dat in beeld te krijgen is gebruik gemaakt van boorgegevens van de diepere ondergrond uit het DINO -loket. Aan de hand daarvan is een zanddieptekaart gemaakt, waarmee het begraven pleistocene reliëf is gemodelleerd en begraven landvormen zijn gekarteerd. Uiteraard kent dit niet het detailniveau van het AHN, zodat hier met een grotere onzekerheid rekening gehouden moet worden. Desondanks biedt het een inzicht in het pleistocene reliëf zoals dat voorheen nog niet bestond. Om onzekerheden zoveel mogelijk weg te nemen is ook nog een veldtoets uitgevoerd in het Hoge en het Lage. De kartering heeft inzicht gegeven in landvormen die nu (al dan niet begraven) nog aanwezig zijn in het onderzoeksgebied.
Er is echter ook sprake van een landschap dat niet meer bestaat omdat het grotendeels is weggegraven door de mens of is weggeslagen door de zee: het veenlandschap. Aan de randen van het Lage zijn nog wat strookjes hiervan bewaard gebleven, maar het meeste is verdwenen. Uit de analyse van de knikpunten is echter gebleken dat de veenbedekking grote invloed heeft gehad op de beschikbaarheid van het pleistocene zand voor de mens. Daarom is aan de hand van een combinatie van onderzoeksgegevens (landelijke en lokaal) de voormalige veenontwikkeling in beeld gebracht. Zo is duidelijk geworden waar en wanneer het zandlandschap door het veen verzwolgen werd. Dit is ook meegenomen in de archeologische verwachting. Tot slot is gekeken naar de ruimtelijke verspreiding van de bekende archeologische vindplaatsen over het landschap en is ook statistisch bepaald wat de “voorkeurslocaties” voor specifieke activiteiten in verschillende perioden zijn. Naast vindplaatsgegevens is hiervoor oo k gebruik gemaakt van alle beschikbare archeologische onderzoeksrapporten binnen de gemeenten. Aan de hand van deze gezamenlijke inzichten (knikpunten, landschap aan en onder het maaiveld, veenbedekking en vindplaatsspreiding) is voor de verschillende per ioden een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.
Daarin is per landschappelijke eenheid onderbouwd waarom, waar welke resten uit welke archeologische periode te verwachten zijn . •
In het Lage (Moerdijk, het grootste deel van Drimmelen, het noordelijk deel van Etten-Leur en het noordoostelijk deel van Oosterhout) is de verwachting voor resten uit de prehistorie beperkt. Het pleistocene zandlandschap is hier vrij snel bedekt geraakt, eerst met veen en later met zeeklei. Het pleistocene landschap was voor de jager-verzamelaars in de steentijd nog beschikbaar en op de gekarteerde gradiëntzones zijn nog vindplaatsen uit deze periode te verwachten. Zij liggen echter afgedekt door dikke pakketten jong sediment. Al vanaf het eind van de steentijd raakte het zand in het Lage overwoekerd met veen. Dit milieu bleef millennia lang in stand en de mens zocht hier de natuurlijke hoogtes (donken) op of wierp ze zelf op (dijken en terpen). In de middeleeuwen greep de mens grootschalig in het gebied in. Door de veenkoepel s te ontginnen en/of voor de turf af te graven veranderde het landschap drastisch. Belangrijkste effect hiervan is een sterke bodemdaling. Als gevolg daarvan werd het gebied kwetsbaar voor overstroming. Tijdens de Sint Elisabethsvloeden in de 15e eeuw braken de dijken en gingen uiteindelijk hele grote delen van het gebied in de golven verloren. Van het landschap van voor de Sint Elisabethsvloeden resteert
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[5]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
vrijwel niets meer. Alleen aan de randen van het overstromingsgebied zijn restanten van het oorspronkelijke veenlandschap bewaard gebleven of bestaat daar een kans op. In het grootste deel In deze gebieden geldt daarom vooral een archeologische verwachting vanaf de late middeleeuwen en nieuwe tijd, toen de overstroomde gebieden geleidelijk aan werden ingepo lderd en weer in gebruik werden genomen. In dat verwachtingsmodel doet de exacte landvorm er minder toe. Men wilde vooral zo hoog mogelijk zitten in verband met het overstromingsgevaar. Vanaf de middeleeuwen is Het Lage dus vooral op die manier te bekijken in het kader van de archeologische verwachting: natuurlijke verhogingen, dijken, historische woonerven, dat zijn de plekken met een hoge verwachting voor middeleeuwen en nieuwe tijd. •
Op het Hoge (grootste delen van Oosterhout en Etten-Leur en het zuidoostelijk deel van Drimmelen) heeft het pleistocene zandlandschap veel langer aan het maaiveld gelegen. Dat betekent dat zowel vindplaatsen uit de jager-verzamelaars periode als uit de landbouwers periode (bekend en) te verwachten zijn. Voor de jager-verzamelaars zijn ook hier de gradiëntzones gekarteerd, waar de kans op het aantreffen van vindplaatsen het hoogst is. Voor de landbouwers periode geldt hoge kans op vindplaatsen voor de goed ontwaterde en vruchtbare landvormen die niet door veen bedekt waren en aansluiting hadden met het niet met veen bedekte pleistocene achterland. Hoge landvormen die niet (of pas laat) bedekt waren geraakt, maar geïsoleerd lagen als eilanden omringd door veen, waren minder in trek. In de staatse tijd neemt de mens ook op het Hoge het heft in eigen handen en spelen behalve het natuurlijk substraat ook andere aspecten zoals bezits- en machtsverhoudingen steeds nadrukkelijker een rol bij de locatiekeuze. Toch speelde het landschap nog wel degelijk een rol voor vestigingsmogelijkheden . In het met veen bedekte gebied vormden de hoge koppen de uitgelezen uitvalsbases om het veen te winnen en ontginnen. Het is dus niet voor niets dat Oosterhout al sinds de prehistorie een interessante plek is om te wonen.
De gordel van Sterksel vormde samen met een aantal (dek)zandruggen in Drimmelen en Etten-Leur de enige plekken binnen het onderzoeksgebied waar het zandlandschap ook in de middeleeuwen aan het maaiveld lag (dus niet bedekt door veen). Dat betekent dat hier eventuele middeleeuwse voorgangers van de op basis van de kadastrale minuutplan gekarteerde erven te verwachten zijn.
De kaarten De studie heeft uiteindelijk geresulteerd in zeven verschillende kaarten (voor een uitgebreidere toelichting zie hoofdstuk 6). •
Op kaartbijlage 1 is de landschappelijke basis weergegeven, zoals die speciaal voor het onderzoeksgebied voor zowel het pleistocene als holocene landschap in kaart zijn gebracht.
•
Op kaartbijlage 2 staan alle archeologische gegevens die reeds in het gebied bekend zijn. Het gaat dan om vindplaatsen, monumenten en uitgevoerde onderzoeken. Voor die laatste is exact bepaald wat de resultaten zijn.
•
Behalve ondergrondse resten, zijn er ook bovengrondse elementen en structuren die relevant zijn voor de archeologie. Het betreft cultuurhistorische elementen en het historisch landgebruik. Deze zijn voor het hele grondgebied van de vier gemeente geïnventariseerd en op kaa rtbijlage 3 gepresenteerd.
•
De archeologische verwachtingskaart voor vindplaatsen van jager -verzamelaars (midden paleolithicum t/m neolithicum) is gepresenteerd op kaartbijlage 4. Afgebeeld op kaartbijlage 4 zijn
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[6]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
allereerst de deze tijd bekende (opgeschoonde) vindplaatsen, uitgesplitst naar complextype en datering. Voort zijn de gradiëntzones aangegeven waar een hoge kans bestaat op het aantreffen van nog onontdekte vindplaatsen. Het gaat om de plekken waar hoog/droog grenst aan laag/nat en die daarom een aantrekkingskracht uitoefenden op de jager-verzamelaars, getuige het relatief grote aandeel bekende vindplaatsen binnen deze zones. In de natte en moerassige delen van het landschap zelf, geldt een kans op vindplaatsen gerelateerd specifiek aan die natte con text. Hier werd gejaagd, gevist, geofferd en/of afval gedumpt. Voor de overige delen van het pleistocene zandlandschap is de kans op het aantreffen van vindplaatsen laag. Daarbij is voor de volledigheid onderscheid gemaakt tussen landvormen waar op basis van het model per definitie een lage verwachting geldt en (delen van) landvormen die in theorie interessant zijn vanwege de relatief hoge ligging, maar toch een lage verwachting krijgen omdat ze buiten de gradiëntzone liggen. •
Op kaartbijlage 5 is de verwachting verbeeld voor archeologische vindplaatsen uit de landbouwers periode (bronstijd t/m vroege middeleeuwen). Het grote verschil ten opzichte van de jager verzamelaars is dat in de landbouwers periode nog maar een klein deel van het pleistocene landschap ter beschikking stond, omdat het verdronk onder een steeds verder uitdijend veenpakket. De verwachting is dan ook voor het grootste deel van het onderzoeksgebied laag. Ook als landvormen niet waren afgedekt, maar door de veenbegroeiing geïsoleerd lagen, w aren ze naar verwachting minder interessant voor de landbouwers. Een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers geldt voor de niet bedekte en niet geïsoleerde landvormen die bovendien voldeden aan de agrarische eisen die de landbouwers stelden. Beh alve vindplaatsen gerelateerd aan bewoning ook sporen van andere vormen van landgebruik te verwachten, zoals beakkering en grondstofwinning/productie. Sporen van het dodenritueel (zoals grafheuvels) zijn te verwachten op de landvormen die wel hoger lagen, maar niet vruchtbaar genoeg waren.
•
Kaartbijlage 6 vormt de archeologische verwachtingskaart voor vindplaatsen van staatssamenlevingen (late middeleeuwen en nieuwe tijd). In het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied (het Hoge) vormt het pleistocene zandla ndschap de basis voor de verwachtingskaart. In dit Lage bepaalt de ouderdom van de polders in combinatie met cultuurhistorische waarden en specifieke holocene landvormen de archeologische verwachting. Kenmerkend voor deze periode is dat de mens zelf veel m eer sturing gaf aan waar werd gewoond. Op de kaart springen de historische bewoningslinten zodoende direct in het oog. Op het Hoge volgt de historische bebouwing nog redelijk goed de hoge landvormen. In het Lage bepalen vooral de dijken waar de kans op bewoningssporen het grootst is. Een tweede kenmerk van de staatse tijd is dat vrijwel alle delen van het landschap door de mens zijn benut en van die ontginningsactiviteiten zijn sporen in de bodem te verwachten.
•
Op kaartbijlage 7 staat de gecombineerde archeologische verwachting en bekende waarden voor alle perioden weergegeven. Het resultaat is complexe kaart, alleen al om het feit dat verschillende verwachtingswaarden, uit verschillende perioden, in verschillende landschappen, tot één zijn samengevoegd. Toch is dit kaartbeeld van belang, omdat het (met enig geduld) inzicht geeft in de totale archeologische context van het onderzoeksgebied.
Beleidskaart De complexiteit van kaartbijlage 7 maakt de gecombineerde verwachtingenkaart niet bruikbaar als beleidsinstrument. Voor de burger en ambtenarij moet immers in één oogopslag duidelijk zijn, wat de archeologische waarde van een gebied is en met name, welk be leid daaraan gekoppeld is. Daarom is
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[7]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
een extra slag gemaakt door alle onderscheiden waarden en verwachtingen in een beperkt aantal beleidscategorieën onder te brengen. Deze zijn gepresenteerd op de archeologische beleidskaart (kaartbijlage 8). Deze indeling is, rekening houdend met de gehanteerde indeling in omringende gemeenten, gebaseerd op de mate van waarschijnlijkheid dat een ruimtelijke ontwikkeling verstorend is voor archeologische resten. De hoogste waarde is zodoende toegekend aan bekende archeologische vindplaatsen, gevolgd door zones met een hoge kans op de aanwezigheid van vindplaatsen. Zones waar vindplaatsen in mindere mate of lagere dichtheden te verwachten zijn vormen een tussencategorie, maar kunnen desondanks bijdragen aan het verhaal van h et gebied. De laagste waarde is toegekend aan gebieden waar geen archeologische resten verwacht worden, waar deze verstoord zijn of waar archeologisch onderzoek is uitgevoerd en afgerond. Aan de onderscheiden waarden zijn een beleidslijn en vrijstellingsgrenzen gekoppeld om te bepalen in welk geval deze beleidslijn gevolgd moet worden. Een ruimtelijke ontwikkeling is vrijgesteld van archeologisch onderzoek, wanneer deze in omvang èn verstoringsdiepte onder de vrijstellingsgrenzen blijft.
De grenzen zijn afgestemd op de aard en omvang van het verwachte type vindplaats en op het reeds geldende beleid in de vier gemeenten en buurgemeenten met vergelijkbare archeologie. De dieptegrenzen zijn afgestemd op de diepteligging van de aanwezige en te verwachten archeologische resten. Een uitgebreide toelichting op de beleidsindeling is opgenomen in hoofdstuk 7.
Publiekssamenvatting Van de onderzoeksresultaten is ook een uitgebreide en rijk geïllustreerde publiekssamenvatting gemaakt. Deze is opgenomen in appendix 7.
Een bonk veen dat tijdens de watersnoodramp van 1953 bij Moedijk kwam bovendrijven, is illustratief voor het meermaals verdrinken en weer terugwinnen van het land (bron: http://canonvanmoerdijk.nl).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[8]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 9 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 10 1.1 Aanleiding ......................................................................................................................................... 10 1.2 Kader ................................................................................................................................................ 10 1.3 Leeswijzer ......................................................................................................................................... 12
2 Landschap en mens........................................................................................................................ 13 2.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 13 2.2 Paleogeografische ontwikkeling .......................................................................................................... 14 2.3 De (bestuurlijke) context van de gefaseerde inpoldering ...................................................................... 25 2.4 Consequenties voor de archeologische verwachting ............................................................................ 38
3 Landschappelijke basiskaart ........................................................................................................... 41 3.1 Inleiding ............................................................................................................................................ 41 3.2 Kartering van landschappelijke eenheden aan het maaiveld ................................................................. 42 3.3 Kartering van afgedekte landschappelijke eenheden ............................................................................ 43 3.4 Veldtoets ........................................................................................................................................... 48 3.5 De bijgestelde ondergrondmodellen .................................................................................................... 54
4 Archeologische gegevens ............................................................................................................... 58 4.1 Bekende archeologische vindplaatsen................................................................................................. 58 4.2 Archeologische onderzoeken .............................................................................................................. 65 4.3 Archeologisch relevante cultuurhistorie ............................................................................................... 71
5 Archeologisch verwachtingsmodel .................................................................................................. 76 5.1 Algemene uitgangspunten .................................................................................................................. 76 5.2 Ruimtelijke vindplaatsanalyse ............................................................................................................. 85 5.3 Samengesteld verwachtingsmodel ...................................................................................................... 91 5.4 Beperkingen van het model ................................................................................................................ 99
6 Archeologische verwachtingskaarten ............................................................................................ 101 6.1 Inleiding ........................................................................................................................................... 101 6.2 Archeologische verwachtingskaart voor jager-verzamelaars ................................................................ 101 6.3 Archeologische verwachtingskaart voor landbouwers .......................................................................... 102 6.4 Archeologische verwachtingskaart voor staatssamenlevingen ............................................................. 104 6.5 Archeologische verwachtingskaart voor alle perioden ......................................................................... 105
7 Beleidsindeling ............................................................................................................................. 108 7.1 Categorisering .................................................................................................................................. 108 7.2 Oud versus nieuw ............................................................................................................................. 111
Literatuur ........................................................................................................................................ 113 Websites/Digitale bronnen ............................................................................................................... 116 Verklarende woordenlijst ................................................................................................................. 118 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ................................................................... 122
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[9]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
1 Inleiding 1.1 Aanleiding In de regio West-Brabant is binnen de gemeenten Etten-Leur, Moerdijk, Drimmelen en Oosterhout de wens ontstaan om de archeologiekaarten te actualiseren. De bestaande kaarten 1 zijn rond de 10 jaar oud en om zowel inhoudelijke als juridische redenen aan een opfrisbeurt toe. Zo zijn in de voorbije jaren nieuwe wetenschappelijke inzichten opgedaan, waardoor op een andere wijze wordt gekeken naar een archeologische verwachting. Ook zijn in de gemeenten intussen vele archeologische onderzoeken uitgevoerd die gedetailleerd inzicht hebben gegeven in de specifieke archeologische context van het gebied. Op basis daarvan kunnen de bestaande verwachtingen worden herzien. Tot slot voldoen de bestaande kaarten niet allemaal even goed meer aan de eisen uit de Erfgoedwet. Om bovendien voorbereid te zijn op de komst van de Omgevingswet, hebben de gemeenten aan RAAP de opdracht gegeven tot het actualiseren van de gemeentelijke archeologiekaarten en de daarvan afgeleide archeologische beleidskaarten.
Figuur 1. Begrenzing onderzoeksgebied (zwarte lijn). Inzet: ligging in Nederland (ster) .
1.2 Kader Uit de studie die is uitgevoerd voor de totstandkoming van de verwachtingenkaart, is gebleken dat het onderzoeksgebied een rijke en turbulente geschiedenis kent. Het landschap heeft in de loop der tijd
1
Koopmanschap e.a. 2011 (Drimmelen); Ellenkamp, 2009 (Etten-Leur); Groot e.a. 2013 (Moerdijk); Koopmanschap & Visser Poldervaart, 2011 (Oosterhout).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[10]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
een aantal transities doorgemaakt die grote invloed hebben gehad op de mens, maar vice versa heeft ook het menselijk handelen de vorm van het landschap dramatisch en blijvend veranderd. Het gebied kent en kende een grote geologische en historische dynamiek, die sterke gelijkenissen vertoont met de zogenaamde Schelde Delta, waarvoor een aanvraag is ingediend voor aanwijzing tot UNESCO Global Geopark. 2 Van het onderzoeksgebied van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen is duidelijk geworden dat het in de voorbije 10.000 jaar tot twee keer toe is verdronken en weer is teruggewonnen door de mens. De sporen die daarbij zijn achtergebleven variëren sterk in zowel aard als diepteligging. Dat vraagt om een archeologische verwachting op maat , waarvan dit rapport en de bijbehorende kaarten het resultaat zijn. In tegenstelling tot andere vormen van archeologisch onderzoek, geldt voor het opstellen van een archeologische waarden- en verwachtingenkaart geen KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie)protocol. Desondanks leeft als gevolg van het amendement Ronnes (dat regelt dat gemeenten te verwachten archeologische monumenten alleen in hun omgevingsplannen kunnen beschermen indien dit aantoonbaar is) meer dan ooit het besef dat een kwaliteitsslag nodig is bij het opstellen van verwachtingenkaarten.
De kaarten voor de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen zijn daarom gebaseerd op de stelling uit het amendement dat de archeologische verwachting “aantoonbaar” moet zijn. Daarmee is de kaart voorbereid op de Omgevingswet waardoor gemeenten d e ‘archeologische dubbelbestemmingen’ in de omgevingsplannen beter moeten onderbouwen. Concreet betekent dit dat geen sprake is van een actualisatie in de traditionele zin van het woord (het aanscherpen van de bestaande kaarten), maar dat de kaarten vanaf de grond af opnieuw zijn opgebouwd, gebaseerd op de uitgangspunten zoals die tegenwoordig gelden. De kaarten zijn enerzijds gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten, maar anderzijds zijn ook regionale vindplaats - en onderzoeksgegevens gebruikt om kaarten te maken die zijn toegesneden op de specifieke contexten van de vier gemeenten. Daarvoor is allereerst gekeken naar het landschappelijk ondergrondmodel en de landschappelijke ontwikkeling van het gebied. Op basis daarvan is bepaald welke “knikpunten ” zich in die ontwikkeling hebben voorgedaan en hoe dit van invloed is geweest op het menselijk gebruik van het landschap. Vervolgens is gekeken naar de verspreiding van de bekende archeologische vindplaatsen over het landschap en is bepaald wat de “voorke urslocaties” voor specifieke activiteiten in verschillende perioden zijn.
Hiervoor is ook gebruik gemaakt van alle beschikbare archeologische onderzoeksrapporten binnen de gemeenten. Aan de hand van deze gezamenlijke inzichten is voor verschillende perioden een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld, waarin per landschappelijke eenheid is aangegeven waar welke resten uit welke archeologische periode te verwachten zijn en (eventueel) onder welke voorwaarden. Aangezien het landschap en het menselijk gebruik van dat landschap niet ophouden bij de (huidige) gemeentegrenzen, is het onderzoek voor de vier gemeenten gezamenlijk uitgevoerd en in één rapport gepresenteerd. Bovendien heeft de bundeling van onderzoeksresultaten de zeggingskracht ervan vergroot. Tot slot moet vermeld worden dat bij de actualisatie op verzoek van de gemeenten geen raadpleging van gebiedsexperts heeft plaatsgevonden en geen gerichte inventarisaties van maritieme en conflict archeologie zijn uitgevoerd (al zijn daarvan wel enkele vindpla atsen vastgesteld).
2
https://scheldedelta.eu/nl/geopark/indieningsdossier
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[11]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt gestart met een toelichting op de landschappelijke ontwikkeling die tot het ontstaan van het huidige gestapelde landschap heeft geleid en de wijze waarop de mens daarvan gebruik heeft gemaakt. Dit heeft geleid tot de totstandkoming van twee landschappelijke basiskaarten voor het gebied, waarop in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven. In hoofdstuk 4 volgt een beschrijving op hoofdlijnen van de bekende archeologische gegevens (onderzoeksresultaten en vindplaatsen) in de gemeenten. De gedetailleerde resultaten per onderzoek en per vindplaats zijn opgenomen in appendices. In hoofdstuk 5 komt het archeologisch verwachtingsmodel aan bod. De algemene uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen worden hier toegelicht, evenals de resultaten van een ruimtelijke vindplaatsanalyse en het uit de combinatie van beiden voortvloeiende archeologisch verwachtingsmodel. De cartografische vertaling van dit model wordt gevormd door de verwachtingenkaarten die in hoofdstuk 6 worden beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 7 beleidsadviezen op basis waarvan de gemeentelijke beleidskaart is gemaakt. Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden. Daarnaast is een begrippenlijst opgenomen, waarin enkele technische termen worden uitgelegd.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[12]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
2 Landschap en mens 2.1 Inleiding De landschappelijke ontwikkeling van het gebied is van grote invloed op de archeologische verwachting. Waar welke processen op welke moment hebben plaatsgevonden, welke landvormen daarvan het resultaat waren en hoe de mens daarvan gebruik heeft gemaakt, bepaalt in sterke mate waar tegenwoordig in de gemeente archeologische resten te verwachten zijn. Daarom volgt hierna allereerst een toelichting op de paleogeografische ontwikkeling, op basis van verschillende geologische, geomorfologische en bodemkundige bronnen, aangevuld met onderzoeksresultaten uit het gebied. Vervolgens wordt beschreven wat de invloed hiervan is op de archeologische v erwachting en met name de wijze waarop dit van invloed is op de archeologische verwachting (zie §2.4). Daarnaast hebben de resultaten van de paleogeografische analyse ook aanleiding gegeven om het ondergrond model te herzien waarop het archeologisch verwachtingsmodel wordt toegepast. De wijze waarop dit is vertaald in een landschappelijke basiskaart wordt toegelicht in hoofdstuk 3.
Figuur 2. Geografische hoofdindeling van het gebied op basis van de maaiveldhoogte (www.ahn.nl).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[13]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Belangrijk voor een goed begrip van de paleogeografische ontwikkeling van het gebied, is de indeling in het ‘Hoge’ en het ‘Lage’. Dit onderscheid is geïntroduceerd door Karel Leenders 3 en diende oorspronkelijk om de positie in het landschap ten opzichte van de turfwinning helder te maken. 4 Tegelijkertijd is de grens ook geologisch, bodemkundig en geomorfologisch zeer uitgesproken. In het ‘het Hoge’ ligt het pleistocene landschap aan het maaiveld en in ‘het Lage’ is sprake van Holocene afzettingen. De grens tussen beide ligt ongeveer halverwege het onderzoeksgebied en springt er met name op de hoogtekaart zeer duidelijk uit (zie figuur 2). Het is een relatief rechte grens van westzuidwest naar oostnoordoost, gedicteerd door de algehele helling van Nederland die daar haaks op staat. De rechte lijn wordt onderbroken door enkele laagtes en dalen (zoals het dal van Breda 5), waar vanwege de lage ligging de Holocene afzettingen het Hoge in wiggen. Het onderscheid tussen het Hoge en het Lage is bepalend voor de genese van het gebied en daarmee voor de ar cheologische verwachting en zal daarom regelmatig een bepalend onderscheid vormen in dit rapport.
2.2 Paleogeografische ontwikkeling 2.2.1
Pleistoceen
De basis van het landschap in de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen ligt in het pleistoceen. Een geologische periode die duurde van circa 2.6 miljoen jaar tot 12.000 jaar geleden en wordt gekenmerkt door een afwisseling van koude ijstijden en warmere tussenijstijden. Gedurende het grootste deel van deze periode hadden de (voorlopers van) Rijn en Maas grote invloed op het land in Zuid-Nederland. 6 Gedurende de ijstijden hadden de rivieren en beken een vlechtend karakter 7, met een onregelmatige afvoer en regelmatig droog vallende en uitstuivende beddingen. Tussen de rivieren lagen kleinere beken die op lokale schaal sediment af hebben afgezet. Uit de geologische kaart 8 blijkt dat de oude afzettingen uit deze periode in het zuidelijk deel van het onderzoeksgebied nog altijd aan het maaiveld liggen (zie figuur 3). In het oosten van het onderzoeksgebied betreft het een strook met Rijnafzettingen van de Formatie van Sterksel 9. Deze zogenaamde ‘gordel van Sterksel’ strekt zich als een brede rug uit vanaf Rijen in het zuidoosten tot Made in het noordwesten 10 (zie ook figuur 2). Richting het westen liggen de afzettingen van de Formatie van Stramproy 11 aan het oppervlak. Het gaat daarbij in dit gebied om afzettingen van lokale beken en kleine Noord-Belgische rivieren. Daarnaast worden hiertoe ook pleistocene afzettingen van lokale oorsprong gerekend .
Het gaat daarbij om zand en leem, verplaatst door de wind en sneeuwsmeltwater. De beschreven oude sedimenten zijn hier nog zo ondiep in de ondergrond aanwezig, omdat het onderzoeksgebied deel uitmaakt van het zogenaamde Kempisch Hoog. 12 Dit is een geologisch opheffingsgebied (een horst) dat door een stelsel van breuk en in de aardkorst wordt gescheiden van de dalende Roerdalslenk. Door de opheffing zijn de oude sedimenten niet of nauwelijks bedekt geraakt en hebben ze na afzetting nog honderdduizenden jaren aan het maaiveld gelegen en zijn daarbij aan verschillende processen onderhevig geweest. Zo is onder invloed van (smelt)watererosie een golvend
3
Leenders, 1996 Koopmanschap e.a., 2011; p.15. 5 Tebbens, 2016; p.39. 6 https://www.geologievannederland.nl/tijd/reconstructies -tijdvakken/ 7 Vos e.a., 2018. Zie ook Tebbens, 2016; p.44. 8 W eerts e.a., 2006 9 W esterhoff & W eerts, 2003 10 Berendsen, 2005; p.29-45. 11 De Lang & W eerts, 2003 12 Tebbens, 2016: p.37, p. 39 4
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[14]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
landschap ontstaan, met welvingen, ruggen en dalen. In de zuidelijke helft van de gemeente Etten-Leur en in het grootste deel van de gemeente Oosterhout ligt dit landschap nog aan het maaiveld. Het wordt op de geomorfologische kaart 13 aangeduid als terrasafzettingswelvingen. Met name in de gemeente Etten-Leur worden deze welvingen doorsneden door een stelstel van kleine en grotere (beek)dalen . In de gemeente Oosterhout vormt de gordel van Sterksel een kilometers brede waterscheiding en als gevolg daarvan komen dalen binnen de gemeentegrenzen vrijwel niet voor (zie ook figuur 3). Op de oostgrens ligt het dal van de Donge die de afwatering van de gordel van Sterksel verzorgde.
Figuur 3. Geologische context van het onderzoeksgebied (bron: Weerts e.a., 2006).
13
Koomen & Maas, 2004.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[15]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Behalve erosie was er ook in beperkte mate sprake van sedimentatie. Dat vond plaats in de smeltwaterstroomdalen, maar ook daarbuiten in de vorm van door de wind verplaatste (eolische) sedimenten. Met name in de ijstijden van het laat-Pleistoceen (Saalien en Weichselien) is door de wind veel zand afgezet. Dit gebeurde onder periglaciale omstandigheden in een kaal toendralandschap, waarin de wind vrij spel had en grote hoeveelheden zand werden verstoven. Zo werden vrijwel alle oudere afzettingen begraven onder een laag zogenaamd dekzand, behorend tot de Formatie van Boxtel. 14 Waar het dekzand minder dan 1,2 m dik is, wordt gesproken van terrasafzetting swelvingen al dan niet bedekt met dekzand. 15 Dat het dekzand niet overal even dik is, blijkt ook uit de archeologische veldonderzoeken, 16 waarbij onder het dekzand regelmatig fluviatiele afzettingen zijn aangetroffen. In die gevallen wordt de vorm van het abiotisch landschap vooral bepaald door de mor fologie van de oudere afzettingen en de erosie die daar onder invloed van smeltwater later in heeft plaatsgevonden. Waar het dekzand dikker is, zijn op de geomorfologische kaart dekzandwelvingen aangeduid. Deze komen vooral voor halverwege de gemeente Etten-Leur. Tijdens de laatste koude fasen van het Weichselien (Oude en Jonge Dryas) werden door de wind opnieuw dekzanden afgezet.
Als gevolg van de vegetatie die zich in de warmere tussenperiode (Bølling/Allerød) had gevormd, werd het zand versterkt ingevan gen, wat resulteerde in uitgesproken duinvorming. Hierdoor zijn langgerekte veelal zuidwest -noordoost georiënteerde dekzandruggen ontstaan, zoals goed herkenbaar rond Wagenberg en Made. Als gevolg van de verstuiving ontstonden plaatselijk ook uitblazingsbekkens. Deze worden gekenmerkt door hun relatief ronde vorm en worden vaak geflankeerd door paraboolvormige duinen aan de oostzijde , daar waar het uitgewaaide zand weer werd afgezet (zie figuur 4). Op de geomorfologische kaart 17 staat op grens van de gemeente Moerdijk en Etten-Leur een dergelijke paraboolduin aangegeven. In het ‘Lage’ zijn op de geologische kaart (figuur 3) en geomorfologische kaart geen pleistocene afzettingen meer weergegeven. Het zandreliëf zet zich hier wel door (zie hoofdstuk 3), maar gaat schuil onder een pakket holocene afzettingen.
Figuur 4. Schematische weergave van het ontstaan van een paraboolduin.
14
Schokker e.a., 2003 De Lange, 1981. 16 Zie appendix 3. 17 Koomen & Maas, 2004 15
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[16]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
2.2.2
Holoceen
De start van het Holoceen (ca. 11.700 jaar geleden) wordt getypeerd door een belangrijke klimaatsverbetering en daaraan gekoppelde zeespiegelstijging als gevolg van de afsmeltende ijskappen. Het werd warmer en vochtiger en de koud e minnende, open vegetatie van het periglaciale toendra-landschap van de laatste ijstijd maakte geleidelijk plaats voor een meer gesloten, warmte minnende, vegetatiestructuur. Het laat-Pleistocene zandreliëf werd daarmee voor lange tijd vast gelegd. De dalen die in de koude perioden door grote vlechtende smeltwaterstromen waren uitgesleten, werden min of meer permanent watervoerend met kleine meanderende beken die de afwatering van het gebied verzorgden. 18 Als gevolg hiervan zijn de dalen over het algemeen groter dan te verwachten op basis van de huidige kleine beeklopen. Lange tijd lagen de zandgronden nog aan het maaiveld, maar vanuit het westen kwam de zee geleidelijk oprukken, hierdoor zou het landschap in de loop van het Holoceen ingrijpend veranderen. Ontstaan van een (kust)moeras In Noord-Brabant werd de zeespiegelstijging het eerste merkbaar tussen 9000 en 5500 v oor Chr. in de pleistocene dalen van Maas en Schelde.
Uit de paleogeografische kaarten 19 (zie figuur 5) is af te leiden dat na een eerste fase van veenvorming (Basisveen) een getijdenestuarium ontstond vergelijkbaar met de huidige Waddenzee 20 dat zich uitstrekte tot in de noordwesthoek van het onderzoeksgebied. Omstreeks 2750 voor Chr. sloot de Nederlandse kustlijn zich grotendeels, waardoor de invloed van de zee in het achterland sterk afnam en een lagune ontstond waarin op grote schaal veen groeide (Hollandveen, Formatie van Nieuwkoop 21). Op de paleogeografische kaarten (figuur 5) is te zien dat in het onderzoeksgebied het grootste deel van het veen vanuit die kustvlakte kwam optrekken, maar ook dat in het zuidelijke zandlandschap solitaire veengebieden ontstonden die zich ge leidelijk uitbreiden. Onder invloed van de zeespiegelstijging steeg het grondwaterpeil, waardoor geleidelijk ook de lagere delen van het Hoge pleistocene zandgebied vernatten. Vanaf 3800 voor Chr. is de eerste veengroei in de beekdalen in het zandgebied te zien. 22 Van daaruit kroop het veen geleidelijk steeds verder de zandgronden op. Daarnaast ontwikkelden zich vanuit de pleistocene laagten voedselarme (oligotrofe) hoogveenkussens. 23 Deze grote veengebieden hadden aanvankelijk geen contact met het veen in de kustvlakte. 24 Het zuiden van de gemeente Etten-Leur werd bedekt door een dergelijk hoogveenkussen. De kustvlakte was omstreeks 2750 voor Chr.
al opgevuld met veen. De veengroei ging gestaag door tot in de vroege middeleeuwen uiteindelijk grote delen van het landschap waren bedekt. 25 Omstreeks 800 na Chr. had het veen zich maximaal uitgebreid en stonden de veengebieden in de kustvlakte en de veengebieden in het dekzandgebied via de beekdalen met elkaar in verbinding (zie figuur 5). In deze periode bleven alleen de allerhoogste ruggen in het pleistocene landschap van veenbedekking gevrijwaard. Hierbij valt te denken aan de gordel van Sterksel in het oosten van het onderzoeksgebied (waarop Oosterhout en Made liggen) en de dekzandrug centraal in de gemeente Etten-Leur (waarop de historische kern van Etten ligt). Ook kleinere hoge ruggen en duinen (‘donken’ of ‘bergen’) waren voor bewoning geschikt, 26 al is het de vraag of deze eilanden überhaupt bereikbaar waren. 27
18
zie ook Tebbens, 2016: p.43-44 Vos e.a., 2018 20 Tebbens, 2016; p.44 21 https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator/hollandveen-laagpakket 22 Vos e.a., 2018 23 Tebbens, 2016; p.48 24 Leenders, 2013; p.110-111. 25 Kluiving, e.a., 2006 26 Renes, 1985 27 Zie ook Ellenkamp, 2009; p.59-60, 72. 19
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[17]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 5. Paleogeografische ontwikkeling van het onderzoeksgebied (bron: Vos e.a., 2018).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[18]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Inbraken in het veen Enkele eeuwen later, vanaf het jaar 1000 na Chr., vond er een omslag plaats waardoor het landschap in korte tijd drastisch zou veranderen. Onder invloed van de sterk groeiende bevolking brak een periode van grote agrarische expansie aan, waaraan ook de veengebieden niet ontkwamen. Vanaf een ontginningsbasis – meestal een natuurlijke hoogte zoals een donk waarop meestal de dorpen ontstonden – werd het veen verkaveld in smalle stroken, die gebruikt werden als natte hooilanden, aangeduid als maden. Vergelijkbare patronen in de beekdalen op het Hoge worden beemden genoemd . Restanten hiervan zijn nog bewaard gebleven . De Westelijke Langstraat, waarvan het westelijk deel doorloopt tot in de gemeente Oosterhout, 28 is hiervan een bekend voorbeeld. Vergelijkbare patronen zijn terug te zien in het noorden van de gemeente Etten-Leur, waar vanaf de hooggelegen Kelsdonk het veengebied het Zwermlaken in maden ontgonnen is (figuur 6). Uit historische kaarten 29 valt af te leiden dat de maden zich tot voor kort ook uitstrekten in het gebied tussen Oosterhout en Made. Wellicht heeft de naam Made daar ook betrekking op, al is de officiële lezing dat deze naam afstamt van Meede (vergelijk het Engelse meadow). 30
Figuur 6. Langgerekte made-verkaveling in het Zwermlaken (gemeente Etten-Leur).
Om het veen te ontginnen werden ontwateringssloten gegraven en als gevolg daarvan begon het veen te klinken. Daarnaast werd vanaf de 13e eeuw begonnen met turfwinning. Dat gebeurde kleinschalig overal, maar grootschalig vooral in het oligotrofe veenkussen in het zuiden van het onderzoeks gebied. Hiervoor werden grote infrastructurele investeringen gedaan met de aanleg van turfvaarten en
28
Koopmanschap, 2015 https://www.topotijdreis.nl/ 30 https://nl.wikipedia.org/wiki/Made_(Noord -Brabant) 29
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[19]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
turfhoofden, waarvan met name in de gemeente Etten-Leur veel restanten bewaard zijn gebleven. De combinatie van klink en turfwinning veroorzaakte dat het veen verdween. In het Hoge kwamen daardoor de pleistocene zandgronden weer aan het maaiveld te liggen. In het Lage was het veen dikker en vanwege de samenstelling bovendien niet geschikt voor grootschalige turfwinning. Desondanks verdween ook hier het veen geleidelijk als gevolg van de made-ontginning en daaruit volgende klink. De daling van het maaiveld in combinatie met een zee die in dezelfde periode aan een landinwaartse opmars begon (zie figuur 7), resulteerde in een toenemend overstromingsrisico.
Figuur 7. In de late middeleeuwen drong de zee steeds verder het gebied binnen (bron: Kluiving, e.a., 2006).
De paleogeografische kaarten (figuur 5) laten dan ook zien dat omstreeks 1250 na Chr. opnieuw een intergetijdengebied was ontstaan. Dit alles vond een hoogtepunt in de Sint Elisabethsvloed van 1421 en enkele aansluitende vloeden in de daaropvolgende jaren (samen de Sint Elisabethsvloeden). Daarbij drong de zee diep het land binnen en werden grote delen oud land opgeruimd of overspoeld. Hierbij ging de Groote Zuid-Hollandse Waard verloren, waarvan de zuidgrens globaal ter hoogte van Lage Zwaluwe liep. 31 Het veen had weinig weerstand tegen de kracht van het water en het feit dat het water eenvoudig het gebied kon binnendringen langs de ontginningssloten en kanalen hielp ook niet mee . In het overstromingsgebied werden zo hele dorpen weggeslagen, waaronder Niervaert en Zonzeel in het zuiden en Dubbelmonde en Almmonde in het noorden van het onderzoeksgebied . Deze catastrofe leidde tot het ontstaan van de Biesbosch. De overstroming stokte min of meer op het punt waar het water tegen het boven NAP opduikende pleistocene zand aan stuitte. Aan deze randen van het
31
https://www.regionaalarchiefdordrecht.nl/achtergronden/historische -atlas-van-de-biesbosch/
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[20]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
overstromingsgebied was de verwoesting weliswaar minder, maar ook daar is de kracht van het water herkenbaar aan de vele wielen. Dit zijn kolkgaten die ontstonden bij dijkdoorbraken, waarbij de zee met veel kracht het gebied achter de dijk instroomde en op de plek van de doorbraak de grond diep werd weggeschuurd. 32 Dergelijke wielen zijn op meerdere plekken in het onderzoeksgebied bewaard gebleven (zie ook kaartbijlage 1). Ter hoogte van de ontwateringskanalen en vaarten die veelal aansloten op de beekdalen, drong de zee ook vrij diep het pleistocene zandgebied in. Het zeewater kwam vanuit het westen, takte aan op de van oorsprong noord-zuid georiënteerde beekdalsystemen en stroomde dan richting het zuiden. Dit is te zien in alle grotere watersystemen van het gebied: Mark, Turfvaart/Leursche Haven en Donge. De Mark begint in Merksplas (B) als het Merkske en stroomt vanaf daar richting het noorden door Breda om bij Terheijden op de grens met de gemeente Drimmelen plots scherp naar het westen af te buigen. Hetzelfde is te zien bij de Turfvaart (vanaf Leur aangeduid als Leursche Haven) in de gemeente Etten Leur. Deze buigt ter hoogte van de Zwartenbergse Molen naar het westen af om vervolgens in de Mark uit te monden. De Donge laat hetzelfde patroon zien met een afvoer richting het noorden, die bij Raamsdonk sterk naar het westen afbuigt.
Figuur 8. Uitsnede van de Kaart van den Verdronken Zuid -Hollandse Waard (Sluijter, 1560. Nationaal Archief, toegang 4.VTH, inventaris 1895A).
Door het aantakken van de kreken op de beken, kon de zee diep het gebied binnen dringen. Dit blijkt ook duidelijk uit de bodemkaart, 33 waarop in het zandgebied tot bij Leur (in het dal van de Turfvaart) en tot voorbij Terheijden (dal van de Mark) zeeklei is aangeduid. In beide gevallen is dat circa 5 kilometer landinwaarts ten opzichte van waar de grens tussen zand en klei ligt (zie bijvoorbeeld ook de blauwe
32 33
Baas e.a., 2005 https://basisregistratieondergrond.nl/inhoud -bro/registratieobjecten/modellen/bodemkaart -sgm/
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[21]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
wiggen op figuur 2). Ook bij archeologische onderzoeken in deze dalen is diep in het zandgebied klei aangetroffen. 34 Ten noorden van Oosterhout werd door de zee in het dal van de Donge zelfs een kleine binnenzee uitgesleten, zoals een kaart van 1560 laat zien (zie figuur 8). Hoewel Oosterhout nu hoog en droog lijkt te liggen, zijn even ten noorden van de basiliek mariene afzettingen aangeboord 35 die bewijzen dat Oosterhout ooit aan zee lag. De één z’n dood… De verdrinking van het land was een catastrofe voor de oude bewoners, maar bood tegelijkertijd kansen voor nieuwe. De zee voerde namelijk nieuw sediment aan, wat resulteerde in de vorming van kwelders (slikken) die geleidelijk steeds verder opslibden. Hierdoor vormden zich nieuwe hoge gronden in een gebied waarvan het maaiveld sinds de middeleeuwse veenontginning juist zo sterk was gedaald. Illustratief hiervoor is het hoogteverschil tussen de zeekle ipolders en de nauwelijks overstroomde veengronden aan de rand van het overstromingsgebied. De veengronden bij Hooge Zwaluwe liggen momenteel bijvoorbeeld tot wel twee meter lager dan de flankerende zeekleigronden bij Zevenbergschen Hoek. Wanneer de aanwassen hoog genoeg waren opgeslibd en niet meer voortdurend overstroomden, werden ze gorzen genoemd 36 en vormden aantrekkelijke gronden om te bedijken en opnieuw te ontginnen.
Vaak bleven deze gronden echter lang buitendijks liggen, want de boeren waren blij met regelmatige overstroming waarbij vruchtbaar slib werd aangevoerd. 37 Het feit dat de aanvoer van nieuw sediment werd gewaardeerd is er wellicht ook reden van dat veel kreken in het gebied open werden gehouden (en nog altijd open zijn). Daarlangs kon het water opnieuw het gebied binnendringen en de ontgonnen gronden overstromen. Bovendien vormden deze natuurlijke waterlopen een wijdvertakte infrastructuur waarlangs de mens de gorzen en slikken kon bereiken. Door de aanvoer van sediment ontstonden echter telkens nieuwe aanwassen die op den duur ook weer werden ontgonnen, nadat de oudere gorzen waren bedijkt. Zo werd het gebied met dank aan de natuurlijke opslibbing geleidelijk steeds verder ingepolderd en teruggewonnen op de zee. Deze fasering is nog duidelijk terug te vinden in de polders van het zeekleigebied (zie hierna paragraaf 2.3). In de polders werden vervolgens sloten en schutsluizen aangelegd die dienden voor de afvoer van regenwater. Dat gebeurde op het moment dat het waterpeil buitendijks laag stond. Molens waren pas nodig wanneer het maaiveld verder was ingeklonken dan het laagwaterpeil. De gefaseerd inpoldering van het gebied besloeg een tijdspanne van enkele honderden jaren.
Dat heeft geresulteerd in een grotendeels ‘man-made’-gebied met een uitgesproken eigen karakteristiek, waarin de wisselwerking en het gevecht met het water duidelijk zichtbaar zijn. Het proces van inpoldering heeft bovendien grote invloed op de archeologische verwachting. De inpoldering wordt daarom in een afzonderlijke paragraaf (2.3) uitgebreid toegelicht. Ontginning van het zand Naast de nieuwe zeekleipolders, waren er nog andere gronden die nieuw ontgonnen moesten worden. Na het afgraven van het veen kwamen in het zuiden van het onderzoeksgebied ( het Hoge) namelijk op grote schaal de pleistocene zandgronden weer aan het maaiveld te liggen. D at waren meestal niet de meest vruchtbare gronden – veelal vrij zure humuspodzolgronden – en die vroegen dus om de nodige inspanningen om landbouwkundig rendabel te maken. Dit is terug te zien in de resultaten van de archeologische onderzoeken in het zandgebied, waarbij regelmatig sporen van ontginning uit de nieuwe 34
Zie appendix 3 o.a. ARCHIS-zaakidentificatienummers 4748312100 (Turfvaart) en 2378933100 (Mark) Nales, 2009; p.11-12. 36 https://www.vnsc.eu/themas/natuur/slikken -en-schorren/ 37 Delahaye, 1979: p.113-114 35
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[22]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
tijd zijn teruggevonden. Veelal werd de bovengrond omgeploegd/spit, waarna een humeuze bovengrond werd opgebracht. Deze gronden laten zich op de bodemkaarten herkennen als hoge zwarte enkeerdgronden. De ontstaanswijze van de enkeerdgronden in de voormalige veenwinningsgebieden is echter compleet anders dan waar deze enkeergronden zijn ontstaan in de gebieden met de hoogste zandgronden die nooit met veen bedekt zijn geweest. De hoogste zandgronden lagen al sinds de afzetting in het pleistoceen aan het maaiveld en waren sinds de introductie van de landbouw vanaf het neolithicum geleidelijk voor beakkering in gebruik genomen. 38 De eerste akkers lagen logischerwijs op de van nature meest vr uchtbare locaties, maar naarmate meer monden te voeden waren, moest de vruchtbaarheid van de akkers op peil gehouden worden. Daartoe werd een mengsel van dierlijke mest en organisch materiaal opgebracht. Dat organisch materiaal werd geplagd op de woeste gronden, waarbij ook zandig materiaal werd meegevoerd, waardoor de akkers in de loop der tijd geleidelijk ophoogden. 39 Wanneer het daardoor ontstane humushoudende dek meer dan 50 cm dik is (aangeduid als “esdek”), wordt volgens de Nederlandse bodemclassificatie gesproken van een enkeerdgrond. Om vanaf de middeleeuwse expansie het landbouwareaal uit te breiden, werden echter ook bewuste ophogingen gedaan op minder geschikte gronden.
40 Daartoe behoren ook de zandgronden die na de veenwinning in de late middeleeuwen tevoorschijn kwamen. Hier is dus geen sprake van een geleidelijk gegroeid “esdek”, maar is bewust materiaal aangevoerd om veel sneller een vruchtbare akker te creëren. Dit fenomeen is ook vastgesteld in andere gemeenten in westelijk Noord-Brabant waarvoor recent een update van de archeologische verwachtingskaart is uitgevoerd. 41 Voor de ophoging van de zandgronden werden veelal lokaal plaggen gestoken. De nood aan landbouwgrond was blijkbaar echter hoog, aangezien rond 1500 voor de bemesting zelfs stadsafval vanuit de Randstad helemaal naar Etten werd vervoerd. 42 Van Heikant naar Stuyve Sant Het ligt voor de hand dat de na veenwinning vrijgekomen zandgronden rondom de middeleeuwse steden en dorpen tot landbouwgrond werden ontgonnen. Voor het creëren van de vruchtbare, beakkerbare laag waren grote hoeveelheden zand nodig. De plaggen en het zand hiervoor werd en gewonnen op de iets verder van de nederzettingen gelegen gemene gronden 43, die daardoor tot heidegronden verschraalden. Plaatselijk leidde het intensieve menselijk gebruik 44 ertoe dat de natuurlijke draagkracht van de vegetatie werd overschreden en onbegroeide delen ontstonden.