bijlage 2 RAAP toelichting_6065_ACOOS_20230511
Tekst van het document
45 In combinatie met een dalende grondwaterspiegel, in dit deel van Brabant hoofdzakelijk als gevolg van het ontginnen en afgraven van de venen 46, leidde dit ertoe dat het zand ten prooi kon vallen aan verstuiving, waardoor uitgestrekte stuifzandgebieden ontstonden. De stuifzanden in het onderzoeksgebied zijn bijna allemaal gekoppeld aan de Gordel van Sterksel. Deze rug, waarvan de hoogste delen altijd boven het veen hadden uitgestoken, had duidelijk te kampen met verdroging en daaraan gerelateerde verstuiving. Zelfs op het noordelijk deel, dat omringd werd door mariene afzettingen was sprake van Stuyve Sant (Stuivezand, zie figuur 9).
38
zie ook Tebbens, 2016: p.44. Jongmans & Peek, 2010: p. 93. Jongmans & Peek, 2010: p.94. 40 Jongmans & Peek, 2010: p. 93. Spek, 2004. 41 Ellenkamp, 2018 & 2020 42 Haarhuis, 1993; Schiltmans, 2000 43 Gronden die gemeenschappelijk gebruikt en beheerd w erden door een groep gebruiksgerechtigden . 44 Behalve plaggen steken, werden ook schapen geweid en hout gekapt. 45 Jongmans & Peek, 2010: p.94. 46 Pierik e.a., 2018. 39
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[23]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Vanaf de dertiende/veertiende eeuw spreekt historisch geograaf Karel Leenders voor westelijk Brabant van de ‘explosieve periode’, waarin bevolkingsgroei en gecoördineerde expansiedrift leidd en tot een steeds intensiever gebruik van de gemeenschappelijke woeste gronden. 47 Ook op andere plekken wijst onderzoek op een datering van stuifzanden vanaf de late middeleeuwen. 48 Als gevolg van de verstuiving werden complete delen van het landschap versto ven of raakten oude landschappen juist onder het stuifzand begraven. Dit laatste is onder andere bekend bij Kootwijk 49 (de naamgever van het laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel 50), de Loonse en Drunense Duinen 51 en de Weerter Bossen. 52 Dat hiervan ook in de gemeente Oosterhout sprake kan zijn, blijkt uit het feit dat hier tijdens de veldtoets onder het stuifzand een intact begraven dekzandlandschap (met podzolgrond) is aangetroffen 53. Dit is een concrete aanwijzing dat onder het stuifzand oudere landschappen bewaard kunnen zijn, inclusief eventueel daarin aanwezige sporen van menselijk gebruik . Anderzijds heeft de veldtoets ook laten zien dat in het brongebied van de verstuiving (de zogenaamde deflatievlaktes) het dekzand is weggewaaid/afgetopt en het oude landschap dus is verdwenen. 54 Sinds de middeleeuwen heeft de mens kortom een steeds sterker sturende invloed op de vorm van het landschap.
Figuur 9. Uitsnede van ‘Plan van de Steede Geertruijdenberg, de Amiliapolder en Raemsdonck’ uit 1747. Met rode cirkel zijn de Sant Duijnen bij Stuyve Sande (Made) aangeduid, omringd door de binnenzee van het Oosterhoutse Broek in het oosten en de zeekleipolders in het noorden en westen. (Nationaal Archief, archiefnummer 4VTH, inventarisnummer 4653)
47
Leenders, 1996: p.411-413, 455 O.a. Ellenkamp 2016. 49 Jongmans & Peek, 2010: p.94. 50 Schokker e.a., 2003. 51 Toorians, 2008 52 Van Mourik, 1988. 53 W aarnemingspunten 20 en 21. 54 W aarnemingspunten 22 en 26. 48
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[24]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
2.3 De (bestuurlijke) context van de gefaseerde inpoldering B.J.G. van Snippenburg, S.P.H. Bouwmans & G.R. Ellenkamp
2.3.1
Een verdronken grensgebied
Het noordwestelijke deel van de huidige provincie Noord-Brabant is altijd een grensgebied geweest tussen Brabant, Holland en Zeeland, waarin grenzen konden verschuiven. Omstreeks de twaalfde eeuw ontstond er enige duidelijkheid in de bronnen over het verloop van grenzen en de uitbreiding van invloedssferen. Op dat moment breidden de hertogen van Braban t hun invloed richting het noorden uit en de graven van Holland richting het zuiden. In het rivierengebied werden lokale machthebbers gedwongen te kiezen voor ofwel de hertogen ofwel de graven. 55 Dit leidde tot een ingewikkelde en diffuse grenssituatie die op geen enkele wijze de huidige provinciegrenzen weerspiegelde (figuur 10). 56
Figuur 10. Het grensgebied tussen het noordwesten van Brabant en het zuiden van Holland omstreeks 1300. Grote gedeelten van het huidige noordwesten van Noord -Brabant behoorden toe aan Holland. Fragment van “Holland ten zuiden van het IJ in 1300” (Beekman, 1921).
Vooral het gebied van de Grote Waard was bestuurlijk sterk versnipperd, al nam de Hollandse invloed daar gedurende de middeleeuwen wel steeds verder toe. 57 De bestuurlijke versnippering van dit gebied speelde mogelijk ook een rol in de ondergang van de Grote Waard. Deze leidde immers, in combinatie
55
Renes, 1985: p.31 Koopmanschap, 2015: p.288-291 57 Renes, 1985: p.32; Koopmanschap, 2015: 290-291 56
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[25]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
met tegenstrijdige belangen van deelgebieden, tot een allesbehalve slagvaardig bestuur dat niet in staat was zo een heterogeen gebied technisch en organisatorisch in stand te houde n. 58 Nadat in de veertiende en vijftiende eeuw veel land verloren was gegaan door overstromingen, met als triest hoogtepunt de Sint Elisabethsvloeden (1404, 1421 en 1424), werden bij het opnieuw inpolderen van het gebied zoveel mogelijk de rechtsgebieden van voor de overstromingen aangehouden. 59 Bestuurlijk gezien weerspiegelde de situatie ná de overstromingen dus die van vóór de overstroming. Dit betekende echter wel dat de Hollandse gebieden nu van de rest van het graafschap waren afgesneden door de verdronken Grote Waard. Deze gebieden behoorden tot het baljuwschap Zuid Holland en bestonden uit Drimmelen en oostelijker gelegen Werkendam, Dussen en de Langstraatdorpen. Andere Hollandse gebieden waren het Land van Heusden en Altena, Geertruidenberg en Made, Zevenbergen, Klundert en Zwaluwe. Het halverwege de 16 e eeuw ontstane Willemstad (toen nog Ruigenhil geheten) was grotendeels zelfstandig maar hoorde sinds 1648 wel bij de Generaliteitslanden 60 (zie ook figuur 11).
Figuur 11. Reconstructie van de grens tussen Brabant en Holland. Rood is de oude grens voor 1526/27, blauw de nieuwe grens. (Van Ham & Leenders, 2018, 105)
58
Renes, 1985: p.53 Renes, 1985: p.34 60 Renes, 1985: p,35 59
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[26]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Tussen 1796 en 1815 kwamen de huidige grenzen tot stand. Staats -Brabant werd erkend als zelfstandig gewest en de noordgrens werd verlegd naar het Hollandsch Diep, de Biesbosch en de Oude Maas. Dit betekende dat Geertruidenberg, Klundert, Zwaluwe, Zevenbergen, de Langstraat, Drimmelen en Dussen bij Brabant kwamen. In 1815 verschoof de grens nog eens naar het noorden, nu van de Oude Maas naar de Maas en Merwede, waardoor ook de polders in de Biesbosch tot Brabant gingen behoren. 61
2.3.2
Drie heren
Wat betekende het verschuiven van de grenzen nu voor de inpoldering van de verdronken Grote Waard en het verloren veengebied ten westen daarvan? Ten eerste is het belangrijk om op te merken dat niet het gehele bestaande landschap tijdens de overstromingen in de vijftiende eeuw verloren was gegaan. Zo was ten zuiden van Lage Zwaluwe tot de ruilverkaveling nog de oorspronkelijke waaierverkaveling aanwezig van de middeleeuwse ontginning van een veenkoepel , herkenbaar aan de Groenendijk rondom Polder Oudland die hier een cirkelvormig tracé heeft. 62 Er is een fasering te herkennen in meer of minder beschadigde veenpolders. In zijn algemeenheid valt te stellen dat hoe verder westelijk, hoe minder resten er van het landschap van voor de overstromingen overgebleven is. Daarnaast bleven sommige dorpen en steden ook bestaan. Zevenbergen bijvoorbeeld, dat na de vloed op een klein eiland lag maar bleef functioneren. 63 Ook Niervaart had de Elisabethsvloeden overleefd maar verdween in 1449 alsnog volledig in de golven. 64 Grote delen van het overstroomde land bleven een eeuw lang onbewoond liggen en werden, wanneer ze begaanbaar waren, slechts verpacht als weidegebied. Pas vanaf het begin van de zestiende eeuw kwam het bedijken van gorzen of het herstellen en het in gebruik nemen van braakliggende land weer op gang.
In dit gebied waren er drie grote aanjagers van bedijkingen, namelijk de heren en later markiezen van Bergen op Zoom, de heren van Breda (graven van Nassau) en de heren van Zevenbergen. Deze landsheren namen het initiatief tot bedijking van een aan - of opwas en ontwierpen ook de inrichting van de nieuwe polder. Het grootste gedeelte van de grond werd daarna verkocht waarop de kopers de kosten voor de bedijking moesten betalen. Dergelijke polders zijn vaak zeer planmatig aangelegd met een centrale weg waarop een aantal zijwegen uitkomt die de polder in een aantal vierkante blokken verdeelden. Deze blokken werden dan in strookvormige percelen verkaveld. Wanneer gorzen in particuliere handen waren, leverde dit minder planmatige polders op omdat er versnippering plaatsvond om de kosten van de bedijking te dekken. Het zeer dynamische landschap dat na de grote overstromingen aan het begin van de vijftiende eeuw was ontstaan en de hebzucht van de landsheren bij wie het verloren gegane land in bezit was geweest, leidden tot een groot grensconflict. De vraag was van wie de opgeslibde gronden waren en wie er pachten mocht heffen en ze voor bedijking kon uitgeven.
Het was uiteraard van belang om de grenzen vast te leggen voor er tot bedijking kon worden overgegaan omdat dit een kostbare bezigheid was en men niet de kans wilde lopen dat de polder uiteindelijk op het grondgebied van een concurrerende heer lag. Vooral de Prins van Oranje zette hier in op een zo groot mogelijke gebiedswinst door zich gebieden toe te willen eigenen die buiten zijn oorspronkelijke jurisdictie als heer van Niervaert vielen. Het dorp en de polder Niervaert waren tijdens en na de vloed verloren gegaan en op deze plek lag nu
61
Renes, 1985 Koopmanschap e.a., 2011: p.25; Leenders, 1993: p.24. 63 Renes, 1985: p.64-65 64 Groot e.a., 2013: p.27. 62
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[27]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
de gors De Clundert. De heerlijkheid was echter groter geweest dan deze gors maar hoe groot precies was de vraag. Aan het einde van de 15e eeuw had de Graaf van Nassau namelijk al beweerd dat dat de aanwassen ten westen van Zevenbergen, ten noorden van Gastel en ten zuiden van Niervaart aanslibbingen van zijn heerlijkheid Niervaart waren. Dit leidde tot een conflict met de heer van Bergen op Zoom die deze gronden als de zijne beschouwde (figuur 12).
Figuur 12. Hendrik III van Nassau (links) en Jan III van Glymes van Bergen (rechts) bereikten in 1510 een akkoord over aan wie de aangewassen gronden ten westen van Zevenbergen toekwamen.
Uiteindelijk werd dit conflict opgelost in de Grote Raad: Bouwensland en Nieuwe Amer gingen naar beide heren gezamenlijk, de rest van de aanwassen naar de heer van Bergen. De Graaf van Nassau kreeg hiermee ook gronden ten zuiden van de oude grens met Brabant in handen, een gebied dat nooit tot de heerlijkheid Niervaert had behoord. Het land ten westen van Zevenbergen werd uiteindelijk als volgt verdeeld en aanvaard door de heren: de Prins bezat de gors De Clundert en onbedijkte gedeelten van Bouwensland en Nieuwe Amer en de markiezen van Bergen op Zoom hadden Standdaarbuiten, gedeelten van Bouwensland en Nieuwe Amer, plus de gorzen Ruigenhil en Fijnaart. Tenslotte bezaten de heren van Zevenbergen Zandberg, Nieuwendijk en het Meerengebied. Verder naar het oosten lagen gronden waarover minder te twisten viel omdat ze van oudsher tot res pectievelijk de heerlijkheid van Zevenbergen, de Baronie van Breda en tot de Prinselijke domeinen hadden behoord. Denk hierbij aan het Oudland van Zevenbergen, het gebied rond Terheijden en Oosterhout en de Zwaluwe en Moerdijk. In dit laatste gebied had de Prins van Oranje veel particulier grondbezit. Dat leidt tot het volgende algemene beeld (zie ook figuur 13): in het meest westelijke deel van het gebied lagen de gronden die oorspronkelijk tot het hertogdom Brabant hadden behoord. Deze kwamen in handen van de Markies van Bergen op Zoom.
Aan de zuid - en oostkant van het gebied lagen bij Terheijden en Oosterhout nog meer Brabantse gronden die onderdeel waren van de Baronie van Breda en om die reden aan de heer van Breda, in dit geval de Prins van Oranje toekwamen. Ook de gronden
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[28]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
ten noorden van de grens in Holland kwamen aan de Prins maar nu niet als onderdeel van het rechtsgebied van de Baronie maar als zijn persoonlijke domeingoederen als landsheer in Holland. In het midden lag de heerlijkheid Zevenbergen. Deze heerlijkheid lag in Holland maar de heer van Zevenbergen kwam meestal uit een Zuid-Nederlands geslacht.
Figuur 13. Grondbezit in de polder van het onderzoeksgebied na de Sint Elisabethsvloeden. De clusters volgen grotendeels de grenzen tussen de gewesten Brabant en Holland zoals men deze na de vloed gereconstrueerd had.
2.3.3
Het begin van de inpoldering
De drie grootgrondbezitters (de Prins van Oranje was immers ook heer van Breda) hadden grote invloed op de inpoldering van hun bezittingen en, wanneer die inpoldering succesvol was voltooid, ook in het dagelijks bestuur van de polders. Ondanks dat er in 1510 al een uitspraak was geweest over de grenzen in dit gebied, bleef men de gehele eerste helft va n de zestiende eeuw proberen om aan de grenzen te tornen. De daadwerkelijke inpolderingsactiviteiten waarmee de gronden eindelijk nuttig konden worden gemaakt, begonnen in het omstreden gebied rond Niervaert pas in het jaar 1545. Toen begon de heer van Zevenbergen op De Zandberg en Nieuwendijk met het omdijken van de gorzen. Hij bezat daar al een kasteel 65 en het waren dus niet geheel woeste gronden. Drie jaar daarna, in 1548, begon de grote inpoldering van de Fijnaart, tot dan toe de grootste polder in het gebied. Dit gebeurde op initiatief van de markies van Bergen op Zoom en deze liet tevens een nieuw dorp (het huidige Fijnaart) in de polder aanleggen. Het aanleggen van dergelijke polderdorpen joeg de lokale economie aan en dit betekende dan ook extra inkomsten voor de landsheer via bijvoorbeeld tolheffing. Wanneer er veel van deze polderdorpen op korte afstand van elkaar werden aangelegd betekende dit dus een hoog aantal
65
De locatie van dit huis (en andere) is op basis van de Gastelse kaart van 1565 (Van Ham & Leenders, 2018) getraceerd en als vindplaats op de verwachtingskaart opgenomen.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[29]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
machthebbers dat hun graantje mee wilden pikken. 66 Al ondernamen de drie heren hun inpolderingswerkzaamheden vanuit eigenbelang, ze waren sterk gebaat bij elkaars werk.
Figuur 14. De huidige gemeente Moerdijk en omgeving rond 1555; het begin van de inpolderingen. Bron: Canon van Moerdijk.
In 1550 vond er een grote overstroming plaats waarbij de onlangs aangelegde polders Zandberg en Nieuwendijk onder liepen. De bescherming moest beter maar het was economisch gezien niet mogelijk om voor twee kleine polders een volwaardige zeedijk aan te leggen. In dit geval wa s de heer van Zevenbergen dus afhankelijk van de prins van Oranje die de Clundert wilde bedijken. Deze dijk zou dan tevens Zandberg en Nieuwendijk beschermen. Op zijn beurt was het voor de prins gunstiger om bij de omdijking van De Clundert aan te sluiten op de al bestaande dijk van De Fijnaart die door de markies van Bergen op Zoom was omdijkt. Ook de markies had hier weer voordeel bij omdat het betekende dat De Fijnaart, een belangrijk bezit, beter beschermd zou worden. In 1558 begon dit massale werk waar bij de poldercomplexen van de drie concurrenten aan elkaar werden gelinkt. Drie jaar later leek het werk erop te zitten. Stap voor stap werd het gorzengebied ten westen en noorden van Zevenbergen binnen kades en dijken gelegd. Een volgende grote stap werd in 1563 gezet, toen aan de omdijking van de gors Ruijgenhil werd begonnen. Uiteindelijk zou dit de grootste polder ten westen van Ze venbergen
66
Renes, 1985.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[30]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
worden. Deze locatie op de meest noordwestelijke punt van Brabant speelde bovendien een belangrijke strategische rol in de roerige tijden die zouden komen.
Figuur 15. De inpoldering ten tijde van het begin van de Tachtigjarige Oorlog ( 1568 - 1648). Merk op dat delen van wat in 1555 nog water was inmiddels was verland, alvorens het werd inge polderd. Bron: Canon van Moerdijk.
2.3.4
Grenzen vervallen, grenzen verharden
In 1567 stond de Tachtigjarige Oorlog op het punt om uit te breken. Toen in dat jaar markies Jan IV van Bergen op Zoom overleed, werd zijn markiezaat en dus ook de polders die daaronde r vielen door de koning in beslag genomen wegens de houding die hij had aangenomen in de aanloop naar de oorlog. Na de Pacificatie van Gent in 1577 kregen zijn erfgenamen het grondgebied terug in hun bezit , maar doordat Jan van Wittem naar de Spaanse kant overliep, werden ze weer ontnomen door de Staten van Brabant. Vanwege de strategische ligging van de polder Ruijgenhil schonken de Staten deze aan Willem van Oranje. Het dorpje Ruijgenhil dat in de noordwesthoek van de polder lag, werd in zijn opdracht uitgebouwd tot de vesting Willemstad (zie ook figuur 15). Tijdens het Twaalfjarig bestand eiste de markiezin van Bergen op Zoom haar verloren gebieden weer op. De prinsen van Oranje weigerden
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[31]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
dit belangrijke gebied echter op te geven. Wat volgde was een zeer lang slepend proces dat uiteindelijk eindigde in een overeenkomst waarbij de markiezen de tienden kregen toegewezen maar de prins de jurisdictie van het gebied behield. Hij werd Heer van Willemstad. Hiermee kwam het gebied, dat altijd tot het hertogdom Brabant had behoord, steviger onder Hollandse invloed te staan. De grenssituatie bleef echter complex en na het einde van de Tachtigjarige Oorlog werd dit niet beter. Het voormalige hertogdom Brabant werd na de Vrede van Munster uit elkaar gescheurd. Het noordelijke deel van het hertogdom werd als Staats-Brabant onderdeel van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en kreeg vanwege zijn status als veroverd katholiek gebied geen zelfbestuur toegekend. De grenzen van voor de Opstand werden hersteld en dit betekende dat het Markiezaat van Bergen op Zoom en de Baronie van Breda deel gingen uitmaken van deze zoge naamde Generaliteitslanden. Geertruidenberg, Zevenbergen, de Langstraat en het Land van Heusden en Altena bleven tot Holland behoren. In 1795 werd in navolging van de Franse Revolutie de Bataafse Republiek uitgeroepen. Na anderhalve eeuw van politieke achterstelling lukte het de Brabantse elite om als volwaardig gewest in deze nieuwe republiek te worden opgenomen.
In 1798 verdwenen de oude gewestgrenzen en werd het onderzoeksgebied als geheel onderdeel van het Departement van de Schelde en de Maas. Voor het eerst in de geschiedenis maakten alle polders deel uit van dezelfde bestuurlijke eenheid. In 1801 vond er opnieuw een wijziging in de indeling van de gewesten plaats maar ook nu behoorden alle polders tot hetzelfde gewest: Holland. Dit gold ook voor de ge bieden die tot het Markiezaat hadden behoord en nooit onderdeel van Holland waren geweest. De staten volgden elkaar in deze periode snel op. Na zijn verovering van de Bataafse Republiek , richtte Napoleon Bonaparte het Koninkrijk Holland op en installeerde zijn broer Lodewijk als koning. Opnieuw werd de indeling van de departementen gewijzigd. Op de dorpen noordelijk van de Bergsche Maas in het land van Heusden na, gingen alle historisch gezien Hollandse gebieden nu op in het departement Brabant. Toen het Koninkrijk Holland in 1810 werd ingelijfd bij het Franse Keizerrijk werd het departement Brabant weer opgesplitst en maakte het onderzoeksgebied deel uit van het westelijke departement Twee Neten. Toen Napoleon in 1813 werd verslagen en in 1815 het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd opgericht, werden de polders opnieuw, maar nu voor de laatste keer heringedeeld. Ze kwamen in de provincie Noord-Brabant te liggen.
Hier werd tevens het gehele land van Heusden aan toegevoegd waardoor de wateren Hollandsch Diep, Merwede en Maas de grens met (Zuid-)Holland gingen vormen. Op dat moment bestond het grootste deel van de huidige polders al.
2.3.5
Verdergaande inpolderingen
Ook na het begin van de Tachtigjarige Oorlog ging het inpolderen gestaag door. Aan de randen van de reeds bestaande (grote) polders werden kleinere aangelegd door het bedijken van aanwassen. Hiermee werd het zeegat tussen het vasteland rond Zevenbergen en het eiland van Fijnaart en Niervaart langzaam verkleind. Centraal in het plangebied werd het eil and Moerdijk rond 1600 bedijkt, waarbij het ook vastgemaakt werd aan het vasteland. Precieze dateringen van de polders van Moerdijk zijn helaas niet te geven; het is slechts bekend dat al deze polders in 1650 een gezamenlijke winterdijk kregen. 67 Oostelijk daarvan werden met de Emiliapolder (1645) en rond dezelfde tijd ook de Nieuwe Zwaluwsche Polder en de Keenpolder grote delen van gorzen aan de Amer ingepolderd. Ook langs de zeearm die de Mark vormde werden aanwassen ingepolderd. Na de inpoldering van de kleine Malthapolders (1687)
67
Van den Noort, 2006.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[32]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
en de Losekaatspolder (1688) waren er driekwart eeuw geen nieuwe inpolderingen meer. Alle hoog opgewassen gorzen leken te zijn bedijkt. Pas halverwege de 18 e eeuw werd de volgende stap gezet met het sluiten van het zeegat tussen het vasteland rond Zevenbergen en het eiland van Klundert. Van deze zeearm bleef nog een kanaal over dat de Verlamde Vaart (een verbastering van ‘verlande vaart’?) werd genoemd ten zuiden van Klundert en de Keen ten oosten ervan. In het uiterste westen werd het voormalige eiland nog uitgebreid met de grote Sabina Henricapolder uit 1786. Verder volgden opnieuw langs de randen kleine inpolderingen van aanwassen van voldoende hoogte. Exacte data van deze inpolderingen zijn vaak nie t te achterhalen, maar ze verschijnen wel op de kadastrale minuutplans. Enkele eilanden in de verdronken Grote Waard waren al dermate gegroeid dat men het aandurfde ze te bedijken en in ieder geval een deel van het jaar in gebruik te nemen. Het aanleggen van de kleine polders ging door tot in de 19 e en vroege 20 e eeuw. Het zeegat ten noorden van Hooge Zwaluwe bleef open tot na de Watersnoodramp, al werden steeds grote delen van de gorzen bedijkt. In de loop van 1953 werden de Polders van den Ham met een zeedijk omgeven. Dit was de laatste inpoldering in het gebied.
Figuur 16. Kaart van den verdronken Zuid-Hollandschen waard, behoorende bij het verbaal van commissarissen tot de designatie van de limieten der visscherijen van de graa flijkheid van Holland en den Prins van Oranje, gehouden in Augustus 1560. (Nationaal Archief, toegang 4.VTH, inventaris 1895A)
2.3.6
De polders in kaart
Het proces van inpoldering heeft grote invloed op het landschap en de daaruit volgende archeologische verwachting en is daarom in voorgaande paragrafen uitgebreid toegelicht. De ruimtelijke impact hiervan
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[33]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
is bepaald door de hiervoor beschreven gefaseerde inpoldering aan de hand van historisch bronnen - en kaartmateriaal 68 nauwgezet te karteren. Het resultaat daarvan is in figuur 17 in beeld gebracht.
Figuur 17. Gefaseerde inpoldering van het noordelijk deel van het plangebied.
Aan de hand van figuur 17 is goed te zien dat de polders die het dichtst tegen het Hoge (het zandgebied in het zuiden van het onderzoeksgebied) aanlagen het eerst zijn drooggelegd. De impact van de overstroming was hier het geringst, zodat men deze gronden - nadat het water van de Sint Elisabethsvloeden was weggezakt - al snel weer kon gebruiken. Aan het andere uiterste van het spectrum staan de Verlamde Vaart (tussen Fijnaart en Klundert), de polder Sabina Henrica (ten zuiden van Willemstad) en de Hamsepolders tussen Lage Zwaluwe en Drimmelen, waar het water nog lang klotste en die als laatste ingepolderd zijn, de Hamsepolders zelfs pas na de Watersnoodramp van 1953. Over het algemeen is te zien dat de polders een oude kern hebben, die naar de randen toe steeds jonger worden.
68
O.a. Van Ham & Leenders, 2018; https://www.regionaalarchiefdordrecht.nl/achtergronden/historische -atlas-van-de-biesbosch/; Koopmanschap e.a., 2011; Groot e.a., 2013; Renes, 1985.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[34]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 18. In de hoogtekaart (AHN) zijn de zeearmen en jongere aanwassen goed herkenbaar als relatief hoog gelegen zones (groengeel) in het Lage (blauw).
Interessant is ook de correlatie tussen de inpoldering en de hoogteligging van het maaiveld. Op de hoogtekaart (figuur 18) zijn de zeearmen rondom het eiland van Fijnaart en Niervaart nog goed herkenbaar. De jongere polders zijn over het algemeen iets hoger gelegen dan de oudere polders, zie bijvoorbeeld ten zuiden van Willemstad of ten oosten van Lage Zwaluwe. Ook de hoog opgeslibde jongste aanwassen langs het Hollandsch Diep zijn goed herkenbaar, evenals de slingerende Mark op de zuidgrens van het onderzoeksgebied, waar tussen de dijken veel sediment is afgezet . In de polders springen de dijken er op de hoogtekaart veelal haarscherp uit als hoge rechte lijnelementen (op figuur 18 zijn als voorbeeld twee dijken aangeduid). Ze vormen de begrenzingen tussen de afzonderlijke polders, aan de hand waarvan de contouren van de polders zoals ze op in figuur 17 zijn afgebeeld veelal nauwkeurig zijn te trekken. De extremen in hoogteligging worden gevormd door enerzijds de polders waar restanten van het oude veen bewaard zijn gebleven die als gevolg van bodemdaling (klink) diep zijn weg gezakt, versus het hoog opgespoten Industri e Park Moerdijk. De verschillen in hoogteligging kwamen helder tot uiting tijdens de Watersnoodramp van 1953.
Grote delen van het Lage in het onderzoeksgebied kwamen daarbij onderwater te staa n, terwijl de jongste polders en aanwassen vanwege hun hoogteligging droog bleven. Dat gold ook voor de dijken. Dit is geïllustreerd aan de hand van een aantal luchtfoto’s van kort na de ramp (zie figuur 19, figuur 20 en figuur 21).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[35]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 19. Moerdijk kort na de Watersnoodramp in 1953 gezien in westelijke richting. De buitendijkse gorzen liggen (alweer) droog, terwijl het water uit de polder door het gat in de dijk terugstroomt naar zee. Het gat is herkenbaar in het midden van de foto aan het kolkende water. (Collectie NIMH, nr. 2152_075_014).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[36]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 20. De polder Kwistgeld (1779) vanuit het noorden met rechts Lage Zwaluwe. Door zijn hoge ligging is de polder niet volledig overstroomd, hoewel de dijk aan de linkerzij de wel lijkt te zijn doorgebroken. Herkenbaar zijn ook de bregreppelde gorzen rond de polder. In het ondergelopen land steken de dijken van de verschillende polders grotendeels boven het water uit. (Collectie NIMH, nr. 2152_014_055).
Figuur 21. Hooge Zwaluwe kort na de Watersnoodramp in 1953, gezien vanuit het zuiden. Naar rechtsboven (achter de vliegtuigvleugel) opende het zeegat, waarin de dijkjes van de diverse polders te zien zijn. Alle zijn ze overstroomd. (Collectie NIMH, nr. 2152_014_038).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[37]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
2.4 Consequenties voor de archeologische verwachting De in voorgaande paragrafen geschetste paleo- en historisch geografische ontwikkeling, hebben logischerwijs grote invloed op de archeologische resten die nu in het landschap te verwachten zijn. Op basis van de ontwikkeling die de mens in de loop der tijd heeft doorgemaakt 69 en de wijze waarop het landschap is veranderd, zijn in onderstaande tabel 1 de zogenaamde “knikpunten” in de tijd weergegeven die van belang zijn voor de archeologische verwachting. Elk knikpunt representeert dus een moment waarop de mens of het landschap veranderde, evenals de weerslag van het menselijk gebruik van het landschap. Dat begint in het paleolithicum met een toendralandschap dat zich uitstrekte over het gehele onderzoeksgebied (en ver daar buiten). Vanaf het meso- en neolithicum wordt de basis gelegd voor een uitgesproken tweedeling van het gebied. Onder invloed van de Holocene klimaatsverbetering valt het Lage noordelijke deel ten prooi aan de invloed van de zee. In het Hoge zuidelijke deel vertaalt de invloed van de zee zich vooral in vernatting en daaruit volgende veengroei, maar vormt het pleistocene zand nog altijd de zichtbare basis van het landschap. Hoog en Laag ontwikkelden zich vanaf toen op een geheel eigen wijze, zowel landschappelijk als hoe de mens ermee omging.
Vandaar dat dit onderscheid in tabel 1 expliciet inzichtelijk is gemaakt. Periode
Het Hoge
Paleolithicum
Jager-verzamelaars trokken rond door een welvend toendra-landschap, gevormd door voorlopers van Rijn en Maas, lokale beken, smeltwaterstromen en zandverstuiving (dekzand). In de zuidelijke helft van het onderzoeksgebied dagzoomt dit landschap en zijn dus aan het maaiveld vindplaatsen uit deze periode te verwachten en ook aangetroffen (zie §4.1).
(tot 9700 v.Chr.)
Mesolithicum 9700 – 4900 v.Chr.
Neolithicum 4900 – 2000 v.Chr.
Het Lage
De start van het mesolithicum valt sam en met het begin van het Holoceen. Een periode waarin het klimaat drastisch verbeterde, de vegetatie zich uitbreid de en het landschap langdurig werd vastgelegd, waardoor alleen nog lokale processen van erosie en sedimentatie speelden. De mens trok nog altijd rond als jager-verzamelaar, maar specialiseerde zich op de veranderde flora en fauna . Deze situatie gold voor het gehele onderzoeksgebied. Tegen het eind van het mesolithicum had de zee in het westen van het gebied een wadden-achtig intergetijden landschap gevormd. De mens veranderde geleidelijk van rondtrekkende jager-verzamelaar in een plaatsvaste landbouwer. Hoewel er voor de zandgronden in westelijk Noord-Brabant aanwijzingen zijn voor landbouw in het vroeg neol ithicum 70, lijkt het waarschijnlijk dat de omvangrijke vorm van landbouw pas in het laat neolithicum op gang kwam 71. In het laatneolithicum, omstreeks 2750 voor Chr., sloot de Nederlandse kustlijn zich, waardoor de directe invloed van de zee afnam. Wel bleef de zee stijgen en daarmee de grondwaterspiegel. Op het Hoge begon in de beekdalen en geïsoleerde laagtes onder invloed van de vernatting veen te groeien. De hogere delen van het landschap waren nog altijd beschikbaar voor de mens, die hier gedurende een groot deel van het neolithicum waarschijnlijk nog als jagerverzamelaar rond trok.
In het Lage ontstond een kustmoeras dat geleidelijk dichtgroeide met veen. Dit perkte de gebruiksmogelijkheden voor de mens sterk (en snel) in, omdat ook de hogere delen van het landschap verdronken. Onderzoek lijkt uit te wijzen dat het pleistocene landschap in het Lage tot in het midden-neolithicum bewoonbaar is geweest 72 en daarna dus verdronk.
69
Gebaseerd op actuele wetenschappelijke inzichten (o.a. Ball & Van H eeringen, 2016) en gebiedseigen onderzoeksresultaten (zie hoofdstuk 4 en appendices 2 en 3). 70 Van der Linde, 2016; p.101. 71 Zie o.a. Louwe Kooijmans e.a. 2005; Van Ginkel & Theunissen, 2009. 72 Van der Linde, 2016: p.101.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[38]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Periode
Het Hoge
Bronstijd t/m vroege middeleeuwen
De landbouw was gemeengoed geworden, maar de technische mogelijkheden waren beperkt, zodat de mens vooral gebonden was aan wat het natuurlijk landschap te bieden had.
2000 v.Chr. – 1000 n.Chr.
Late middeleeuwen tot de Sint Elisabethsvloeden 1000 – 1421 n.Chr.
Vanuit de lagere delen kroop het veen de hogere delen van het zandlandschap op. Op den duur staken alleen de hoogste koppen nog door het veen heen. Deze waren alleen voor de mens bereikbaar wanneer ze aansluiting hadden met het pleistocene achterland. Dat gold eigenlijk alleen voor de hoge ‘gordel van Sterksel’. Dit is dan ook de enige plek waar sporen uit de late prehistorie (neolithicum, bronstijd en ijzertijd) zijn aangetroffen (zie §4.1 en appendix 2).
Het Lage
In het met veen dichtgegroeid kustmoeras had de mens in deze periode waarschijnlijk weinig te zoeken. Op het hoogtepunt stonden het veen in het kustmoeras en de veenkoepels op het Hoge met elkaar in verbinding.
Een periode van explosieve bevolkingsgroei en agrarische expansie . De bevolking en het technisch vernuft waren sterk gegroeid. Daardoor kon de mens grootschalig en definitief in de vorming van het landschap ingrijpen, al sloeg de natuur soms keihard terug. De venen in het Hoge werden afgegraven voor de turf. Hiervoor werden grote infrastructurele investeringen gedaan (turfvaarten, turfhoofden, etc.). De na het afgraven vrijgekomen zandgronden werden grootschalig ontgonnen voor de landbouw. Om de vele monden te voeden, werden de zandgronden grootschalig ontgonnen en bewust opgehoogd om een vruchtbaar dek te creëren. Daarvoor werd stadsafval aangevoerd, maar werden ook plaggen gestoken op de gemene gronden die daardoor sterk degradeerden. Omdat het veen was afgegraven was de grondwaterspiegel sterk gedaald, wat de zandgronden gevoelig maakte voor verstuiving. Zo ontstonden onbedoeld uitgestrekte stuifzanden, waarbij oude pleistocene landschappen werden weggeblazen en afgedekt.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
Het laagveen was niet geschikt als brandstof, maar werd wel voor agrarisch gebruik ontgonnen in langgerekte ‘maden’ vanuit een hogere basis zoals een donk of een aangelegde kade. De dorpen en steden in het gebied met een middeleeuwse oorsprong zijn hier duidelijk aan te koppelen. Door het fijnmazige net van slootjes en vlieten, werd het veen ontwaterd, resulterend in bodemdaling. Dit in combinatie met toenemende invloed van de zee vanuit het westen en bestuurlijke twisten, resulteerde tijdens de Sint Elisabethsvloeden in grootschalige overstromingen. Het makkelijk erodeerbare veen werd in het westen van het onderzoeksgebied (dicht bij de bron) weggeslagen en zo gingen grote gebieden verloren in de golven en ontstond een groot intergetijdengebied met slikken en gorzen. De Biesbosch is hiervan het laatste overblijfsel. Via de vlieten en vaarten kon het zeewater diep het land indringen. Inbraakkreken takten aan op de beekdalen, waardoor de lopen daarvan veranderden en diep tot in het Hoge klei werd afgezet. Richting het oosten nam de invloed van de overstroming af. Het land kwam daar wel onder water te staan, maar werd vrij snel ook weer in gebruik genomen. Dit is te herkennen aan de bewaard gebleven middeleeuwse ontginningspatronen.
[39]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Periode
Het Hoge
Het Lage
Nieuwe tijd
Op de meest marginale stuifzanden en natte beekdalen na, werden vrijwel alle zandgronden ontgonnen, resulterend in een lappendeken van kleine percelen.
Wanneer de slikken hoog genoeg tot gorzen waren opgeslibd werden ze ingepolderd en ontgonnen. Niet het fysisch landschap, maar het technisch vernuft bepaalde waar men ging wonen: aan de dijken en in nieuw aangelegde dorpen. De natuurlijke kreken en gegraven vlieten werden gebruikt om de gronden te bereiken.
Vanaf 1500 n.Chr.
Tabel 1. Vastgestelde archeo-landschappelijke knikpunten voor het onderzoeksgebied .
De voorgaande opsomming is schematisch als volgt te verbeelden:
Figuur 22. Schematische weergave van de archeo-landschappelijke ontwikkeling van het gebied.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[40]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
3 Landschappelijke basiskaart 3.1 Inleiding De in paragraaf 2.4 beschreven archeo-landschappelijke knikpunten, vormen een belangrijke aanzet voor het archeologisch verwachtingsmodel zoals dat verder wordt uitgewerkt in hoofdstuk 5. Tegelijkertijd maakt het overzicht met knikpunten in tabel 1 ook duidelijk, dat de ontwikkeling van het landschap van grote invloed is geweest op de gebruik smogelijkheden voor de mens. Bovendien is gebleken dat in grote delen van het onderzoeksgebied onder het huidige maaiveld een landschap schuilgaat, dat in het verleden ook door de mens is gebruikt. Een gedegen inzicht in de ontwikkeling en de vorm van het landschap in drie dimensies, is dus cruciaal om te weten waar welke archeologische resten te verwachten zijn en op welke diepte. Daarvoor is een goed ondergrondmodel nodig. Bestaande landschappelijke kaarten (geologische, geomorfologische en bodemkaarten) geven weliswaar een goede eerste indruk van het landschap en van de processen die er in het verleden gespeeld hebben, maar kennen tegelijkertijd een reeks beperkingen die ze voor gebruik als basis van een archeologische verwachtingskaart in dit gebied ongeschikt maken. •
Allereerst geven de beschikbare kaarten slechts inzicht in de ondiepe ondergrond. Begraven landschappen worden buiten beschouwing gelaten, zodra ze dieper gaan dan wat op de kaarten gekarteerd is. Dit maakt het onmogelijk een archeologische verwachting uit te spreken voor deze begraven landschappen.
•
Daarnaast kennen de kaarten veelal onvoldoende detail om te komen tot een archeologische verwachting die recht doet aan de werkelijkheid en dus goed onderbouwd is . Op de geomorfologische en bodemkaarten zijn eenheden op een bepaald schaalniveau gekarteerd, met behulp van de technieken die destijds (veelal jaren 1970 en 1980) beschikbaar waren. Inmiddels is het Actueel Hoogtebestand Nederland beschikbaar, op basis waarvan met veel meer detail de begrenzingen zijn vast te leggen.
•
Bestaande kaarten zijn niet vervaardigd met een archeologisch doel. Zo zijn s tuifzandgebieden aangeduid als aaneengesloten complexen, terwijl in wezen sprake is van zowel uitgeblazen zones en opgeblazen zones, met twee uiterste gevolgen voor de te verwachten archeologie: het oude landschap is respectievelijk weggewaaid of juist begraven geraakt.
•
De voor het gebied beschikbare gedetailleerde bodemkaarten 73 komen qua begrenzing al een stuk dichter bij de werkelijkheid, maar bedekken niet het hele grondgebied. Bovendien zijn ze bodemkundig van aard, wat een probleem vormt wanneer sprake is van opgebrachte zanddekken. Zones die duidelijk lager liggen kunnen op basis van een opgebracht dek met een hoger gelegen zone zijn samengevoegd tot een enkeerdgrond.
Deze vaststellingen vragen om een detaillering van de bestaande ondergrondmodellen. Daarom is besloten een nieuwe landschappelijke basiskaart te vervaardigen, die recht doet aan de paleogeografie van het gebied en de wijze waarop de mens daarvan gebruik heeft gemaakt. De daarbij gehanteerde werkwijze wordt hierna verder toegelicht.
73
Geraadpleegd via https://www.wur.nl/en/Library/Imagecollections/Collections/Map -Collection.htm
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[41]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
3.2 Kartering van landschappelijke eenheden aan het maaiveld Om te komen tot een gedetailleerde landschappelijke basiskaart, zijn de landvormen aan het huidige maaiveld opnieuw gekarteerd. Daarvoor is gebruik gemaakt van een combinatie van de verschillende beschikbare bronnen. In hoofdzaak is gebruik gemaakt van het Actueel Hoogtebesta nd Nederland (AHN). Op basis daarvan zijn landvormen nauwgezet te begrenzen (zie figuur 23). Waar grenzen onduidelijk of diffuus waren, is teruggevallen op bestaande geomorfologische en bodemkaarten. Van alle in GIS begrensde landvormen is de bron (of combinatie van bronnen) in de achterliggende attribuuttabel opgenomen.
Figuur 23. Voorbeeld van gekarteerde pleistocene en holocene landvormen op basis van het maaiveld reliëf (AHN) ten noorden van Etten-Leur.
Voorts is van alle begrensde landvormen de aard bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de regionale geomorfologische kaart, de beschikbare bodemkaarten, verschillende historische kaarten en de resultaten van de archeologische onderzoeken in het gebied (zie ook §4.2). Verder hebben bij de determinatie ook de paleo- en historisch geografische vaststellingen uit de voorgaande paragrafen een rol gespeeld. Zo zijn met behulp van het AHN en historische kaarten in het Lage nauwkeurig de kreken in beeld gebracht. Op het Hoge is zoveel mogelijk getracht het landschap te ontleden, zoals dat bestond voordat de (bemestings)zanddekken werden aangebracht om het akkerareaal uit te breiden. Daarnaast is gekeken naar de invloed die de stuifzandvorming op het oorspronkelijk landschap heeft
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[42]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
gehad. Tot slot is op het Hoge aangegeven waar (naar verwachting) oude afzettingen met eventuele vindplaatsen uit het paleolithicum dagzomen en dus resten uit het paleolithicum voor kunnen komen. Logischerwijs gaan op de grens tussen het Hoge en het Lage, de landvormen aan het maaiveld over van pleistocene naar holocene ouderdom. Het pleistocene landschap duikt op de grens immers weg onder het Holocene. Deze overgang is met name goed te zien in de noordelijke helft van de gemeente Etten-Leur, waar grofweg op de noordgrens van de bebouwde kom vrij strak de grens tussen hoog en laag loopt, maar richting het noorden nog enkele hoge pleistocene kopp en door de holocene afzettingen heen prikken (zie figuur 23).
3.3 Kartering van afgedekte landschappelijke eenheden De zandkoppen die nog door de holocene afzettingen heen prikken, zijn goed te karteren op basis van het AHN. Richting het noorden wordt het afdekkende pakket echter al snel dermate dik, dat van het pleistocene landschap niets meer aan het maaiveld doorschemert. Toch is duidelijk dat het pleistocene landschap ondergronds gewoon doorloopt. Uit verschillende archeologische onderzoeken van enige omvang blijkt dat het begraven pleistocene zand in het Lage (net als in het Hoge) rijk is aan opduikingen 74 die plaatselijk aanzienlijke hoogteverschillen kennen. 75 Inzicht in het begraven zandreliëf is zodoende waardevol, omdat daarmee de begrave n landvormen gekarteerd kunnen worden, op dezelfde wijze als dat in het Hoge met behulp van het AHN voor de pleistocene zanden aan het maaiveld is gedaan (§3.2). Voor grote delen van het onderzoeksgebied zijn gedetailleerde bodemkaarten beschikbaar, 76 waarop in veel gevallen de zanddiepte aangeduid. Deze zanddieptekaarten 77 zijn in GIS gedigitaliseerd en waar mogelijk (daar waar het zandreliëf nog aan het maaiveld doorschemert) met behulp van het AHN nog verfijnd. Dit heeft geresulteerd in een behoorlijk gedetailleerd inzicht in het begraven zandreliëf (zie figuur 24) voor een aanzienlijk deel van het Lage.
Dit inzicht is echter niet gebiedsdekkend, want grofweg ten noorden van de lijn Zevenbergen – Drimmelen zit het zand zo diep dat het enerzijds niet meer in de bodemkarteringen is aangetroffen en anderzijds dat de voorspellende waarde van het maaiveldreliëf ook snel aan waarde inboet. Voor dit gebied is het op basis van bestaande kaartgegevens dus bijzonder lastig om een voorspelling te doen over het pleistocene zandreliëf. Om dat op te lossen is gebruik gemaakt van gegevens van h et DINOloket. Hierin zijn vele diepe (geologische) boringen opgeslagen, waaraan een lithostratigrafische interpretatie (formatie van Boxtel, formatie van Naaldwijk, etc.) is toegekend. Hoewel dit veelal geautomatiseerd is gebeurd, geeft het in veel gevallen een redelijk inzicht in de bodemopbouw en de diepte van het pleistocene zand. Voor 'het Lage' zijn daarom alle beschikbare boringen uit DINO verzameld (2075 stuks) en is per boring de diepte van het pleistoceen bepaald. Via een aantal bewerkingsslagen (zie intermezzo) is zo een relatief 78 gedetailleerd beeld van het zandreliëf verkregen. Dit is vervolgens gebruikt voor het karteren van begraven pleistocene landvormen.
74
Bijvoorbeeld: De Boer, 2020; W olzak, 2019, Soms meer dan 1 meter over een afstand van 50 meter (Peeters & Hakvoort, 2020; p.27). 76 Geraadpleegd via https://www.wur.nl/en/Library/Imagecollections/Collections/Map -Collection.htm 77 Het betreft de gedetailleerde kaarten van: Niervaart, Zwaluwen en omstreken; Zevenbergen; Amerkant; Houtse Polders; Beneden Donge; Etten-Leur. 78 In verhouding tot het inzicht in het zandreli ëf op het Hoge met behulp van het AHN, is de mate van detail beperkt. In verhouding tot het inzicht in de zanddiepte zoals dat bestond op de bestaande verwachtingskaarten van Drimmelen en Moerdijk i s het inzicht vele malen groter geworden. 75
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[43]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Figuur 24. Uitsnede van de gedetailleerde zanddieptekaart “Houtse Polder” ten noorden van Terheijden .
Intermezzo: Op welke diepte ligt de DINO in het zand? Binnen het Lage in het onderzoekgebied staan in DINO 2075 boringen g eregistreerd. 1 Behalve een lithologische beschrijving (zand, veen, klei, etc.) is hieraan ook een lithostratigrafische interpretatie toegekend (formatie van Boxtel, formatie van Naaldwijk, etc.). Hoewel dit in DINO geautomatiseerd is gebeurd, geeft die interpretatie in veel gevallen toch een redelijke houvast over de bodemopbouw en de diepte van het pleistocene zand. Zodoende is per boring bepaald of het pleistoceen is aangeboord en zo ja, op welke diepte beneden het maaiveld. Dit is vervolgens ook nog omgerekend naar de hoogteligging ten opzichte van NAP, om te voorkomen dat een boring die is gezet op een hoog gelegen dijk een vreemde uitschieter in de ondergrond geeft. Aan de hand van deze waarden (diepte en NAP) zijn de boringen gethematiseerd (zie figuur 25). De dichtheid aan boringen bleek echter te laag en te wisselend om hier op deze wijze duidelijke patronen in te herkennen. Daarom zijn op basis van het boorgrid voronoi -polygonen berekend (een vlak waarvan vorm en omvang worden bepaald door de afstand van het boorpunt ten opzichte van de omringende boorpunten). Aan elk polygoon zijn de met de betreffende boring corresponderende waarden toegekend (pleistoceen diepte t.o.v. maaiveld en hoogte t.o.v. NAP).
Die heeft geresulteerd in een gethematiseerde kaart (figuur 25) waar wel duidelijke patronen in te herkennen zijn en hoogtes en laagtes zijn te onderscheiden. Het detailniveau hiervan is weliswaar veel slechter dan de zanddieptekaart op basis van de gedetailleerde bodemkarteringen, maar biedt tegelijkertijd wel een inzicht zoals dat voorheen nog niet bestond in het pleistocene reliëf.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[44]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Intermezzo: Op welke diepte ligt de DINO in het zand?
Figuur 25. De zanddiepte zoals bepaald op basis van de DINO -boringen en gedetailleerde bodemkarteringen.
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[45]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Ondanks het grote aantal boringen, bleef de resolutie voor het grote onderzoeksgebied beperkt. Als gevolg daarvan zijn de voronoi-polygonen op de zanddieptekaart veelal groot en hoekig van vorm. Daarom is besloten deze vlakken niet één op één over te nemen, maar te gebruiken als basis voor het handmatig karteren van het pleistocene reliëf. Daartoe is de zanddieptekaart als het ware door de oogharen bekeken om op basis van 'expert judgement' meer afgeronde landvormen te karteren. Hierbij is sterk geleund op de kennis over de pleistocene landvormen zoals die in de zuidelijker delen van de gemeenten aan het maaiveld zijn gekarteerd (zie §3.2). Daar is sprake van langgerekte west-oost georiënteerde zandruggen en paraboolduinen en deze patronen zijn ook te herkennen in het begraven zandreliëf. Zo is in de Oude Fijnaartpolder (ten westen van Noordhoek) bijvoorbeeld een paraboolvorm in het pleistocene reliëf te herkennen, terwijl bij Zevenbergschen Hoek meer sprake is van een langgerekte rug.
Figuur 26. Uitsnede van de zanddieptekaart ten noorden van Fijnaart, waarop een typische paraboolvorm in het zandreliëf te herkennen is.
Op deze wijze is de zanddieptekaart voor 'het Lage' omgezet in een "indicatieve" pleistocene basiskaart. Dat wil zeggen dat de ‘aard’ van een landvorm indicatief is. De exacte aard hangt namelijk af van de specifieke sedimentkarakteristieken en bodemopbouw en daarin bestaat geen vlakdekkend inzicht. Wel is getracht met behulp van concrete velddata uit de archeologische onderzoeken en de veldtoets de aard zoveel mogelijk te concretiseren. Bij de veldtoets is bijvoorbeeld gebleken dat zowel sprake is van opduikingen bestaande uit fluviatiele afzettingen als uit dekzand (zie §3.4). Bij archeologisch booronderzoek op de Markt in Zevenbergen is bijvoorbeeld vastgesteld dat richting het zuiden het dekzand omhoog komt en is geconcludeerd dat sprake lijkt van een dekzandrug waarop de kern van de latere middeleeuwse stad gelegen is. 79 Direct ten zuiden daarvan werd in proefsleuven het dekzand aangetroffen onder verstoorde/ophogingslagen. 80 Het dekzand helde richting het zuiden af en dat bleek ook weer bij een direct ten zuiden hiervan gelegen opgraving. 81 Op het hoogste punt van deze dekzandrug werd geen veen en/of zeeklei vastgesteld, wat betekent dat de rug waarschijnlijk altijd boven het veen heeft uitgestoken. Op basis van al deze onderzoeksgegevens, gecombineerd met de
79
Koopmanschap & Craane, 2015; p.33. Koopmanschap & Craane, 2014; p.18. 81 Colijn & Koopmanschap, 2018; p.14-15. 80
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[46]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
zanddieptekaart van Zevenbergen en de DINO-boringen, is de pleistocene ondergrond van Zevenbergen globaal gekarteerd.
Behalve afdekking ook erosie In het zeekleigebied heeft behalve afdekking ook erosie plaatsgevonden. Zo is op de zanddieptekaar t in het noordwesten van de gemeente Moerdijk een rand herkenbaar ten noorden waarvan het zand ineens integraal lager ligt. Deze rand blijkt behoorlijk goed overeen te komen met het wadden-achtige oer-getijdengebied zoals zich dat omstreeks 5500 v. Chr. ha d gevormd (zie figuur 27). Aangezien het zand hier ineens abrupt lager en relatief vlak ligt, kan geconcludeerd kan worden dat de zee destijds al een deel van het pleistocene landschap heeft opgeruimd. Ten zuiden van deze lijn ligt het zand hoger en zijn meer hoogteverschillen te herkennen. Daar lijkt het pleistocene landschap in hoofdzaak nog intact, met uitzondering van de zones die door latere erosie zijn aangetast.
Figuur 27. Op de zanddieptekaart (links) is in het noordwesten van de gemeente Moerdijk een rand te zien (blauwe stippellijn) die overeenkomt met de zuidgrens van het estuarium zoals dat omstreeks volgens de paleogeografische kaart (rechts) omstreeks 5500 v. Chr. bestond (bron: DINO respectievelijk Vos e.a., 2018).
Zoals beschreven in paragraaf 2.2.2 drong de zee tijdens de Sint Elisabethsvloeden ook in de 15 e eeuw opnieuw diep het gebied binnen. Daarbij is het oude landschap wederom geërodeerd. In eerste instantie zal daarbij het veen zijn weggeslagen, maar plaatselijk is ook het onderliggende dekzand hierbij aangetast. Dit is zeker te verwachten in de gebieden die langdurig onder invlo ed van het water bleven staan, zoals de binnenzeeën van de Biesbosch en de Donge. Afgaande op een reeks historische kaarten was de Binnenzee van de Donge omstreeks 1625 al weer grotendeels dichtgeslibd, 82 maar de Biesbosch (de kern van het overstromingsgebied) bleef lang dynamisch en nam eigenlijk pas in de loop van de 20 e eeuw haar huidige vorm aan (zie figuur 28). Hier wordt daarom geen intact begraven landschap meer verwacht. Hetzelfde geldt voor de grote inbraakgeulen van de Amer, de Mark en de Verlamde Vaart. Bij verschillende onderzoeken is gebleken dat zelfs in de uitlopers van de getijdengeulen, aan de randen van het overstromingsgebied, de verwoestende kracht van het water groot kon zijn, waardoor niet
82
https://www.regionaalarchiefdordrecht.nl/achtergronden/historische -atlas-van-de-biesbosch/
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[47]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
alleen het veenlandschap maar ook het onderliggende dekzand werd geërodeerd. 83 Tegelijkertijd is bij de veldtoets (zie §3.4) in een kreek een intact dekzandlandschap met een natte podzolgrond aangeboord. Dit toont aan dat veel variatie in de mate van erosie kan zijn en dat dit op voorhand lastig te voorspellen is.
Figuur 28. De Biesbosch bleef eeuwenlang een dynamisch gebied waar het water v rij spel had (Michels, 1973).
3.4 Veldtoets Om de hiervoor beschreven resultaten van de karteringen aan en onder het maaiveld te controleren en onduidelijkheden op te lossen, heeft een veldtoets plaatsgevonden. Daarbij zijn de vier gemeenten van Hoog naar Laag doorkruist, waarbij op 130 locaties inspecties van het reliëf hebben plaatsgevonden en in totaal 29 handmatige grondboringen zijn verricht. De minst diepe boring reikte tot iets meer dan een halve meter in het dekzand, terwijl de diepste boring tot 4.5 m –mv is doorgezet in een getijdekreek. Het aandeel boringen in het Lage is relatief beperkt. Dit enerzijds vanwege de reeds beschikbare DINO-boringen en anderzijds omdat voor het zetten van de boringen zoveel mogelijk gebruik is
83
Onderzoek in Oosterhout toont dat de zee tot aan de historische kern van Oosterhout het dekzand heeft geërodeerd ( Nales, 2009; p.13). Onderzoek bij Zonzeel, waar het dekzand onder de jonge zeeklei wegduikt, toonde een getijdengeul waar het dekzand geërodeerd was (Van Putten, 2018; p.70/72).
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[48]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
gemaakt van stroken natuur 84 zonder particuliere eigenaar (vooral bos) en die zijn in het Lage schaars. De uitgebreide resultaten van de veldinspectie zijn opgenomen in appendix 1a t/m d. Hier wordt volstaan met een beknopte toelichting op de belangrijkste resultaten in het Hoge en Lage. Het Hoge In het Hoge bleek de kartering op basis van het AHN (en andere bronnen) goed te kloppen. De reliëfverschillen zijn ook in het veld vaak goed herkenbaar, wat de keuze om te karteren op basis van het AHN bestendigt. Temeer omdat ook opgebrachte esdekken zijn aangetroffen die oorspronkelijk moerige gronden afdekken (waarnemingspunt 118, boring 28), wat betekent dat de bodemkaart een vertekend beeld geeft van het oorspronkelijk landschap. 85 Op detail zijn grenzen aangepast of is de interpretatie van een eenheid aangepast. In figuur 29 is een impressie gegeven van het landschap in het Hoge.
Figuur 29. Impressie van het Hoge landschap. Linksboven: reliëfverschillen worden weerspiegeld in landgebruik en vegetatie; rechtsboven: een boring waarin vaalgeel stuifzand (rechts) een bijna intacte podzolbodem (links) afdekt; linksonder: historische bebouwing volgt het reliëf; rechtsonder: kleiwinputten duiden de aanwezigheid van oude fluviatiele afzettingen ondiep in de ondergrond.
84 85
Voor boringen in landbouwpercelen bestond geen betredingstoestemming. Dit is ook vastgesteld in de gemeente Alphen-Chaam (Ellenkamp, 2020)
RAAP-rapport 6065 / versie 11-05-2023
[49]
Verdronken en teruggewonnen. Actualisatie van de archeologiekaarten van de gemeenten Etten-Leur, Oosterhout, Moerdijk en Drimmelen
Er is sprake van een duidelijke koppeling tussen de landschappelijke basis en het landgebruik, met bewoning en beakkering op de welvingen en ruggen. Ook is bevestigd dat op grote schaal oude fluviatiele afzettingen in het gebied voorkomen (zie §2.2.1). Daarop wijzen zowel de boringen waarin deze sedimenten zijn aangetroffen (zie appendix 1c), als de grootschalige afgravingen in de gemeente Oosterhout ten dienste van de steen- en pottenbakkerij, die een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van Oosterhout 86. Ook de donk in het Zwermlaken (gemeente Etten-Leur) blijkt geen dekzandrug, maar een opduiking met relatief lemige fluviatiele afzettingen. Tebbens 87 beschrijft dat in West-Brabant op meer plekken sprake is van een soort door erosie uitgep repareerde kleiige ‘getuigebergen’. 88 De oude fluviatiele afzettingen op het Kempisch Hoog bestaan uit een afwisseling van zand, grind en klei. De zandige afzettingen waren het makkelijkst erodeerbaar, terwijl de kleivoorkomens daar meer weerstand aan boden. Hierdoor ontstond het welvende landschap, met door erosie uitgeprepareerde kleiafzettingen. De opduikingen in het noorden van de gemeente Etten -Leur kunnen op basis van de sedimentkarakteristieken dus ook als getuigenbergen aangemerkt worden.
Het is echter lastig gebleken om zonder velddata het onderscheid tussen oudere terrasafzetting swelvingen en dekzandwelvingen te maken. Dit heeft implicaties voor de verwachting van paleolithische resten. Het landschap uit die tijd dagzoomt weliswaar, maar is niet goe d gekarteerd. Dat betekent dat de voorkeurslocaties voor paleolithische resten op voorhand niet goed voorspeld kunnen worden. Er moet dus in algemene zin van uitgegaan worden dat deze resten hier kunnen voorkomen. Voorts is gebleken dat veel reliëfrijke gebieden bestaan uit stuifzand in wisselende diktes. In het stuifzand is sprake van zowel afgetopte als afgedekte bodems. Het dekzandlandschap is hier dus ofwel verwaaid, ofwel intact begraven onder jong stuifzand, wat van grote invloed is op de archeologisc he verwachting. Het Lage De overgang van Hoog naar Laag is markant, omdat het kleinschalige reliëfrijke zandlandschap vrij abrupt overgaat in de open en grootschalige vlakke polders van het Lage (figuur 30). Voor een geoefend oog is her en der te zien dat het wegduikende zand reliëf nog door de klei heen prikt, maar dit wordt richting het noorden snel gemaskeerd, zodat de zanddieptekaart nodig is om iets over het zandreliëf te zeggen. Uit de veldtoets is echter gebleken dat de absolute zanddiepte alleen niet volstaat. Het gaat om de relatieve hoogteverschillen.
De kleine zandopduikingen hebben niet of nauwelijks invloed het landgebruik. Zo zijn in het noordoosten van de gemeente Etten-Leur enkele kleine zandopduikingen vastgesteld die slechts door een dunne laag klei begraven worden, maar desondanks volledig opgaan in het polderlandschap. In zijn algemeenheid valt op dat in de polders de inrichting niet of nauwelijks verband houdt met het natuurlijk reliëf. De oorzaak hiervoor ligt (zoals beschreven in §2.3) in het feit dat het geen langdurig gebruikt natuurlijk landschap is, maar grootschalig ontgonnen polders met planmatig aangelegde dorpen . De huidige verschijningsvorm is vooral het resultaat van historische verwikkelingen (zie hoger). Daarbuiten is de bebouwing in hoofdzaak gekoppeld aan de dijken die de grootste hoogteverschillen vormen in het gebied. Die dijken behoeden de polders voor verdere overstroming, wat echter niet wil zeggen dat er geen sediment meer wordt afgezet. Dat gebeurt nog altijd, maar nu tussen de dijken. Dit blijkt bijvoorbeeld goed uit de ruim zes meter hoge dijk langs het Hollandsch Diep. De gronden binnendijks liggen meer dan twee meter lager dan de gronden buitendijks. Een vergelijkbaar beeld is ook te zien langs de kleinere inbraakgeulen. Tussen de dijken van de Verlamde Vaart ligt het maaiveld bijna een meter